Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 7 MEI 1991. - ORGANISATIONEN DANSKE SLAGTERIER TEGEN LANDBRUGSMINISTERIET. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: OESTRE LANDSRET - DENEMARKEN. - OVERMACHT - ONDERBREKING VAN BEVOORRADING TEN GEVOLGE VAN EEN STAKING. - ZAAK C-338/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02315
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Uitvoercertificaten met voorfixatie - Exporteur die zijn verplichtingen niet kan nakomen wegens staking buiten zijn onderneming, waardoor zijn grondstoffenvoorziening wordt geraakt - Verzoek om verlenging - Moeilijkheid van beoordeling van risico' s van vóór indiening van certificaataanvraag gedane stakingsaanzegging - Geval van overmacht - Geen
(Verordening nr. 3183/80 van de Commissie, art. 36 en 37)
SamenvattingDe artikelen 36 en 37 van verordening nr. 3183/80 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten, moeten aldus worden uitgelegd, dat geen overmacht kan worden aangenomen wanneer de grondstoffenvoorziening van een onderneming die een voorfixatiecertificaat heeft gekregen, komt stil te liggen als gevolg van een wettige staking in een andere onderneming, indien de staking op het moment van indiening van de certificaataanvraag al was aangezegd en uit die aanzegging bleek dat de staking tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zou kunnen beginnen, doch de mogelijkheid bestond dat zij niet zou doorgaan of voor de betrokken onderneming geen gevolgen zou hebben.
Immers, in de specifieke context van die bepalingen is onder het begrip overmacht weliswaar niet enkel volstrekte onmogelijkheid te verstaan, doch voor het aannemen van overmacht is niettemin vereist, dat het niet-intreden van het betrokken feit te wijten is aan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.
PartijenIn zaak C-338/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het OEstre Landsret, in het aldaar aanhangig geding tussen
Organisationen Danske Slagterier, optredend namens de vennootschap Jaka, Jydske Andelsslagteriers Konservesfabrik AmbA,
en
Landbrugsministeriet,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 36 en 37 van verordening (EEG) nr. 3183/80 van de Commissie van 3 december 1980 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (PB 1980, L 338, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins en J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: V. Di Bucci, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Organisationen Danske Slagterier, vertegenwoordigd door A. Philip, advocaat te Kopenhagen,
- de Deense regering, met name Landbrugsministeriet, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Molde als gemachtigde, bijgestaan door O. Fentz, Kammeradvokat, en S. Skov Knudsen, advocaat te Kopenhagen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. F. Buhl als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Organisationen Danske Slagterier, de Deense regering, met name Landbrugsministeriet, en de Commissie ter terechtzitting van 22 november 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 8 september 1989, ingekomen bij het Hof op 31 oktober daaraanvolgend, heeft het OEstre Landsret krachtens artikel 177 EEG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 36 en 37 van verordening (EEG) nr. 3183/80 van de Commissie van 3 december 1980 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (PB 1980, L 338, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Organisationen Danske Slagterier (Organisatie van Deense slachterijen; hierna: "ODS"), optredend namens de Deense vennootschap Jydske Andelsslagteriers Konservesfabrik AmbA (Jutse conservenfabriek van cooeperatieve slachterijen; hierna: "Jaka"), en Landbrugsministeriet (het Deense Ministerie van Landbouw; hierna: "het Ministerie") over de weigering van het Ministerie om de geldigheidsduur te verlengen van een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie.
3 Artikel 36, lid 1, van verordening nr. 3183/80 bepaalt:
"Wanneer als gevolg van overmacht de invoer of uitvoer niet kan plaatsvinden tijdens de geldigheidsduur van het certificaat, vraagt de titularis de bevoegde instantie van de Lid-Staat die het certificaat heeft afgegeven de geldigheidsduur daarvan te verlengen of het certificaat te annuleren, en levert hij het bewijs van de als overmacht beschouwde omstandigheid."
Volgens artikel 36, lid 4, beslist de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie of de aangevoerde omstandigheid als overmacht wordt erkend.
4 Artikel 37, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
"Wanneer de aangevoerde omstandigheid een geval van overmacht is, besluit de bevoegde instantie van de Lid-Staat die het certificaat heeft afgegeven, hetzij dat de verplichting tot invoer of uitvoer wordt geannuleerd, waarbij de waarborg wordt vrijgegeven, hetzij dat de geldigheidsduur van het certificaat wordt verlengd met de termijn die op grond van de aangevoerde omstandigheid nodig wordt geacht; de verlenging kan plaatsvinden na het verstrijken van de geldigheidsduur van het document. Het besluit van de bevoegde instantie kan afwijken van het door de titularis gevraagde besluit. Wanneer een aanvraag tot annulering van een certificaat, met vaststelling vooraf, meer dan dertig dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat is ingediend, kan de bevoegde instantie besluiten het certificaat niet te annuleren maar de geldigheidsduur ervan te verlengen indien het vooraf vastgestelde bedrag, vermeerderd met de eventuele aanpassingen, lager is dan het bedrag op de dag van het besluit wanneer het een toe te kennen bedrag betreft, of hoger is dan het bedrag op die dag wanneer het een te heffen bedrag betreft."
