Belangrijke juridische mededeling
GEVOEGDE CONCLUSIES VAN DE ADVOCAAT-GENERAL DARMON VAN 11 JUNI 1991. - BONDSREPUBLIEK DUITSLAND TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - ZAAK C-342/89. - ITALIAANSE REPUBLIEK TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - ZAAK C-346/89. - EOGFL - MAANDELIJKSE VOORSCHOTTEN - CONTROLEBEVOEGDHEID VAN COMMISSIE.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05031
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De door de Bondsrepubliek Duitsland en de Italiaanse Republiek ingestelde beroepen tot nietigverklaring nopen het Hof, duidelijk aan te geven hoe ver de bevoegdheden van de Commissie gaan bij de controle van de uit hoofde van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: "EOGFL") verrichte uitgaven.
2. Deze twee beroepen strekken tot de gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(89)1525 van de Commissie van 30 augustus 1989 betreffende de toekenning van een voorschot op de door het EOGFL, afdeling Garantie, te financieren uitgaven.
3. De historiek van de regeling inzake de financiering van de EOGFL-uitgaven kan duidelijk maken waarom het in de onderhavige zaak gaat. Oorspronkelijk bepaalde verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad (1), dat de Commissie de Lid-Staten de nodige middelen ter beschikking stelt voor de door de nationale tot uitbetaling gemachtigde diensten en -organen te verrichten betalingen uit het EOGFL. (2) Naar aanleiding van de budgettaire moeilijkheden van de Gemeenschap in het begrotingsjaar 1987 werd bij verordening (EEG) nr. 3183/87 van de Raad (3) voorlopig een stelsel van de "tussenfinanciering" door de Lid-Staten ingevoerd. Volgens dit stelsel worden de financiële middelen ter dekking van de uitgaven van het EOGFL, afdeling Garantie, door de Lid-Staten ter beschikking gesteld naar gelang van de behoeften van hun betaaldiensten (4); op basis van de verrichte betalingen betaalt de Commissie "voorschotten" en wel uiterlijk "op de derde werkdag van de tweede maand volgend op die waarin de uitgave door de betaaldiensten is gedaan." (5) Dit voorlopige stelsel kreeg korte tijd daarna zijn definitieve beslag bij verordening (EEG) nr. 2048/88 van de Raad. (6)
4. Nadat de Gemeenschap van de vooruitbetaling van de EOGFL-uitgaven was afgestapt, moest de Commissie de uitvoeringsverordeningen aanpassen. Zo werd verordening (EEG) nr. 3184/83 (7) vervangen door verordening (EEG) nr. 2776/88. (8) Volgens artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde verordening "delen de Lid-Staten de Commissie uiterlijk de tweede werkdag van iedere week per telekopie de totale uitgaven mee die vanaf het begin van de maand tot het einde van de voorafgaande week zijn gedaan." Volgens lid 3 van dat artikel delen zij voorts "uiterlijk de tiende van elke maand (...) de totale uitgaven in de voorafgaande maand mee." Krachtens artikel 4 "bepaalt en betaalt" de Commissie uitgaande van deze gegevens de maandelijkse voorschotten. Zij kan de betaling ervan uitstellen voor de Lid-Staten waarvan de mededelingen van voornoemde gegevens te laat binnenkomen of tegenstrijdigheden bevatten die nadere controle vereisen.
5. Bij de thans bestreden beschikking weigerde de Commissie als maandelijkse voorschot voor juli 1989 de met de mededelingen van de Lid-Staten overeenkomende bedragen te betalen en bracht zij op dat punt uiteenlopende kortingen aan. In een latere informatieve nota (9) werd uiteengezet, dat het Comité van beheer voor melk en zuivelprodukten de door de Lid-Staten verstrekte gegevens betreffende de toepassing van de extra heffing op melk voor de periode van 1 april 1988 tot 31 maart 1989 had gecontroleerd. Op basis van die gegevens hadden de diensten van de Commissie het totale bedrag van de extra heffing voor die periode op ongeveer 500 miljoen ECU geschat. Na een voorlopige vermindering van dit bedrag tot 220 miljoen ECU "om een zeer ruime veiligheidsmarge te hebben", verdeelde de Commissie het onder de Lid-Staten, naar rato van de heffingbedragen die zij volgens die schatting hadden moeten betalen. Zo werd het maandelijks voorschot voor de Italiaanse Republiek verminderd met 47 164 600 000 LIT en dat voor de Bondsrepubliek Duitsland met 34 236 729,47 DM. Ik wijs erop, dat volgens de verklaring van de gemachtigden van de Duitse en Italiaanse regering ter terechtzitting de verificaties voor de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1989 nog niet waren beëindigd.
