16. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 68/13
Advies inzake het voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende een aanvullende
gemeenschappelijke actie voor de uitroeiing van brucellose, tuberculose en leukose bij runderen(*)
(87/C 68/08)
De Raad heeft op 10 november 1986 besloten, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 43 en
198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Economisch en
Sociaal Comité om advies te vragen inzake het bovengenoemde voorstel.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft besloten, de heer Storie-Pugh als algemeen rapporteur voor
de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden aan te wijzen.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 242e zitting van 16 en 17 december 1986
(vergadering van 16 december) het volgende advies uitgebracht dat zonder stemmen tegen
(3 onthoudingen) is goedgekeurd:
Het Economisch en Sociaal Comité hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie.
(!) PB nr. C 292 van 18. 11. 1986, blz. 2.
Gedaan te Brussel, 16 december 1986.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
A. MARGOT
Advies inzake plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven
(87/C 68/09)
Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 december 1985 besloten, overeenkomstig artikel 20
(vierde alinea) van het Reglement van Orde een advies op te stellen inzake „Plaatselijke werkgele-
genheidsinitiatieven".
De Afdeling voor sociale vraagstukken, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaam-
heden was belast, heeft haar advies op 13 november 1986 goedgekeurd. Rapporteurs waren
achtereenvolgens de heren Roycroft en Roseingrave.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 242e zitting (vergadering van 17 december 1986)
het volgende advies uitgebracht, dat met 108 stemmen vóór en 6 stemmen tegen, bij 23 onthoudingen
is goedgekeurd:
1. Algemene opmerkingen
1.1. Het Comité stelt dat de algemene uitbreiding van de
plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven in de laatste jaren
gezien moet worden tegen de achtergrond van de sterke
toename van de werkloosheid in Europa gedurende dezelfde
periode. De mate waarin PWI's netto nieuwe arbeidsplaatsen
kunnen scheppen en het effect van de PWI's op de plaatselijke
arbeidsmarkt zijn daarom duidelijk van groot belang. Toch
blijft het moeilijk vast te stellen hoeveel nieuwe arbeidsplaat-
sen er in totaal zijn bijgekomen, wat de kwaliteit ervan is, en
in hoeverre zich in het kielzog ervan nieuwe economische
activiteiten hebben ontwikkeld.
1.1.1. Enerzijds lijken de in het rapport genoemde pro-
jecten en het feit dat vele PWI's ontstaan in gebieden waar de
verschillende bedrijfstakken blijkbaar niet in een optimale
verhouding naast elkaar vertegenwoordigd zijn, erop te
wijzen dat PWI's:
— nieuwe plaatselijke arbeidsplaatsen kunnen „schep-
pen";
— plaatselijke arbeidsplaatsen kunnen „behouden";
Nr. C 68/14 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 16. 3. 87
— een sterkere betrokkenheid van de gemeenschap of
binnen een coöperatie bij de ontwikkeling van andere
plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven kunnen be-
werkstelligen;
— nieuwe en bestaande markten voor goederen en diensten,
m.i.v. sociale en recreatieve voorzieningen, kunnen
openen;
— basisopleidingen en overgangsstages voor plaatselijke
jongeren kunnen organiseren;
— kunnen ontstaan, dank zij een binnen de plaatselijke
gemeenschap levend solidariteitsgevoel.
1.1.2. Anderzijds is er echter onvoldoende cijfermateriaal
beschikbaar over:
— de factor „werkgelegenheidsverschuiving" (d.w.z. onder-
mijning van de arbeidsmarkt en de arbeidsplaatsen
elders);
— de factor „werkgelegenheidsvervanging" (vaste banen
vervangen door op contract verricht werk);
— de grijze sector waarin sommige (b.v. bepaalde „alterna-
tieve") projecten opereren en de macroeconomische
effecten daarvan op de officiële inkomsten en uitgaven in
het kader van het werkgelegenheidsbeleid in zijn
geheel;
— het groot aantal werknemers of „medewerkers" in alter-
natieve projecten, die in eerste instantie een „gewone"
betrekking hadden of hebben, maar behoefte hebben aan
een andere sociaal-culturele bezigheid.
