29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/39
Advies inzake de financiële integratie in de Gemeenschap
(86/C 333/11)
Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 december 1985 besloten, overeenkomstig
artikel 20, vierde alinea, van het Reglement van Orde een advies op te stellen inzake de
financiële integratie in de Gemeenschap.
De Afdeling voor economische en financiële vraagstukken, die met de voorbereiding van de
werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 15 juli 1986 goedgekeurd. Rapporteur was
de heer Drago.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 241e zitting (vergadering van
27 november) het volgende advies uitgebracht, dat met grote meerderheid van stemmen
zonder stemmen tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.
1. Algemene opmerkingen 2. Juridisch-institutioneel kader
1.1. Het Comité heeft besloten een initiatief-advies
inzake de financiële integratie op te stellen, ten einde
de Commissie en de Raad ertoe te bewegen, verder te
blijven werken aan de liberalisatie van het kapitaal-
verkeer in de Gemeenschap en hiertoe de richtlijnen vast
te stellen die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging
van artikel 67 van het EEG-Verdrag.
Het Comité betreurt het dat het niet over deze kwestie
is geraadpleegd en behoudt zich voor, zijn standpunt
uiteen te zetten in een initiatief-advies.
1.2. De financiële integratie in de Gemeenschap zou
de financiële sector in staat moeten stellen, rechtstreekse
steun te verlenen aan het bedrijfsleven. Homogene fi-
nanciële instrumenten zouden daarbij steunverlening
voor vraagstimulerende investeringen moeten verge-
makkelijken.
Bij het aanzwengelen van de integratie moet daartoe
achtereenvolgens een aantal op elkaar afgestemde maat-
regelen worden genomen die mettertijd worden ge-
ïntensiveerd en die steeds gelijke tred houden met de
harmonisering op andere gebieden.
1.3. Met het oog op de internationale handels-
betrekkingen van de Europese Economische Gemeen-
schap is financiële integratie noodzakelijk. Bovendien is
financiële integratie een stap op de weg naar monetaire
eenwording. Wanneer men nu vrijheid van vestiging
proclameert, is dit op zich niet voldoende om concrete
vorderingen te maken.
De monetaire en financiële betrekkingen tussen de grote
economische gebieden moeten worden verbeterd ten
einde tot een efficiëntere allocatie van middelen en meer
sociaal-economische groei te komen. De Lid-Staten van
de Gemeenschap zouden er in dit verband naar moeten
streven dat de Commissie bij de coördinatie van het
monetaire beleid een eigen rol wordt toebedeeld in het
overleg tussen de grote monetaire gebieden in de wereld.
2.1. Bij gebrek aan wetten die rechtstreeks toepasse-
lijk zijn op de financiële integratie moet worden te-
ruggegrepen op concrete instrumenten waarmee de be-
lemmeringen voor een echte liberalisatie uit de weg
kunnen worden geruimd.
2.2. Omdat nog steeds belemmeringen in het vrije
verkeer van diensten en van kapitaal bestaan, blijft
het vrije verkeer van goederen en personen onvolledig.
Hieruit valt af te leiden dat zolang de interne markt
niet voltooid is, alle geproclameerde, maar slechts ge-
deeltelijk verwezenlijkte vrijheden beperkt zullen
blijven ten gevolge van politieke maatregelen en
standpunten die de voltooiing van het integratieproces
in de Gemeenschap in de praktijk tegenhouden.
2.3. Daarom moet voor de verwezenlijking van de
doelstellingen van artikel 2 van het Verdrag, middels
artikel 3, sub c), en van artikel 67 opnieuw worden
teruggegrepen naar artikel 69, dat de Raad het recht
geeft bepaalde richtlijnen op te stellen. In de jaren 1960
en 1962 heeft de Raad reeds gebruik gemaakt van dit
artikel om kapitaaloverdrachten enigszins te libera-
liseren.
2.4. Dat deze liberalisering niet volledig is, is toe te
schrijven aan het feit dat een beroep kan worden gedaan
op de artikelen 73, 108 en 109 van het Verdrag —
artikelen van algemene strekking — en op artikel 71 —
een bevriezingsclausule. Dit mag er echter niet toe leiden
dat vrijwaringsclausules die voor bepaalde situaties zijn
ingevoerd, een zodanige uitwerking blijven hebben dat
zij niet meer verenigbaar zijn met de ontwikkeling van
het institutionele kader van de Gemeenschap.
