Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 7 MEI 1992. - PROCURATOR FISCAL, ELGIN TEGEN KENNETH GORDON WOOD EN JAMES COWIE. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: SHERIFF COURT OF GRAMPIAN, HIGHLAND AND ISLANDS AT ELGIN (SCOTLAND) - VERENIGD KONINKRIJK. - VISSERIJ - VERGUNNINGEN - VOORWAARDEN. - GEVOEGDE ZAKEN C-251/90 EN C-252/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-02873
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Visserij ° Gemeenschappelijk structuurbeleid ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van visquota ° Wettelijke regeling van Lid-staat voor gebruik van zijn quota ° Verlening van vergunningen ° Voorwaarde houdende verplichting van kapitein van onder vlag van die Lid-Staat varend vaartuig om verplaatsingen van ene visserijzone naar andere per radio te melden ° Toelaatbaarheid ° Geen discriminatie op grond van nationaliteit
(EEG-Verdrag, art. 7; verordening nr. 101/76 van de Raad, art. 2, lid 1)
2. Visserij ° Instandhouding van rijkdommen van de zee ° Stelsel van visquota ° Controlemaatregelen ° Maatregelen van Lid-Staat om regeling inzake gebruik van zijn quota te doen eerbiedigen ° Verplichting tot mededeling aan Commissie ° Niet-nakoming ° Geen invloed op geldigheid maatregel
(Verordening nr. 2241/87 van de Raad, art. 15)
Samenvatting1. Artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76, dat, voor wat betreft de visserijactiviteit van vaartuigen van de Lid-Staten in de communautaire wateren, het beginsel van gelijke voorwaarden voor de toegang en de bevissing verwoordt, moeten, rekening houdend met de invoering van een stelsel van nationale quota en de aan de Lid-Staten gelaten bevoegdheid, nationale controlemaatregelen te treffen die verder gaan dan het door de communautaire richtlijn voorgeschreven minimum, voor zover die maatregelen bijdragen tot de inachtneming van de quota en evenredig zijn aan het gestelde doel, aldus worden uitgelegd, dat zij er zich niet tegen verzetten dat een Lid-Staat die de toegang tot zijn visquota afhankelijk stelt van een vergunning, in de vergunningen die hij afgeeft aan onder zijn vlag varende vaartuigen de kapitein de verplichting oplegt, per radio kennis te geven van zijn voornemen zich van de ene ICES-zone naar de andere te begeven, ook indien die voorwaarde niet geldt voor vaartuigen die onder de vlag van andere Lid-Staten varen en die vis van dezelfde soorten in dezelfde zones vangen.
2. Ingevolge artikel 15 van verordening nr. 2241/87 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten, zijn de Lid-Staten gehouden de Commissie in kennis te stellen van een voorwaarde die is opgenomen in de aan onder hun vlag varende vaartuigen afgegeven vergunningen die de visserij in het kader van hun quota toestaan. De niet-mededeling van een nationale controlemaatregel als bovenbedoelde voorwaarde tast de geldigheid van die maatregel ten aanzien van het gemeenschapsrecht evenwel niet aan. De verplichting tot mededeling, die kan worden nagekomen na de vaststelling van de maatregel, is uitsluitend opgelegd ter informatie.
PartijenIn de gevoegde zaken C-251/90 en C-252/90,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Sheriff Court of Grampian, Highland and Islands at Elgin (Schotland) in de aldaar dienende strafzaken tegen
K. G. Wood en J. Cowie,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7 EEG-Verdrag en van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, M. Diez de Velasco en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door R. D. Mackay, QC, en Ch. Vajda, Barrister;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Fischer, juridisch adviseur, en Ch. Docksey, lid van de juridische dienst, als gemachtigden;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van K. Wood en J. Cowie, vertegenwoordigd door D. N. Yule, Solicitor, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 29 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij twee beschikkingen van 26 januari 1990 en twee beschikkingen van 12 november 1990, ingekomen bij het Hof op 20 augustus respectievelijk 15 november daaraanvolgend, heeft de Sheriff Court of Grampian, Highland and Islands at Elgin (Schotland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 7 EEG-Verdrag en van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, blz. 19).
