Nr. C 328/30 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
Advies van het Economisch en Sociaal Comité inzake de betrekkingen tussen de Europese
Gemeenschap, Japan en de Verenigde Staten
(86/C 328/12)
Op 18 december 1985 heeft het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 20,
vierde alinea, van zijn Reglement van Orde besloten een advies op te stellen inzake de
betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap, Japan en de Verenigde Staten.
De Afdeling voor externe betrekkingen, die met de voorbereiding van de werkzaamheden
belast was, heeft haar advies op 9 september 1986 goedgekeurd. Hierbij is uitgegaan van het
rapport van de heren Curlis en Staratzke.
Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 239e zitting (vergadering van 18 sep-
tember 1986) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.
De betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap, Ja-
pan en de Verenigde Staten
1. De Europese Gemeenschap, de Verenigde Staten
en Japan zijn de belangrijkste handelspartners van de
wereld. Zij dragen een zeer grote verantwoordelijkheid
voor de wereldeconomie in haar geheel, die nog ver-
zwaard wordt door de nauwe economische en politieke
interdependentie tussen genoemde gebieden en de an-
dere landen van Europa* Afrika, Azië en Amerika,
die gezien hun bevolkingstal, hun hulpbronnen en hun
economische vooruitzichten uiterst belangrijk zijn.
2. Aangezien de Europese Gemeenschap, de Ver-
enigde Staten en Japan te zamen ca. 55 % van de we-
reldhandel voor hun rekening nemen, hebben deze drie
partners alle belang bij een bloeiende wereldhandel en
een evenwichtigere ontwikkeling in de wereld.
3. Met het oog op hun handel in industrieprodukten
en in diensten moeten de drie partners in het multila-
terale kader van de GATT uiteraard blijven streven
naar verdere liberalisering van het handelsverkeer. In
dit verband verwijst het Comité naar zijn advies van
22 mei 1986 inzake de komende GATT-onderhandelin-
gen en de vernieuwing van het Multi vezelakkoord (*).
Het groeiende overschot dat Japan de laatste jaren op
de handelsbalans heeft geaccumuleerd ten opzichte van
de Verenigde Staten en de Gemeenschap, houdt een
ernstige bedreiging in voor het evenwicht van de inter-
nationale handel.
4. Met betrekking tot de landbouwsector zouden de
drie partners meer solidariteit aan de dag moeten leggen
om een oplossing te vinden voor de problemen in ver-
band met het feit dat het aanbod van landbouw-
produkten de solvabele vraag overtreft. De overschotten
in de Verenigde Staten en in de Gemeenschap hebben
niet alleen tot handelsproblemen tussen deze partijen
geleid, maar hebben tevens daadwerkelijk bijgedragen
tot de prijsdaling op de wereldmarkten van een groot
aantal basisprodukten. Gevolg hiervan is dat de koop-
kracht van de producentenlanden voor deze ba-
sisprodukten ook is gedaald. Japan is wat zijn behoefte
(J) PB nr. C 207 van 18. 8. 1986.
aan voedingsmiddelen betreft, zowel voor mens als
voor dier, zeker niet onafhankelijk, maar dit land is
voornemens om zijn eigen produktie aanzienlijk op te
voeren, hetgeen, gezien de betekenis van Japan als
importeur, tot een daling van de wereldprijzen zal lei-
den. Volgens het Comité zouden de drie partners alles
in het werk moeten stellen om tot een betere exploitatie
van de tussen hun produkties bestaande complemen-
taire activiteiten te komen en gemeenschappelijke oplos-
singen te vinden door de verschillende beleidsmaatre-
gelen betreffende de landbouw te coördineren. Door
een verdergaande coördinatie op middellange of lange
termijn tussen de drie economische blokken onderling
en tussen deze en de derde landen, zou de produktie
rationeler georganiseerd kunnen worden, hetgeen tot
een geleidelijke vermindering van de kosten van het
steunbeleid ten behoeve van de landbouw zou leiden.
De Verenigde Staten, de Gemeenschap en Japan zouden
hun landbouwbeleid moeten coördineren door overleg
te plegen over maatregelen die passen in een in GATT-
verband tot stand te brengen nieuw internationaal land-
bouwstelsel. In het kader van de komende besprekingen
moet over de landbouwproduktiedoelstellingen, de sub-
sidies en andere steunvormen onderhandeld worden,
waarbij tevens met de noodzaak van een internationale
arbeidsverdeling rekening moet worden gehouden.
