19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/43
Advies inzake milieuactiviteiten die werkgelegenheid scheppen
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Tijdens de op 24 en 25 november 1982 gehouden 202e zitting heeft het Comité op
voorstel van zijn Bureau overeenkomstig de bepalingen van artikel 20, vierde alinea,
van zijn Reglement van Orde besloten, op eigen initiatief een advies inzake voor-
noemd onderwerp uit te brengen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het besluit van de Voltallige Vergadering
d. d. 25 november 1982 de Afdeling voor milieu,
volksgezondheid en consumptie te belasten met de
voorbereiding van een advies inzake milieuactivitei-
ten die werkgelegenheid scheppen,
Gezien het informatief rapport dat deze Afdeling
heeft goedgekeurd tijdens haar op 17 september
1982 gehouden 70e vergadering,
Gezien het door de Afdeling, tijdens haar op 12 juli
1983 gehouden 76e vergadering, goedgekeurde
advies,
Gezien het mondeling door de rapporteur, de heer
De Grave, uitgebrachte verslag,
Gezien de beraadslagingen tijdens zijn op 28 en
29 september 1983 gehouden 210e zitting (vergade-
ring van 29 september),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met 41 stemmen vóór, twee stemmen tegen, bij
8 onthoudingen, is goedgekeurd.
1. Inleiding: de werkgelegenheidssituatie
1.1. In februari 1983 was de werkloosheid in de
Gemeenschap opgelopen tot 10,9%. In twaalf jaar
tijd is de werkloosheid hiermee gestegen van 2 tot
11,1%('). In december 1982 was 38,9% van de
werklozen jonger dan 25 jaar (').
(') Exclusief Griekenland.
1.2. Deze werkloosheid is van een in het recente
verleden ongekende omvang en treft alle Lid-Staten
van de Gemeenschap, hoewel niet in dezelfde mate
(cijfers gebaseerd op de, soms uiteenlopende, offi-
ciële definities van de Lid-Staten; februari 1983):
Ierland
Nederland
België
Verenigd Koninkrijk
Italië
Denemarken
BR Duitsland
Frankrijk
Griekenland
Luxemburg
15,1
14,5
14,1
12,4
12,0
10,7
9,6
9,2
2,5
1,6
1.3. De aanhoudende tendens tot hoge en nog ver-
der stijgende werkloosheidspercentages vormt op
communautair niveau een nieuw politiek gegeven.
Tussen medio 1979 en eind 1982 is de werkloosheid
gestegen met:
Griekenland
Nederland
BR Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Denemarken
Luxemburg
Ierland
België
Frankrijk
Italië
133%
132%
122%
121 %
105%
104%
64%
53%
49%
33%
1.4. De binnenlandse en buitenlandse afzetmoge-
lijkheden voor goederen en diensten (consumptie-
goederen, halffabrikaten, dienstverlening) blijken
niet de vereiste omvang te hebben bereikt om voor
meer werkgelegenheid te kunnen zorgen. Verder
Nr. C 341/44 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
lijkt de tertiaire sector, die traditioneel de netto-
inkrimping van de werkgelegenheid in de andere secto-
ren opving (zoals in de 19e eeuw grote aantallen
arbeidskrachten uit de landbouw werk vonden in de
industrie), thans niet meer over dezelfde absorptie-
capaciteit als voorheen te beschikken.
(Percentage van de beroepsbevolking
Land
BR Duitsland
Verenigd Koninkrijk
Zweden
Japan
Verenigde Staten
Frankrijk
Industrie
1955
60
49
42
24
35
37
1975
45
42
37
35
28
38
Dienstverlening
1955
35
46
43
35
54
35
1975
46
55
56
50
70
50
1.5. De term „crisis" is dan ook op zijn plaats
(zoals in het document „FAST", blz. 138, wordt
opgemerkt) voor een maatschappij waarvan de toe-
komst en zelfs de geloofwaardigheid in het geding
zijn, aangezien zij uitgaat van volledige werkgele-
genheid, een uitgangspunt dat zij niet meer waar
kan maken. De werkgelegenheidscrisis zal ongetwij-
feld de jaren tachtig kenmerken en de energiecrisis
geheel overschaduwen ('). In de komende jaren zul-
len werkgelegenheids- en arbeidsvraagstukken dan
ook veel sterker dan in het verleden centraal staan
bij de uitwerking van het beleid van de Lid-Staten.
Uit talrijke, door verschillende Europese onder-
zoekscentra verrichte onderzoeken (van algemene
aard of naar een deel van het vraagstuk) blijkt una-
niem dat de werkloosheid op korte en middellange
termijn zal aanhouden of nog zal toenemen (2).
1.6. Er blijven nog zoveel behoeften te bevredigen
op het vlak van milieubeheer en welzijn, dat het
zoeken van een verband met de werkgelegenheids-
situatie zich bepaald opdringt.
2. Werkgelegenheid en milieubeleid
2.1. De vraag die in het onderhavige advies wordt
gesteld, luidt dan ook als volgt: hoe kan een milieu-
beleid in een volkshuishouding waar nog talrijke
behoeften onbevredigd zijn en de werkloosheid
hoog is, groei en werkgelegenheid bevorderen?