2 Deze vragen zijn gerezen in twee strafzaken die de Procurator Fiscal te Elgin aanhangig heeft gemaakt tegen respectievelijk K. G. Wood, kapitein van het Britse vissersvaartuig "Scarlet Thread II" (zaak C-251/90), en J. Cowie, kapitein van het Britse vissersvaartuig "Crystal River" (zaak C-252/90), die beiden de Britse nationaliteit bezitten en wonen in Buckie, Banffshire.
3 Verdachten wordt ten laste gelegd, tussen 7 en 9 april 1989 (Wood) respectievelijk op 31 maart 1989 (Cowie) met hun vaartuig de meridiaan van 4 WL, die de scheiding vormt tussen de ICES-zones IV (Noordzee) en VI (Rockall en West Schotland), te hebben overschreden zonder deze beweging vooraf per radio aan het Ministerie van Landbouw en Visserij voor Schotland te melden; daardoor zouden zij hebben gehandeld in strijd met een dienaangaande in hun vergunning opgenomen voorwaarde.
4 Blijkens de stukken wordt de betrokken voorwaarde sinds maart 1989 opgenomen in de vergunningen die worden afgegeven aan exploitanten van Britse vissersvaartuigen, die vissen op bepaalde vissoorten waarvoor volgens de geldende gemeenschapsregeling vangstbeperkingen (vangstquota) gelden. Zij maakt het toezicht van de Britse autoriteiten op de naleving van de quotaregeling doeltreffender, doordat wordt vermeden dat vis die in een van de twee zones wordt gevangen, wordt afgeboekt op het Britse quotum dat voor de andere zone is toegekend. Niet-naleving van deze voorwaarde vormt een strafbaar feit waarop een geldboete staat.
5 Voor de nationale rechter hebben verdachten in de eerste plaats betoogd, dat deze voorwaarde discriminerend was en derhalve in strijd met artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2 van verordening nr. 101/76, aangezien zij enkel gold voor vaartuigen die in het Verenigd Koninkrijk waren ingeschreven en niet voor vaartuigen uit andere Lid-Staten, die in dezelfde zones op dezelfde vissoorten visten, en in de tweede plaats, dat de voorwaarde in strijd was met artikel 3 van verordening nr. 101/76, daar de andere Lid-Staten en de Commissie niet in kennis waren gesteld van de invoering ervan hoewel zij wijziging bracht in de voorheen toegepaste visserijregeling.
6 Tegen deze achtergrond heeft de Sheriff Court of Grampian, Highland and Islands at Elgin het Hof op 26 januari 1990 de volgende, in beide zaken gelijkluidende, prejudiciële vragen gesteld:
"1) Wanneer een Lid-Staat met betrekking tot vis waarvoor de communautaire regeling van totaal toelaatbare vangsten (TAC) geldt, op zijn grondgebied geregistreerde vissersvaartuigen de vangst van die vis, behoudens vergunning, verbiedt, verzetten dan
a) artikel 7 EEG-Verdrag
of
b) artikel 2 van verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 (PB 1976, L 20, blz. 19)
zich ertegen, dat de bevoegde autoriteiten van die Lid-Staat onder de bovenbedoelde omstandigheden onder de voorwaarden waaronder dergelijke vergunningen worden afgegeven, een voorwaarde opnemen volgens welke de kapitein van het vaartuig verplicht is de autoriteiten per radio in kennis te stellen van zijn voornemen, zich van de ene ICES-zone naar de andere te begeven?
2) Wanneer een Lid-Staat voornemens is, een voorwaarde als omschreven in de vorige vraag in een vergunning op te nemen, is die Lid-Staat dan krachtens artikel 3 van verordening nr. 101/76 verplicht, de andere Lid-Staten en de Commissie van dat voornemen in kennis te stellen?"