5. Het Comité constateert tot zijn voldoening dat op
monetair gebied de wisselkoersen zich, wat de verhou-
ding yen/dollar en dollar/EG-valuta's betreft, in meer
realistische zin beginnen te ontwikkelen. Niettemin zou
de vrijmaking van het kapitaalverkeer in Japan tot
gevolg hebben dat de wisselkoersen beter overeen zou-
den komen met de werkelijke koopkrachtverhoudingen
en dat de yen ten opzichte van de communautaire
valuta's zou appreciëren. Hetzelfde geldt voor de ont-
wikkeling van de rentetarieven, dank zij welke het lenen
van geld goedkoper wordt en de Europese economie
weer op gang komt, terwijl de ontwikkelingslanden hun
schuldenlast (rente plus aflossing) en de kosten van hun
energievoorziening (minder dure dollar) zien vermin-
deren.
6. De onlangs in Tokio ingestelde overlegmechanis-
men ter vermijding van te grote pariteitsschommelingen
kunnen in dit verband een des te positievere rol spelen,
daar de belangrijke nationale economische beleidsmaat-
regelen nu — voor zover enigszins mogelijk — gecoördi-
neerd worden. Het blijkt steeds meer noodzakelijk,
geregeld overleg te plegen alvorens de grote lijnen van
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/31
een economisch beleid vast te stellen, zodat bij de natio-
nale maatregelen rekening wordt gehouden met de re-
percussies die deze voor de buitenlandse betrekkingen
en de partnerlanden kunnen hebben. Dit is ook al
noodzakelijk omdat de invoer uit de jonge industrie-
landen in de volkshuishoudingen van de Verenigde
Staten en van de Gemeenschap aan betekenis wint.
De betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en
Japan
7. Het Comité stelt vast dat Japan, na eeuwen van
isolement, sedert zo'n 40 jaar serieuze pogingen doet
om zich meer voor de buitenwereld open te stellen.
Sinds enkele jaren ondergaat de Japanse samenleving
een zekere mate van internationalisering en toont zij
meer belangstelling voor de westerse levenswijze, het-
geen een uitdaging vormt voor het bedrijfsleven van de
Gemeenschap, waarvoor hier kansen liggen.
8. Enkele typische kenmerken van de Japanse cul-
tuur, o.m. grote werklust, perfectionisme en het streven
naar een steeds betere produktiekwaliteit, spelen een
grote rol in de Japanse volkshuishouding. Bovendien
organiseert Japan sinds tientallen jaren zijn produk-
tieapparaat op basis van een strategische analyse en
penetratie van de internationale markt, gecombineerd
met een concentratie van de exportinspanning op be-
paalde produkten en technologieën. Van oudsher heeft
Japan een zeer lage consumptiequote en een zeer hoge
spaarquote.
9. Deze belangstelling voor de internationale markt
heeft echter nog geen ingrijpende wijziging teweeg-
gebracht in de consumptiegewoonten van de Japanners,
die aan hun eigen produkten de voorkeur blijven geven.
Bovendien is de Japanse economie wat produktie en
distributie betreft voortreffelijk vertikaal geïntegreerd,
en onderhouden de grote ondernemingen, de banken
en de Regering onderling zeer nauwe betrekkingen,
hetgeen tot gevolg heeft dat de Japanse markt vrijwel
ondoordringbaar is voor buitenlandse industrie-
produkten. Het verontrustende verschijnsel van het
overmatige overschot op de Japanse handelsbalans
vindt verder zijn verklaring in het feit dat de Europese
ondernemingen zich nog onvoldoende op de Japanse
markt manifesteren, hetgeen overigens niet uitsluitend
aan taalproblemen te wijten is. Uiteraard spelen ook
andere factoren in dit verband een rol, niet in de laatste
plaats de onderwaardering van de yen.
10. Kortom, gezien de in het voorgaande omschreven
culturele en economische aspecten en het feit dat een
ingewikkeld, weinig doorzichtig, maar goed georgani-
seerd bestuurssysteem in zekere zin de Japanse export
„beheerst" (industrial targeting, laser beaming), begint
in de Gemeenschap steeds meer — en terecht — de
overtuiging terrein te winnen dat de GATT-regels niet
voor Japan gelden.