Dit betekent uiteraard niet dat het milieubeleid
ondergeschikt moet worden gemaakt aan het werk-
gelegenheidsbeleid, of omgekeerd; ieder beleid
(') De werkgelegenheidscrisis kan niet als een gedaante-
wisseling van de energiecrisis worden beschouwd. Het
mechanisme, de subjecten en de maatschappelijke
omstandigheden verschillen fundamenteel en de stij-
ging van de energieprijzen is, op den duur, zeker geen
hoofdoorzaak van de werkloosheid of de inflatie. (2) Het programma FAST.— Resultaten en Aanbevelin-
gen (deel 1) december 1982.
heeft zijn eigen doelstellingen. Maatregelen waarmee
„twee vliegen in één klap kunnen worden gesla-
gen", verdienen wel bijzondere aandacht en zouden
deel moeten uitmaken van de prioritaire activiteiten.
2.2. Men dient in dit verband verder te zien dan
een milieubeleid, dat overigens in de ruime zin moet
worden opgevat en niet alleen in de zin van bestrij-
ding van verontreiniging. Er zijn nog talrijke onbe-
vredigde behoeften op het gebied van welzijn (hulp
aan en verzorging van bejaarden, jongeren en
immigranten, woonsituatie, land- en stadsinrichting,
recreatiebeleid, enz.). In het verleden is al dikwijls
gebleken dat produktieapparaat en behoeften diver-
sifiëren (ontwikkeling van achtereenvolgens de pri-
maire, secundaire en tertiaire sector) naarmate ten
gevolge van produktiviteitsverbeteringen arbeids-
krachten uit de bestaande sectoren moeten
afvloeien. Behalve in een aantal sectoren, met name
de sectoren die samenhangen met de toenemende
vrije tijd (vrijetijdsbesteding, doe-het-zelf, enz.),
leveren deze nieuwe, dikwijls moeilijk te bevredigen
behoeften voor de overheden netelige financierings-
problemen op. Het is niet mogelijk via de commu-
nautaire, de nationale, de gewestelijke of de plaatse-
lijke begroting alle uit menselijk en sociaal oogpunt
wenselijke behoeften te bevredigen.
2.3. Een werkgelegenheid stimulerend beleid op
het vlak van milieubeheer en welzijnsbevordering
dient vanzelfsprekend rekening te houden met de
werkloosheidsopbouw. De financiële consequenties
van de werkloosheid treffen bovendien rechtstreeks
de werknemers, maar ook de staatskas. Dikwijls
betekent een werkloze voor de staat een financiële
belasting die direct of indirect vrijwel even hoog is
als het loon van een werknemer.
2.4. Er dient ook in toenemende mate te worden
gekeken naar de door de werkloosheid veroorzaakte
kosten die niet in de begroting tot uiting komen, nl.
menselijke, maatschappelijke en politieke kosten.
19.12.83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/45
2.5. Men mag niet voorbijgaan aan het feit dat,
afgezien van de menselijke en sociale aspecten, een
beleid tot verbetering van het welzijn dikwijls
beschouwd kan worden als investering met een
positief economisch effect:
— vermindering van absenteïsme, zenuw- en
beroepsziektes, ongevallen;
— verbetering van de arbeidssatisfactie en aldus
van de motivering en de aanpassing van werk-
nemers;
— vermindering van door de milieuvervuiling ver-
oorzaakte kosten en schade aan bepaalde
ondernemingen, aan grond en gebouwen,
gezondheid en andere sectoren (noodzaak van
drinkwaterzuivering, zure regen, zwaveldioxide,
aandoeningen aan de luchtwegen, schoonma-
ken van met olie verontreinigde stranden,
schade toegebracht aan visteelt, toerisme, enz.);
— bescherming van cultuurbezit;
— afneming van allerlei kosten die het gevolg zijn
van onaangepast gedrag (marginalisering in al
haar vormen, alcoholisme, drugsverslaving, aan-
passingsproblemen op het werk, enz.);
— minder hoge verzekeringskosten (schadegeval-
len, premies).
Het zou dus een misvatting zijn te veronderstellen
dat een beleid ter bevordering van de kwaliteit van
het bestaan een luxe is die in crisistijd minder aan-
dacht verdient.
2.6. Evenals bij kosten van onderwijs, onderzoek
of infrastructuurinvesteringen is het heel goed
mogelijk dat uitgaven ter verbetering van de kwali-
teit van het bestaan pas op lange termijn en alleen
uit macro-economisch oogpunt rendabel zijn; niet-
temin is het financieringsprobleem op korte termijn
dikwijls moeilijk.
2.6 bis. Het beginsel „de vervuiler betaalt" of het
nemen van maatregelen ter beperking van vervui-
lende emissies kan ertoe leiden dat economische
activiteiten naar bepaalde derde landen worden ver-
legd. Het Comité kan geen genoegen nemen met
een eenvoudige verplaatsing van de vervuilingsbron,
waarbij werkgelegenheid in de EG verloren gaat en
de invoer uit derde landen toeneemt. Dit probleem
is verwant aan een reeds welbekend verschijnsel, nl.