6. De Italiaanse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland stellen schending van verordening nr. 729/70. Als tweede middel voert de Duitse regering voorts aan, dat de litigieuze beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Ik zal deze middelen achtereenvolgens bespreken.
7. Volgens het eerste middel is de Commissie niet bevoegd de maandelijkse voorschotten te verminderen, en is zij dientengevolge verplicht de in de mededelingen van de Lid-Staten vermelde bedragen uit te betalen. Niets in verordening nr. 729/70 noch in de gemeenschapsregeling in haar geheel wijst erop, dat zij een dergelijke bevoegdheid zou hebben.
8. De Commissie betoogt, dat haar bevoegdheid om op de maandelijkse voorschotten te korten, voortvloeit zowel uit de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke zij alleen de overeenkomstig de communautaire voorschriften gedane uitgaven ten laste van het EOGFL mag brengen (10), als uit de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 729/70, waarbij de financiering van uitvoer restituties en interventiemaatregelen van de naleving van die voorschriften afhankelijk wordt gesteld. De Commissie beroept zich voorts op artikel 6 van beschikking 88/377/EEG van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de begrotingsdiscipline (11), alsmede op artikel 97 van het Financieel reglement van 21 december 1977 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (12), (hierna: "Financieel reglement").
9. Artikel 97 van het Financieel reglement kan mijns inziens hier buiten beschouwing blijven. Het bepaalt namelijk namelijk, dat "de uitgaven die door de diensten en organen met toepassing van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 729/70 worden verricht (...), na onderzoek van de staten welke door de Lid-Staten overeenkomstig de krachtens artikel 5, lid 3, van genoemde verordening getroffen voorzieningen zijn toegezonden en na visa door de financieel controleur, een betalingsverplichting vormen per hoofdstuk artikel en post, alsmede een boeking tot betaling". (13) Er wordt dus verwezen naar de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 729/70 en bijgevolg naar verordening nr. 2776/88.
10. Artikel 6 van beschikking nr. 88/377 van de Raad lijkt hier evenmin van toepassing. Ter verzekering van de naleving van het "landbouwrichtsnoer" (14)is bij dit artikel een alarmsysteem ingevoerd met betrekking tot de ontwikkeling van de uitgaven van het EOGFL. "Wanneer de reële uitgaven sneller stijgen of dreigen te stijgen dan in het vastgestelde schema", aldus die bepaling, "maakt de Commissie gebruik van de haar ter beschikking staande beheersinstrumenten, met inbegrip van die waarover zij in het kader van de stabilisatiemechanismen beschikt, om de situatie weer recht te trekken. Indien deze maatregelen niet toereikend zijn, onderzoekt de Commissie de werking van de landbouwstabilisatiemechanismen in de betrokken sector en dient zij, zo nodig, bij de Raad voorstellen in om de werking ervan te versterken." (15) Men merke op, dat deze bepaling de Commissie geen nieuwe beheersinstrumenten ter beschikking stelt, doch haar enkel uitnodigt, voor budgettaire doeleinden gebruik te maken van bevoegdheden waarover zij reeds beschikt.