7 Vervolgens vernamen verdachten, dat het Verenigd Koninkrijk de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij brief van 21 december 1989 van de betrokken voorwaarde in kennis had gesteld en dat de Commissie er in haar antwoord geen enkel bezwaar tegen had gemaakt dat het Verenigd Koninkrijk de voorwaarde sinds maart 1989 had toegepast. Verdachten brachten dit onder de aandacht van de verwijzende rechter, die het Hof daarop de volgende, voor beide zaken gelijkluidende, aanvullende vraag heeft gesteld:
"Indien de Commissie of de Commissie en de Lid-Staten ervan in kennis moeten worden gesteld dat de betrokken voorwaarde in de vergunning is opgenomen, leidt verzuim van die kennisgeving dan tot ongeldigheid van die voorwaarde en, zo ja, kan die ongeldigheid dan achteraf worden gedekt door een latere, tardieve kennisgeving door de Lid-Staat?"
8 Bij beschikking van 20 september 1990 heeft het Hof besloten, beide zaken voor de schriftelijke behandeling, de mondelinge behandeling en het arrest te voegen.
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
10 Met deze vraag wenst de nationale rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 7 EEG-Verdrag dan wel artikel 2 van verordening nr. 101/76 aldus moet worden uitgelegd, dat een Lid-Staat die voor de toegang tot zijn visquota een vergunning verlangt, in die vergunning geen bepaling mag opnemen die van de kapitein van een vaartuig dat onder de vlag van die staat vaart, verlangt dat hij per radio zijn voornemen bekend maakt om zich van de ene ICES-zone naar de andere ICES-zone te begeven, terwijl die voorwaarde niet geldt voor vaartuigen die onder de vlag van andere Lid-Staten varen en die in dezelfde zones op dezelfde vissoorten vissen.
11 Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet zij worden geplaatst tegen de achtergrond van de bepalingen van de gemeenschapsregeling inzake de uitoefening van de visserij.
12 Verordening nr. 101/76 heeft een stelsel ingevoerd voor de cooerdinatie van het structuurbeleid van de Lid-Staten op het gebied van de visserij. Artikel 2, lid 1, verwoordt het beginsel, dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van een van de Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden voor de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het gedeelte van de zee dat onder de soevereiniteit of de jurisdictie van enige andere Lid-Staat valt.
13 Op dit beginsel is echter een uitzondering aangebracht bij verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1), waarbij onder meer een stelsel van nationale vangstquota is ingevoerd (zie de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 170/83 en de arresten van 14 december 1989, zaak C-3/87, Agegate, Jurispr. 1989, blz. 4459, r.o. 16, en zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4509, r.o. 17 en 24). Op grond van die regeling mogen enkel de vaartuigen die onder de vlag van een bepaalde Lid-Staat varen, uit de vangstquota van die Lid-Staat putten.
14 Ingevolge artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 zijn de Lid-Staten bevoegd, overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen de voorschriften vast te stellen voor het gebruik van de hun toegewezen quota.
15 In de uitoefening van deze bevoegdheid mogen de Lid-Staten voor de toegang van hun vaartuigen tot hun vangstquota een stelsel van vergunningen hanteren, gelijk blijkt uit artikel 11 bis van verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten (PB 1987, L 207, blz. 1), dat in die verordening is ingevoegd bij artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3483/88 van de Raad van 7 november 1988 (PB 1988, L 306, blz. 2) (zie ook het arrest van 27 maart 1990, zaak C-9/89, Spanje/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-1383, r.o. 16). Zij kunnen in die vergunningen bepaalde voorwaarden opnemen, zolang die voorwaarden niet uitsluitend door het gemeenschapsrecht worden beheerst en mits zij passend en noodzakelijk zijn om het doel van de quota te verwezenlijken (zie het arrest van 14 december 1989, Jaderow, reeds aangehaald, r.o. 19 en 25).
