10. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 322/3
II
(Voorbereidende besluiten)
ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Advies inzake een mededingingsbeleid van de Gemeenschap tegen de achtergrond van de
sociaal-economische situatie van het ogenblik
Het advies van het Comité heeft niet op een bepaald document betrekking.
A. JURIDISCHE GRONDSLAG VAN HET ADVIES
Tijdens zijn op 17 en 18 juli 1979 gehouden 170e zitting heeft het Comité op voorstel
van zijn Bureau besloten, uit eigen beweging een advies inzake voornoemd onderwerp
op te stellen.
B. ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ
Het Economisch en Sociaal Comité heeft beraadslaagd over zijn advies inzake voor-
noemd onderwerp tijdens zijn op 29 en 30 april 1981 te Brussel gehouden 187e zitting.
Dit advies luidt als volgt:
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ,
Gezien artikel 20, vierde alinea, van het Reglement
van Orde van het Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het op 16 juli 1979 op voorstel van zijn
Bureau genomen besluit, een initiatief-advies inzake
het mededingingsbeleid van de Gemeenschap tegen
de achtergrond van de sociaal-economische situatie
van het ogenblik uit te brengen en de Afdeling voor
industrie, handel, ambacht en dienstverlening met de
voorbereiding van de werkzaamheden dienaangaande
te belasten,
Gezien het advies dat op 8 april 1981 door deze
Afdeling werd opgesteld,
Gezien het door de heren Bagliano en Neumann,
rapporteur respectievelijk corapporteur, voorgelegde
rapport,
Gezien zijn beraadslagingen tijdens de op 29 en
30 april 1981 gehouden 187e zitting (vergadering van
30 april),
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT,
dat met 95 stemmen vóór, bij 16 onthoudingen werd
goedgekeurd.
1. Mededingingsbeleid op een nog niet geheel geïnte-
greerde, open markt
1.1. Achtergrond van dit advies
De ernst van de sociaal-economische toestand aan het
eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren
tachtig noopt het Economisch en Sociaal Comité tot
een algemene beoordeling van het gemeenschappelijk
Nr. C 322/4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 10. 12.81
mededingingsbeleid, waarbij de blik vooral op de toe-
komst gericht zal zijn.
Het initiatief tot dit advies moet worden gezocht in
de inmiddels gegroeide diepe overtuiging dat in een
periode van zo grote en hardnekkige moeilijkheden
op sociaal-economisch gebied in alle beleidssectoren
van de Gemeenschap zo efficiënt en gecoördineerd
mogelijk en met voortvarendheid te werk dient te
worden gegaan.
Daartoe mag men zich niet beperken tot een — overi-
gens onmisbare — terugblik en het vergaren van ob-
jectieve gegevens over de situatie van nu en het analy-
seren hiervan, maar moet vooral ook meer futurolo-
gisch georiënteerd werk worden verzet en dienen be-
sluitvorming en beleidsuitvoering in coherentere
banen te worden geleid.
Het is hoog tijd dat op alle beleidsgebieden van de
Gemeenschap zonder aarzelen een nieuwe impuls
wordt gegeven, ook op het gebied van het mededin-
gingsbeleid, dat voor onze samenleving van zo funda-
menteel en vitaal belang is, vooral nu de economische
betrekkingen en de industriële structuren aan ver-
anderingen onderhevig zijn, in sommige sectoren een
tendens tot concentratie en multinationalisering kan
worden waargenomen en de relatie tussen de Staat en
het bedrijfsleven zich wijzigt.
In deze situatie worden de betekenis van ondernemin-
gen met staatsdeelneming en de verleiding tot recht-
streeks overheidsingrijpen groter en wordt steeds va-
ker bij de Gemeenschap aangedrongen op steun- en
beschermingsmaatregelen; aan de andere kant wint
ook de concurrentie uit derde landen terrein. Boven-
dien worden de betrekkingen met de ontwikkelings-
landen in een sneller tempo uitgebouwd.
Het is niet de bedoeling de analyses die het Europese
Parlement jaarlijks onder de kritische aandacht van
de Commissie brengt, nog eens over te doen. Wel
wordt beoogd, het concurrentiebeleid-in dit advies al-
gemeen te belichten, waarbij bijzondere aandacht
wordt besteed aan de zich voltrekkende veranderin-
gen binnen en buiten de Gemeenschap.
1.2. Doelstellingen en mogelijkheden van het Verdrag:
concurrentie en ongedeelde markt
Als een van de talrijke wegen om de in artikel 2 ge-
noemde doelstellingen te bereiken, wordt in artikel 3
genoemd „de invoering van een regime waardoor
wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de
gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst".
De concurrentievoorschriften (artikel 85 e. v.) zijn
dus één van de instrumenten om de gemeenschappe-
lijke markt te verwezenlijken. De gemeenschappelijke
markt is evenwel tegelijkertijd een middel (artikel 2)
om de doelstellingen van het Verdrag naderbij te
brengen. Deze doelstellingen zijn zoals bekend:
a) een harmonische ontwikkeling van de economi-
sche activiteit;
b) een grotere stabiliteit;
c) een toenemende verbetering van de levensstan-
daard (artikel 2).
Men had duidelijk economische en sociale doelstellin-
gen op het oog. Terecht worden daarom de mededin-
gingsvoorschriften in toenemende mate ook tegen de
achtergrond van de sociaal-economische situatie ge-
plaatst, zoals juist in dit advies wordt gepoogd.
1.3. Mededingingsbeleid
In de sociaal-economische situatie van het ogenblik
binnen en buiten de Gemeenschap dienen de concur-
rentievoorschriften, als resultaat van de hierbij ge-
volgde beginselen en strategieën, uit te groeien tot
een onvervalst concurrentiebeleid. (Het gehele onder-
werp „concurrentievoorschriften" — waaronder de
voorschriften die op steunmaatregelen van de
Lid-Staten van toepassing zijn — wordt overigens
behandeld in het derde deel van het Verdrag: „Het
beleid van de Gemeenschap".)
Men dient namelijk te beseffen dat het aanvankelijke
referentiekader — nl. de sociaal-economische situatie
van de jaren zestig — met name in de jaren zeventig
diepgaande wijzigingen heeft ondergaan en dat het
integratieproces op een gemeenschappelijke markt tot
de belangrijkste doelstellingen van de Gemeenschap
behoort, hoewel er tussen de Lid-Staten nog barriè-
res, verschillen en onevenwichtigheden van uiteenlo-
pende aard overgebleven zijn.
Zelfs bij een vluchtige terugblik naar de jaren zestig
blijkt dat bij de toepassing van de concurrentievoor-
schriften formele of juridische criteria min of meer
voorop stonden (1).