11. Een mogelijkheid voor de Commissie om de maandelijkse voorschotten te verminderen, lijkt noch in verordening nr. 729/70 noch in uitvoeringsverordening nr. 2766/88 uitdrukkelijk te zijn opgenomen. Artikel 5, lid 2, sub a van eerstgenoemde verordening bepaalt enkel, dat "de Commissie uitsluitend besluit over de maandelijkse voorschotten betreffende de uitgaven", en artikel 4, lid 1, van de tweede verordening wijst erop, dat de Commissie "uitgaande van de overeenkomstig artikel 3 meegedeelde gegevens (16), de maandelijkse voorschotten op de boeking van de uitgaven bepaalt en betaalt". Men mag op dit punt niet te veel zoeken achter de uitdrukking "bepaalt en betaalt"; het woord "bepaalt" ziet hier op de budgettaire bevoegdheid van de Commissie een betalingsopdracht te verstrekken, gezien de schending die het gemeenschapsrecht kent van ordonnateurs en rekenplichtigen. (17) Zoals ik reeds vermeldde, is de Commissie op grond van verordening nr. 2776/88 formeel enkel bevoegd de betaling van de maandelijkse voorschotten uit te stellen wanneer een Lid-Staat geen gegevens heeft verstrekt, en correcties aan te brengen wanneer er tegenstrijdigheden bestaan tussen de verschillende mededelingen die die Lid-Staat in de loop van de voorgaande maand heeft gedaan.
12. Het beginsel dat het EOGFL geen met de communautaire voorschriften strijdige verrichtingen kan financieren, is mijn inziens dus het enige waarop de bevoegdheid van de Commissie tot vermindering van de maandelijkse voorschotten kan worden gebaseerd. Dit beginsel, waaraan in 's Hofs rechtspraak herhaaldelijk is gerefereerd (18), is te vinden in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 729/70 in verband met de restituties bij uitvoer, in artikel 3, lid 1, van die verordening voor de interventies, en in artikel 4, lid 2, voor het ter beschikking stellen van de nodige middelen aan de Lid-Staten. De kern van het probleem dat ons vandaag bezighoudt, is dus of uit dit beginsel - zoals het met name in voornoemde bepalingen voorkomt - de bevoegdheid van de Commissie tot vermindering van de maandelijkse voorschotten kan worden afgeleid.
13. De financiële consequenties van het probleem zijn verre van gering. Het is voldoende bekend, dat er met het gemeenschappelijk landbouwbeleid vaak aanzienlijke bedragen gemoeid zijn. In artikel 5, lid 2, sub b, van verordening nr. 729/70 wordt als termijn waarbinnen de rekeningen moeten worden goedgekeurd, weliswaar het einde van het volgend jaar genoemd, doch in verband daarmee heeft het Hof reeds beslist dat
"nu op de niet-naleving van deze termijn geen sanctie is gesteld, kan zij (...) behoudens aantasting van de belangen van een Lid-Staat, slechts als een ordetermijn worden beschouwd". (19)
Deze termijn wordt in de praktijk vaak overschreden. De procedure van goedkeuring van de rekeningen ten slotte - die haar rechtsgrondslag alleen in verordening nr. 729/70 heeft, waarbij deze is ingevoerd, maar niet de uitvoering wordt geregeld - voorziet niet in de betaling van rente over de bedragen die, in voorkomend geval, als maandelijkse voorschotten aan een Lid-Staat betaald hadden moeten worden, of, andersom, niet ten laste van het EOGFL hadden moeten worden gebracht. Het probleem dat het Hof met deze beroepen wordt voorgelegd, betreft dus in wezen de vraag, wie - de Lid-Staten of de Gemeenschap - de financieringslast moet dragen die op het eerste gezicht in strijd met de communautaire voorschriften lijken te zijn aangewend.