2.5. De Gemeenschapsinstellingen moeten derhalve
voor een betere macro-economische convergentie en
meer economische groei zorgen door op het economi-
sche beleid van de Lid-Staten toe te zien en naar onder-
linge beleidsharmonisering te streven. Enerzijds bete-
kent dit dat vrijwaringsclausules nog slechts bij uitzon-
dering en voor beperkte duur mogen worden toegepast,
en anderzijds dat de communautaire financierings-
Nr. C 333/40 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
mechanismen moeten kunnen bijdragen tot opheffing
van verschillen in de situaties op nationaal en op regio-
naal niveau.
2.6. Om een optimale financiële integratie in de Ge-
meenschap te bereiken moet voorts meer worden ge-
daan aan „de geleidelijke coördinatie van het de-
viezenbeleid der onderscheidene Lid-Staten, wat betreft
het kapitaalverkeer tussen die staten en derde landen".
2.7. Integratie betekent in dit verband niet dat de
supranationale bevoegdheden worden uitgebreid ten
koste van bepaalde nationale bevoegdheden, maar veel-
eer dat de Lid-Staten de gelegenheid krijgen gemeen-
schappelijk doeltreffender te handelen dan afzonderlijk.
De thans nog bestaande institutionele problemen in de
monetaire sector mogen geen hinderpaal vormen voor
gemeenschappelijke — doch niet noodzakelijkerwijs in-
stitutionele — oplossingen, zelfs niet indien deze op het
ogenblik nog niet volmaakt zijn.
2.8. Nog steeds bestaande juridische obstakels vor-
men een tweede reeks problemen. De Gemeenschapsin-
stellingen moeten zich baseren op de in het Verdrag
neergelegde beginselen van vrijheid van vestiging en vrij
verkeer van diensten — die rechtstreeks toepasselijk
zijn — en doeltreffend optreden tegen iedere eventueel
nog bestaande inbreuk op deze vrijheden.
Voorts zouden zij op basis van artikel 57, lid 2, dat in
zijn strekking bekrachtigd werd door de Raadsbesluiten
van december 1985, het gebruik dat van deze vrijheden
gemaakt kan worden, door middel van adequate coör-
dinerende maatregelen moeten vergemakkelijken.
3. Macro-economische compatibiliteit en voltooiing
van de interne markt
3.1. In de tweede helft van de jaren '60 viel een
omkering van het liberaliseringsproces waar te nemen
en volgde op de algemene of selectieve openstelling van
de markten een geleidelijke compartimentering van de
markten. Nu de internationale economische situatie
veranderd is en de Europese economie enkele successen
heeft geboekt, zijn de oorzaken voor deze ontwikkelin-
gen volgens het Comité echter verdwenen.
3.2. In de jaren '80 werd de monetaire situatie in de
Gemeenschap stabieler. Hierdoor werd het mogelijk,
het economische en het monetaire beleid van de Lid-
Staten beter te coördineren en ondanks de nog bestaan-
de institutionele problemen ook de nationale macro-
economische kencijfers dichter bij elkaar te brengen.
3.3. In de jaren '70 was reeds gebleken dat een op
valutarestricties gebaseerd beleid, dat in sommige Lid-
Staten werd gevoerd, onvoldoende effect sorteert omdat
een dergelijk beleid, zolang de Lid-Staten hun bin-
nenlandse economische doelstellingen niet willen opge-
ven, geen duurzame oplossing kan bieden voor proble-
men in verband met de buitenlandse verplichtingen.
3.4. Een grotere convergentie van de economische
resultaten in de afgelopen drie jaar heeft ertoe geleid
dat de maatregelen ten behoeve van de economische
integratie en het vrije verkeer van goederen en diensten
coherenter konden worden. Daarom is de tijd rijp om
naast integratie op het monetaire, het economische en
het commerciële vlak nu ook bestendig te streven naar
financiële integratie in de Gemeenschap.