Na de periode van de eerste aanmeldingen en nadat
het hiermee samenhangende kwantitatieve probleem
was opgelost (registratie van zo'n 10 000 overeen-
komsten, met name inzake alleenverkoop), heeft de
Commissie de grenzen voor samenwerking tussen be-
drijven in de loop der tijd nader aangeduid en heeft
zij tot slot ook bepaald, in welke gevallen van mis-
bruik van machtspositie sprake is.
(') Resolutie van het Europese Parlement over het Zevende
verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid
(PB nr. C 261 van 6. 11. 1978, blz. 49, punt 4).
10. 12.81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 322/5
Doordat de laatste jaren de behandelde verschijnselen
steeds complexer worden en de toch al grote samen-
hang met talrijke andere factoren nog steeds toe-
neemt, is de Commissie zich gaan bemoeien met con-
crete situaties, welk beleid noopte tot waardeoordelen
of althans een meer algemene visie op de feiten, de
gevolgen en de beperkende factoren.
Daarom kan mede op grond van de in enkele con-
crete gevallen opgedane ervaring worden gesteld dat
de concurrentievoorschriften (o.m. de artikelen 85,
86, 92 e. v., alsmede artikel 42 van het EEG-Verdrag)
doeltreffender dienen te worden toegepast, nl. met
behulp van een totaalpakket van maatregelen, normen
en aanbevelingen die aansluiten bij de algemene opzet
van de Gemeenschap ('). Dit brengt ons naar een on-
vervalst, complex en goed uitgewerkt concurrentiebeleid
dat rekening houdt met de interdependentie en inter-
actie van diverse initiatieven en situaties op macro- of
op mesoniveau, in de Gemeenschap en daarbuiten.
Deze tendens dient te worden bevorderd.
1.4. Gemeenschappelijke open markt
Het Verdrag (artikel 110) geeft al een duidelijke
koers aan:
„Door te zamen een douane-unie op te richten,
beogen de Lid-Staten een bijdrage, in overeen-
stemming met het gemeenschappelijk belang, te
leveren tot een harmonische ontwikkeling van de
wereldhandel, de geleidelijke afschaffing van de
beperkingen in het internationale handelsverkeer
en de verlaging van de tariefmuren.
Bij de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt
rekening gehouden met de gunstige invloed die de
afschaffing van de rechten tussen de Lid-Staten
kan uitoefenen op de toeneming van het vermo-
gen tot mededinging van de ondernemingen dezer
Staten.".
De situatie van het moment toont aan dat deze keuze
juist is en dat op de ingeslagen weg dient te worden
voortgegaan.
Een soortgelijk beginsel komt men tegen in de pream-
bule van het Verdrag, waarin de verdragsluitende par-
tijen verklaren, door middel van een gemeenschappe-
lijke handelspolitiek tot de geleidelijke opheffing der
(') Resolutie van het Europese Parlement over het Vijfde
verslag van de Commissie inzake het mededingingsbeleid
(PB nr. C 238 van 11. 10. 1976, blz. 35, punten 2, 3
en 4).
beperkingen in het internationaal handelsverkeer te
willen bijdragen.
Men ziet dus dat hier geen sprake is van een dogma-
tische aanpak, maar dat is gekozen voor een open ge-
meenschappelijke markt, die is geïntegreerd in de wereld-
economie en de internationale handel.
Het Comité kan in dit verband volledig de uitspraak
onderschrijven waarmee de Commissie de inleiding
van het Achtste verslag over het mededingingsbeleid
opent:
„Of de gemeenschappelijke markt behoorlijk zal
functioneren, hangt voor een groot deel af van de
totstandbrenging van een grote interne markt in
een Gemeenschap die de meeste van haar deuren
naar de wereld heeft geopend. Een groot grond-
gebied waar economische prestaties elkaar zonder
onnodige hindernissen kunnen ontmoeten is een
hoofdvoorwaarde voor de ontwikkeling van de
economie. Een expansie van de economische acti-
viteit laat zich niet meer denken binnen enge
grenzen.".
Dergelijke denkbeelden worden verkondigd in de in-
leiding van het Negende verslag, waarin wordt gewe-
zen op „de noodzaak die bij ieder communautair be-
leid voorop staat, nl. rekening te houden met de op-
tiek van een markt die één en gemeenschappelijk is en
tegelijkertijd voor de wereld openstaat.".
Daarom dient het concurrentiebeleid te worden afge-
stemd op de doelstellingen van het Verdrag en dus te
worden gezien vanuit de invalshoek van een niet-ge-
isoleerde gemeenschappelijke markt die is georiën-
teerd op internationale handel en concurrentie in
ruime zin (2).
2. Interdependentie en gevolgen — Concurrentiever-
mogen van de Gemeenschap — Relevant market
2.1. Wereldomvattende interdependentie en concurren-
tiepositie van de Gemeenschap
De toenemende interdependentie van de markten
leidt noodzakelijkerwijs tot een andere arbeidsverde-
ling.
De Europese Gemeenschap heeft meer dan andere
gebieden in de wereld te maken met deze interdepen-
dentie en het eerste concrete antwoord op deze uitda-
(2) Resolutie van het Europese Parlement over de Europese
automobielindustrie (PB nr. C 28 van 9. 2. 1981, blz. 20,
punt 13).
Nr. C 322/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 10. 12.81
ging kan uitsluitend opvoering van het concurrentie-
vermogen zijn met behulp van een doelgericht mede-
dingingsbeleid dat aansluit bij de doelstellingen van
het Verdrag, maar dat ook, waar nodig, op gewij-
zigde situaties kan inspelen (').
Bij de uitwerking van een coherent mededingingsbe-
leid, op een open markt dient in grotere mate te wor-
den uitgegaan van de realiteit van algemene interde-
pendentie op wereldschaal.
Deze economische interdependentie omvat alle ele-
menten die tot evenwichtiger betrekkingen tussen
Noord en Zuid en tussen Oost en West kunnen lei-
den: van de grondstoffenstroom tot de handels- en
technologische stroom.
Wordt protectionisme vastberaden van de hand gewe-
zen, dan is de enig mogelijke strategie bevordering
van de herstructurering van het produktieapparaat en
het voeren van een actief structuurbeleid met de me-
dewerking van het gehele bedrijfsleven en alle maat-
schappelijke organisaties, welke maatregelen dienen
te worden begeleid door een dynamisch en stimule-
rend mededingingsbeleid in de ruimste zin des
woords, d.w.z. een beleid dat optimaal op de alge-
mene beleidsdoelstellingen van de Gemeenschap ge-
richt is.