11. In het bevoorradingsbeleid van Japan zijn talrijke
voorbeelden aan te wijzen (dubbele-prijzenstelsel voor
non-ferrometalen, invoerbeperkingen voor levens-
middelen, belastingdiscriminatie van wijn en alcohol-
houdende dranken) waaruit een handelsgedrag spreekt
dat letterlijk genomen met de GATT-regels lijkt te
stroken, maar op de keper beschouwd tegen de geest
daarvan indruist, omdat het ernstige gevolgen heeft
voor de economie van de partnerlanden.
12. Het Comité dringt erop aan dat deze problemen
in de komende GATT-ronde besproken worden.
13. In afwachting daarvan moet de huidige situatie
weer in evenwicht worden gebracht en moet vermeden
worden dat de Gemeenschap zich gedwongen ziet
vrijwaringsmaatregelen te treffen; daarom vindt het
Comité dat Japan zijn — ongetwijfeld welgemeende en
op lange termijn waarschijnlijk wel doeltreffende —
verklaringen betreffende openstelling van de markt ver-
gezeld moet laten gaan van kwantitatieve toezeggingen
inzake zijn invoer waardoor de wanverhouding tussen
in- en uitvoer enigszins kan worden rechtgetrokken.
Japan moet zijn invoer uit de Europese Gemeenschap
opvoeren ten einde te vermijden dat laatstgenoemde
gedwongen wordt maatregelen te nemen om de Japanse
uitvoer af te remmen, o.a. door heffing van een bui-
tengewoon douanerecht.
14. Bovendien heeft Japan thans een dusdanig tech-
nologisch, economisch en financieel ontwikkelingspeil
bereikt dat het in het kader van een internationaal
monetair systeem en tegenover de ontwikkelingslanden
meer verantwoordelijkheid zal moeten gaan dragen.
15. Het Economisch en Sociaal Comité dringt erop
aan dat Japan alle nodige maatregelen neemt om zijn
markt zo spoedig mogelijk in sterkere mate open te
stellen voor industrieprodukten, diensten en investerin-
gen, en wel door alle bestaande belemmeringen op te
heffen, met name bij de gunning van overheidsopdrach-
ten en de lokatie van ondernemingen (Europese investe-
ringen in Japan). Het Comité wijst er tevens met nadruk
op hoe wenselijk het is om nog krachtiger te streven
naar realistischere en stabielere wisselkoersen tussen de
yen en de Europese munten, en om te komen tot een
systematische liberalisering van het Japanse financiële
bestel (bank- en verzekeringswezen). Voorts zou Japan
met onmiddellijke ingang een einde moeten maken aan
de invoerbeperkingen op bepaalde gevoelige consumpr
tieartikelen! Van haar kant zou de Gemeenschap haar
procedures voor de toepassing van vrijwaringsclausules
moeten aanscherpen en voor Japanse investeringen op
het grondgebied van de Lid-Staten dezelfde voorwaar-
den moeten laten gelden als die welke voor Europese
investeringen in Japan gelden. Tot slot sluit het Comité
zich aan bij de door het Europees Parlement gefor-
muleerde aanbevelingen.
Betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en de
Verenigde Staten
16. De Gemeenschap en de Verenigde Staten moeten
zich bij het nemen van interne of externe beleidsmaatre-
gelen voortdurend laten leiden door het beginsel van
wederzijdse verantwoordelijkheid. De Verenigde Staten
hebben zich pas in de loop van de afgelopen jaren in
toenemende mate in de internationale economie geïn-
tegreerd. Terwijl de economische activiteiten in het
buitenland de Amerikaanse economie in haar geheel
steeds meer beïnvloeden, hebben de Verenigde Staten
Nr. C 328/32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 22. 12. 86
daaruit nog niet voldoende de conclusie getrokken dat
zij bij hun binnenlandse economische maatregelen ook
met de gevolgen daarvan voor andere volkshuis-
houdingen rekening dienen te houden. Vooral in de
betrekkingen Europese Gemeenschap-Verenigde Staten
doen zich veel spanningen voor doordat de internatio-
nale samenhangen in het Amerikaanse interne economi-
sche beleid veronachtzaamd worden. Zo is lange tijd
geen aandacht geschonken aan het causale verband
tussen „begrotingstekort — kapitaalinvoer — dol-
larkoers — verzwakking van het Amerikaanse concur-
rentievermogen".