3.5. Het Comité stelt vast dat zolang binnen een
groep onderling afhankelijke volkshuishoudingen onge-
lijkheden en onevenwichtigheden in het financiële ver-
keer blijven bestaan, de gehele Europese economie
wordt verzwakt; het is dan begrijpelijk dat men gaat
zoeken naar een grotere rentabiliteit, en wel daar waar
minder economische en financiële belemmeringen voor-
komen. Dit deed zich voor in het begin van de jaren
'80: destijds vloeiden enorme Europese kapitaalsom-
men naar de Verenigde Staten, omdat zij daar rendabe-
ler konden worden belegd. Zo hebben zij bijgedragen
tot de herstructurering van de industrie in dat land.
3.6. Bovendien zouden de factoren die de Lid-Staten
momenteel in staat stellen hun buitenlandse schuld te
verminderen (grondstoffenprijzen en dollarkoers), niet
alleen verbetering in de situatie op de betalingsbalansen
moeten brengen, maar tevens de landen met de grootste
afhankelijkheid van het buitenland ertoe moeten aan-
zetten, correcties aan te brengen die een snelle en gelei-
delijke afschaffing van de vrijwaringsclausules mogelijk
maken.
3.7. In dit verband onderstreept het Comité het be-
lang van de maatregelen in het Akkord van Luxemburg
„die ertoe strekken de interne markt geleidelijk tot
stand te brengen in de loop van een periode die eindigt
op 31 december 1992". Volgens dit akkoord omvat de
interne markt „een ruimte zonder binnengrenzen waar-
in het vrije verkeer van goederen, personen, diensten
en kapitaal volgens de bepalingen van het Verdrag is
gewaarborgd".
Het witboek van de Commissie vormt in dit opzicht
een positief fundament voor de komende werkzaamhe-
den. Het Comité heeft er in zijn advies nr. 1019/85 op
gewezen dat de procedure die voorziet in besluitvorming
met gekwalificeerde meerderheid van stemmen hierin
wordt beschreven als een politieke keuze die ook de
besluiten op fiscaal gebied zal beïnvloeden.
4. Financiële innovatie, monetair beleid en stabiliteit
van de markten
4.1. Wat de Gemeenschap betreft stelt het Comité
vast dat de Raad weliswaar een aantal richtlijnen heeft
vastgesteld die direct of indirect verband houden met
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/41
de financiële integratie (bij voorbeeld bevordering van
de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten
van diensten, coördinatie van de toegang tot en de
uitoefening van de activiteiten van kredietinstellingen,
voorwaarden voor toelating tot beursnotering enz.),
maar nog geen maatregelen zijn genomen ten aanzien
van de veelomvattende financiële innovatie die begon-
nen is met de Eurogeldmarkt en geleid heeft tot het
ontstaan van een niet aan officiële regels gebonden
transnationale kapitaalmarkt, die zeer mobiel en overal
tegenwoordig is.
4.2. Deze structurele veranderingen waren ingegeven
door de vrees voor de gevolgen van de inflatie voor de
kapitaalstromen en zijn het resultaat van een wis-
selwerking tussen marktmechanismen en beleidsmaat-
regelen.
Deze periode werd gekenmerkt door onstabiele wis-
selkoersen, ongelijke rentevoeten en een sterke groei van
de overheidsschuld, die er samen met de niet flexibele
voorschriften op de nationale financiële en monetaire
markten voor hebben gezorgd dat men naar rendabelere
en meer gediversifieerde beleggingsmogelijkheden ging
zoeken.
4.3. De internationalisering van de interbancaire
markten, die terzelfder tijd plaatsvond, en de steeds
geraffineerdere financiële instrumenten kunnen recht-
streekse gevolgen hebben voor het monetaire beleid van
de Lid-Staten en niet alleen voor de ontwikkeling van
de economie en van de internationale handel, maar ook
voor de werkgelegenheidsscheppende investeringen van
belang zijn.
4.4. Het Comité ziet in dat het steeds moeilijker is,
een duidelijke grens te trekken tussen geld en andere
financiële activa of tussen bemiddeling door banken en
rechtstreekse kredietverstrekking, en dat er nog andere
factoren zijn die de controle op het monetaire gebeuren
in de Lid-Staten kunnen beïnvloeden. Niettemin ver-
zoekt het Comité de communautaire Instellingen voort
te gaan met de financiële integratie. Het vestigt daarbij
de aandacht op de mogelijke gevolgen van de innovaties
voor het monetaire beleid van de Lid-Staten alsmede
voor de stabiliteit van de markten.