16 Meer in het bijzonder met betrekking tot de vraag, of dergelijke voorwaarden betrekking mogen hebben op het toezicht op de bevissing van bestanden waarvoor quota gelden, moet acht worden geslagen op verordening nr. 2241/87, die de maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten en de desbetreffende verplichtingen van de Lid-Staten definieert. Volgens artikel 15, eerste alinea, van die verordening doet het bepaalde in die verordening "geen afbreuk aan nationale controlevoorschriften die verder gaan dan de minimumeisen van deze verordening, mits ze in overeenstemming zijn met de communautaire bepalingen en met het gemeenschappelijk visserijbeleid". Deze bepaling dekt aanvullende controlemaatregelen waartoe een Lid-Staat zou kunnen besluiten ten einde zijn quota te behouden.
17 Deze maatregelen, die behoren tot de meer algemene categorie van maatregelen die een Lid-Staat krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 mag vaststellen, hebben enkel betrekking op de vaartuigen die onder de vlag van die staat varen. Artikel 15 van verordening nr. 2241/87, dat specifiek betrekking heeft op nationale controlemaatregelen, verplicht de Lid-Staten niet om de toepassing van die maatregelen uit te breiden tot de vaartuigen van andere Lid-Staten.
18 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat de gemeenschapsregeling inzake het behoud van de visbestanden zich niet verzet tegen een voorwaarde als thans in geding, aangezien deze ertoe strekt, de controle op visserijactiviteiten waarvoor quota gelden, te verzekeren, en de voorkoming van fraude op dat gebied vergemakkelijkt zonder onevenredig te zijn aan het nagestreefde doel. Een dergelijke voorwaarde kan dus niet in strijd worden geacht met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 op grond dat zij alleen van toepassing is op vaartuigen die de vlag voeren van de Lid-Staat die de voorwaarde heeft gesteld.
19 Met betrekking tot artikel 7 EEG-Verdrag, dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, moet worden vastgesteld dat de betrokken voorwaarde enkel geldt voor vissersvaartuigen die varen onder de vlag van de Lid-Staat die deze voorwaarde heeft gesteld, en niet voor vaartuigen die onder de vlag van andere Lid-Staten varen en die in dezelfde ICES-zones op dezelfde vissoorten vissen. Aangezien de vangsten van deze laatste vaartuigen worden afgeboekt op de quota van de Lid-Staat onder de vlag waarvan zij varen, zijn deze vaartuigen onderworpen aan de door die staat vastgestelde controlemaatregelen. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft artikel 7 evenwel niet het oog op eventuele verschillen in behandeling en distorsies die voor onder de rechtsmacht van de Gemeenschap vallende personen en ondernemingen kunnen voortvloeien uit de toepassing door een Lid-Staat van maatregelen die strenger zijn dan die welke op hetzelfde gebied door andere Lid-Staten worden toegepast (zie in die zin het arrest van 3 juli 1979, gevoegde zaken 185/78-204/78, Van Dam, Jurispr. 1979, blz. 2345, r.o. 10).
20 Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij er zich niet tegen verzetten dat een Lid-Staat die de toegang tot zijn visquota afhankelijk stelt van een vergunning, in die vergunning aan de kapitein van een onder zijn vlag varend vaartuig de verplichting oplegt, per radio kennis te geven van zijn voornemen zich van de ene ICES-zone naar de andere te begeven, ook indien die voorwaarde niet geldt voor vaartuigen die onder de vlag van andere Lid-Staten varen en die vis van dezelfde soorten in dezelfde zones vangen.
De tweede vraag
21 Deze vraag heeft betrekking op artikel 3 van verordening nr. 101/79, dat de Lid-Staten in algemene termen verplicht om de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis te stellen van de wijzigingen die zij voornemens zijn in hun visserijregeling aan te brengen.
22 Met betrekking tot het bijzondere geval van nationale controlemaatregelen die verder gaan dan de minimumeisen van verordening nr. 2241/87, moet echter worden opgemerkt, dat deze maatregelen ingevolge artikel 15, tweede alinea, van die verordening "aan de Commissie (worden) medegedeeld overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad (...)"
