ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
2 oktober 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk landbouwbeleid — Verordening (EG) nr. 2419/2001 — Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen — Steunaanvraag ‚oppervlakten’ — Artikel 33 — Sancties — Opzettelijke onregelmatigheden”
In zaak C‑525/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij arrest van 26 september 2013, ingekomen bij het Hof op 3 oktober 2013, in de procedure
Vlaams Gewest
tegen
Heidi Van Den Broeck,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: M. Safjan, kamerpresident, J. Malenovský en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door J. Fransen, advocaat,
—
H. Van Den Broeck, vertegenwoordigd door K. Van Wynsberge, advocaat,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Kranenborg en G. von Rintelen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 33 van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327, blz. 11), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004 (PB L 17, blz. 7; hierna: „verordening nr. 2419/2001”), gelezen in samenhang met artikel 31, lid 2, van die verordening.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Vlaamse Gewest en H. Van Den Broeck over de terugvordering door het Vlaamse Gewest van alle steun voor akkerbouwgewassen die Van Den Broeck voor het oogstjaar 2003 had ontvangen, op grond dat haar steunaanvraag opzettelijke onregelmatigheden bevatte.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EEG) nr. 3508/92
3
Artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1593/2000 van de Raad van 17 juli 2000 (PB L 182, blz. 4; hierna: „verordening nr. 3508/92”), luidt:
„Elke lidstaat voert een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem in, hierna ‚het geïntegreerde systeem’ genoemd, dat van toepassing is op:
a)
sector plantaardige productie:
i)
de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, ingevoerd bij verordening (EG) nr. 1251/1999 [van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 160, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2704/1999 van de Raad van 14 december 1999 (PB L 327, blz. 12)];
ii)
de steunregeling voor rijsttelers, ingevoerd bij artikel 6 van verordening (EG) nr. 3072/95 [van de Raad van 22 december 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (PB L 329, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2072/98 van de Raad van 28 september 1998 (PB L 265, blz. 4)];
iii)
de bijzondere maatregel voor bepaalde zaaddragende leguminosen, ingevoerd bij verordening (EG) nr. 1577/96 [van de Raad van 30 juli 1996 tot invoering van een bijzondere maatregel voor bepaalde zaaddragende leguminosen (PB L 206, blz. 4), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1826/97 van de Commissie van 22 september 1997 (PB L 260, blz. 11)];
b)
sector dierlijke productie:
[...]
iii)
rechtstreekse betalingen op grond van artikel 19 van verordening (EG) nr. 1255/1999 [van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 160, blz. 48)],
[...]”
4
Artikel 6, leden 1 en 6, van die verordening bepaalt:
„1. Om in aanmerking te komen voor de toepassing van één of meer communautaire regelingen die onder deze verordening vallen, moet elk bedrijfshoofd voor elk jaar een steunaanvraag ‚oppervlakten’ indienen, waarin worden vermeld:
—
de percelen landbouwgrond, voederarealen inbegrepen, de percelen landbouwgrond waarvoor een maatregel voor het uit productie nemen van bouwland wordt toegepast, en de percelen landbouwgrond die braak gelegd zijn;
—
in voorkomend geval, alle andere noodzakelijke gegevens, hetzij uit hoofde van de verordeningen inzake communautaire regelingen, hetzij op verzoek van de betrokken lidstaat.
[...]
6. Voor elk in de aanvraag vermeld perceel landbouwgrond geeft het bedrijfshoofd de oppervlakte en de ligging aan, aan de hand waarvan het perceel moet kunnen worden geïdentificeerd in het kader van het systeem voor identificatie van de percelen landbouwgrond.”
Verordening nr. 2419/2001
5
Verordening nr. 2419/2001 stelt de uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde systeem vast.
6
De punten 32 tot en met 34 van de considerans van deze verordening luiden als volgt:
„(32)
Voor een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap moeten geëigende maatregelen worden vastgesteld om onregelmatigheden en fraude te bestrijden. Gelet op de specifieke aard van de areaalsteunregelingen enerzijds en de steun voor dieren anderzijds, moeten afzonderlijke voorschriften worden vastgesteld.