14. Om het maar meteen te zeggen. voor zover bij kennelijke schendin van de gemeenschapsregeling inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid een restrictieve uitlegging van de artikelen 5, lid 2, van verordening nr. 729/70 en 4, lid 1, van verordening nr. 2776/88 ertoe zou leiden, dat de Gemeenschap vaak jarenlang praktijken moet financieren die in geen geval ten laste van het EOGFL kunnen komen, strookt het mijns inziens met de geest van 's Hofs rechtspraak om de Commissie in dat geval binnen bepaalde grenzen de bevoegdheid toe te kennen de maandelijkse voorschotten niet volledig uit te betalen. Van deze bevoegdheid, die zowel op de reeds aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof berust als op de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 4, lid 2, van verordening nr. 729/70, moet de Commissie gebruik kunnen maken zodra zij, met name op grond van de overeenkomstig de artikelen 8 en 9 (20) van die verordening ontvangen inlichtingen, de overtuiging heeft dat de gemeenschapsvoorschriften zijn geschonden. Daar het om een voorlopige maatregel gaat - die de bij de goedkeuring van de rekeningen te nemen beslissingen geenszins prejudicieert - moet de schending wel kennelijk zijn. Een dergelijke beslissing zou bij niet gerechtvaardigd zijn wanneer de Commissie een oude regeling op een nieuwe mamer ging uitleggen, omdat dan inbreuk zou worden gemaakt op het gewettigd vertrouwen van de Lid-Staten zouden. (21)
15. Met andere woorden, het adagium "fraus omnia corrumpit" krijgt hier een nieuwe toepassing. Dat de Lid-Staten niet verantwoordelijk zijn voor op hun grondgebied gepleegde fraudes, valt te begrijpen, maar niet dat de Gemeenschap jarenlang de financieringslast die het van die fraudes is, zou moeten dragen. Die consequentie zou bovendien in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling van de economische subjecten. Na in het arrest Nederland/Commissie (22) te hebben herinnerd aan het beginsel van de artikelen 1, 2 en 3 van verordening nr. 729/70, inhoudende dat
"de Commissie slechts ten laste van het EOGFL mag brengen de bedragen die overeenkomstig de in de verschillende landbouwsectoren gestelde regels zijn betaald, en [dat] alle overigens betaalde bedragen, met name die waarvan de nationale autoriteiten ten onrechte hebben aangenomen dat zij ze in het raam van de gemeenschappelijke marktordeningen mochten betalen, ten laste van de Lid-Staten blijven",
preciseerde het Hof vervolgens:
"Deze strikte uitlegging van de voorwaarden waaronder uitgaven ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht, vloeit bovendien dwingend voort uit de doelstelling van verordening nr. 729/70. Het voeren van een gemeenschappelijk landbouwbeleid waarbij de economische subjecten in alle Lid-Staten gelijk worden behandeld, laat immers niet toe, dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat met behulp van een ruime uitlegging van een bepaald voorschrift de economische subjecten in deze staat bevoordelen ten koste van die in andere Lid-Staten waar een engere uitlegging wordt toegepast." (23)
16. Voor het overige heeft het Hof naar mijn mening reeds beslist, dat de verplichting voor de Commissie om vergoeding door het EOGFL van met de gemeenschapsvoorschriften strijdige uitgaven te weigeren, al bestaat vóórdat de procedure van goedkeuring van de rekeningen wordt ingeleid. In zijn arrest Denemarken/Commissie (24) overwoog het immers, dat
"(...) het kan voorkomen dat onregelmatigheden lange tijd na de feiten die eraan ten grondslag liggen, worden ontdekt. Zolang de rekeningen niet naar behoren zijn goedgekeurd, is de Commissie uit hoofde van artikel 2 van verordening nr. 729/70 verplicht, vergoeding door het EOGFL van restituties die niet overeenkomstig de communautaire voorschriften werden toegekend, te weigeren. Deze verplichting wordt niet opgeheven door de enkele omstandigheid, dat de rekeningen worden goedgekeurd na het verstrijken van de in artikel 5 van deze verordening gestelde termijn." (25)