1.2. Het Comité heeft er herhaaldelijk op gewezen dat
maatschappelijke verbondenheid en solidariteit essentiële
voorwaarden voor de toename van de werkgelegenheid (1)
zijn.
1.2.1. Vastgesteld kan worden dat PWI's en groepen die
een stuwende kracht binnen een gemeenschap vormen,
inderdaad ertoe kunnen bijdragen dat:
— op plaatselijk niveau betrokkenheid en initiatief worden
gestimuleerd;
— noodlijdende (buurt)gemeenschappen nieuwe kansen
krijgen;
— kansarme of marginale groepen zich in de plaatselijke
gemeenschap stabiliseren, en bij de activiteiten betrokken
en erin geïntegreerd worden;
— plaatselijke openbare faciliteiten, diensten, produkten en
het milieu verbeterd c.q. bevorderd worden.
1.2.2. Toch moet men zich realiseren dat een oneven-
wichtige of ongenuanceerde benadering van dergelijke
PWI-projecten risico's met zich meebrengt en in de hand kan
werken dat:
— minder of in het geheel geen maatschappelijke initiatieven
meer op andere niveaus of in de overheidssfeer worden
genomen;
(') Zie b.v. ESC adviezen inzake de ontwikkeling van de sociale
toestand in de EEG in 1983 en 1984, PB nr. C 307 van
19. 11. 1984 en PB nr. C 218 van 29. 8. 1985.
— sommige kwetsbare of gemotiveerde individuen zich
overdreven optimistisch en geëngageerd gaan opstellen,
wat op den duur ten koste van hun eigen persoon
gaat;
— sommige marginale groepen zich gaan isoleren of geslo-
ten „communes" gaan vormen;
— gevaarlijke of zelfs nog maar net niet strafbare activiteiten
van probleemgroepen worden verhuld.
1.3. Hoe plaatsgebonden en vaak precair van aard PWI's
zijn blijkt wel uit de wirwar van rechtsvormen, en soms
semi-juridische vormen, waarin deze projecten zich in de
Europese Gemeenschap ontwikkelden.
1.3.1. In dit verband kunnen de volgende belemmerende
factoren worden onderscheiden:
ö— Het ontbreken van een duidelijk omschreven, voldoen-
de brede en flexibele rechtsbasis in sommige Lid-Staten
waardoor de verschillende vormen van PWI's bevorderd
kunnen worden.
— Specifieke juridische moeilijkheden in sommige Lid-Sta-
ten voor nieuwe groepen zelfstandigen die geen beroeps-
kwalificaties hebben of anderszins erkend worden.
— Moeilijkheden in andere Lid-Staten waar mensen die een
werknemerscoöperatie willen oprichten hetzij juridisch
buiten elke regeling blijken te vallen, hetzij als zelfstan-
digen worden ingedeeld, zodat zij geen aanspraak kun-
nen maken op sociale voorzieningen als werkloosheids-
uitkeringen en ziekenfonds.
— Weinig bevorderlijke wetgeving wat de omvang en
structuur van werknemerscoöperaties, belastingvoorde-
len en toeleveringsopdrachten aangaat.
— Problemen bij de overname van failliete bedrijven door
werknemers, aangezien ingeval van insolvabiliteit de
werknemers vaak niet worden geraadpleegd en bij onder-
handelingen tussen schuldeisers en failliete bedrijven
gewoonlijk het juridische aspect overheerst, in plaats van
dat wordt nagegaan hoe deze bedrijven in een nieuwe
vorm kunnen blijven voortbestaan.
— Te weinig soepele faillissementregelingsregelingen.
— Bijzondere juridische problemen die bij „alternatieve"
projecten voortvloeien uit de omstandigheid dat een
„eigenaar" ontbreekt en het kapitaal „geneutraliseerd" is,
waar vaak nog bij komt dat „sociale" inkomens variabel
zijn en een „gemeenschappelijk" sociaal-verzekerings-
systeem is uitgewerkt, hetgeen leidt tot problemen op het
gebied van erkenning, registratie en aansprakelijkheid.