„sociale dumping". Het Comité dringt er bij de
Commissie op aan, eens te gaan nadenken over de
vraag hoe deze negatieve gevolgen kunnen worden
vermeden.
2.7. Een op verbetering van het milieu gericht
beleid als groeifactor dient een onderdeel te zijn van
het streven naar een nieuwe vraag en een nieuw
aanbod, welke voor meer werkgelegenheid en wel-
zijn kunnen zorgen zonder de inflatie aan te wakke-
ren. In een economie waarin de dienstverlening cen-
traal staat en het er niet naar uitziet dat de ontwik-
keling van de internationale handel aan deze ver-
wachtingen zal kunnen beantwoorden, dienen alle
nieuwe groeimogelijkheden te worden onderzocht.
In het bijzonder dient aandacht te worden besteed
aan groeimodellen die inspelen op de plaatselijke
mogelijkheden en waarin kwalitatieve elementen
beter tot hun recht komen en die dus minder zijn
gericht op een sterke stijging van de consumptie van
„grondstoffenintensieve" materiële goederen, en/of
van de import, maar wel op de toename van econo-
misch en maatschappelijk nuttige produktieve
dienstverlening. Wil dit soort groei algemeen aan-
vaard worden, dan is een beter regionaal evenwicht
vereist en dan dienen de minder gefortuneerd en in
de samenleving te beschikken over een minimum-
pakket materiële goederen, hetgeen inhoudt dat in
bepaalde regio's en onder bepaalde bevolkingsgroe-
pen de levensstandaard dient te stijgen. De maat-
schappelijke groeperingen met de hogere inkomens
lijken het trouwens wenselijk te vinden dat verdere
groei in de toekomst meer op kwalitatieve aspecten
gericht is.
2.8. Talrijke Lid-Staten en andere landen hebben
hun wetgeving aangepast aan deze nieuwe economi-
sche situatie.
2.9. Op internationaal vlak heeft de UICN (Inter-
nationale unie voor het behoud van de natuur en
van de natuurlijke hulpbronnen), een niet-gouverne-
mentele organisatie die in 1948 onder auspiciën van
de UNESCO werd ingesteld, onlangs een milieupro-
gramma van ongekende omvang en ambitie gelan-
ceerd. Ongeveer 450 regeringsinstanties en milieuor-
ganisaties in meer dan 100 landen is gevraagd bij te
dragen tot het uitwerken van dit programma. De
Wereldstrategie voor Milieubescherming, zoals de
naam van het programma luidt, is opgesteld in het
kader van het programma van de Verenigde Naties
voor het milieu, van waaruit ook financiële steun
gaat naar deze strategie. Het programma wordt ook
gesteund door de FAO van de Verenigde Naties en
door de UNESCO.
2.10. Doel van de strategie is, de mening te weer-
leggen dat met bescherming van de natuur en
bodem kan worden volstaan om het milieu te
behouden. Ook wordt de idee verworpen dat deze
bescherming op zich een belemmering zou kunnen
betekenen voor economische ontwikkeling. In de
strategie staat juist de groei centraal, welke onmoge-
lijk is voor landen die hun natuurlijke hulpbronnen
niet tegelijkertijd beschermen. Daarom wordt op de
noodzaak gewezen van een beleid waarin milieupro-
jecten en ontwikkelingsprojecten hand in hand
gaan, zonder te wachten tot het milieu wordt
bedreigd.
Nr. C 341/46 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12. 83
3. Situatie op het niveau van de Gemeenschap
Hoewel de Gemeenschap wellicht een zekere achter-
stand heeft, moet toch worden gewezen op drie ini-
tiatieven :
a) Een studie van de Commissie ('), die in dit
opzicht van zeer bijzondere betekenis is en ove-
rigens verricht is nadat in de Lid-Staten een
schat aan ervaringen is opgedaan. In deze stu-
die wordt de tenuitvoerlegging van milieupro-
gramma's door de particuliere en de openbare
sector voorgesteld. Die programma's moeten
zodanig gekozen worden dat rekening wordt
gehouden met de plaatselijke werkgelegenheids-
situatie en met de noodzaak dat bij de verwe-
zenlijking ervan voldoende indirecte activiteiten
ontstaan.
Dit zou volgende consequenties kunnen heb-
ben:
— directe gevolgen, d. w. z. het in dienst hou-
den van vaste arbeidskrachten;
— indirecte gevolgen door toelevering tussen
bedrijfstakken;
— geïnduceerde effecten door toenemende
consumptie van de extra arbeidskrachten;
— een beter inspelen op de produktiebehoef-
ten.
In de studie wordt een aantal projecten voorge-
steld die zouden kunnen worden uitgevoerd:
— door de particuliere sector (sturing van de
innovatie en van de investeringen in de
richting van milieubescherming en bevorde-
ring van de werkgelegenheid);
— door onafhankelijke particuliere organisa-
ties en groeperingen (dikwijls kleinschalige
projecten);
— door de overheid (maatregelen ter bevorde-
ring van de werkgelegenheid en grote open-
bare werken).