(33)
Kortingen en uitsluitingen moeten worden vastgesteld met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en van de bijzondere problemen die door overmacht of door buitengewone en natuurlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt. De kortingen en uitsluitingen moeten gedifferentieerd zijn naar de ernst van de onregelmatigheid en gaan tot algehele uitsluiting van een of meerdere steunregelingen gedurende een bepaalde termijn.
(34)
Bij de vaststelling van kortingen en uitsluitingen moet rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende regelingen die onder het geïntegreerde systeem vallen. Onregelmatigheden in steunaanvragen ‚oppervlakten’ hebben meestal betrekking op delen van het areaal en een te hoge aangifte voor een bepaald perceel kan worden gecompenseerd door een te lage aangifte voor andere percelen van dezelfde gewasgroep. [...] Wanneer onregelmatigheden in steunaanvragen ‚oppervlakten’ worden ontdekt, moet worden bepaald dat binnen bepaalde tolerantiegrenzen de betrokken aanvragen alleen behoeven te worden verbeterd en dat kortingen pas worden toegepast, wanneer deze grenzen worden overschreden. [...]”
7
Volgens artikel 2, sub i, van die verordening wordt verstaan onder een „steunaanvraag ‚oppervlakten’” een:
„aanvraag tot betaling van steun op grond van de in artikel 1, lid 1, sub a en b-iii, van verordening [...] nr. 3508/92 genoemde steunregelingen, met inbegrip van de aangifte van andere vormen van grondgebruik, en met name de aangifte van voederareaal met het oog op de indiening van steunaanvragen ‚dieren’”.
8
Hoofdstuk I van titel IV van verordening nr. 2419/2001, met als opschrift „Constateringen betreffende de steunaanvragen ‚oppervlakten’”, omvat de artikelen 30 tot en met 35. Artikel 30 van deze verordening, met als opschrift „Algemene beginselen”, luidt als volgt:
„Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende gewasgroepen onderscheiden:
a)
voor de toepassing van artikel 12 van verordening (EG) nr. 1254/1999 [van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160, blz. 21)] aangegeven voederarealen;
b)
voor de toepassing van artikel 13 van verordening [...] nr. 1254/1999 aangegeven voederarealen, niet zijnde grasland of in artikel 13, lid 3, sub b, van die verordening bedoelde oppervlakten die voor de productie van akkerbouwgewassen worden gebruikt;
c)
voor de toepassing van artikel 13 van verordening [...] nr. 1254/1999 aangegeven grasland in de zin van artikel 13, lid 3, sub c, van die verordening;
d)
voor de toepassing van artikel 19 van verordening [...] nr. 1255/1999 [...] aangegeven blijvend grasland;
e)
oppervlakten met gewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt;
f)
braakgelegde oppervlakten en, in voorkomend geval, braakgelegde oppervlakten waarvoor een verschillend steunbedrag geldt.”
9
Artikel 31, leden 1 en 2, van verordening nr. 2419/2001 heeft als opschrift „Berekeningsgrondslag” en bepaalt:
„1. Wanneer de geconstateerde oppervlakte voor een gewasgroep groter is dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, wordt voor de berekening van het steunbedrag de aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen.
2. Wanneer de in de steunaanvraag ‚oppervlakten’ aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle of een controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag, onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep.”
10
Artikel 32 van die verordening, met als opschrift „Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte”, bepaalt:
„1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.
2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, sub a, van verordening [...] nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.
Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt het bedrijfshoofd nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte als bedoeld in artikel 31, lid 2. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke dan ook van de in artikel 1, lid 1, van verordening [...] nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nog uitstaande saldo te vervallen.”
11
Artikel 33 van die verordening, met als opschrift „Opzettelijke niet-inachtneming”, luidt:
„Wanneer het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, is toe te schrijven aan een opzettelijke onregelmatigheid, wordt het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.
Bovendien wordt, wanneer dat verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt, het bedrijfshoofd nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte als bedoeld in artikel 31, lid 2. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke dan ook van de in artikel 1, lid 1, van verordening [...] nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nog uitstaande saldo te vervallen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
H. Van Den Broeck is landbouwster. Op 9 mei 2003 heeft zij bij het Vlaamse Gewest voor het oogstjaar 2003 een steunaanvraag „oppervlakten”, in de zin van artikel 2, sub i, van verordening nr. 2419/2001 ingediend. Die aanvraag betrof een aantal akkerbouwgewassen, te weten mais (78,34 hectare) en erwten ‚droog geoogst’ (8,2 hectare), alsook een braakgelegde oppervlakte (10,08 hectare).