— Landelijk of plaatselijk politiek klimaat dat soms weinig
bevorderlijk is voor het creëren van de sfeer van samen-
werking die noodzakelijk is om nieuwe ondernemingen te
kunnen starten.
— Bureaucratische eisen die het gevolg zijn van de te ver
doorgevoerde centralisatie.
16. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 68/15
1.4. Erkend wordt dat er veel verschillende benaderingen
mogelijk zijn bij de opzet van PWI's. Bovendien worden
PWI's soms beschouwd als een meer motiverende werkgele-
genheidsvorm dan „traditionele" grootschalige corporatieve
vormen, zowel in de particuliere als in de overheidssector.
1.4.1. Weliswaar kunnen motivatie, creativiteit, voldoe-
ning in het werk en goede arbeidsprestaties in het algemeen
ook in dergelijke klassieke bedrijven voorkomen, maar het
verdient evenzeer vermelding dat PWI's:
— het creatieve en ondernemerstalent van individuele per-
sonen aan het licht kunnen brengen;
— ervoor kunnen zorgen dat de deelnemers zich sterker bij
het plaatselijke wel en wee betrokken gaan voelen en
sterker het gevoel gaan krijgen dat zij de plaatselijke
gemeenschap van dienst zijn;
— kunnen aanzetten tot een motiverend solidariteitsgevoel
en een gezamenlijke inspanning in plaats van de ver-
vreemdende of semi-conflictuele werknemers/bedrijfslei-
ding-verhouding die men soms in conventionele bedrij-
ven aantreft;
— een niet-commerciële ondernemende en produktieve
vorm van zelfexpressie mogelijk kunnen maken, waar-
door wellicht voorkomen kan worden dat bepaalde
mensen die aan de rand van de samenleving leven totaal
vervreemden en tot een volkomen clandestiene vorm van
arbeid vervallen;
— beroepsopleidingen en managementcursussen op nuttige
wijze kunnen combineren met een „beschermde
markt"-aanpak.
1.4.2. Aan PWI's zijn ook gevaren en risico's verbonden,
waaronder:
— het feit dat sommige PWI-projecten minder goede lonen,
arbeidsvoorwaarden en sociale verzekering en minder
arbeidszekerheid bieden en het feit dat de levensduur van
een PWI (vooral wanneer er jongeren bij betrokken zijn)
soms kort blijkt te zijn;
— het ontbreken en soms de afkeer van formele vakbonds-
structuren en -vertegenwoordiging in PWI-projecten, en
het gevaar dat de lonen daardoor nog lager uitvallen en de
arbeidsvoorwaarden nog slechter worden;
— de hoge mate van „zelfuitbuiting" in alternatieve onder-
nemingen en het niet denkbeeldige gevaar dat het zwarte
circuit zich daardoor uitbreidt;
— het risico dat het opleidingsniveau na deelneming aan een
PWI-project onvoldoende gecontroleerd c.q. erkend
wordt.
Verder dient erop gewezen te worden dat:
— sommige werklozen zich alleen voor PWI's interesseren
omdat zij werk zoeken, ongeacht de eventueel motive-
rende aspecten ervan of de risico's, die er wellicht aan
verbonden zijn;
— tegelijkertijd niet alle mensen zonder werk echter de
noodzakelijke vaardigheden, motivatie, wens of
geschiktheid hebben om als nieuwe ondernemers of leden
van een coöperatie aan de slag te gaan;
— niet iedereen in dergelijke omstandigheden — en vooral
niet degenen die directe verplichtingen en verantwoorde-
lijkheden hebben ten opzichte van een gezin — zich in een
positie voelt waarin hij slinkende persoonlijke financiële
reserves of eigen bezittingen op het spel kan zetten om te
experimenteren met een PWI-project;
— sommige mensen er de voorkeur aan geven te werken in
een grotere, misschien minder kwetsbare particuliere
onderneming of overheidsdienst.