17. Momenteel proberen de Verenigde Staten hun
problemen op het vlak van de handelspolitiek op te
lossen door de dollar te laten depreciëren. De groeiende
concurrentie, niet alleen uit de industrielanden, maar
ook uit de opkomende industrielanden op de Ameri-
kaanse markten, heeft tot een golf van protectionisme
in de Verenigde Staten geleid. De Amerikaanse Regering
heeft tot nog toe vrij goed weerstand weten te bieden
aan de protectionistische druk in de vorm van hon-
derden bij het Congres ingediende wetsontwerpen en
van talrijke verzoeken om maatregelen ter bescherming
van de invoe*r, ingediend door bedrijven of belangenor-
ganisaties, op grond van de geldende handelswetgeving.
Zo heeft zij zich in haar handelspolitiek beginselvast
weten te tonen: zij is gekant tegen invoerbeperkingen,
bevordert openstelling van de markten voor de Ameri-
kaanse uitvoer en neemt slechts vergeldingsmaatregelen
wanneer de regeringen van de partnerlanden blijk geven
van kwade wil.
18. Indachtig dit beginsel hebben de Verenigde
Staten eind 1985 een lijst voorgelegd van handels-
restricties die zij in hun uitvoer als ernstig belemmerend
ervaren. Daarbij gaat het om 33 afzonderlijke landen
— met Japan als duidelijke lijstaanvoerder — en om
de Europese Gemeenschap als groep. De Europese Ge-
meenschap heeft daarop geantwoord met een ,,te-
genlijst" met oneerlijke handelspraktijken van de Ver-
enigde Staten. Naar de mening van het Comité worden
de problemen daardoor doorzichtiger en kan aan de
hand hiervan gepoogd worden, oplossingen voor ieder
afzonderlijk geval te vinden.
19. Nu de internationale landbouwmarkt inkrimpt,
vertegenwoordigen de groeiende produktieoverschotten
van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten,
op een moment waarop de produktie van de ontwik-
kelingslanden ook stijgt, in toenemende mate een
storende factor in de internationale handel en wordt
het gevaar van een handelsoorlog tussen de Verenigde
Staten en de Europese Gemeenschap — zowel om de
eigen markt als om de markten van derde landen —
steeds groter.
20. De in de vorige paragraaf behandelde problemen
hangen nauw samen met het conflict dat in verband
met de uitbreiding van de Gemeenschap met Spanje en •
Portugal is gerezen. De Amerikanen beseften heel goed
dat de toetreding van het Iberisch schiereiland tot de
Europese Gemeenschap gevolgen zou hebben voor de
invoerregelingen in de betrokken landen met betrekking
tot landbouwprodukten. De verlaging van de Spaanse
douanetarieven tot het niveau van het GDT (gemeen-
schappelijk douanetarief) vergemakkelijkt overigens de
Amerikaanse uitvoer van industrieprodukten. Dank zij
het ter zake onlangs tussen de Commissie en de Ameri-
kaanse Regering bereikte voorlopige akkoord zou dit
probleem nu in onderling overleg en definitief uit de
wereld kunnen worden geholpen. Niettemin blijft vol-
gens het Comité het fundamentele probleem, namelijk
dat in GATT-verband oplossingen gevonden moeten
worden voor de gevolgen van een uitbreiding van een
douane-unie, onopgelost.
21. Een ander fundamenteel gebied waarop zich een
probleem in de betrekkingen tussen de Europese Ge-
meenschap en de Verenigde Staten voordoet, betreft de
beperkingen op de overdracht van technologie. Steeds
meer nieuwe technologieën (micro-elektronica, infor-
matica, automatisering, biotechnologie, lucht- en ruim-
tevaart en telecommunicatie) zijn zowel voor civiele als
voor militaire doeleinden bruikbaar. Dientengevolge
kan vanuit Amerikaans oogpunt militaire technologie
alleen beschermd worden door strengere controle op
civiele technologie. In de praktijk wordt vooral de Eu-
ropese Gemeenschap bij uitvoer naar het Oostblok door
de Amerikaanse pogingen tot embargomaatregelen ge-
troffen. De Verenigde Staten maken er met deze voor-
schriften op ongerechtvaardigde wijze aanspraak op dat
hun wetgeving ook buiten de Verenigde Staten geldt.