13
Op 30 januari 2004 heeft zij een bedrag van in totaal 21072,42 EUR steun ontvangen. Evenwel werd geen steun toegekend voor het perceel waarop de erwten droog zouden worden geoogst, aangezien het Vlaamse Gewest had vastgesteld dat de erwten klaarblijkelijk niet droog waren geoogst. Anders dan droge erwten worden verse erwten immers niet aangemerkt als een akkerbouwgewas dat in aanmerking komt voor de hierboven bedoelde steun.
14
Op 30 juni 2005 heeft het Vlaamse Gewest krachtens artikel 33 van verordening nr. 2419/2001 het steunbedrag teruggevorderd dat aan Van Den Broeck was betaald voor alle andere gewassen dan de erwten, op grond dat de door haar in 2003 ingediende steunaanvraag opzettelijke onregelmatigheden bevatte.
15
Aangezien Van Den Broeck het gevorderde bedrag niet heeft terugbetaald, heeft het Vlaamse Gewest het voorschot op de bedrijfstoeslag voor het oogstjaar 2005 ingehouden. Van Den Broeck heeft tegen die beslissing van het Vlaamse Gewest bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel beroep ingesteld om met name te doen vaststellen dat steun was verschuldigd voor de oogst van de erwten en dat de haar voor het jaar 2003 verleende steun door haar definitief was verworven.
16
Op 22 januari 2008 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel geoordeeld dat geen steun was verschuldigd voor het perceel waarop de erwten waren geoogst, maar dat het Vlaamse Gewest ten onrechte de terugbetaling van alle verleende steun had gevorderd. Dat vonnis is bevestigd door het hof van beroep te Brussel, dat evenwel vaststelde dat bij de door Van Den Broeck ingediende steunaanvraag sprake was van een opzettelijke onregelmatigheid. Het Vlaamse Gewest heeft tegen dit arrest van het hof van beroep te Brussel cassatieberoep ingesteld.
17
Het Hof van Cassatie is van oordeel dat met betrekking tot artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 de uitleggingsvraag rijst, of „het [...] steunbedrag waarop het bedrijfshoofd [...] aanspraak zou kunnen maken” en dat hem bij wijze van sanctie niet zal worden toegekend, slaat op het steunbedrag waarop dit bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, zijnde een bedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte van de betrokken gewasgroep, dan wel op het steunbedrag dat toegekend wordt in de betrokken steunregeling zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3508/92. In het laatste geval zou dan het geweigerde steunbedrag het gehele bedrag omvatten dat werd uitgekeerd in toepassing van de steunregelingen waarvan de steun voor de bij de onregelmatigheid betrokken gewasgroep deel uitmaakt.
18
In die omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 33, [eerste alinea], van [verordening nr. 2419/2001] zo worden uitgelegd dat de weigering, voor het betrokken kalenderjaar, van ‚het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, [van die verordening] aanspraak zou kunnen maken’, betrekking heeft op het steunbedrag dat in toepassing van de ‚betrokken steunregeling’, zoals opgesomd in artikel 1, lid 1, van [verordening nr. 3508/92], verschuldigd is, zodat niet enkel het steunbedrag voor de ‚betrokken gewasgroep’ moet worden geweigerd, maar het volledige steunbedrag in toepassing van één van de aldaar opgesomde steunregelingen waarvan de betrokken gewasgroep deel uitmaakt?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
19
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer wordt vastgesteld dat bij een steunaanvraag „oppervlakten” sprake is van een opzettelijke onregelmatigheid, het bedrijfshoofd alle steun wordt ontzegd waarop hij aanspraak had kunnen maken in het kader van de steunregeling waarop deze aanvraag betrekking had en waarvoor de bij de onregelmatigheid betrokken gewasgroep in aanmerking kwam, dan wel dat die sanctie beperkt moet zijn tot de steun voor die gewasgroep.