Volgens de studie van de Commissie zouden de
extra kosten die dergelijke programma's met
zich brengen, een multiplicatoreffect hebben
op de werkgelegenheid en de financiering ervan
zou toch niet inflatoir hoeven te zijn.
De particuliere organisaties zouden vooral inge-
schakeld worden bij projecten waarbij jongeren
werkzaamheden te verrichten krijgen die weinig
kapitaalintensief zijn en die weinig technologie
vergen (verbetering van openbare en particuliere
groenstroken). De openbare projecten die een
beslissende rol zouden moeten spelen, zouden
ten dele worden toegespeeld aan particuliere
ondernemingen. De projecten zouden op de
werkgelegenheid een multiplicatoreffect heb-
ben.
In de studie van de Commissie worden de vol-
gende projecten genoemd:
— verbetering van waterleidings- en waterzui-
veringsinstallaties, van dijken en oeverver-
sterking, van natuurreservaten, groene
zones, bossen, enzovoort;
— benutting van braakliggende terreinen (in
steden, industriegebieden);
— opruiming van illegale stortplaatsen;
— restauratie van historische plaatsen en
monumenten;
— verzamelen en benutten van ecologische
gegevens.
b) Een voorstel voor een verordening (EEG) van
de Raad inzake communautaire acties voor het
milieu (CAM), dat onlangs aan de Raad is voor-
gelegd.
Ingevolge het initiatief van het Europees Parle-
ment om financiële middelen op de Gemeen-
schapsbegroting op te voeren die bedoeld zijn
ter financiering van wat in de toekomst een
milieufonds zou kunnen worden, en in overeen-
stemming met de communautaire milieupro-
gramma's, stelt de Commissie voor bepaalde
specifieke acties op dit terrein financieel te steu-
nen.
In het bijzonder gaat het hier om maatregelen
ter ontwikkeling van zogenaamde „schone tech-
nieken" — dat wil zeggen technieken waarmee
de verontreiniging kan worden verminderd en
een zuinig gebruik van natuurlijke hulpbronnen
kan worden bevorderd — alsmede om de
bescherming van het natuurlijk milieu in voor
de Gemeenschap belangrijke gebieden.
Het Comité verwijst op dit punt naar zijn advies
van 27 april 1983 (2).
c) Een programma van modelprojecten en studies
ter bestrijding van de armoede, tegen de achter-
grond van de heersende werkloosheid.
De Lid-Staten hebben een reeks projecten goed-
gekeurd die zijn gericht op de ontwikkeling van
de beroepsopleiding, van herscholing, van het
opdoen van beroepservaring en het bevorderen
van de arbeidsmobiliteit, het stimuleren van ver-
(') Studie van de karakteristieken van een de werkgele-
genheid bevorderend milieuprogramma voor de
Gemeenschap, 1978. (2) PB nr. C 176 van 4. 7. 1983, blz. 1.
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/47
vroegde pensionering en het scheppen van
nieuwe, maatschappelijk nuttige arbeidsplaat-
sen. De Gemeenschap werkt met de Lid-Staten
samen door middel van haar financieel instru-
mentarium.
Het in Europa bereikte werkloosheidspeil, en
met name de omvang van de werkloosheid
onder jonge schoolverlaters, levert een vorm van
maatschappelijke uitsluiting op, die op lange
termijn een schadelijk cumulerend effect kan
hebben. Bovendien is een minderheid van de
Europese bevolking niet gedekt door sociale
verzekeringen.
Daarom is een programma opgezet ter bestrij-
ding van de armoede. Hiervoor is tussen 1976
en 1980 20 miljoen Ecu uitgetrokken.
Op 15 december 1979 is een eindrapport gepu-
bliceerd. Een reeks modelprojecten zijn door de
Gemeenschap en de Lid-Staten gesubsidieerd
of gefinancierd.
De in artikel 2 van het EEG-Verdrag genoemde
verbetering van de levensstandaard heeft zowel
een kwalitatieve als een kwantitatieve inhoud.
Voornoemd programma houdt vanwege
bepaalde onderdelen (b. v. woningrenovatie)
rechtstreeks verband met het milieu en kan ook
werk scheppen.
Een aantal projecten waren vormen van maat-
schappelijk opbouwwerk, waarbij diverse plaat-
selijke initiatieven zijn gebruikt of in het leven
zijn geroepen, bij voorbeeld op het vlak van
woningbouw en milieubescherming. Verschil-
lende projecten omvatten de bouw van nieuwe
woningen; andere betroffen woningverbetering
en verbetering van het natuurlijk leefmilieu. Het
gehele programma heeft 300 a 400 arbeidsplaat-
sen opgeleverd, hetgeen neerkomt op 10 000
Ecu per arbeidsplaats per jaar.