Omdat ook alle onderdelen en technologieën van
Amerikaanse oorsprong daaronder vallen, is het goed
mogelijk dat hierdoor belangrijke Europese transacties
met Oostbloklanden spaak lopen. Het Comité is van
mening dat de Verenigde Staten de desbetreffende voor-
schriften moeten herzien.
22. Ten aanzien van de invoer van bepaalde in-
dustrieprodukten (actueel voorbeeld: gereedschaps-
machines) motiveren de Verenigde Staten hun verzoek
om zelfbeperking met het argument dat de nationale
veiligheid in geding zou komen als men zich van derge-
lijke invoer afhankelijk zou maken. Het Comité waar-
schuwt er uitdrukkelijk voor, de bedreiging van de
nationale veiligheid niet als argument voor de invoering
van handelsbeperkingen te gebruiken.
23. Het in mei 1986 door het Amerikaanse Huis van
Afgevaardigden goedgekeurde wetsontwerp (Omnibus
Trade-Bill) kan negatieve gevolgen hebben voor de we-
reldhandel. Deze wet zou door het Amerikaanse be-
drijfsleven gebruikt kunnen worden als instrument
waarmee het zich tegen bijna alle invoer kan be-
schermen; de Regering-Reagan heeft zich hier uit-
drukkelijk tegen gekant. Indien deze wet, zelfs in gema-
tigde vorm, door de Senaat zou worden goedgekeurd,
dient de Gemeenschap zich hiertegen energiek te verzet-
ten en maatregelen te nemen om haar handelsbelangen
veilig te stellen.
24. Tal van leden van het Amerikaanse Congres
staan niet zo positief tegenover de GATT-overeen-
komst, welke door hen als een instrument wordt be-
schouwd dat niet geschikt is om de „legitieme rechten"
van het land te beschermen. Er is te verstaan gegeven dat
de komende multilaterale handelsbesprekingen concrete
steun moeten opleveren voor de Verenigde Staten, die
op deze wijze hun handelstekort willen wegwerken. Het
Comité wijst er echter op dat de wereldhandel gebaseerd
is op het wederkerigheidsbeginsel wanneer het gaat om
openstelling van markten. Verdergaande liberalisering
mag niet tot doel hebben de handelsproblemen van
slechts één partner op te lossen.
25. De betrekkingen tussen de Gemeenschap en de
Verenigde Staten zouden wel eens slechter kunnen wor-
22. 12. 86 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 328/33
den door de opeenhoping van sectoriële problemen. Het
gaat hierbij vooral om de landbouwsector, maar ook
om de metaalnijverheid en de staalindustrie, hoogwaar-
dige technologische prodükten, machinewerktuigen
enz. Het Amerikaanse Congres geeft aan de regels van
de internationale handel dikwijls een uitleg die bepaald
wordt door nationale korte-termijnbelangen; de Ver-
enigde Staten zouden er juist belang bij hebben om de
problemen in samenwerking met de Gemeenschap tot
een oplossing te brengen. Indien beide partijen in een
rechtstreekse dialoog daarin niet slagen, dan zouden
zij de problematiek aan een neutrale instantie moeten
voorleggen. In GATT-verband bestaan daarvoor
speciale mechanismen. De twee handelspartners zouden
er echter naar moeten streven om de arbitrageprocedure
doeltreffender te maken.
26. Gezien de instabiliteit in de wereld en de onder-
linge economische afhankelijkheid en gezamenlijke be-
langen van de Verenigde Staten en de Gemeenschap
zijn beide aangewezen op een dialoog en samenwerking
in een sfeer van onderling vertrouwen, zowel op het
gebied van de handelspolitiek als op het gebied van de
monetaire en economische politiek.