20
In dat verband volgt uit artikel 33, eerste alinea, van die verordening dat de draagwijdte van de in die bepaling vastgestelde sanctie afhangt van de betekenis van de begrippen „betrokken steunregeling” en „gewasgroep”, die in dit artikel respectievelijk in artikel 31, lid 2, van die verordening zijn vermeld.
21
Wat het in artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 gebezigde begrip „betrokken steunregeling” betreft, zij erop gewezen dat volgens artikel 2, sub i, van die verordening de regelingen op grond waarvan een steunaanvraag „oppervlakten” kan worden ingediend de steunregelingen zijn die worden genoemd in artikel 1, lid 1, sub a en b-iii, van verordening nr. 3508/92. Een van die verschillende regelingen is de bij verordening nr. 1251/1999 ingevoerde steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, die is vermeld in artikel 1, lid 1, sub a‑i, van verordening nr. 3508/92.
22
In het hoofdgeding werd met de in de betrokken steunaanvraag „oppervlakten” aangegeven percelen beoogd steun te verkrijgen in het kader van de in verordening nr. 1251/1999 vastgestelde steunregeling voor akkerbouwgewassen. Bijgevolg moet die specifieke steunregeling worden geacht de „betrokken steunregeling” te zijn in de zin van artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001.
23
Wat het in artikel 31, lid 2, van verordening nr. 2419/2001 vermelde begrip „gewasgroep” betreft, moet worden opgemerkt dat dit wordt gebruikt voor met name de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de steun waarop de bedrijfsleider nog aanspraak kan maken wanneer een onregelmatigheid wordt vastgesteld in een op grond van een of meerdere bijzondere regelingen ingediende steunaanvraag „oppervlakten”.
24
In dat verband zij eraan herinnerd dat die bepaling niet voorziet in een sanctie maar zich beperkt tot de vaststelling, onverminderd de kortingen en uitsluitingen bedoeld in de artikelen 32 tot en met 35 van verordening nr. 2419/2001, van de regels waarmee de oppervlakte kan worden vastgesteld die in aanmerking komt in de steunregeling(en) waarop de steunaanvraag „oppervlakten” betrekking heeft, wanneer blijkt dat in die aanvraag een grotere oppervlakte is aangegeven dan de oppervlakte die daadwerkelijk is geconstateerd na controle door de bevoegde autoriteiten (zie in die zin arrest Haug, C‑286/05, EU:C:2006:296, punt 24).
25
Uit de bewoordingen van artikel 31, lid 2, van die verordening blijkt dat in een dergelijk geval enkel de tot „dezelfde gewasgroep” behorende oppervlakte die is geconstateerd naar aanleiding van een controle door de bevoegde autoriteiten, in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de steun. Bij de toepassing van deze bepaling moeten de verschillende oppervlakten die in de steunaanvraag „oppervlakten” zijn aangegeven dus worden gedifferentieerd naargelang van de specifieke, in artikel 30 van die verordening vermelde gewasgroep waartoe zij behoren.
26
Het begrip „gewasgroep” in de zin van voormeld artikel 30 en van artikel 32 van verordening nr. 2419/2001 heeft een bijzondere betekenis en mag niet aldus worden opgevat, zoals blijkt uit met name het gebruik van de collectieve term „gewasgroep”, dat daarmee wordt verwezen naar alle oppervlakten die voor een en dezelfde specifieke teelt worden gebruikt. Uit artikel 30 van die verordening blijkt immers dat een gewasgroep – ruimer – betrekking heeft op alle in een steunaanvraag „oppervlakten” aangegeven oppervlakten die respectievelijk bestemd zijn voor voedergewassen, voor grasland of blijvend grasland, voor andere gewassen „waarvoor een verschillend steunbedrag geldt”, of nog voor braaklegging.
27
De gewasgroep bedoeld in artikel 30, eerste alinea, sub e, van die verordening verwijst aldus naar het geheel van de oppervlakten die worden gebruikt voor in een steunaanvraag „oppervlakten” aangegeven gewassen, ook al zou een verschillend steunbedrag gelden voor elk van die gewassen.