4. Conclusies: Door de Gemeenschap te ontwikkelen
of op te zetten activiteiten
Het Comité wil de Commissie een aantal suggesties
doen, die eerder beschouwd moeten worden als te
bestuderen, te bespreken en nader uit te werken
richtsnoeren, dan als definitieve voorstellen. Dit
betekent niet dat de behandeling ervan niet urgent
zou zijn. Integendeel.
Het doel van de economie is bevrediging van
behoeften. De behoeften op het terrein van verbete-
ring van het milieu en van de leefomstandigheden
— waarvoor slechts beperkte middelen ter beschik-
king staan — en de steeds somberder vooruitzichten
voor de arbeidsmarkt verdienen zoveel aandacht
van de Commissie dat aan de omvang van de pro-
blematiek recht wordt gedaan.
Tevens dient rekening te worden gehouden met de
gevolgen voor het welzijn van de komende genera-
ties.
De Commissie dient hierover intensief overleg te
plegen met de sociale partners in de ruime betekenis
van het woord (d. w. z. ook de milieuorganisaties
moeten hiertoe worden gerekend).
Hierna stelt het Comité een aantal richtsnoeren
voor, waarvan het er enkele concreter formuleert
dan andere; het is het Comité namelijk niet altijd
mogelijk geweest, alle gevolgen van een reeks con-
crete maatregelen na te gaan.
De Commissie dient ervoor te zorgen dat zij over
voldoende medewerkers en onderzoeksmiddelen
beschikt om de Regeringen van de Lid-Staten onaf-
gebroken praktische voorstellen voor maatregelen
aan de hand te doen waarvan positieve gevolgen
voor zowel milieu als werkgelegenheid mogen wor-
den verwacht.
Daarbij dient er op te worden toegezien dat de acti-
viteiten
— bij voorrang gericht zijn op de probleemgroepen
van de arbeidsmarkt;
— de financiering ervan geen negatieve uitwerking
heeft op de werkgelegenheid elders;
— worden afgewogen tegen andere prioritaire
taken van de Gemeenschap, opdat de verschil-
lende doeleinden niet worden nagestreefd met
behulp van instrumenten die tegenstrijdig zou-
den kunnen zijn, maar daarentegen, indien
mogelijk, met behulp van maatregelen die
elkaar ondersteunen.
Het effect van de geplande maatregelen dient zorg-
vuldig te worden afgewogen en later op het succes
ervan te worden gecontroleerd.
Indien mogelijk, dient voor ieder voorstel een kos-
ten/batenanalyse te worden gemaakt, waarin ook
niet in geld waardeerbare aspecten worden betrok-
ken. Er zij echter op gewezen dat een dergelijke ana-
lyse dikwijls erg moeilijk is. Hoe moet bij voorbeeld
het behoud van het erfelijkheidsmateriaal van plan-
ten en dieren, het welzijn, de veiligheid in grote
samenlevingseenheden of de maatschappelijke con-
sensus in geld worden uitgedrukt?
De Gemeenschap zou volgens het Comité haar acti-
viteiten in vijf richtingen moeten sturen:
4.1. Steun aan projecten ter verbetering van de kwa-
liteit van het bestaan
4.1.1. De Commissie zou de deskundigen van de
Lid-Staten bijeen moeten brengen (hetgeen nog
Nr. C 341/48 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12.83
nooit gebeurd is) om na te gaan welk beleid op
nationaal niveau wordt gevoerd ter verbetering van
enerzijds de werkgelegenheid en anderzijds het leef-
milieu (lucht, water, bodem, lawaai, fauna en flora,
landschap) en de kwaliteit van het bestaan (huisves-
ting, psychologische, medische en maatschappelijke
hulpverlening, specifieke problemen van bepaalde
bevolkingsgroepen, enz.).
Daarbij lijkt datgene wat onder „milieu" in enge zin
wordt verstaan, moeilijk te scheiden van wat onder
„kwaliteit van het bestaan" in een veel ruimere zin
moet worden begrepen.
4.1.2. Een dergelijk vergelijkend onderzoek zou de
sterke en de zwakke kanten van de nationale
beleidsmaatregelen aan het licht moeten brengen en
het mogelijk moeten maken, verbeteringen in het
beleid van de Lid-Staten aan te brengen.
4.1.3. Ook zou de Commissie de Lid-Staten die
nog geen beleid voeren dat erop gericht is werkzoe-
kenden in nuttige projecten te werk te stellen, via
een aanbeveling kunnen verzoeken zulks te doen,
voor zover de begrotingsruimte dit toelaat.
4.1.4. Naast dit zorgen voor informatie-uitwisse-
ling en dit aandringen op nationale beleidsmaatre-
gelen, is voor de Commissie nog een taak wegge-
legd: de Commissie zou financiële prikkels kunnen
geven. Zelfs een bescheiden financiële bijdrage in
de vorm van steun voor modelprojecten zou al wel-
kom zijn.
4.1.5. Met name zouden werkscheppende experi-
mentele ontwikkelingsprojecten kunnen worden
gesubsidieerd die beter in het landschap passen en
bij voorkeur gebruik maken van de mogelijkheden
van het milieu (alternatieve landbouw, biomassa,
landbouw in bergstreken, bossen) of die tot behoud
van het milieu bijdragen in gebieden die bij voor-
beeld door achteruitgang of problemen in de water-
huishouding bedreigd worden.
