Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 16 DECEMBER 1992. - READING BOROUGH COUNCIL TEGEN PAYLESS DIY LTD EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: READING AND SONNING MAGISTRATES'COURT - VERENIGD KONINKRIJK. - UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 30 EN 36 EEG-VERDRAG - VERBOD VAN HANDEL OP ZONDAG. - ZAAK C-304/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-06493
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Regeling die openstelling van winkels op zondag verbiedt ° Toelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 30)
SamenvattingArtikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het daarin omvatte verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag open te stellen.
PartijenIn zaak C-304/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Reading and Sonning Magistrates' Court, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Reading Borough Council
en
Payless DIY Ltd,
Wickes Building Supplies Ltd,
Great Mills (South) Ltd,
Homebase Ltd,
B & Q plc,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodriguez Iglesias en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Triantafyllou, administrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Reading Borough Council, vertegenwoordigd door A. Newman, QC, en A. Jack, Barrister;
° Payless DIY Ltd, Wickes Building Supplies Ltd, Great Mills (South) Ltd en Homebase Ltd, vertegenwoordigd door P. Lasok, Barrister;
° B & Q plc, vertegenwoordigd door G. Barling, QC, D. Vaughan, QC, D. Anderson, Barrister, en A. Askham, Solicitor;
° het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door N. Paines, Barrister, bijgestaan door H. A. Kaya van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigden;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wainwright, juridisch adviseur, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Reading Borough Council, B & Q plc, Payless DIY Ltd, Wickes Building Supplies Ltd, Great Mills (South) Ltd en Homebase Ltd, het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson van het Treasury Solicitor' s Department, bijgestaan door Sir Nicholas Lyell, QC, Attorney General, als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Ridout, nationaal ambtenaar, gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigde, ter terechtzitting van 2 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 9 augustus 1990, ingekomen bij het Hof op 4 oktober daaraanvolgend, heeft de Reading and Sonning Magistrates' Court krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een aantal procedures tussen de Reading Borough Council enerzijds en Payless DIY, Wickes Building Supplies, Great Mills (South), Homebase en B & Q anderzijds. Deze ondernemingen worden vervolgd ter zake van overtreding van de Sections 47 en 59 van de Shops Act 1950, door hun winkels op zondag open te stellen voor andere handelstransacties dan ingevolge de vijfde bijlage bij die wet zijn toegestaan.
3 In de vijfde bijlage bij de Shops Act worden de artikelen opgesomd die, in afwijking van de hoofdregel, op zondag in winkels mogen worden verkocht. Dit zijn onder meer alcoholhoudende dranken, bepaalde levensmiddelen, tabak, kranten en andere goederen voor dagelijks gebruik.
4 Voor de nationale rechter voerden verweersters aan, dat de nationale wettelijke regeling onwettig was in het licht van artikel 30 EEG-Verdrag; de litigieuze bepalingen van de Shops Act zouden niet voldoen aan het evenredigheidsvereiste waarvan sprake is in de rechtsoverwegingen 15 en 16 van 's Hofs arrest van 23 november 1989 (zaak C-145/88, Torfaen Borough Council, Jurispr. 1989, blz. 3851).
5 In verband met dit betoog heeft de Reading and Sonning Magistrates' Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"1) Wanneer de wettelijke regeling van een Lid-Staat verbiedt dat winkels op zondag geopend zijn voor de persoonlijke bediening van klanten, zulks met het doel om in de mate van het mogelijke te verzekeren dat het winkelpersoneel niet op zondag behoeft te werken, teneinde aldus de door velen als traditioneel beschouwde Engelse zondag in ere te houden, is een dergelijke doelstelling dan naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd in de zin van de rechtsoverwegingen 12 tot en met 14 van het arrest van 23 november 1989 in zaak C-145/88 (Torfaen Borough Council)?
2) Moet de nationale rechter bij de toetsing van die wettelijke regeling aan het in de door het Hof van Justitie in rechtsoverweging 15 van het arrest Torfaen Borough Council gegeven criterium (het evenredigheidsvereiste):
a) de criteria van artikel 3 van richtlijn 70/50 toepassen?
b) Zo ja, moet de nationale regeling aan elk van de in artikel 3, tweede alinea, genoemde criteria voldoen?
c) Is het de taak van de nationale rechter om de (door middel van bewijs vastgestelde) feiten te onderzoeken en zijn eigen oordeel te vormen over de toepasselijkheid van die criteria, of strekt zijn taak niet verder dan te beslissen, of een nationale wetgever in redelijkheid tot de vaststelling van de betrokken wettelijke regeling kon komen, gelet op die criteria?
d) Moet hij bij de beoordeling van de beperkende invloed van de nationale wettelijke regeling op het vrije goederenverkeer en bij de vergelijking van de eventuele beperkende invloed op het handelsverkeer van de verschillende middelen waarmee het doel van de wettelijke regeling kan worden bereikt, alleen rekening houden met de mate waarin de gevolgen voor ingevoerde goederen zwaarder zijn dan voor nationale goederen, of mag hij rekening houden met het geheel van de beperkende gevolgen voor de intracommunautaire invoer?
e) Dient bedoelde beperkende invloed op de handel te worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de globale gevolgen voor het intracommunautaire goederen- of dienstenverkeer, dan wel vanuit het oogpunt van de gevolgen voor de sectoren waarin de betrokken onderneming werkzaam is, of van de gevolgen voor die onderneming?
f) Hoe moet een nationale rechter de beperkende gevolgen van de nationale wetgeving voor het vrije goederenverkeer vergelijken met de door die regeling nagestreefde doelstelling?
3) Valt een nationale maatregel als de in geding zijnde onder de werkingssfeer van artikel 36 EEG-Verdrag, en zo ja in hoeverre?
4) Is het voor het antwoord op de eerste drie vragen van belang, dat de wettelijke regeling inzake de zondagssluiting in uitzonderingen voorziet?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 De eerste vraag van de nationale rechter betreft de uitlegging van het arrest Torfaen Borough Council (reeds aangehaald).
8 Opgemerkt zij, dat het Hof in zijn arresten van 28 februari 1991 (zaak C-312/89, Conforama, en zaak C-332/89, Marchandise, Jurispr. 1991, blz. I-997, resp. blz. I-1027) heeft gepreciseerd, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die de tewerkstelling van werknemers op zondag verbiedt.
9 Voorts heeft het Hof in zijn arrest van heden in zaak C-169/91 (Council of the City of Stoke-on-Trent) voor recht verklaard, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag open te stellen.
10 Op de eerste vraag in deze zaak moet hetzelfde antwoord worden gegeven.
11 Gelet op het antwoord op die vraag, behoeven de overige prejudiciële vragen niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kostenKosten
12 De kosten door het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Reading and Sonning Magistrates' Court bij beschikking van 9 augustus 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet van toepassing is op een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt hun winkels op zondag open te stellen.
Top