17. Twee verduidelijkingen lijken mij nog nodig. In de eerste plaats moet de Commissie bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening houden met het recht van verweer. Deze beslissingen worden, zoals de Commissie opmerkt, inderdaad na raadpleging van het Comité van het EOGFL genomen. Die raadpleging kan echter niet worden vergeleken met de in dat opzicht meer bevredigende procedure die bij de goedkeuring van de rekeningen wordt gevolgd. Bij deze procedure worden de vastgestelde onregelmatigheden aan de Lid-Staat meegedeeld en kan deze individueel zijn standpunt aan de diensten van de Commissie kenbaar maken; hij ontvangt ook het ontwerp van de tot hem te richten beschikking. Toegegeven, deze procedure kan niet in haar geheel worden toegepast op de voorbereiding van beschikkingen tot korting van de maandelijkse voorschotten. Volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2776/88 worden de voorschotten op de boeking van de uitgaven uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand volgende op die waarin de tot uitbetaling gemachtigde diensten en organen de uitgaven hebben gedaan", terwijl de vereiste inlichtingen uiterlijk de twintigste van iedere maand volgende op die waarin de uitgaven zij gedaan, aan de Commissie worden meegedeeld. (26) De Commissie moet dus binnen betrekkelijk korte termijn handelen. De omstandigheid dat er sprake dient te zijn aan kennelijke schending van de gemeenschapsvoorschriften, maakt het overigens minder noodzakelijk de bevoegde diensten van de betrokken Lid-Staten uitvoerig te horen. Het verzoek om een advies van het Comité van het EOGFL lijkt mij dan ook een voldoende garantie voor de eerbiediging van het recht van verweer, dat comité in kennis wordt gesteld van de ontwerp-beschikking van de Commissie en van de inlichtingen op grond waarvan de Commissie de voorschotten wil verminderen.
18. In de tweede plaats kan die beschikking, die zoals gezegd een voorlopige maatregel is, als zodanig voor de Lid-Staat niet nadelig zijn indien bij de goedkeuring van de rekeningen duidelijk zou worden dat de voorschotten niet verminderd hadden mogen worden. In een dergelijk geval dient de Commissie mijns inziens de Lid-Staat weer te brengen in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de Commissie haar bevoegdheid niet onjuist had gebruikt. Niet enkel moet het bedrag van de verminderingen bij de goedkeuring van de rekeningen ten behoeve van de betrokken Lid-Staat "positief gecorrigeerd" worden, maar ook moeten de financiële lasten die als gevolg van die verminderingen ten onrechte op zijn begroting hebben gedrukt, worden vergoed. Met andere woorden, de Commissie moet die bedragen samen met de rente op de door haar vast te stellen wijze op de rekening van de Lid-Staat boeken. Gezien het vereiste van kennelijke schending, zal een dergelijke situatie zich, naar ik meen, maar zelden voordoen.
19. Onder die voorwaarden kan, zo meen ik, op basis van het beginsel dat het EOGFL geen met de gemeenschapsvoorschriften strijdige maatregelen mag financieren, de bevoegdheid van de Commissie tot korting van de voorschotten worden erkend.
20. Laat ons dan nu onderzoeken, of bij de in geding zijnde beschikking aan die voorwaarden is voldaan. Ik merk evenwel op, dat verzoeksters in wezen het beginsel betwisten dat de Commissie bevoegd is de voorschotten te verminderen, en dus niet toekomen aan de vraag, of zij in casu of zij van die bevoegdheid gebruik mocht maken.
21. Volgens de nota van de Commissie van 12 oktober 1989 bleek uit de door het comité van beheer voor melk en zuivelprodukten ontvangen gegevens, zien dat de quota met ongeveer 1,6 miljoen ton waren overschreden. De Commissie schatte dienvolgens het totale bedrag van de te innen extra heffing voor het boekjaar 1988/1989 op ongeveer 500 miljoen ECU. De desbetreffende boekingen van de Lid-Staten op de EOGFL-rekening waren echter aanzienlijk lager. De Commissie bracht dat bedrag, zoals gezegd, terug tot 220 miljoen ECU en verdeelde die over de Lid-Staten. Het verschil tussen de meegedeelde en de geschatte bedragen werd in mindering gebracht op de voorschotten voor juli 1989. Na kennisgeving van de haar ter beschikking staande statistische gegevens over het volume van de communautaire melkproduktie en van de aanzienlijke verschillen in de mededelingen van de Lid-Staten betreffende de extra heffing heeft de Commissie geconcludeerd, dat de gemeenschapsvoorschriften kennelijk waren geschonden. Verzoeksters, op wie de bewijslast rust, hebben niets aangevoerd wat de analyse van de Commissie in twijfel zou kunnen stellen.