4.1.6. Op het gebied van stadsvernieuwing en plat-
telandsontwikkeling (recreatiegebieden), sanering
van verlaten industrieterreinen, van bescherming en
openstelling van monumenten en historische plaat-
sen, valt nog veel te doen. Bepaalde aanlegwerk-
zaamheden (zoals bewegwijzering, aanleg van wan-
delpaden en fietspaden, enz.) zijn eveneens veelbe-
lovend.
4.1.6 bis. Uit het oogpunt van milieupolitiek is het
vooral gewenst natuurlijke landschappen in de
oorspronkelijke staat te herstellen of een nieuwe
vorm te geven, voor zover deze als recreatiegebieden
voor de mens, als leefruimte voor bedreigde plan-
ten- en diersoorten en als ecologische compensatie
voor zeer belaste concentratiegebieden in aanmer-
king komen.
4.1.7. Gezien de belangrijke economische conse-
quenties, zouden voor deze activiteiten gemakkelij-
ker communautaire financiële middelen beschikbaar
moeten worden gesteld.
4.2. Informatie
4.2.1. Alleen het verstrekken van informatie over
datgene wat op landelijk en plaatselijk niveau reeds
is verwezenlijkt, zou al aarzelingen kunnen helpen
wegnemen of de uitvoering van potentiële plannen
kunnen vergemakkelijken. Het Comité verzoekt de
Commissie daarom, in samenwerking met de inter-
nationale organen die zich inzetten voor plaatselijke
instanties, dergelijke voorlichtingsactiviteiten naar
de bevolking en de betrokken autoriteiten toe te sti-
muleren. Ook zou het Comité gaarne zien dat de
Commissie de onderwijs- en opleidingsinstellingen
steunt.
4.2.2. Er bestaat bijzondere behoefte aan voorlich-
ting en bewustmaking van de consument, wil men
bereiken dat deze op de markt niet alleen op de
prijs, maar ook op de invloed van zijn gedrag op het
milieu let.
4.3. Economische politiek op middellange termijn
4.3.1. De huidige economische situatie wordt met
name gekenmerkt door hoge structurele werkloos-
heid, betalingsbalansproblemen, internationale con-
currentie waaronder in het bijzonder een groot deel
van de industrie te lijden heeft, het onbevredigd
blijven van bepaalde behoeften, een laag investe-
ringsniveau, een zwakke binnenlandse vraag en
onderbenutting van de produktiecapaciteit in veel
bedrijfstakken.
4.3.2. In het kader van de economische politiek op
middellange termijn dient de Gemeenschap, met
gebruikmaking van de beste instrumenten van eco-
nomisch onderzoek, de voorwaarden te scheppen
voor de structuurveranderingen die nodig zijn om
tegen de uitdaging van deze tijd opgewassen te zijn.
4.3.2 bis. In de natioanle rekeningen moeten de
lange-termijngevolgen van de economische bedrij-
vigheid voor de samenleving worden verwerkt,
zodat zowel de positieve als de negatieve lange-ter-
mijngevolgen voor het milieu en de hoogte van het
BNP tot uiting komen.
Dit beginsel dient in het bijzonder consequent te
worden toegepast door het heffen van een belasting
op milieuvijandige activiteiten.
4.3.3. Rationeler gebruik van natuurlijke hulp-
bronnen zou een essentieel element moeten zijn van
een groeibeleid. Hoe en waar grondstoffen en ener-
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/49
gie worden gebruikt, de mogelijkheden van recy-
cling, het gebruik van afval, de duurzaamheid van
goederen, zijn onderwerpen waarover grondig dient
te worden nagedacht.
4.3.4. Zo zou moeten worden onderzocht wat de
algemene gevolgen voor de economie zijn wanneer
de kwaliteit van produkten wordt verbeterd en de
levensduur wordt verlengd en er met name naar
wordt gestreefd meer te repareren en te restaureren
(auto's, huizen, enz.) in plaats van weg te werpen of
te vernietigen en te vervangen (gevolgen in de zin
van vermindering van de invoer en dus van het
tekort op de handelsbalans, meer werkgelegenheid
in arbeidsintensieve sectoren als de dienstverlening
en de woningbouw welke minder gevoelig zijn voor
de internationale concurrentie, vermindering van
afval en van verwijderingskosten, zuiniger gebruik
van deviezen, grondstoffen, enz.). Als de economi-
sche modellen en de nationale ervaringen de ver-
wachting wekken dat de effecten gunstig zullen zijn,
is het zaak dat wordt nagedacht over de meest
geschikte mogelijkheden om deze doeleinden te ver-
wezenlijken, en dat hieromtrent voorstellen worden
gedaan.