Wel dient daarbij te worden beseft dat de internatio-
nale concurrentievoorwaarden voor exportgoederen
op talrijke deelmarkteen vrij sterk kunnen afwijken
van de binnen de Gemeenschap geldende voorwaar-
den. Wil men negatieve gevolgen hiervan voor het be-
drijfsleven in de Gemeenschap evenwel vermijden,
dan zijn bijzondere aandacht, passende (eventueel tij-
delijke) maatregelen en in sommige gevallen geleide-
lijkheid geboden.
2.2. Concurrentie en samenwerking
Aangezien de Europese Gemeenschap meer dan an-
dere industrielanden aangewezen is op de handel met
het buitenland, moet zij ook in staat zijn een systeem
van „concurrentie-samenwerking" tussen de Gemeen-
schap en de belangrijkste derde landen in te voeren
om een duurzame goederenstroom tussen Noord en
Zuid, maar ook tussen Oost en West te bevorderen.
Daarbij dient te worden uitgegaan van evenwichtige
vooruitgang in alle sectoren en van het beginsel van
redelijke wederkerigheid.
In een verstandig mededingingsbeleid moet worden
getracht, concurrentie en samenwerking zowel in de
produktie als in de handel met elkaar in overeenstem-
ming te brengen, waarbij distorsies binnen de ge-
meenschappelijke markt worden vermeden, oneerlijke
gedragingen worden tegengegaan en nuttige samen-
werking, zolang deze de vooruitgang van de
Gemeenschap over het geheel genomen dient, wordt
bevorderd.
2.3. „Relevant market"
Uit de ontwikkeling van de economie in de Gemeen-
schap en de wereld blijkt dat naast het criterium „on-
gunstige beïnvloeding van de handel tussen de Lid-
Staten" (artikel 85, punt 1) behoefte bestaat aan een
ruimer geformuleerd criterium dat recht doet aan de
betrekkingen tussen de gemeenschappelijke markt als
zodanig en derde landen.
Bijgevolg kan de bij de Commissie en bij het Hof van
Justitie waargenomen tendens om artikel 85 ook toe
te passen op afspraken waaraan wordt deelgenomen
door ondernemingen die buiten de Gemeenschap ge-
vestigd zijn, maar waarvan de invloed op haar grond-
gebied voelbaar is, worden goedgekeurd en aange-
moedigd.
Het is dus nodig en in alle opzichten correct om na te
gaan, welke negatieve invloed afspraken tussen on-
dernemingen uit de Gemeenschap en ondernemingen
uit derde landen op de concurrentie hebben. Bij de
beoordeling van een specifieke markt is het evenzo
nodig en correct om de analyse (produktie, verkoop,
substituten e.d.) niet slechts tot het gebied van de
gemeenschappelijke markt te beperken.
Bekend is namelijk dat de beoordeling van de z.g.
„relevant market" bij de toepassing van de artikelen
85 en 86 zeer belangrijk is (2).
Hierbij dient met toenemende aandacht de positie van
de afzonderlijke onderneming niet slechts ten op-
zichte van concurrenten in de Gemeenschap, maar
ook ten opzichte van de invoer van buiten de Ge-
meenschap te worden geanalyseerd. Bij de beoorde-
ling van de concurrentiepositie en de „relevant mar-
ket" mag men zich niet op kunstmatige wijze tot het
gebied van de Gemeenschap beperken.
Alleen op die manier krijgt een gemeenschappelijke
open markt kracht, betekenis en samenhang.
Het concurrentiebeleid, dat deze richting al uitgaat,
dient op de ingeslagen weg verder te gaan.
(') PB nr. C 283 van 3. I I . 1980, blz. 7 en 8 (schriftelijke
vraag nr. 562/80). (2) Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1973, blz. 216.
10. 12.81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 322/7
3. Betekenis van het sociaal-economisch bestel —
Coördinatie van het beleid van de Gemeenschap
3.1. Invloed van sociaal-economische aspecten
In het Verdrag worden sociaal-economische doelstel-
lingen op de belangrijkste plaats vermeld (zie punt
1.2).
De ongunstige conjunctuur en de sterke inflatie
waarmee de Lid-Staten van de Gemeenschap vandaag
de dag te kampen hebben, het behoud van de werkge-
legenheid, de noodzaak van technologische vooruit-
gang en innovatie, de aanhoudende aardoliecrisis, de
overgebleven verschillen tussen de nationale wetge-
vingen en talrijke sleutelsectoren: al deze factoren —
en dit zijn nog slechts de belangrijkste — mogen niet
uit het oog worden verloren wil men het gedrag van
ondernemingen en landen overeenkomstig de artike-
len 85, 86 en 92 e.v. beoordelen.
Het concurrentiebeleid mag niet uitgaan van abstracte
of theoretische criteria, maar moet zijn afgestemd op
reële omstandigheden en behoeften in de verschil-
lende landen en regio's. Het oorspronkelijke referen-
tiekader (start van een integratieproces in een econo-
mie met een hoog groeicijfer), dat bepalend was voor
de wijze waarop de concurrentievoorschriften in de
begintijd werden toegepast, is inmiddels namelijk
sterk veranderd.
De sterke mutaties in de ontwikkeling van de com-
munautaire en de internationale economie hebben de
laatste jaren gezorgd voor een ommekeer met diep-
gaande gevolgen op sociaal gebied en voor de pro-
duktie in een nog niet geïntegreerde Gemeenschap.
In deze situatie kunnen de concurrentievoorschriften
niet los van de economische en sociale realiteit wor-
den toegepast (zie punt 3.3). Daarom moet hierbij re-
kening worden gehouden met het nieuwe referentie-
kader waarbinnen de Gemeenschap zich dynamisch
ontwikkelt.
Daarom zou het wenselijk zijn da rde Commissie de
werkgevers- en de werknemersorganisaties over haar
mededingingsbeleid informeert en raadpleegt. In dat
verband is het Economisch en Sociaal Comité het or-
gaan bij uitstek voor informatie en raadpleging van
alle beroeps- en vakbondsorganisaties.
3.2. Inflatie, sociale problemen en energiecrisis
Enkele van de belangrijkste factoren waardoor de
huidige economische en sociale toestand wordt ge-
kenmerkt, zijn de aanhoudende geldontwaarding en
constant toenemende werkloosheid en ook de ener-
giecrisis met haar talrijke gevolgen. Bij het voefen van
een concurrentiebeleid dient bijzondere aandacht te
worden besteed aan deze drie kritische factoren die
de conjunctuur van het moment bepalen.