1.5. Momenteel kunnen in de Lid-Staten hulp bij de opzet
van PWI's en financiële faciliteiten o.a. in de volgende
vormen verkregen worden:
— subsidies en leningen voor ondernemingen;
— begeleiding door adviesbureaus die voor een ondersteu-
nende structuur zorgen en zowel financieel bijspringen als
bij de bedrijfsleiding adviseren, zodat PWI's met vertrou-
wen in de toekomst tot een levensvatbare vorm van
zelfstandige werkgelegenheid kunnen uitgroeien;
— stimulering van plaatselijke ondernemingsbureaus door
het bedrijfsleven en de banken, die tevens leningen
verstrekken, mensen „uitlenen" en adviesfaciliteiten bie-
den bij de opzet van plaatselijke werkgelegenheidsinitia-
tieven in samenwerking met plaatselijke autoriteiten;
— veel groter gebruik van de financierings- en marketings-
faciliteiten en -middelen van de particuliere sector;
— advies, financiële steun en opleidingsfaciliteiten van
vakbonden;
— leningen, subsidies, garanties en andere faciliteiten van
coöperaties en kredietmaatschappijen voor de bevor-
dering van plaatselijke coöperaties;
— door de overheid gesubsidieerde „on-the-job"-opleidin-
gen en loonsubsidies voor jongeren;
— managementopleidingen;
— subsidies voor plaatselijke tijdelijke werkverschaffing
aan werkloze jongeren.
1.5.1. Desondanks blijven er ernstige problemen be-
staan, bijvoorbeeld:
— moeilijkheden bij het financieren en laten uitvoeren van
haalbaarheidsstudies;
— de zowel op plaatselijk als landelijk niveau weinig soepele
houding van banken en openbare financiële instellingen
die niet de risico's van directe financiering van specifieke
PWI-projecten wensen te nemen;
— een gebrek aan relevante en duidelijke informatie ten
behoeve van de plaatselijke gemeenschappen over het
aanvragen en toegewezen krijgen van de daarvoor
bestemde nationale en EG-subsidies;
— het gebrek aan inspraak van deze plaatselijke gemeen-
schappen bij de besluitvorming over de verdeling en het
gebruik van de ter beschikking gestelde EG-gelden, en het
Nr. C 68/16 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 16. 3. 87
aanhoudende probleem dat enkele centrale regeringen
veroorzaken doordat zij de verdeling vertragen en derge-
lijke gelden „terugvorderen" voor de nationale schat-
kist;
— de specifieke problemen waarmee werknemers boven de
25 jaar in dit verband te maken hebben, aangezien 75 %
van de subsidies van het Europees Sociaal Fonds voor
werkgelegenheid, opleiding en gesubsidieerde arbeids-
plaatsen in de Gemeenschap bestemd is voor jongeren
beneden de 25 jaar;
— de omstandigheid dat iemand die een poging doet een
eigen bedrijf op te zetten, in het kader van de meeste
sociale zekerheidsstelsels plotseling zijn aanspraak op een
werkloosheidsuitkering en de daarmee samenhangende
voorzieningen, verliest;
— de moeilijkheden die alternatieve projecten vanwege hun
„niet-eigendom"-structuur ondervinden om het nodige
kapitaal bijeen te brengen;
— bij de opzet van PWI's in grensgebieden en daarmee
samenhangende belemmeringen.
2. Conclusies/voorstellen
2.1. Het Comité erkent het nut en het soms vitaal belang
van PWI's, in het bijzonder in plaatsen en regio's die kampen
met acute werkloosheidsproblemen. Plaatselijk en mi-
cro-economisch gezien kunnen PWI's over het algemeen
gekenschetst worden als gunstig en maatschappelijk
gewenst. Macro-economisch gezien kunnen PWI's niet wor-
den beschouwd als dé oplossing voor de massale werkloos-
heid. Het blijft onduidelijk hoeveel werk er uiteindelijk door
gecreëerd wordt.
2.2. PWI's worden meestal gestimuleerd en begeleid in
een klimaat van geëngageerdheid, betrokkenheid en onaf-
hankelijkheid binnen een plaatselijke gemeenschap. In dit
verband spelen initiatiefgroepen vaak een cruciale rol
2.3. Hoewel meer specifieke vormen ter ondersteuning
van PWI's inderdaad gericht zouden kunnen zijn op maxi-
malisering van het werkgelegenheidsscheppende potentieel
en het maatschappelijk nut, mag dit de aandacht van de
overheid niet afleiden van de noodzaak macro-economische
werkgelegenheidsscheppende beleidsmaatregelen te treffen.