Aangezien vergelijkende onderzoeken ontbreken, is
het moeilijk na te gaan wat het beste beleid is. Vast
staat dat het restaureren van oude gebouwen en het
in de oude staat herstellen van monumenten en der-
gelijke schier onbeperkte werkmogelijkheden bie-
den. Ook het repareren van semi-duurzame goede-
ren als auto's, die slechts voor een gedeelte in de
Gemeenschap zijn gefabriceerd (en in welke sector
de werkgelegenheid steeds verder terugloopt), door
uiteraard plaatselijk aanwezige kleine en middel-
grote bedrijven zou in alle regio's voor talrijke
arbeidsplaatsen kunnen zorgen.
4.3.5. Er kan ook aan andere mogelijkheden voor
verbetering van het stads- en plattelandsmilieu wor-
den gedacht:
— gebruik van hulpbronnen door middel van
zogenaamde „schone" technieken;
— gebruik van produkten en afvalverwerking:
— inzamelen en hergebruik van afval;
— gevaarlijk en giftig afval;
— beperking van de hoeveelheid afval en dus
van de behandelingskosten;
— opruiming van illegale stortplaatsen.
4.3.6. Op energiegebied kan worden gedacht aan
bevordering van rationeel energiegebruik, gecoördi-
neerd met het industrie- en het vervoerbeleid, het
beleid inzake stede- en woningbouw (nieuwbouw en
verbouwing), landinrichting, enzovoort.
4.4. Optimale benutting van de ondernemingen op
milieugebied
4.4.1. Volgens het document van het „FAST'-team
(blz. 13) zijn de bedrijven die actief zijn op milieu-
gebied (de „milieu-industrie") waarschijnlijk goed
voor 1,25% van het BBP en bieden zij werk aan
1,3 miljoen personen.
4.4.2. In dit document is te lezen dat de kosten van
deze sector over een jaar berekend lager zijn dan de
schade die de bestreden milieuverontreiniging in die
periode anders zou hebben aangericht. Gesteld kan
dus worden dat de „milieu-industrie" zowel ecolo-
gisch als economisch een haalbare kaart is. Dit feit
komt onvoldoende tot uiting in het milieubeleid van
de Europese staten (')•
4.4.3. De Gemeenschap exporteert al veel op dit
terrein, maar haar positie zou nog moeten worden
versterkt.
4.4.4. Het verdient in dit verband vermelding dat
de Lid-Staten meer materiaal in kennis uitvoeren
dan invoeren op gebieden waarop al het langst aan
bestrijding van milieuverontreiniging wordt gedaan
en waarop daarmee het meeste succes is geboekt
(voorbeeld: waterzuivering in Frankrijk). Zij zijn
daarentegen importeurs gebleven op gebieden
waarop andere landen, onder druk van strengere
wettelijke voorschriften, procédés hebben ontwik-
keld, bij voorbeeld ontzwaveling van rook in de Ver-
enigde Staten en Japan, instrumentale controle op
verontreiniging en controle op informatie (micro-
processoren).
4.4.5. Bestrijding van milieuvervuiling kan dus een
kiem van technische vernieuwing worden. De export
van Europese technische procédés kan bijdragen tot
het scheppen van talrijke arbeidsplaatsen.
4.5. Aandacht voor milieu en werkgelegenheid in
alle beleidsonderdelen van de Gemeenschap
4.5.1. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het
onderzoeksbeleid, de vervoerpolitiek, het sociaal
beleid, het energie- en het economisch beleid en het
beleid op andere terreinen kunnen van invloed zijn
op de werkgelegenheid en op het milieu.
4.5.2. De activiteiten op het gebied van de land-
bouw en bepaalde infrastructuurprojecten staan in
rechtstreeks verband met het milieubeleid (impact-
studies).
4.5.3. In verschillende eerder uitgebrachte advie-
zen heeft het Comité ook het ontbreken van een
(') Het programma FAST — 36 onderzoekingen samen-
gevat (deel 2) december 1982 (niet in het Nederlands
beschikbaar).
Nr.C 341/50 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 19. 12.83
bosbouwbeleid betreurd, terwijl de handelsbalans
van de Gemeenschap op dit vlak een flink tekort —
het grootste na dat van de aardolieprodukten — ver-
toont. Er zouden arbeidsplaatsen kunnen worden
gecreëerd in de bosbouw zelf en in de houtverwer-
kende nijverheid.
delijk leefmilieu). De Gemeenschap is reeds de
belangrijkste importeur van technisch hoogwaardig
materiaal op het gebied van milieubeheer (zuive-
ringsinstallaties, luchtfilters, isolatiemateriaal, meet-
apparatuur, materiaal voor de verwijdering van
deeltjes uit rook, afvalverwerkingsinstallaties, enz).
4.5.4. De verschillende beleidsonderdelen en de
diverse financiële instrumenten van de Gemeen-
schap zouden, beter dan voorheen, kunnen bijdra-
gen tot de verwezenlijking van de in dit advies
genoemde doeleinden, zonder daarbij hun eigen
specifieke doelstelling los te laten.
4.5.5. Zo dient een evaluatie uit het oogpunt van
milieu en werkgelegenheid een van de criteria te zijn
voor uitvoering van projecten (EFRO, EOF, enz.).