Tot de m_/Za/iebeheersing kan ook een actief mededin-
gingsbeleid een bijdrage leveren, o.m. door rationali-
sering van het produktieapparaat, bevordering van de
mobiliteit van de factoren arbeid en kapitaal (waarvan
een positieve invloed uitgaat op kosten en prijzen) en
intensivering van het toezicht op misbruik en kunst-
matige belemmeringen die concurrentievervalsing in
de hand werken (').
Wat de sociale problemen aangaat dient in de Ge-
meenschap nieuwe werkgelegenheid te worden ge-
zocht in sectoren in expansie. Bovendien moet de
harmonisatie (2) van de sociale verzekeringsstelsels
met grotere voortvarendheid worden voortgezet (3),
waarbij evenwel ook de betekenis van de overigens
uiteenlopende betrekkingen tussen werkgevers en
werknemers dient te worden beoordeeld met speciale
aandacht voor de problemen die voortvloeien uit de
uitbreiding van de Gemeenschap.
In het concurrentiebeleid dient bovendien aandacht te
worden besteed aan de grote prijsverschillen voor
energie tussen de Lid-Staten (4). Ook op dit gebied
dient te worden gestreefd naar harmonisatie van be-
lastingen en moet worden gedacht aan intensivering
van de internationale samenwerking om de behoeften
nauwkeuriger te taxeren en een evenwichtiger vraag-
en aanbodstructuur op te bouwen.
3.3. Uitspraken van het Hof van Justitie
De Commissie en het Hof van Justitie hebben al laten
blijken dat zij aandacht hebben voor economische en
sociale behoeften (5). Dit is een realistisch en verstan-
dig beleid dat moet worden voortgezet.
Zo is erkend dat ten aanzien van de inhoud van de
verbetering van de technische of economische voor-
uitgang in artikel 85 onder meer het volgende in acht
moet worden genomen:
a) de mogelijkheid van de partijen om met grotere
nauwkeurigheid produktie en verkoop op lange
(') Vierde programma voor de economische politiek op
middellange termijn (1976 — 1980), deel III. B, sub b)
(PB nr. L 101 van 25. 4. 1977, blz. 22).
O PB nr. C 205 van 14. 8. 1979, blz. 4 (schriftelijke vraag
nr. 15/79, punt 5 van het antwoord).
(') PB nr. C 301 van 3. 12. 1979, blz. 29 (schriftelijke vraag
nr. 649/79, vierde en vijfde alinea van het antwoord).
(4) PB nr. C 131 van 2. 6. 1980, blz. 35 (schriftelijke vraag
nr. 1708/79).
(*) Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1980, blz. 2691.
Nr. C 322/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 10.12.81
termijn te plannen, de gevaren van marktfluctuatie
te beperken en de kosten van produktie, voorraad-
vorming en distributie terug te dringen;
b) behoud van de werkgelegenheid als component
van een algemener stabiliseringsbeleid, in het bij-
zonder bij een ongunstige economische conjunc-
tuur (').
Het Hof heeft ook met zoveel woorden erkend dat
ongeacht de primaire noodzaak van efficiënte concur-
rentie (workable competition) (2) aard en intensiteit
van de concurrentie kunnen variëren afhankelijk van
de produkten of diensten die hierbij betrokken zijn,
en in functie van de economische structuur van de
hierbij betrokken sectormarkten. Ten aanzien van de
prijzen heeft het Hof tevens opgemerkt dat aan prijs-
concurrentie niet in alle omstandigheden absolute
prioriteit moet worden gegeven (J).
Uit deze standpunten blijkt het besef dat de concur-
rentievoorschriften niet in vitro kunnen worden toe-
gepast, maar moeten aansluiten bij de sociaal-econo-
mische realiteit op een bepaald tijdstip.
Het is in het bijzonder duidelijk dat de ondernemin-
gen in de verschillende Lid-Staten niet dezelfde mo-
gelijkheden worden geboden m.b.t. de toegang tot de
geld- en kapitaalmarkten in binnen- en buitenland en
tot onderzoek- en ontwikkelingswerkzaamheden, de
omvang van produktie en handel, het belasting- en
het sociale-verzekeringsstelsel, infrastructuurvoorzie-
ningen, transportfaciliteiten en energievoorziening.
Een concurrentiebeleid wint aan doeltreffendheid
wanneer meer inzicht bestaat in en beter wordt inge-
speeld op de uiteenlopende omstandigheden; niette-
min dient in het kader hiervan ook te worden ge-
zorgd voor een optimaal klimaat waarin de vereiste
veranderingsprocessen vlotter kunnen verlopen.
3.4. Coördinatie van het beleid
De meningen over de totaalaanpak en de interdepen-
dentie en over de noodzaak rekening te houden met
de diversiteit van sociaal-economische structuren op
het grondgebied van de Gemeenschap, lopen dus wel
parallel. Wil men de doelstellingen van het Verdrag
verwezenlijken, dan moet men het er ook over eens
zijn dat onvervalste concurrentie in de Gemeenschap
moet worden beschouwd als een onmisbare voor-
waarde voor aanpassing van de industriële structuren,
die op een open markt in toenemende mate met
elkaar in aanraking komen.
(') Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1977, blz. 1914.
O Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1977, blz. 1901-
1903.
(J) Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1977, blz. 1903.
Een concurrentiebeleid met een zodanige koers stimu-
leert het concurrentievermogen van de bedrijven in de
Gemeenschap en draagt bij tot de ontwikkeling van
een moedige en verstandige strategie voor industriële
herstructurering waardoor bovenal de industriële
structuur van de Gemeenschap moet worden ver-
sterkt.
Onmisbaar hierbij is een grote mate van coördinatie
met de algemene en sectorale industriepolitiek, alsook
met het sociaal en het regionaal beleid (4), het han-
delsbeleid van de Gemeenschap en het gemeenschap-
pelijk landbouwbeleid.
De Commissie heeft in enkele gevallen laten zien dat
zij met deze noodzaak rekening houdt (5). In de pro-
gramma's voor de jaren 1978 en 1979 is het steunbe-
leid voor noodlijdende sectoren (ijzer en staal,
scheepsbouw, textiel, schoeisel, papier) duidelijker uit
de verf gekomen en zijn rapporten verschenen en
initiatieven genomen voor groeisectoren die de expan-
sie moeten bevorderen en betere werkmogelijkheden
in de industrie en de tertiaire sector (alternatieve
energie, vliegtuigbouw, telecommunicatie, informa-
tica, elektronica) moeten bieden.
Het concurrentiebeleid moet ertoe bijdragen dat deze
problemen coherent en doelgericht worden aange-
pakt.