Evenmin zou overdreven aandacht en financiële steun
besteed moeten worden aan het louter bevorderen van
experimentele levensstijlen. Blijvende werkgelegenheid en de
verbetering van de plaatselijke sociale voorzieningen zouden
de essentiële doelstellingen moeten blijven van een PWI-sti-
mulerend beleid.
2.4. Die stimulering dient gebaseerd te zijn op wederzijds
begrip van PWI-initiatiefnemers en officiële openbare licha-
men en plaatselijke overheden, ten einde bepaalde normen in
acht te nemen en de democratisch verworven elementaire
openbare dienstverlening te waarborgen. De inschakeling
van de sociale partners is ook van essentieel belang om de
plaatselijke ondernemingsgeest te helpen stimuleren, en om
goede arbeidsvoorwaarden en een eerlijke concurrentie te
helpen verzekeren.
2.5. De Lid-Staten en de Europese Gemeenschap dienen
een ruimere en minder negatieve wettelijke regeling uit te
werken waardoor de verschillende vormen van PWI-projec-
ten bevorderd kunnen worden.
2.6. Het Comité benadrukt nogmaals dat dergelijke
PWI-projecten niet in het zwarte circuit terecht mogen
komen. Evenmin mag er sprake zijn van uitbuiting van de
werkloosheid in de vorm van zwart werk of, in ieder geval,
van arbeidsvoorwaarden die vormen van oneerlijke concur-
rentie in de hand werken. Daarom is het belangrijk dat een
gunstige politieke en bestuurlijke sfeer wordt gecreëerd
waardoor de menselijke capaciteiten aan bod kunnen
komen, terwijl tegelijkertijd de voorwaarden moeten worden
geschapen om de arbeidsvoorwaarden in PWI's via een korte
overgangsfase aan de gangbare normen en regels aan te
kunnen passen, zowel in de publieke als de particuliere
sector.
2.7. Het Comité doet de volgende concrete voorstellen.
2.7.1. De Lid-Staten zouden betrouwbare gegevens moe-
ten verzamelen en aan de Europese Gemeenschap moeten
overdragen over de mate waarin door PWI's nieuwe werk-
gelegenheid is gecreëerd en op welke wijze meer blijvende
werkgelegenheid in plaatselijke economieën zou kunnen
worden bevorderd.
2.7.2. De Lid-Staten zouden plaatselijke groepen,
gemeenschappen en regio's niet moeten ontmoedigen, maar
juist ervoor moeten zorgen dat deze enige inspraak en
medezeggenschap krijgen bij de verdeling en het gebruik van
de voor de economische en sociale ontwikkeling van hun
eigen gebied ter beschikking gestelde EG-gelden, zulks
vooral door het stimuleren van PWI's.
2.7.3. Het is niet alleen nodig dat de werking en de wijze
van financiering van het Europees Sociaal Fonds en het
Europees Regionaal Fonds verbeterd wordt, maar bovendien
zou nagegaan moeten worden of het mogelijk is een nieuw
kredietverlenend Europees Werkgelegenheidsfonds op te
zetten, dat op alle mogelijke terreinen de economische groei
en werkgelegenheid moet stimuleren, zoals reeds vermeld
werd in het advies van het Comité inzake „De ontwikkeling
van de sociale toestand in de Gemeenschap in 1985 (1).
2.7.4. Financiële ondersteuning bij de start van levensvat-
bare PWI's zou vergemakkelijkt kunnen worden door bij de
opzet van een project in één keer een aanzienlijk bedrag aan
subsidie uit te betalen dat in sommige gevallen gebruikt zou
kunnen worden voor het laten uitvoeren van professionele
haalbaarheidsstudies ten einde de projecten aantrekkelijker
te maken voor potentiële geldschieters. Verder zouden ook
financiële instellingen, samen met de sociale partners, kun-
nen nagaan hoe zij voor levensvatbare projecten betere
waarborgen kunnen bieden.