22. Wat de eerbiediging van het recht van verweer betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld, dat de Lid-Staten in het beheerscomité voor melk en zuivelprodukten zijn vertegenwoordigd en dus kennis hebben kunnen nemen van de door dat comité ontvangen gegevens, dat het Comité van het EOGFL schriftelijk is geraadpleegd, en dat de Commissie de Lid-Staten per telekopie van 14 augustus 1989 daartoe drie tabellen met een overzicht van de meegedeelde uitgaven en de beoogde kortingen heeft toegezonden.
23. Het middel van schending van verordening nr. 729/70 kan derhalve niet slagen. Bijgevolg geef ik het Hof nu reeds in overweging het beroep van de Italiaanse Republiek af te wijzen.
24. De Bondsrepubliek Duitsland voert voor haar vordering tot nietigverklaring nog een tweede middel aan, namelijk dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Zij wijst op de rechtspraak van het Hof, volgens welke de plicht tot motivering van communautaire beschikkingen
"niet slechts de bescherming der aan de rechtsmacht van het Hof onderworpen personen dient, doch ook tot doel heeft, het mogelijk te maken dat het Hof de hem door het Verdrag opgelegde taak de beschikkingen te toetsen, volledig kan vervullen". (27)
De briefwisseling tussen partijen, aldus de Bondsrepubliek, geeft onvoldoende uitsluitsel over de redenen van de door de Commissie toegepaste korting; de informatieve nota van de Commissie, waarin de redenen voor de beschikking zijn uiteengezet, zou niet in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien deze na de beschikking is opgesteld.
25. Het Hof verwijst weliswaar regelmatig naar de door verzoekster aangehaalde rechtspraak, maar het heeft ook vastgesteld, dat de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering niet "alle gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn" behoeft te vermelden en dat wat deze motivering betreft,
"niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven, en op het geheel van de rechtsregels die de betrokken materie beheersen." (28)
26. Met betrekking tot de procedure van goedkeuring van de rekeningen heeft het Hof reeds opgemerkt, dat de regeringen nauw betrokken zijn bij de voorbereiding van beschikkingen betreffende goedkeuring van rekeningen en dus bekend kunnen zijn met de redenen waarom de Commissie meent de litigieuze bedragen niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen. (29) Die betrokkenheid is hier minder nauw; zij bestaat enkel hierin, dat vertegenwoordigers van de Lid-Staten zitting hebben in het beheerscomité voor melk- en zuivelprodukten en in het Comité van het EOGFL. Zij lijkt mij echter voldoende om te kunnen stellen, dat de betrokken staten bekend waren zowel met de feiten die een korting op de voorschotten rechtvaardigden, als met de rechtsgronden waarop het beginsel van die korting berust. Uit de "Annexe à la fiche de renseignements 'Habilitation' - FEOGA, Garantie avances" blijkt, dat Italië en Duitsland bij de schriftelijke raadpleging van het Comité van het EOGFL de rechtsgrondslag van de ontwerp-beschikking in twijfel hebben getrokken. In de rechtspraak van het Hof wordt echter aan de omstandigheid dat de Lid-Staat bij de voorbereiding van de beschikking betrokken was, enkel belang toegekend in zoverre deze daardoor van de elementen, feitelijk en rechtens, die de beschikking rechtvaardigen, op de hoogte kon zijn om eventueel gebruik te kunnen maken van zijn recht. In casu staat vast, dat verzoeksters de redenen voor de betrokken beschikking precies kenden.