3.5. Regionale onevenwichtigheden en herstructurering
Daarenboven dient beslist te worden voorkomen dat
institutionele rigiditeiten toenemen die de herstructu-
rering van het produktie apparaat in de weg zouden
staan.
Van de rigiditeitsfactoren zijn de factoren die voort-
vloeien uit regionale onevenwichtigheden binnen de
Gemeenschap wel de ernstigste en de ingrijpendste.
Wat de regio's betreft, moet het concurrentiebeleid de
noodzakelijke vastgestelde prioriteiten in acht nemen,
maar moet het ook ertoe bijdragen dat de regionale
aspiraties t.a.v. evenwichtsherstel en ontwikkeling in
een algemeen beleid worden verankerd. Hier is ook
een taak weggelegd voor het sociaal beleid ten einde
tegenstellingen of vertragingen te vermijden.
(4) Resolutie van het Europese Parlement over het Achtste
verslag van de Commissie inzake het mededingingsbeleid
(PB nr. C 85 van 8. 4. 1980, blz. 43, punt 21).
(') PB nr. C 316 van 17. 12. 1979, blz. 45 en 46 (schrifte-
lijke vraag nr. 710/79, punten 1 en 2 van het antwoord).
10. 12.81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 322/9
Wil het mededingingsbeleid realistisch kunnen inspe-
len op de sociaal-economische omstandigheden, dan
moet het stapsgewijs en coherent op middellange ter-
mijn worden uitgevoerd en moet het ook meer alge-
mene doeleinden dienen. Dit streven naar coördinatie
en harmonisering dient te worden bevorderd door
een nieuwe vorm van samenwerking tussen de ver-
schillende hierbij betrokken directoraten-generaal. Al-
dus kan een algemene beleidsaanpak worden uitge-
werkt voordat de Commissie haar definitieve besluit
neemt (').
4. Gemengde economie — Transparantie — Steun-
beleid
4.1. Gemengde economie
Dat de moderne volkshuishoudingen van vele landen
gekenmerkt worden door meer of minder vergaand
optreden van de overheid, is een feit dat nu als zoda-
nig wordt erkend. •
In enkele Lid-Staten is dit kenmerk het uitvloeisel van
sociaal-politieke ontwikkelingen in het verleden, die
van uiteenlopende betekenis zijn voor hun economi-
sche keuzes en hun nationale politiek.
Met name blijkt uit de geschiedenis dat vele staten
door middel van geheel of gedeeltelijk gecontroleerde
ondernemingen actief, zij het in uiteenlopende mate,
aan het economisch leven deelnemen.
Het recht van de Lid-Staten, sociaal-economische
doelstellingen na te streven — ook via geheel of
gedeeltelijk met overheidskapitaal functionerende
ondernemingen — staat niet ter discussie.
Men dient echter in te zien dat de concurrentieregels
ook in deze gevallen moeten worden toegepast, tenzij
het om „openbare diensten" gaat, waarbij het alge-
meen belang in het geding is (artikel 90, punt 2, van
het Verdrag).
In dat verband is het voorts begrijpelijk dat is inge-
gaan op een probleem dat voor het goed functioneren
van het gehele systeem van fundamenteel belang is,
nl. de gelijke behandeling van particuliere en open-
bare ondernemingen die op dezelfde markt actief
(') Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het
voorstel voor een verordening inzake controle op con-
centraties (PB nr. C 88 van 26. 7. 1974, bk. 21, punt
VI).
zijn (2); deze kan alleen gegarandeerd worden door
het afschaffen van fiscale of financiële discriminatie,
voorkeursbehandeling of soortgelijke maatregelen.
Ook op dit gebied speelt het mededingingsbeleid een
rol van fundamentele betekenis.
4.2. Transparantie
Met name de financiële betrekkingen tussen overheid
en ondernemingen met overheidskapitaal dienen
transparant te zijn, zowel wat de directe dan wel in-
directe toekenning van Gemeenschapsmiddelen als de
feitelijke bestemming daarvan betreft. Een recente
richtlijn van de Commissie dienaangaande komt
hieraan ten dele al tegemoet (3).
Deze transparantieplicht mag evenwel niet worden
uitgelegd noch gehanteerd als criterium voor het ma-
ken van onderscheid tussen openbare en particuliere
ondernemingen. Deze plicht weerspiegelt alleen het
beginsel dat ook ondernemingen met overheidskapi-
taal bepaalde informatie moeten verstrekken over hun
financiële betrekkingen met de Staat, ook wanneer er
geen lastige aandeelhouders zijn die daarom vragen.
Wanneer openbare en particuliere ondernemingen
onder gelijke marktcondities moeten werken, zal dit
een niet-vervalste en intensere concurrentie bevorde-
ren. Daar waar aan sociale overwegingen — op on-
dernemings-, regionaal of sectorniveau — voorrang
wordt gegeven, dient duidelijk inzicht mogelijk te
zijn in de motieven daarvoor en dient ook een tijd-
schema te worden opgegeven voor de geleidelijke af-
bouw — binnen redelijke termijnen — van eventuele
faciliteiten.
Alleen bij wijze van overgangsmaatregel mag men
overwegen, bepaalde sectoren aanvankelijk van deze
transparantieplicht uit te sluiten, zoals in de recente
richtlijn gebeurd is. De transparantieplicht dient zo
spoedig mogelijk te worden uitgebreid tot sectoren als
kredietverlening, verzekeringen en energievoorzie-
ning.
(2) Resolutie van het Europese Parlement inzake het Achtste
verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid
(PB nr. C 85 van 8. 4. 1980, blz. 42, punt 16).
(J) Richtlijn van de Commissie van 25 juni 1980 betreffende
de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen
Lid-Staten en openbare bedrijven (PB nr. L 195 van
29. 7. 1980, blz. 35).
Nr. C 322/10 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 10. 12.81
4.3. Mededingings- en steunbeleid 5. Ondernemingsgedrag
Nog afgezien van het in artikel 92, lid 1, verankerde
principiële verbod op steunmaatregelen, vereist de
huidige sociaal-economische situatie in de Gemeen-
schap dat opnieuw aandacht wordt besteed aan inter-
pretatie en toepassing van de regels op dit gebied. In
het bijzonder moeten de bepalingen van lid 3 van dit
artikel consequent en steeds strikter worden toege-
past, waarbij rekening dient te worden gehouden met
het doel van de steunverlening en met de specifieke
nationale of regionale situatie.