4.5. Het gevaar dat tegenover meer efficiëntie in de
financiële sector een evenredig verlies aan stabiliteit
komt te staan, moet worden uitgesloten door een geco-
ördineerd toezicht op de kwaliteit van het monetaire
beheer en op de tenuitvoerlegging van het monetaire
beleid, waarbij doeleinden en instrumentarium op de
nieuwe situatie moeten zijn afgestemd.
5. Liberalisatie van het kapitaalverkeer in de Gemeen-
schap
5.1. Het uitblijven van vorderingen bij de integratie
van de nationale kapitaalmarkten steekt scherp af tegen
de aanzienlijke toename van het internationale fi-
nanciële verkeer buiten het kader van nationale regelin-
gen, die vooral toe te schrijven is aan de explosieve
groei van de Eurogeldmarkt.
Een verklaring voor dit uitblijven kan met name gevon-
den worden in het streven van de nationale autoriteiten
om zelf het nationale monetaire beleid te blijven bepa-
len. Bij dit beleid, waarbij overwegingen die verband
houden met de betalingsbalans vaak een grote rol
spelen, is in sommige landen gebruik gemaakt van een
controle van de internationale kapitaalbewegingen.
5.2. Op grond hiervan is de vrijmaking van kapitaal-
transacties in sommige landen niet alleen geblokkeerd,
maar soms ook teruggedraaid. Dit is het geval in landen
die zich hebben beroepen op de vrijwaringsclausules in
het Verdrag van Rome ten einde restrictieve maatrege-
len te treffen welke niet stroken met de vrijmaking
waartoe de richtlijnen verplichten. Het Comité is van
oordeel dat deze ontwikkeling, ook indien hiertoe is
besloten met instemming van de Commissie, te ver
gaat, daar zij niet meer uitsluitend gericht is op de
noodzakelijke bescherming van de betalingsbalansen
van die landen welke moeilijk voor een extern
evenwicht konden zorgen.
5.3. Ter verbetering van het onderlinge begrip en
in het kader van de dialoog tussen de voornaamste
monetaire zones bij het uitstippelen van een deviezen-
en rentepolitiek is de Gemeenschap zich terecht weer
gaan inzetten voor een geleidelijke maar volledige li-
beralisering van het kapitaalverkeer, ten einde via fi-
nanciële integratie tot meer economische integratie —
en omgekeerd — te komen.
5.4. Het Comité dringt er in deze zin op aan dat de
Gemeenschap spoed zet achter de goedkeuring van de
desbetreffende voorschriften en zich bij de vaststelling
van de richtlijnen in kwestie richt naar het gefaseerde
tijdschema dat voor de verwezenlijking van de interne
markt is vastgesteld.
Een eerste poging tot liberalisatie van het kapitaal-
verkeer vindt men in de onlangs vastgestelde richtlijn
van de Raad( !) inzake langlopend handelskrediet, de
aankoop van al dan niet ter beurze verhandelde effecten
en de emissie van effecten op de kapitaalmarkt. Om het
gestelde doel te bereiken is het bovendien zaak dat :
— de burgers — in Lid-Staten waar het kapitaalverkeer
aan banden is gelegd — en de ondernemers in de
particuliere en overheidssector bij hun kapitaal-
transacties en bij de keuze van hun investeringen en
beleggingen weer volledig vrij worden gelaten;
— de Commissie daadwerkelijk toezicht uitoefent op
het stopzetten van deviezenbeperkingen voor cou-
rante transacties, zoals transacties in verband met
reizen, studieverblijven en medische behandelingen
en transacties in het kader van het handelsverkeer;
— de bedrijven de mogelijkheid krijgen om met een
valutabalans te werken ten einde open valutaposities
te verminderen en de kosten in verband met het
aanzuiveren van de tekorten te drukken;
(') Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de derde
wijziging van de eerste richtlijn houdende toepassing van
artikel 67 van het EEG-Verdrag (liberalisatie van het kapitaal-
verkeer), door de Raad op 17 november 1986 vastgesteld.
Nr. C 333/42 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
— het activapakket van in de Gemeenschap gevestigde
ondernemers wordt uitgebreid en de voor institu-
tionele beleggers geldende beperkende investerings-
voorschriften worden herzien;
— de circulatie van financiële activa op Europees ni-
veau wordt uitgebreid.