23 Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 101/76 bepaalt, dat de Lid-Staten de andere Lid-Staten en de Commissie mededeling doen van de "bestaande" bepalingen op het gebied van de uitoefening van de visserij in het gedeelte van de zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, en niet van de bepalingen waarvan vaststelling "in het voornemen ligt", zoals verordening nr. 101/76 voor de in artikel 3 bedoelde bepalingen verlangt.
24 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de nationale maatregelen aan de Commissie moeten worden medegedeeld, maar niet noodzakelijkerwijs vóór hun vaststelling.
25 Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 15 van verordening nr. 2241/87 gehouden zijn de Commissie ervan in kennis te stellen dat een voorwaarde als hierboven beschreven is opgenomen in de vergunningen die zij voor onder hun vlag varende vaartuigen afgeven voor het vissen in het kader van hun quota.
De aanvullende vraag
26 Deze vraag valt uiteen in twee onderdelen. In de eerste plaats wordt gevraagd, of de omstandigheid dat een nationale controlemaatregel als hierboven omschreven, niet is meegedeeld, de geldigheid ervan aantast, ook al is de maatregel inhoudelijk wellicht verenigbaar met het gemeenschapsrecht. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de nationale rechter in de tweede plaats te vernemen, of de ongeldigheid van de betrokken maatregel door een latere mededeling aan de Commissie kan worden hersteld.
27 Met betrekking tot het eerste onderdeel van de vraag zij opgemerkt, dat artikel 15, tweede alinea, van verordening nr. 2241/87 nergens vermeldt wat de gevolgen zijn van de niet-mededeling van een nationale controlemaatregel.
28 Aangezien voor de vaststelling van een dergelijke nationale maatregel echter niet de voorwaarde geldt, dat hij vooraf aan de Commissie is meegedeeld, moet de betrokken mededelingsplicht worden geacht uitsluitend ter informatie te zijn opgelegd. Bijgevolg doet het uitblijven van die mededeling niet af aan de geldigheid van een maatregel die voldoet aan de criteria van de artikel 15, eerste alinea.
29 Deze uitlegging vind steun in het feit, dat verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad van 7 oktober 1986 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB 1986, L 288, blz. 1) daarentegen een meer gedetailleerde mededelingsprocedure heeft ingevoerd voor nationale technische maatregelen en dat de Commissie ingevolge artikel 14, lid 2, van deze verordening de inwerkingtreding van bij haar aangemelde maatregelen kan vertragen of beletten.
30 Op het eerste onderdeel van de aanvullende vraag moet bijgevolg worden geantwoord, dat de niet-mededeling van een nationale controlemaatregel als de hierboven beschreven voorwaarde, de geldigheid van die maatregel ten aanzien van het gemeenschapsrecht niet aantast.
31 Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, behoeft het tweede onderdeel van de vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kostenKosten
32 De kosten door regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdzaken is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Sheriff Court of Grampian, Highland and Islands at Elgin (Schotland) bij beschikkingen van 26 januari 1990 en 12 november 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 7 EEG-Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 van de Raad moeten aldus worden uitgelegd, dat zij er zich niet tegen verzetten dat een Lid-Staat die de toegang tot zijn visquota afhankelijk stelt van een vergunning, in die vergunning aan de kapitein van een onder zijn vlag varend vaartuig de verplichting oplegt, per radio kennis te geven van zijn voornemen zich van de ene ICES-zone naar de andere te begeven, ook indien die voorwaarde niet geldt voor vaartuigen die onder de vlag van andere Lid-Staten varen en die vis van dezelfde soorten in dezelfde zones vangen.
2) Ingevolge artikel 15 van verordening nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten, zijn de Lid-Staten gehouden de Commissie ervan in kennis te stellen dat een voorwaarde als hierboven beschreven is opgenomen in de vergunningen die zij voor onder hun vlag varende vaartuigen afgeven voor het vissen in het kader van hun quota.
3) De niet-mededeling van een nationale controlemaatregel als de hierboven beschreven voorwaarde, tast de geldigheid van die maatregel ten aanzien van het gemeenschapsrecht niet aan.
Top