Daar hier talrijke factoren meespelen, zou het voor
de Staten en voor de bedrijven echter nuttig zijn, op
gezette tijden uitvoerig inzicht te krijgen in de door
de Commissie aanbevolen criteria voor de verenig-
baarheid van steunmaatregelen, die mee-evolueren
met de algemene en sectorale situatie in de commu-
nautaire volkshuishouding. Meer transparantie ook
op dit gebied zal de vraag naar overheidssteun zeker
niet stimuleren, maar vooral voorkomen dat verhulde
vormen van steun worden toegepast, waardoor juist
wordt bevorderd dat de steunmaatregelen in overeen-
stemming zijn met de in het Verdrag genoemde doel-
stellingen. Dit geldt voor alle niveaus, nationaal en
plaatselijk (').
Naast de eigenlijke, directe en ook als zodanig aan-
gemerkte steunmaatregelen is ook gedeeltelijke of
volledige terugbetaling mogelijk van bepaalde investe-
ringen door particuliere ondernemingen, b.v. op het
gebied van research en innovatie.
5.1. Het reeds begonnen en in iedere sector wense-
lijke proces van spreiding en decentralisering van pro-
duktieve investeringen, evenals de toenemende rigidi-
teit van belemmeringen en structuren die bepalend
zijn voor het gedrag van grote ondernemingen, dui-
den erop dat een mededingingsbeleid moet worden
gevoerd waarin meer wordt gedaan om de vrije toe-
gang tot de markt te waarborgen, waarin misbruik
van machtspositie wordt tegengegaan en de samen-
werking wordt bevorderd tussen niet alleen kleine en
middelgrote ondernemingen, maar ook tussen deze
ondernemingen en grote ondernemingen (2).
De Commissie heeft er reeds blijk van gegeven, in die
richting te willen werken, door het wegnemen van be-
paalde belemmeringen van technische, bestuursrechte-
lijke en wettelijke aard, maar ook door de samenwer-
king te bevorderen tussen vooral kleine en middel-
grote bedrijven. Het midden- en kleinbedrijfVormt na-
melijk de meest mobiele bedrij f scategorie met een
sterk gelede structuur en kan zeer goed inspelen op
de marktbehoeften, evenals op de talrijke risico's en
op innovatiemogelijkheden.
Door hun grote aantal, hun geografische spreiding en
de initiatiefrijke aanpak van de ondernemers kunnen
deze bedrijven de concurrentie stimuleren en kunnen
zij sommige groepen consumenten grote keuzemoge-
lijkheden en een snelle levering bieden.
De rol van het midden- en kleinbedrijf zou, mits ge-
zorgd kan worden voor adequate instrumenten voor
steunverlening en stimulering, echter versterkt kunnen
worden met volledige inachtneming van de concur-
rentieregels.
In de huidige crisis, die alleen met een groter concur-
rentievermogen kan worden overwonnen, dienen in
het mededingingsbeleid adequate prikkels te worden
ingebouwd ten behoeve van onderzoek en innovatie,
vooral om te garanderen dat het bedrijfsleven onder
dezelfde condities kan functioneren als bedrijven in
derde landen, waar in sommige gevallen al concrete
stimulansen in die richting in het vooruitzicht zijn ge-
steld. Op die wijze bevordert men ook indirect het
concurrentievermogen van de ondernemingen.
In al deze gevallen dient ook voor transparantie te
worden gezorgd; er dient een soortgelijke transparan-
tie te komen m.b.t. voorkeursbehandelingen tussen
particuliere ondernemingen en banken of financiële
consortia met meerderheidsparticipatie van de over-
heid.
Door hun betrekkelijk geringe omvang kunnen mid-
delgrote en kleine bedrijven snel en tegen relatief wei-
nig kosten inspelen op de zich wijzigende behoeften
op de markt; daar staat tegenover dat zij kwetsbaar-
der zijn wat de toegang tot de geld- en kapitaalmarkt
en ook wat hun bevoorrading betreft, alsmede ten op-
zichte van eventuele malafide economische gedragin-
gen en handelspraktijken. Voor de handhaving van
een onvervalste en effectieve concurrentie is het dan
ook van belang dat het midden- en kleinbedrijf tegen
dergelijke praktijken beschermd wordt bij wege van
adequate wettelijke en bestuursrechtelijke maatrege-
len, alsook door de rechtspraak, terwijl tegelijkertijd
het begrip „relevant market", wanneer de concurren-
tiepositie van grote ondernemingen wordt doorge-
licht, meer in hun voordeel zou moeten worden uitge-
legd.
(*) PB nr. C 160 van 30. 6. 1980, blz. 20 en 21 (schriftelijke
vraag nr. 1695/79, derde alinea van het antwoord).
(2) Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het
verslag over bepaalde structurele aspecten van de groei
(PB nr. C 146 van 16. 6. 1980, punt 2.4.3.3).
10.12.81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 322/11
De toenemende moeilijkheden om in te spelen op de
zich wijzigende situatie op de vrije markt, zowel bin-
nen als buiten de Gemeenschap, dwingen de grote
ondernemingen tot ingrijpende herstructureringsmaat-
regelen op het gebied van organisatie en produktie en
tot een nieuwe samenwerkingsstrategie, zowel verti-
caal als horizontaal, om besparingen te verwezenlij-
ken en zo efficiënt mogelijk te werken. Niettemin is
het gewenst, de tendensen tot concentratie van kapi-
taal in de ruime zin des woords met de mogelijke ge-
volgen hiervan goed in het oog te houden.
5.2. Niettemin zijn er momenteel nog talrijke be-
lemmeringen van wettelijke en fiscale aard die efficiën-
tere vormen van samenwerking tussen ondernemingen
in de weg staan, met name op het gebied van onder-
zoek en innovatie, evenals in de dienstensector.
5.3. Door het regelen van de generieke vrijstelling
voor licentieovereenkomsten — waaraan momenteel
gewerkt wordt — dient te worden bijgedragen tot
een rationalisering van de problemen die zich bij de
toepassing van artikel 85, lid 3, voordoen. Deze ont-
werp-verordening moet ook zorgen voor grotere dui-
delijkheid en rechtszekerheid en vooral een klimaat
creëren dat werkzaamheden op het gebied van onder-
zoek en ontwikkeling en overdracht van technologi-
sche kennis ten goede komt (').
Wel is het gewenst dat de regeling waaraan momen-
teel wordt gewerkt, aan „octrooien" en „industriële
eigendom" de functie van instrumenten voor de con-
currentie en technische en economische vooruitgang
geeft, en niet dat ondernemingen het motief wordt
ontnomen om licentieovereenkomsten te sluiten.