5.5. Een en ander is in een periode van economisch
herstel gemakkelijker te realiseren en biedt de volgende
voordelen:
— de EEG zou een meer open monetaire en financiële
ruimte — en bijgevolg commerciële ruimte — gaan
vormen;
— er zou meer risicodragend kapitaal beschikbaar ko-
men en de spaargelden zouden — waar mogelijk
— worden gebruikt voor produktieve investeringen
waarmee een hoger rendement te behalen is;
— er zou een einde komen aan de kunstmatige compar-
timenteringen op de kapitaalmarkten — en in de
onderdelen hiervan — binnen de Gemeenschap;
— de concurrentie tussen de financiële instellingen, en
bijgevolg ook de vrijheid van spaarders en investeer-
ders, zou toenemen;
— het midden- en kleinbedrijf zou een nieuwe impuls
krijgen doordat meer risicodragend kapitaal ter be-
schikking komt en daardoor een aantal specifieke
problemen van deze sector — die grote onderne-
mingen niet ondervinden omdat deze zich beter
kunnen aanpassen aan financiële, wettelijke en fis-
cale voorschriften — uit de weg wordt geruimd.
5.6. Om de weerslag van dit alles op de monetaire
variabelen en de wisselkoersen te beperken, zou de
Gemeenschap volgens het Comité een ruim gebruik
van alle beschikbare financieringsmechanismen moeten
toestaan, ten einde afvloeiing van kapitaal als gevolg
van portefeuilleaanpassingen of speculaties te compen-
seren. De Gemeenschap zou wellicht op alle gebieden
gebaat zijn bij een liberalisatie van het kapitaalverkeer:
intern zouden de structurele en regionale problemen
gemakkelijker kunnen worden opgelost en naar buiten
toe zouden de landen die buitenlands kapitaal willen
aantrekken of gewoon als „tussenpersoon" bij inter-
nationale financiële transacties willen optreden, zulks
gemakkelijker kunnen doen.
6. Maatregelen op het vlak van de financiële dienst-
verlening
6.1. Wil men tot een bevredigende financiële integra-
tie komen, dan is het volgens het Comité van fundamen-
teel belang dat voor een daadwerkelijke concurrentie
op het vlak van de financiële dienstverlening — tussen
banken, effectenbeurzen, verzekeringsmaatschappijen
en instellingen voor collectieve beleggingen — wordt
gezorgd. Om een voldoende mate van harmonisatie te
kunnen bereiken, acht het Comité het absoluut noodza-
kelijk om — met inachtneming van de bestuurlijke en
de fiscale situatie — bij voorrang in deze sectoren
maatregelen te nemen.
6.2. Volgens het Comité is een onderlinge aanpassing
van de wettelijke bepalingen van de diverse Lid-Staten
noodzakelijk om een koppeling tussen de diverse mark-
ten voor financiële dienstverlening tot stand te brengen.
Zo kan wederzijdse erkenning in bepaalde gevallen en
onder bepaalde omstandigheden de verwezenlijking van
de doelstellingen van het Verdrag van Rome beslist
reeds een stap dichterbij brengen. Men denke bij voor-
beeld aan het vrije verkeer van goederen. Het principe
van wederzijdse erkenning kan ook gebruikt worden
bij de controle van economische subjecten en op het
vlak van het vestigingsrecht en het vrije verkeer van
diensten. Wel moet dan reeds voldoende geharmoni-
seerd zijn om met name concurrentiedistorsies tussen
de verschillende economische subjecten te voorkomen.
Wat de bankwetgeving betreft wijst het Comité op het
belang van de richtlijnen van 1977 en 1983 inzake de
coördinatie van de wetgevende bepalingen en maatrege-
len met betrekking tot de structuur van de jaarrekenin-
gen, het eigen vermogen, het toezicht op grote risico's,
enz.
6.3. Volgens het Comité zou het gebruik van geïn-
tegreerde elektronische systemen voor kapitaaltransac-
ties bevorderd moeten worden. Hierbij moet een
scheiding worden gemaakt tussen de technische in-
frastructuur, waarvoor eventueel normen kunnen wor-
den geschapen, en de dienstverlening op zich, waarvoor
de vrije concurrentie moet blijven gelden.