Situaties waarin steun wordt verstrekt voor ontbos-
sing en enkele jaren later weer steun wordt aange-
vraagd voor herbebossing, zoals kort geleden is
gebeurd in een ACS-land, zouden dan wellicht te
vermijden zijn.
4.5.6. Ten slotte zou het onderzoeks- en ontwikke-
lingsbeleid erop gericht moeten zijn de Gemeen-
schap een vooraanstaande plaats te doen innemen
op het vlak van „schone" technieken en van nieuwe
materialen (b.v. stikstofbinding door planten,
geluidwerend materiaal voor toepassing in het ste-
5. Het Comité is ervan overtuigd dat de Commis-
sie deze voorstellen aan een onderzoek zal onder-
werpen en er alles aan zal doen dat de door het
milieubeleid aan de groei te leveren bijdrage niet uit
het oog wordt verloren. Betere leef- en werkomstan-
digheden kunnen en moeten evenals de andere
beleidsnormen van de Gemeenschap hun bijdrage
leveren tot de oplossing van de verontrustende
werkloosheidsproblematiek.
6. Nu het Comité dit advies aan de Raad en aan
de Commissie voorlegt, wil het van de gelegenheid
gebruik maken om de Commissie en de regeringen
der Lid-Staten op te roepen:
— samen te werken ten einde spoedig concrete
maatregelen te kunnen treffen ter verbetering
van milieu en werkgelegenheid;
— lange- en middellange-termijndoelstellingen
vast te stellen om de gevaren die onze samenle-
ving thans bedreigen, te bestrijden.
Gedaan te Brussel, 29 september 1983.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Francois CEYRAC
BIJLAGE
bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité
— Wijzigingsvoorstel verworpen
Onderstaand wijzigingsvoorstel, dat in overeenstemming met het Reglement van Orde werd inge-
diend, is tijdens de beraadslagingen door het Comité verworpen:
Paragraaf 4.1.3
Paragraaf 4.1.3 zou als volgt moeten komen te luiden:
„De Commissie dient erop aan te dringen dat de Lid-Staten — voor zover dit nog niet is
geschied — middellange-termijnprogramma's opstellen ter verbetering van het leefmilieu en
van de kwaliteit van het bestaan, met concrete doelstellingen voor de verschillende deelge-
bieden en voorzien van een tijdschema. Deze programma's zouden de economie ten goede
moeten komen door stimulering van op de toekomst gerichte investeringen en zouden tevens
als indicator moeten dienen voor tewerkstellingsmaatregelen van de overheid en voor over-
heidsplannen in het algemeen. Verder zou de Commissie de Lid-Staten die nog geen beleid
19. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 341/51
voeren dat gericht is op werkverschaffing, via een aanbeveling kunnen verzoeken, voor zover
hun begrotingsruimte dit toelaat, werkzoekenden aan te trekken voor de verwezenlijking van
dergelijke programma's, mits bestaande arbeidsplaatsen daardoor niet in gevaar worden
gebracht (b.v. aparte inzameling van oud papier e. d., aanleg, herstel en onderhoud van
groenstroken, parken, speelplaatsen, natuur- en landschapsbeschermingsgebieden, herstel
van de natuurlijke loop van beken en rivieren, maatregelen om land weer in cultuur te bren-
gen, verrichten van planmatige en grootschalige metingen van de concentratie schadelijke
stoffen in lucht, water en bodem, verzorging van hulpbehoevenden, monumentenzorg,
enz.).".
Motivering
Het lijkt zinvol door het formuleren van concrete doelstellingen voor de verbetering van het leef-
milieu en de kwaliteit van het bestaan het particuliere bedrijfsleven en overheidsinstanties op
weg te helpen.
Uitslag van de stemming:
Stemmen vóór: 3; tegen: 36; onthoudingen: 7.
Advies inzake een mededeling van de Commissie aan de Raad over de structuren en
procedures van het gemeenschappelijk beleid op het gebied van de wetenschap en de
technologie, waarin opgenomen ontwerp-besluiten van de Raad inzake:
I. de besluitvormingsstructuren en -procedures op het gebied van wetenschap en
technologie
II. de structuren en procedures voor het beheer en de coördinatie van de communautaire
onderzoeks-, ontwikkelings- en demonstratiewerkzaamheden
De tekst waarop de adviesaanvrage betrekking heeft is bekendgemaakt in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 113 van 27 april 1983, blz. 4 en 5.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Op 7 april 1983 heeft de Raad besloten het Economisch en Sociaal Comité overeen-
komstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap over bovengenoemd voorstel te raadplegen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 28 en 29 september 1983 te Brussel gehouden 210e
zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, in het bijzonder arti-
kel 198,
Gezien de op 7 april 1983 gedateerde adviesaan-
vrage van de Raad van de Europese Gemeenschap-
pen inzake de ontwerp-besluiten van de Raad
inzake:
I. de besluitvormingsstructuren en -procedures op
het gebied van wetenschap en technologie;
II. de structuren en procedures voor het beheer en
de coördinatie van de communautaire onder-
Full & Egal Universal Law Academy