5 Jaka, die onder meer gekookte hamconserven produceert en exporteert, betrekt haar grondstoffen in de regel van drie Deense slachterijen waaraan zij in eigendom toebehoort. Zij maakt steeds gebruik van voorfixatiecertificaten voor restituties bij export uit de Gemeenschap.
6 Op 25 februari 1985 verzocht Jaka het Ministerie om een voorfixatiecertificaat voor 700 ton hamprodukten. Het certificaat werd haar op 4 maart daaraanvolgend afgegeven en was geldig tot en met 31 mei 1985.
7 Vóór de indiening van die certificaataanvraag had de hoofdorganisatie van werknemers (Landsorganisationen i Danmark; hierna: "LO") in het kader van de onderhandelingen over de vernieuwing van de voor circa 80 % van de Deense werknemers geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, die op 1 maart 1985 zouden aflopen, op 13 en 21 februari 1985 de eerste respectievelijk tweede stakingsaanzegging gedaan. De naar behoren aangezegde stakingen zouden op 4 maart 1985 beginnen.
8 De van overheidswege aangestelde bemiddelaar schortte de stakingen op en voerde tot 21 maart onderhandelingen met de werkgevers- en werknemersorganisaties. Nadat de onderhandelingen waren vastgelopen, braken op 24 maart 1985 de stakingen uit. Jaka en de slachterijen vielen niet onder de cao' s waarover werd onderhandeld, en werden niet door de stakingen getroffen. De stakingen troffen echter wel het vervoer van en naar alsmede de schoonmaak in de slachterijen, die zich bijgevolg genoopt zagen te sluiten en hun leveranties stop te zetten. Vanaf 1 april 1985 moest Jaka derhalve het werk stilleggen en eerst vanaf 15 april kon zij de produktie geleidelijk weer hervatten.
9 In de periode na 15 april was Jaka niet in staat, tijdig de hoeveelheid conserven te produceren die noodzakelijk was om te voldoen aan haar exportverplichtingen ingevolge het op 31 mei 1985 aflopende certificaat. Indien er niet was gestaakt, zo blijkt uit een in het kader van het hoofdgeding verricht deskundigenonderzoek, zou Jaka' s capaciteit voldoende zijn geweest om aan die verplichtingen te voldoen, maar als gevolg van de stakingen en in aanmerking genomen haar overige verkoopverplichtingen kon Jaka op zijn vroegst op 5 juli 1985 de in het betrokken certificaat genoemde hoeveelheid conserven produceren.
10 Op 3 juni 1985 verzocht Jaka om verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat tot 12 juli. Op 14 juni 1985 wees het Ministerie dit verzoek af met de mededeling, dat de gevolgen van de stakingen zich niet zo lang konden doen gevoelen. De uit het certificaat voortvloeiende verplichtingen werden evenwel opgeheven, met vrijgifte van de waarborg, ofschoon het Ministerie later heeft erkend dat dit een vergissing was. Op 26 juli 1985 werd de export van de in het certificaat genoemde hoeveelheid conserven door Jaka voltooid.
11 Nadat het Ministerie een door Jaka ingediend bezwaar had afgewezen, wendde de ODS zich namens Jaka tot het OEstre Landsret met het verzoek, het Ministerie te gelasten te erkennen, dat Jaka wegens overmacht verhinderd was geweest aan de uit het betrokken certificaat voortvloeiende exportverplichtingen te voldoen, dat het Ministerie gehouden was geweest de geldigheidsduur van bedoeld certificaat te verlengen, en dat Jaka ingevolge de door haar in juli 1985 verrichte export recht had op de vooraf vastgestelde restitutie.
12 Daarop heeft het OEstre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moeten de artikelen 36 en 37 van verordening nr. 3183/80 van de Raad aldus worden uitgelegd, dat er sprake is van overmacht wanneer de grondstoffenvoorziening van een onderneming die een voorfixatiecertificaat heeft verkregen, komt stil te liggen als gevolg van een wettige staking in een andere onderneming, wanneer de staking op het moment van indiening van de certificaataanvraag al was aangezegd en uit die aanzegging bleek dat de staking tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zou kunnen beginnen, doch de mogelijkheid bestond dat de staking voor de onderneming geen gevolgen zou hebben (bij voorbeeld dank zij nieuwe onderhandelingen, uitmondend in de sluiting van een overeenkomst, uitstel van de staking, uitzonderingen op de staking voor wat betreft het vervoer van dieren naar en de afvoer van de produkten uit het bedrijf, alsmede wettelijk ingrijpen in de staking) ?