27. Met betrekking tot de motivering kunnen wij echter de informatieve nota van de Commissie van 12 oktober 1989 buiten beschouwing laten. Deze nota beperkt zich hoofdzakelijk tot een formalisering van de "doctrine" van de Commissie over het punt waarover het tijdens de raadpleging van het Comité van het EOGFL tot een discussie met de Lid-Staten was gekomen, namelijk of de Commissie de maandelijkse voorschotten mag verminderen. Het is trouwens de vraag, of het Hof die nota in aanmerking kan houden, daar het reeds heeft beslist dat
"de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld." (30)
28. Het tweede middel van de Bondsrepubliek Duitsland moet derhalve eveneens worden afgewezen.
29. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
1) de beroepen van de Bondsrepubliek Duitsland en de Italiaanse Republiek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie nr. C(89)1525 van 30 augustus 1989 betreffende de toekenning van een voorschot op de boeking van de door het EOGFL, afdeling Garantie, te financieren uitgaven, te verwerpen;
2) verzoeksters in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) Van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13).
(2) Artikel 4, lid 2.
(3) Van 19 oktober 1987 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1987, L 304, blz. 1).
(4) Artikel 4, lid 2, sub a, nieuwe alinea, van verordening nr. 729/70, toegevoegd bij artikel 1 van verordening nr. 3183/87.
(5) Artikel 5, lid 2, sub a, nieuwe alinea, van verordening nr. 729/70, toegevoegd bij artikel 1 van verordening nr. 3183/87.
(6) Van 24 juni 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1988, L 185, blz. 1).
(7) Van de Commissie van 31 oktober 1983 betreffende de voorschottenregeling voor uit de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierde uitgaven (PB 1983, L 320, blz. 1).
(8) Van de Commissie van 7 september 1988 betreffende de gegevens die de Lid-Staten moeten verstrekken voor de boeking van de uit de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierde uitgaven (PB 1988, L 249, blz. 9).
(9) VI/340/89 van 12 oktober 1989 van het directoraat-generaal Landbouw - EOGFL.
(10) Zie bij voorbeeld de arresten van 15 december 1987 (zaak 326/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5091, r.o. 7), en (zaak 332/85, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5143) en het arrest van 24 maart 1988 (zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1749, r.o. 11).
(11) PB 1988, L 185, blz. 29.
(12) PB 1977, L 356, blz. 1.
(13) Cursivering van mij.
(14) Dat wil zeggen de maximale stijging van de uitgaven van het EOGFL.
(15) Cursivering van mij.
(16) Het gaat hierbij dus om de wekelijkse en maandelijkse mededelingen van de Lid-Staten over de gedane uitgaven.
(17) Artikel 17 van het Financieel reglement.
(18) Zie hierboven voetnoot 10.
(19) Arrest van 27 januari 1988 (zaak 349/85, Denemarken/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 169, r.o. 19).
(20) Waar het Hof besliste dat de Commissie het recht heeft "op elk ogenblik" ervan gebruik te maken (arrest van 19 februari 1989, zaak 214/86, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1989, blz. 367, samenvatting punt 2.
(21) Voor toepassing van hetzelfde beginsel bij de goedkeuring van de rekeningen, zie zaak 349/85, reeds aangehaald, r.o. 16.
(22) Zaak 326/85, reeds aangehaald.
(23) R.o. 7, cursivering van mij; zie ook zaak 332/85, reeds aangehaald, r.o. 7.
(24) Zaak 349/85, reeds aangehaald.
(25) R.o. 19; cursivering van mij.
(26) Artikel 3, lid 5, van verordening nr. 2776/88.
(27) Arrest van 20 maart 1959 (zaak 18/57, Nold, Jurispr. 1959, blz. 95, inz. blz. 119).
(28) Arrest van 25 oktober 1984 (zaak 185/83, Rijksuniversiteit te Groningen, Jurispr. 1984, blz. 3623, r.o. 38).
(29) Arrest van 14 januari 1981 (zaak 819/79, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1981, blz. 21, r.o. 20 en 21 en zaak 347/85, reeds aangehaald, r.o. 60).
(30) Arrest van 26 november 1981 (zaak 195/80, Michel/Parlement, Jurispr. 1981, blz. 2861, r.o. 22).
Top