6.4. Wat de effectenmarkt aangaat, is de harmonisa-
tie van de wetgevende bepalingen nog lang niet ver
genoeg gevorderd om van vrij verkeer en gelijke fiscale
behandeling van effecten te kunnen spreken.
Het financiële integratieproces vereist met name de
volgende maatregelen in het kader van de liberalisatie
van het kapitaalverkeer:
— geleidelijke vermindering van de compartimentering
van de effectenbeurzen in de Europese Gemeen-
schap;
— versoepeling van de toelatingsregeling voor effecten
die voldoen aan de voorwaarden voor notering ter
beurze in een andere Lid-Staat.
6.5. Het Comité wijst erop dat in het IDIS-systeem,
dat gegevensbestanden aan elkaar koppelt, in de eerste
plaats gegevens over effectentransacties moeten worden
opgenomen.
Wat ten slotte de primaire markt betreft, dringt het
Comité erop aan dat aandelen van in een Lid-Staat
gevestigde ondernemingen ook op de kapitaalmarkten
van andere Lid-Staten moeten kunnen worden verhan-
deld.
6.6. Ten aanzien van het verzekeringswezen is het
Comité van oordeel dat — in de eerste plaats buiten de
levensverzekeringsbranche — het recht op vrije dienst-
verlening daadwerkelijk moet kunnen worden uitgeoe-
fend. Daarom moeten de desbetreffende voorstellen
van de Commissie volgens het Comité opnieuw ter
bespreking komen.
29. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/43
6.7. Het Comité staat positief tegenover de goedkeu-
ring van de twee richtlijnen inzake resp. de instellingen
voor collectieve belegging in effecten en de liberalisatie
van transacties in participatiebewijzen.
Het beschouwt deze richtlijnen als een belangrijke stap
op de weg naar een communautaire binnenmarkt, om-
dat hierin gemeenschappelijke minimumnormen voor
de ICBE's (erkenning, toezicht, structuur, investerings-
beleid) zijn vastgelegd (1).
6.8. In een proces dat gericht is op internationalise-
ring van de kapitaalmarkten en waarbij allerlei — al
dan niet aan het proces inherente — innovaties de
diverse banksystemen en instellingen voor financiële
dienstverlening aan elkaar koppelen, is het voortbestaan
van beperkingen, privileges en compartimenteringen
voor de dienstensector een even slechte zaak als voor
de industrie.
7. Europees Monetair Stelsel (EMS) en rol van de Ecu
7-1. De Europese monetaire zone kan pas doeltref-
fend functioneren als de kapitaalmarkten op een com-
munautaire leest worden geschoeid en de toegang tot
deze markten niet meer aan restricties is onderworpen.
7.2. Het EMS bestaat nu meer dan zeven jaar en
heeft in die tijd voor een behoorlijke monetaire stabili-
teit binnen de Gemeenschap gezorgd en de onzekerheid
in verband met wisselkoersschommelingen gedeeltelijk
weggenomen.
Stappen in de richting van integratie van de kapitaal-
markten zouden het EMS consolideren en verbeteren,
waardoor meer evenwicht in het internationale handels-
verkeer — zowel op economisch als op financieel vlak
— zou ontstaan.
7.3. Zelfs bij toenemende economische convergentie
en een goede coördinatie op monetair vlak blijft name-
lijk het gevaar bestaan dat het EMS ontaardt in een
systeem van „glijdende" wisselkoersen doordat het ver-
keer van produktief kapitaal binnen de Gemeenschap
niet is geliberaliseerd, met alle gevolgen van dien voor
het ontwikkelingspotentieel van de Lid-Staten.
7.4. Daarom zou het Comité graag zien dat de Com-
missie en de Raad met meer vastberadenheid optreden
bij het vervullen van de taak die hun door de be-
schikking van 18 februari 1974 inzake de convergentie
van de economische politiek van de Lid-Staten is opge-
legd en dat zij de kredietmechanismen beter coördi-
neren.
7.5. Het Comité verwijst naar het informatieve rap-
port waarover op 28 februari 1985 door zijn voltallige
vergadering is beraadslaagd en waarin voorstellen zijn
opgenomen om het EMS te versterken, alsmede naar
zijn advies inzake het gebruik van de Ecu door „andere
houders" (2), en beperkt zich hier tot de volgende sug-
gesties.