2) Beperken de artikelen 36 en 37 de duur van de periode waarin de gevolgen van een beëindigde staking als overmacht kunnen worden beschouwd in het geval dat de capaciteit van de onderneming bij het ingaan van de staking en daarna volledig is benut, wanneer de voor de produktie van de onderneming noodzakelijke inkoop tijdens de staking onmogelijk is en inkoop in de vorm van eindprodukten tijdens en na de staking evenmin mogelijk is ?
3) Kunnen uit de relevante bepalingen van het EEG-Verdrag elementen worden afgeleid ter beantwoording van de vraag, met welke overwegingen de bevoegde autoriteit rekening moet houden wanneer zij in geval van een overmachtssituatie op grond van artikel 37 heeft te beslissen, of de uitvoerverplichting moet worden opgeheven, met vrijgifte van de waarborg, dan wel of de geldigheidsduur van het voorfixatiecertificaat moet worden verlengd overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van de exporteur ?
4) Heeft de bevoegde autoriteit een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het belang van de verschillende elementen die zij volgens het antwoord op vraag 3 bij haar beslissing in aanmerking heeft te nemen ?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
14 Vooraf zij opgemerkt, dat de vrijgifte van de door Jaka gestelde waarborg blijkens het dossier was toe te schrijven aan een vergissing van de Deense autoriteiten, en dat volgens de ter terechtzitting verstrekte inlichtingen naar Deens recht intrekking van een - op de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid gebaseerde - begunstigende beschikking is uitgesloten, zodat niet kan worden teruggekomen van het besluit de waarborg vrij te geven. Waar echter geen van de gestelde vragen betrekking heeft op de aan de vrijgifte van de waarborg verbonden rechtsgevolgen of op de verenigbaarheid van de betrokken nationale regel met het gemeenschapsrecht, behoeft hierop niet te worden ingegaan.
De eerste vraag
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft het begrip overmacht op de verschillende gebieden van het gemeenschapsrecht niet dezelfde inhoud. De betekenis ervan moet derhalve worden vastgesteld met inachtneming van het wettelijk kader waarin het bestemd is effect te sorteren.
16 Meer in het bijzonder met betrekking tot de artikelen 36 en 37 van verordening nr. 3183/80 heeft het Hof reeds verklaard, dat onder het begrip overmacht weliswaar niet enkel volstrekte onmogelijkheid is te verstaan, doch dat voor het aannemen van overmacht niettemin is vereist, dat het niet-intreden van het betrokken feit te wijten is aan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden (zie laatstelijk het arrest van 10 juli 1990, zaak C-334/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-2849).
17 Een staking in een andere onderneming dan die van de certificaathouder moet in het algemeen worden beschouwd als een aan de certificaathouder vreemde omstandigheid, daar deze geen invloed kon uitoefenen op de gebeurtenissen die tot het stilleggen van het werk hebben geleid.
18 Wat daarentegen de overige door het Hof geformuleerde voorwaarden betreft, moet worden opgemerkt, dat een staking die naar behoren is aangezegd en waarvan blijkens die aanzegging niet is uitgesloten, dat zij ook sectoren zal treffen die voor de werkzaamheden van de certificaathouder van belang zijn, geen abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis is.
19 Onder verwijzing naar de feiten van het hoofdgeding heeft de ODS betoogd, dat de enkele omstandigheid dat in het kader van de onderhandelingen over de vernieuwing van de Deense cao' s tot twee maal toe een stakingsaanzegging wordt gedaan, nog niet betekent, dat het uitbreken van stakingen ook waarschijnlijk moet worden geacht. Het zou hier gaan om een vaste gewoonte, die verband houdt met de omstandigheid dat cao-onderhandelingen in de regel pas vlak voor afloop van de lopende cao worden afgesloten.
20 Gezien de ter terechtzitting verstrekte inlichtingen moet er evenwel van worden uitgegaan, dat de door de ODS geschetste praktijk niet betekent, dat het uitbreken van een staking in een groot aantal sectoren van de nationale economie alsmede de gevolgen van die staking voor de certificaathouder als een abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis zijn te beschouwen. De laatste dertien keer dat er in Denemarken over de vernieuwing van de cao' s is onderhandeld, hebben de vakbonden immers steeds stakingen aangezegd en in drie van de dertien gevallen is er ook werkelijk gestaakt.