2.7.5. De Gemeenschap zou de opzet van professionele
adviesbureaus voor de begeleiding van PWI-projecten moe-
(») Doe. CES van 17. 9. 1986, par. 4.2.2.2. en 4.2.2.3., PB nr.
C328 van 26. 12. 1986.
16. 3. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 68/17
ten bevorderen en de nuttige rol van het Europees Netwerk
voor de uitwisseling van informatie (ELISE) moeten uitbou-
wen en blijven aanmoedigen.
2.7.6. Alle in PWI's werkzame zelfstandigen of werkne-
mers zouden, zowel in het geval van faillissement als bij
tijdelijke stillegging van de activiteiten, aanspraak moeten
kunnen maken op de in de nationale wettelijke regelingen
voorziene werkloosheidsuitkeringen en andere sociale zeker-
heidsprestaties.
2.7.7. Overname van insolvente of failliete bedrijven
door werknemers zou vergemakkelijkt kunnen worden als de
werknemers officieel bij de faillissementsprocedures betrok-
ken werden en als een (oneconomische) bedrijfssluiting
voorkomen werd door middel van een gezamenlijk overeen-
gekomen beheers- en onderhoudscontract, dan wel door de
nodige gerechtelijke procedures waarbij de belangen van alle
partijen in aanmerking worden genomen en er vooral naar
gestreefd wordt levensvatbare arbeidsplaatsen te behou-
den.
Gedaan te Brussel, 17 december 1986.
1. Inleiding
1.1. De geïntegreerde maatregelen staan bij het Econo-
misch en Sociaal Comité al jarenlang in de belangstelling. Het
Comité is nl. van oordeel dat de Gemeenschap onderontwik-
kelde of sterk achterop geraakte regio's te hulp dient te
komen en daarbij niet alleen de diverse communautaire
instrumenten onderling, maar ook het communautaire
instrumentarium en de nationale instrumentaria met elkaar
moet coördineren en combineren.
1.2. Zo heeft het Comité op 30 april 1980 met algemene
stemmen een studie van de hand van de heer Bornard over een
geïntegreerde maatregel in Lotharingen goedgekeurd.
1 3 . In 1982 heeft de heer Bornard de gehele problema-
tiek rond de geïntegreerde maatregelen grondig doorgelicht.
2.7.8. De sociale partners van hun kant zouden de PWI's
kunnen stimuleren en ervoor kunnen zorgen dat zij behoor-
lijke arbeidsvoorwaarden bieden door overal in Europa
plaatselijke en regionale tripartite comités op te zetten,
bestaande uit:
— werkgevers, werknemers en afgevaardigden van andere
sociale en beroepsgroepen;
— afgevaardigden van plaatselijke overheden;
— plaatselijke groepen van initiatiefnemers en afgevaardig-
den van PWI-projecten.
Deze comitées zouden gezamenlijk PWI's die in hun eigen
gemeenschap worden opgezet, hulp kunnen bieden, kunnen
adviseren en op constructieve wijze kunnen begeleiden, mede
met het oog de arbeidsplaatsen die kunnen worden gecreëerd
door de uitvoering van de grootscheepse infrastructuurpro-
gramma's welke door de Raad zijn opgezet om de produk-
tieactiviteiten en de werkgelegenheid te bevorderen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
A. MARGOT
In het door de heer Bornard zelf opgestelde deel van de studie
worden de algemene aspecten van de geïntegreerde
maatregelen onder de loep genomen, waarna in een aantal
bijlagen — opgesteld door de co-rapporteurs Masprone (J),
Hall (2), Ognibene (3) en Kolbenschlag (4) — nader wordt
ingegaan op de reeds ten uitvoer gelegde maatregelen (Napels
en Belfast) en op enkele maatregelen voor andere regio's die
op dat moment in voorbereiding waren.
1.4. Later heeft het Comité — op verzoek van enkele
leden van de Afdeling voor regionale ontwikkeling — de heer
(») Napels.
(2) Belfast.
(3) Achtergebleven plattelandsgebieden.
(4) Beierse Woud.
Advies inzake de criteria voor en werking van geïntegreerde maatregelen
(87/C 68/10)
Full & Egal Universal Law Academy