28
Hieruit volgt dat de voor akkerbouwgewassen bestemde oppervlakten die, in de context van het hoofdgeding, zijn aangegeven in het kader van de bij verordening nr. 1251/1999 ingevoerde steunregeling, samen een volwaardige gewasgroep vormen, aangezien zij bestemd zijn voor „gewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt” in de zin van artikel 30, eerste alinea, sub e, van verordening nr. 2419/2001.
29
Gelet op het voorgaande moeten bij de vaststelling van de steun waarop een bedrijfshoofd aanspraak kon maken en waarnaar artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 verwijst, alle voor akkerbouwgewassen bestemde oppervlakten die in de steunaanvraag „oppervlakten” in het kader van de bij verordening nr. 1251/1999 ingevoerde regeling zijn aangegeven, worden geacht een volwaardige gewasgroep in de zin van artikel 30 van verordening nr. 2419/2001 uit te maken.
30
Hieruit volgt dat artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 aldus moet worden opgevat dat een opzettelijke onregelmatigheid in een dergelijke aanvraag het bedrijfshoofd alle steun doet verliezen waarop hij in het kader van die regeling aanspraak had kunnen maken op basis van de door hem aangegeven, voor de verschillende akkerbouwgewassen gebruikte oppervlakten.
31
Een dergelijke conclusie wordt bevestigd door de doelstellingen van verordening nr. 2419/2001. Die verordening beoogt immers, zoals is vermeld in punt 32 van de considerans ervan, geëigende maatregelen vast te stellen om onregelmatigheden en fraude te bestrijden in het kader van de toepassing van de verschillende steunregelingen die behoren tot het geïntegreerde systeem, teneinde de financiële belangen van de Europese Unie doeltreffend te beschermen. Ter verwezenlijking van die doelstelling voorziet die verordening, zoals blijkt uit punt 33 van de considerans ervan, in kortingen en uitsluitingen die gedifferentieerd zijn naar de ernst van de in de steunaanvraag begane onregelmatigheid en kunnen gaan tot algehele uitsluiting van een of meerdere steunregelingen gedurende een bepaalde termijn (zie naar analogie arrest Agrargenossenschaft Pretzsch, C‑417/00, EU:C:2002:715, punten 35‑39).
32
In die omstandigheden strookt een uitlegging van artikel 33 van verordening nr. 2419/2001 die erop neerkomt dat opzettelijke onregelmatigheden worden bestraft als de meest ernstige onregelmatigheden, met het doel van een sanctiestelsel dat voldoende afschrikkend en doeltreffend is om de in de steunaanvragen „oppervlakten” begane onregelmatigheden en fraude te bestrijden (zie naar analogie arrest National Farmers’ Union e.a., C‑354/95, EU:C:1997:379, punt 51).
33
Een sanctie die erin bestaat dat een bedrijfshoofd wordt uitgesloten van een steunregeling is immers bijzonder afschrikkend, en daarmee kan dus doeltreffend worden opgetreden tegen de talrijke onregelmatigheden die in het kader van de landbouwsubsidies worden begaan en die, doordat zij zwaar drukken op de begroting van de Unie, de maatregelen kunnen ondermijnen die de instellingen op dit gebied hebben getroffen (zie in die zin arresten Käserei Champignon Hofmeister, C‑210/00, EU:C:2002:440, punt 38, en Bonda, C‑489/10, EU:C:2012:319, punt 29).
34
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 33, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer wordt vastgesteld dat bij een steunaanvraag „oppervlakten” sprake is van een opzettelijke onregelmatigheid, het bedrijfshoofd alle steun wordt ontzegd waarop hij aanspraak had kunnen maken in het kader van de steunregeling waarop deze aanvraag betrekking had en waarvoor de bij de onregelmatigheid betrokken gewasgroep in aanmerking kwam.
Kosten
35
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 33, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer wordt vastgesteld dat bij een steunaanvraag „oppervlakten” sprake is van een opzettelijke onregelmatigheid, het bedrijfshoofd alle steun wordt ontzegd waarop hij aanspraak had kunnen maken in het kader van de steunregeling waarop deze aanvraag betrekking had en waarvoor de bij de onregelmatigheid betrokken gewasgroep in aanmerking kwam.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Nederlands.
Top