21 In dit verband kan evenmin beslissende betekenis worden toegekend aan de door de verwijzende rechter geopperde mogelijkheid, dat de staking voor de betrokken onderneming geen gevolgen zou hebben, bij voorbeeld dankzij nieuwe onderhandelingen, uitstel van de staking dan wel dispensatie voor het vervoer van dieren of levensmiddelen. Gelijk het Hof verklaarde in zijn arrest van 11 juli 1968 (zaak 4/68, Schwarzwaldmilch, Jurispr. 1968, blz. 526), is een gebeurtenis abnormaal wanneer een verstandig en voorzichtig handelaar haar als onwaarschijnlijk moest beschouwen. Dit is echter niet het geval wanneer de mogelijkheid dat een op zich voorzienbare staking voor een bepaalde handelaar geen gevolgen heeft, afhankelijk is van andere gebeurtenissen die aan de invloed van de betrokken handelaar zijn onttrokken en waarvan niet zeker is dat zij zullen intreden, getuige de in de onderhavige procedure geschetste praktijk van de Deense vakbonden.
22 Bovendien, aldus ook de advocaat-generaal in de punten 23 en 24 van zijn conclusie, had in een situatie als die van het hoofdgeding de exporteur de gevolgen van de staking kunnen vermijden door geen voorfixatiecertificaat aan te vragen en in plaats daarvan genoegen te nemen met de restitutie volgens het op de datum van uitvoer geldende tarief.
23 Het argument van de ODS, dat de Deense exporteurs hierdoor in feite de mogelijkheid om voorfixatiecertificaten aan te vragen, zou worden onthouden, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie het arrest van 26 april 1988, zaak 316/86, Kruecken, Jurispr. 1988, blz. 2213) is die mogelijkheid ingevoerd in het belang van de rechtszekerheid van uitvoertransacties: deze moeten kunnen worden afgewikkeld onder voorwaarden die de handelaar bekend zijn en die hem de garantie geven, dat de communautaire prijs overeenstemt met de prijs op de wereldmarkt. Deze algemene waarborg dient de handelaar te beschermen tegen een ongunstige ontwikkeling die bij het sluiten van de overeenkomst niet voorzienbaar was, doch zonder hem - behoudens uitzonderlijke omstandigheden - de mogelijkheid te verschaffen voordeel te trekken uit een gunstige ontwikkeling. Waar de handelaren derhalve aan het stelsel van voorfixaties aanzienlijke voordelen ontlenen, is het ook gerechtvaardigd dat zij de aan dit stelsel verbonden risico' s dragen.
24 Van een handelaar die, gelet op de specifieke omstandigheden van zijn onderneming, de marktsituatie of zelfs buiten zijn invloedssfeer gelegen economische of sociale gebeurtenissen, niet kan instaan voor de uitvoering van de voorgenomen exporttransactie, mag derhalve worden verwacht, dat hij geen voorfixatiecertificaat aanvraagt. Besluit hij desondanks een dergelijk certificaat aan te vragen, dan moet hij ook de consequenties aanvaarden die de gemeenschapsregeling aan de niet-nakoming van de uit het certificaat voortvloeiende exportverplichting verbindt, zoals de verbeurte van de waarborg. Hieruit volgt, dat aan het stelsel van uitvoercertificaten voor landbouwprodukten de gedachte ten grondslag ligt, dat het in bepaalde gevallen gerechtvaardigd is, de marktdeelnemers op grond van buiten hun invloedssfeer gelegen omstandigheden de mogelijkheid om voorfixatie aan te vragen, te onthouden, op voorwaarde dat die omstandigheden niet abnormaal of onvoorzienbaar zijn.
25 Mitsdien moet de eerste vraag van het OEstre Landsret worden geantwoord, dat de artikelen 36 en 37 van verordening nr. 3183/80 aldus moeten worden uitgelegd, dat geen overmacht kan worden aangenomen wanneer de grondstoffenvoorziening van een onderneming die een voorfixatiecertificaat heeft gekregen, komt stil te liggen als gevolg van een wettige staking in een andere onderneming, indien de staking op het moment van indiening van de certificaataanvraag al was aangezegd en uit die aanzegging bleek dat de staking tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zou kunnen beginnen, doch de mogelijkheid bestond dat zij niet zou doorgaan of voor de betrokken onderneming geen gevolgen zou hebben.
26 Gezien het antwoord op de eerste vraag behoeven de overige vragen niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kostenKosten
27 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het OEstre Landsret bij beschikking van 8 september 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De artikelen 36 en 37 van verordening (EEG) nr. 3183/80 van de Commissie van 3 december 1980 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer-, en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten, moeten aldus worden uitgelegd, dat geen overmacht kan worden aangenomen wanneer de grondstoffenvoorziening van een onderneming die een voorfixatiecertificaat heeft gekregen, komt stil te liggen als gevolg van een wettige staking in een andere onderneming, indien de staking op het moment van indiening van de certificaataanvraag al was aangezegd en uit die aanzeging bleek dat de staking tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zou kunnen beginnen, doch de mogelijkheid bestond dat zij niet zou doorgaan of voor de betrokken onderneming geen gevolgen zou hebben.
Top