7.6. Een ruimere toepassing van de Ecu zou de mo-
netaire en financiële integratie ten goede komen en
enige differentiatie brengen in het door enkele valuta's
gedomineerde internationale monetaire systeem. In dit
verband beveelt het Comité de financiële instellingen
en particuliere ondernemers aan:
— ervoor te zorgen dat de Ecu voortaan ook in de
particuliere sector — bij handelstransacties en tus-
sen in verschillende Lid-Staten gevestigde bedrijven
van multinationale ondernemingen — wordt ge-
bruikt;
— meer gebruik te maken van facturering in Ecu in
het handelsverkeer met industrielanden en bij de
betaling van grondstoffen;
— het gebruik van de Ecu in de boekhouding en de
interne facturering van multinationale onderne-
mingen te vergemakkelijken;
— het gebruik van de Ecu bij de facturering in de
dienstensector, en met name in de toeristenbranche,
uit te breiden;
— het gebruik van de Ecu bij financieringen en handels-
kredieten en op de kredietmarkten op te voeren.
Om dergelijke transacties in Ecu mogelijk te maken,
zouden sommige Lid-Staten hun voorschriften ter zake
moeten aanpassen en afstemmen op de regeling die voor
de emissies van de Gemeenschapsinstellingen van kracht
is.
8. Financiële integratie en belastingharmonisatie
8.1. Volgens het Comité dient het monetaire en fi-
nanciële integratieproces gepaard te gaan met een fis-
caal integratieproces, met als doel ook de diverse be-
lastingregelingen geleidelijk op een communautaire
leest te schoeien. In dit verband verwijst het naar het
desbetreffende hoofdstuk in zijn advies inzake de pro-
blematiek rond de binnenmarkt (het zogenaamde „wit-
boek").
8.2. Deze belastingharmonisatie — waarbij lange
overgangsperioden en in sommige gevallen compen-
satiemaatregelen nodig zullen zijn — zal zo moeten
worden aangepakt dat de met de financiële integratie
samenhangende belastingvoorschriften geleidelijk met
elkaar in overeenstemming worden gebracht.
8.3. De belastingstructuur en de grondbeginselen van
het fiscale beleid verschillen sterk van Lid-Staat tot Lid-
Staat. Niettemin moet naar een zo groot mogelijke
fiscale neutraliteit worden gestreefd, om te voorkomen
dat het kapitaalverkeer door fiscale in plaats van econo-
mische factoren wordt bepaald.
(*) Richtlijn van 20 november 1985. (2) PB nr. C 218 van 29. 8. 1985, blz. 14.
Nr. C 333/44 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29. 12. 86
Daarom is het zaak dat alle initiatieven worden ge-
steund die erop gericht zijn de ondernemingen gelijke
concurrentievoorwaarden te garanderen en een eind te
maken aan bepaalde gevallen van dubbele belasting-
heffing, c.q. aan uiteenlopende belastingvoorschriften
bij fusies van ondernemingen uit twee of meer Lid-
Staten of bij dividend- en renteheffing aan de bron ten
einde de produktieve investeringen te stimuleren.
8.4. Wat de directe belastingen betreft, zou er vol-
gens het Comité voor moeten worden gezorgd dat de
fiscale last voor de bedrijven in de gehele Gemeenschap
ongeveer gelijk is, zodat de verschillen tussen de be-
lastingsystemen van de diverse Lid-Staten slechts een
geringe weerslag hebben op de produktiekosten, de
Gedaan te Brussel, 27 november 1986.
plaats waar geïnvesteerd wordt en de rentabiliteit van
het geïnvesteerde kapitaal.
8.5. Ten slotte wil het Comité de Commissie en
de Raad nog attent maken op het probleem van de
internationale belastingfraude en de „belastingpara-
dijzen".
Er zou opnieuw een analyse moeten worden gemaakt
van de juridische en politieke aspecten van deze pro-
blematiek en van de moeilijkheden die zich voordoen
wanneer men iets concreets wil ondernemen tegen de
bestaande overeenkomsten met bepaalde „belasting-
paradijzen". Met het oog daarop zou de Commissie
haar mededeling van 28 november 1984 moeten bijwer-
ken en aanvullen.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Alfons MARGOT
Full & Egal Universal Law Academy