Alle ondernemingen moeten zonder discriminatie
naar omvang kunnen deelnemen aan de uitwisseling
van technologie en kennis; een meer actieve „licentie-
markt" vormt bij een correcte bescherming van het
eigendomsrecht de basis voor de wenselijke versnel-
ling van het innovatieproces, dat ook wordt gevoed
door adequate onderzoeksstimulansen.
5.4. In de distributiesector dient het mededingings-
beleid in het bijzonder te worden gericht op de zo
belangrijke rationalisering van distributiekanalen en
-methodes, waarbij misbruik, dat in de kleinhandels-
prijzen tot uiting kan komen, moet worden tegenge-
gaan.
Exclusiviteit en selectiviteit moeten worden beoor-
deeld op hun betekenis voor deze sector, waar objec-
tieve factoren pleiten voor een goed georganiseerde
(') Ontwerp-verordening van de Commissie inzake de toe-
passing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen
octrooilicentieovereenkomsten (PB nr. C 58 van 3. 3.
1979, blz. 12).
en gekwalificeerde distributiestructuur, die onder
meer samenhangt met de kenmerken van het pro-
dukt (2) en de aansprakelijkheid van de producent.
Het pluralistische karakter van de diverse vormen van
handel en het bestaan van kleine en middelgrote on-
dernemingen moeten worden gewaarborgd.
5.5. Ten aanzien van de overeenkomsten vereist de
huidige economische situatie in de Gemeenschap een
mededingingsbeleid waarin bij herstructurering van
sectoren of bedrijven voor het herstel van een wense-
lijk geacht evenwicht de in lid 3 van artikel 85 be-
doelde afwijkingen worden toegestaan voor eventuele
partiële overeenkomsten — ook tussen concurrenten
— die tot doel hebben, de concurrentiepositie van
produkten met name tegenover de concurrentie van
buiten de Gemeenschap te versterken (3).
Bijzondere waakzaamheid is echter voortdurend ge-
boden om misbruik van machtspositie te voorkomen.
5.6. Aangaande concentraties tussen ondernemingen
dient men te beseffen dat een eventuele regeling die
qua opzet en praktijk in flexibiliteit en geleidelijkheid
tekortschiet, uiteenlopende effecten kan hebben.
In het bijzonder dient men zich te realiseren dat de
situaties in de Lid-Staten om historische en sociaal-
economische redenen uiteenlopen, zodat markt en
produktiecapaciteit zich in de verschillende sectoren
structureel op uiteenlopende wijze hebben ontwikkeld
en op het stuk van concentratie dan ook een geva-
rieerd beeld te zien geven.
Hoewel momenteel talrijke, niet alleen conjunctureel,
maar ook structureel bepaalde factoren, evenals de
ongunstige werkgelegenheidssituatie van het moment
moeten aanzetten tot het voeren van een beleid zon-
der formalisme of juridische rigiditeit, kan men het er
toch wel over eens zijn dat een zekere controle nood-
zakelijk is (4) (s).
De ontwerp-verordening die thans nog bij de Raad in
behandeling is, kan een nuttig referentiekader vormen
mits hierin op realistische wijze recht wordt gedaan
aan de talrijke aspecten van het probleem (').
(2) Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1977, blz. 1903.
(') Resolutie van het Europese Parlement inzake de Euro-
pese automobielindustrie, punt 2 (PB nr. C 28 van 9. 2.
1981, blz. 21, punt 24).
(4) PB nr. C 192 van 10. 8. 1978, blz. 21 (schriftelijke vraag
nr. 210/78, punten 1 en 2 van het antwoord).
(*) Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het
voorstel voor een verordening betreffende de controle op
concentraties — Punt I „Beginselen" (PB nr. C 88 van
26. 7. 1974, blz. 20).
(*) PB nr. C 282 van 12. 11. 1979, blz. 5 en 6 (schriftelijke
vraag nr. 225/79).
Nr. C 322/12 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 10.12.81
5.7. De nog niet vastgestelde richtlijnen inzake het
vennootschapsrecht dienen op korte termijn te worden
besproken bij de overleg- en goedkeuringsprocedures,
waarbij vooral niet de pretentie aanwezig moet zijn
dat alle problemen tegelijkertijd kunnen worden op-
gelost O O .
De Commissie zou voorts moeten aandringen op de
goedkeuring van het voorstel voor een verordening
tot oprichting van de Europese groepering tot samen-
werking, een nieuwe rechtspersoon die in vele geval-
len uitkomst kan bieden.
5.8. Toepassing van de mededingingsregels op de
bedrijven heeft rechtstreekse economische repercus-
sies voor het kostenniveau in verband met de te vol-
gen procedures en de hiervoor benodigde tijd, doordat
de rechtsonzekerheid langer duurt en de belangen
van de partijen worden geschaad.
Een sneller verloop van deze procedures zou tot min-
der onzekerheid leiden, zonder overigens afbreuk te
doen aan de correcte analyse van de feiten en aan de
kwaliteit van de te nemen beslissingen.
Het geheel van rechtsregels op dit gebied zou verbe-
terd moeten worden via betere toegang tot dossiers
en betere informatie, inachtneming van het vertrou-
welijke karakter van bepaalde documenten, adequate
termijnen voor het geven van een antwoord, hoorzit-
tingen, nauwkeuriger omschrijving van beschuldigin-
gen en uitvoeriger toelichting van feiten en motie-
ven O («).
Ook voor de niet met een formeel besluit afgesloten
gevallen zouden methodes en procedures moeten
worden uitgewerkt om de objectiviteit van de beslui-
ten en de informatie te verbeteren.
5.9. Een doeltreffend instrument voor het mede-
dingingsbeleid wordt bovendien gevormd door het
uitoefenen van toezicht op het loyale gedrag van on-
dernemingen ten aanzien van reclame O.
5.10. Ten aanzien van de rechtsregels heeft het
Hof van Justitie tot slot in verscheidene arresten de
(') Voorstel voor een vijfde richtlijn van de Raad m.b.t. de
structuur en de organen van de naamloze vennootschap-
pen (PB nr. C 131 van 13. 12. 1972, blz. 49).
(2) Gewijzigd voorstel voor een zevende richtlijn inzake de
concernjaarrekening (PB nr. C 14 van 17. 1. 1979,
blz. 2).
(3) Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1979, blz. 462.
(4) Resolutie van het Europese Parlement inzake het Achtste
verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid
(PB nr. C 85 van 8. 4. 1980, punt 20, blz. 43).
(s) Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Sta-
ten inzake misleidende en oneerlijke reclame (PB nr.
C 70 van 21. 3. 1978, blz. 4).
rechtstreekse werking van de verbodsbepalingen in de
artikelen 85 en 86 in het nationale recht bevestigd.