Conclusies
27. Wegens de toenemende onevenwichtigheid in de
handelsbetrekkingen tussen de Gemeenschap en Japan,
alsook tussen de Verenigde Staten en Japan, zou laatst-
genoemd land meer verantwoordelijkheid op zich moe-
ten nemen voor de wereldeconomie en voor het inter-
nationale handelsverkeer in zijn geheel, en op nationaal
niveau adequate economische en monetaire be-
leidsmaatregelen moeten treffen om aan deze on-
evenwichtigheid een einde te maken, dit om te voorko-
men dat de handelspartners tot vergeldingsmaatregelen
overgaan. De Japanse volkshuishouding zou zich in
feite meer moeten integreren in de wereldeconomie wat
de invoer van industrieprodukten, diensten en bepaalde
grondstoffen én de handel in technologie en kapitaal
betreft. (Wanneer het dienstenverkeer ook bij de
GATT-onderhandelingen wordt betrokken, dan zou er
grotere druk op Japan moeten worden uitgeoefend om
te bereiken dat dit land zijn markten, bij voorbeeld in
de sector banken en verzekeringen, openstelt.)
28. Ieder land moet oog hebben voor de consequen-
ties die zijn interne maatregelen kunnen hebben voor
zijn buitenlandse betrekkingen. Dit geldt vooral voor
het landbouwbeleid, maar ook voor de begrotings-
politiek, het regionale beleid, het kredietbeleid en de
industriepolitiek. De Verenigde Staten, Japan en de
Gedaan te Brussel, 18 september 1986.
Europese Gemeenschap moeten zich gezamenlijk be-
wust worden van de verantwoordelijkheid die hun in
verband met hun economische kracht toekomt voor het
goed functioneren van het geldstelsel en het internatio-
nale handelsverkeer en voor de wereldwijde economi-
sche groei. Volgens het Comité zijn de tot dusver op
dit gebied bereikte resultaten nogal teleurstellend.
29. Alle deelnemers aan de internationale handel
hebben er belang bij om de GATT-rechtsregels te be-
houden en zelfs uit te bouwen om te voorkomen dat
nieuwe belemmeringen ontstaan of dat eenzijdige of
bilaterale „oplossingen" worden nagestreefd. In dat
verband mogen de tussen de Verenigde Staten en Japan
gesloten liberaliseringsovereenkomsten of zelfbeper-
kingsakkoorden in bepaalde sectoren (halfgeleiders, te-
lecommunicatie, medische apparatuur, farmaceutische
en elektronische prodükten) niet in het nadeel van de
Gemeenschap uitvallen. Bilaterale handelsakkoorden,
van welke aard dan ook, hebben namelijk de eigenschap
dat zij het handelsverkeer vervalsen ten nadele van de
derde landen die geen verdragsluitende partijen zijn.
30. Doordat in het internationale handelsverkeer aan
bilateralisme wordt gedaan en sectoriële overwegingen
een rol spelen, komen het multilateralisme en het begrip
„meestbegunstigde natie", die de pijlers vormen van
een internationale handel die welvaart brengt, op de
tocht te staan. Ook al wordt hieraan in de internationale
akkoorden tot nog toe niet gerefereerd („grijze zone"),
toch is een dergelijke handelwijze in strijd met een
internationale arbeidsverdeling die strookt met het be-
grip „meest geschikte plaats van produktie".
31. Volgens het Comité mag de Gemeenschap niet
langer dralen met de tenuitvoerlegging van de in het
Verdrag geplande handelspolitiek.
32. De Gemeenschap zou met haar partners ini-
tiatieven moeten ontplooien om tot een functioneler en
doeltreffender monetair stelsel in de wereld te komen.
33. Het Comité wijst opnieuw met klem op de wen-
selijkheid om tussen de Gemeenschap, de Verenigde
Staten en Japan overlegprocedures op alle niveaus in te
stellen, ook op het niveau van de beroepsorganisaties en
de sociale gesprekspartners. Het Economisch en Sociaal
Comité zou zelf de nodige initiatieven op dit gebied
moeten nemen. Bij het overleg in dit verband zou uiter-
aard niet alleen rekening moeten worden gehouden met
de — overbekende — belangen van de drie partners,
maar tevens met die van de andere handelspartners en
van de ontwikkelingslanden, waarvoor de Gemeen-
schap, met name voor de landen in het Middellandse-
Zeebekken en de ACS-landen, een bijzondere verant-
woordelijkheid draagt.
De Voorzitter
van het Economisch en Sociaal Comité
Gerd MUHR
Full & Egal Universal Law Academy