Men mag er ook algemeen van uitgaan dat het begin-
sel van voorrang van communautair recht op nationaal
recht inmiddels een feit is.
Hoewel als gevolg van de toenemende harmonisering
tussen nationaal en communautair recht althans de
theoretische conflictmogelijkheden zijn afgenomen,
zou het nationaal recht — dat niet in alle Lid-Staten
even sterk is ontwikkeld — nog moeten uitgroeien tot
een gedecentraliseerd, doeltreffend mededingingsbe-
leid, waarbij door de Lid-Staten nauw moet worden
samengewerkt.
6. Bescherming van de consument
Het mededingingsbeleid dient te worden aangevuld
en is nauw verbonden met een gemeenschappelijk be-
leid ter bescherming van de consument (').
Voorlichting en in het algemeen markttransparantie
zijn fundamentele garanties waardoor de consumen-
ten — evenals de bedrijven — in alle vrijheid kunnen
kiezen. De voorlichting dient echter niet uitsluitend
afkomstig te zijn van de kant van de aanbieder; ook
de consument zelf moet de aanwezige alternatieven in
een rationeler en evenwichtiger verband kunnen
beoordelen.
In dat verband is met name voorlichting over de prij-
zen van groot belang, daar de prijstendensen in de
huidige economische situatie door de consument ge-
zien worden als het meest significante signaal van de
inflatie-ontwikkeling.
Anderzijds mag men niet denken dat met een mede-
dingingsbeleid kan worden volstaan, wil men op de
markt de voorwaarden scheppen voor uniforme of
equivalente prijzen voor homogene en concurrerende
produkten (7).
De technisch-produktieve organisatie van de onder-
nemingen, de distributiestructuur en het daarmee sa-
menhangende verkoopbeleid zijn en blijven nog vrij
sterk verschillend, terwijl ook de wijze van belasting-
heffing zeker niet uniform kan worden genoemd (8).
Niettemin is het wenselijk dat bij het voeren van een
mededingingsbeleid de prijsontwikkeling, met name
waar onverklaarbaar grote prijsverschillen worden
vastgesteld, met aandacht wordt gevolgd en dat in ge-
(*) PB nr. C 198 van 4. 8. 1980, blz. 75 (schriftelijke vraag
nr. 434/80, eerste zinnen van het antwoord).
O PB nr. C 214 van 27. 8. 1979 (schriftelijke vraag
nr. 194/79, punt 1 van het antwoord).
(') PB nr. C 214 van 27. 8. 1979 (schriftelijke vraag
nr. 194/79, punt 2 van het antwoord).
10.12.81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 322/13
val van werkelijk misbruik of discriminatie doeltref-
fend en snel kan worden ingegrepen, waarbij men wel
dient te bedenken dat prijsverschillen geen onomstote-
lijk bewijs zijn van misbruik of discriminatie. Het is
namelijk zo dat de integratie van de markten nog niet
is voltooid en dat de handel op bepaalde punten nog
wordt belemmerd.
7. Voorwaarden voor de totstandbrenging van een
mededingingsbeleid
Daar binnen de Gemeenschap van open concurrentie
sprake is, dient eveneens een open mededingingsbe-
leid te worden gevoerd, dat wil zeggen een flexibel,
algemeen, realistisch en dynamisch beleid waarmee
kan worden ingespeeld op de zich wijzigende om-
standigheden op sociaal-economisch gebied binnen de
Gemeenschap en op de ontwikkeling van het interna-
tionale handelsverkeer, alsook op de economische en
produktiestructuur in landen en gebieden buiten de
Gemeenschap welke van invloed zijn op de externe
betrekkingen van de Gemeenschap.
Men kan echter moeilijk profijt trekken van de voor-
delen van de vrijhandel en dus van een gezonde en
doeltreffende concurrentie zonder de spelregels te
aanvaarden en na te leven: correcte prijzen, eerlijke
reclame, verbod van overeenkomsten die indruisen te-
gen de beginselen van een niet-vervalste concurrentie,
vormen van misbruik en specifieke anti-trustnormen
van de Gemeenschap, in nationaal verband of van an-
dere regio's in de wereld (*).
Waakzaamheid is dus wel noodzakelijk, maar mag
geen doel op zichzelf zijn.
Gedaan te Brussel, 30 april 1981.
(') Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake het
verslag over bepaalde structurele aspecten van de groei
— punt 2.2.2.1 (PB nr. C 146 van 16. 6. 1980, blz. 11).
Met een gemeenschappelijk mededingingsbeleid dient
de effectieve concurrentie tussen diensten en produk-
ten binnen de gemeenschappelijke markt te worden
bewaard, terwijl in het bijzonder ten aanzien van
derde landen abnormale concurrentie, oneerlijke of
dumpingpraktijken, verhulde protectionistische maat-
regelen en alle situaties waarin de concurrentiever-
houdingen worden scheefgetrokken of kunstmatig
worden verstoord, moeten worden voorkomen.
Op internationaal niveau zou het bovendien wenselijk
zijn initiatieven te ontplooien om te voorkomen dat
de anti-trustvoorschriften in de diverse derde landen
zelf aanleiding geven tot concurrentievervalsingen;
samenwerking tussen de landen is dus gewenst.
Algemeen gesteld kan een verstandig communautair
beleid — waarbij steeds attent wordt ingespeeld op de
geleidelijke veranderingen in de internationale verde-
ling van grondstoffen en arbeid — op doeltreffende
wijze bijdragen tot beheersing van de inflatoire span-
ningen en de werkgelegenheidsproblematiek, terwijl
zowel voor concurrentie als voor samenwerking tus-
sen ondernemingen binnen en buiten de Gemeen-
schap voldoende ruimte moet worden gelaten.
Daartoe moet prioriteit worden gegeven aan de ver-
wezenlijking van werkelijke coördinatie van de com-
munautaire beleidsvormen, die gericht moeten zijn op
de doelstellingen van het Verdrag en onderling com-
patibel moeten zijn; ook de Lid-Staten dienen in de
verschillende sectoren een convergerend en compati-
bel beleid te voeren (2).
Tot slot moeten de middelen van de Commissie wor-
den opgevoerd, waardoor zij efficiënter kan functio-
neren en als college haar fundamentele en unieke
taak kan vervullen, nl. de opbouw van een dynami-
sche Gemeenschap.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Tomas ROSEINGRAVE
(2) Resolutie van het Europese Parlement inzake het Ze-
vende verslag van de Commissie over het mededingings-
beleid (PB nr. C 261 van 6. 11. 1978, blz. 50, punt 20).
Full & Egal Universal Law Academy