26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/1
II
(Voorbereidende besluiten)
COMMISSIE
PROGRAMMA „EUROPA TEGEN KANKER"
Voorstel voor een actieplan 1987—1989
met inbegrip van een ontwerp-voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de voorlichting van
het grote publiek en de kankeropleiding van de gezondheidswerkers
COM(86) 717 def.
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 17 december 1986)
(87/C 50/01)
OPMERKING VOORAF
In juni en december 1985 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de twaalf landen van de
Europese Gemeenschap in respectievelijk Milaan en Luxemburg „het belang van een Europees
kankerbestrijdingsprogramma" benadrukt, opdat Europa niet alleen een noodzakelijke bijdrage tot
de strijd tegen deze gevreesde ziekte levert, maar ook een nieuwe dimensie aanneemt, die beter aansluit
bij wat er in de burger omgaat.
Om dit besluit van de Europese Raad ten uitvoer te leggen werd, ter voorbereiding van een voorstel
voor een programma „Europa tegen kanker", in januari 1986 onder auspiciën van de Commissie een
comité van vooraanstaande kankerdeskundigen ingesteld ('). Onderstaande voorstellen hebben
betrekking op de eerste drie jaar van het programma. Zij zijn grotendeels gebaseerd op de conclusies
van bovengenoemd comité, dat - het zij met nadruk vermeld - zich met grote ijver heeft ingezet en
werk van uitstekende kwaliteit heeft geleverd.
Bovendien hebben de studies en de onderzoeken die door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) en
het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IAK) zijn uitgevoerd of nog worden verricht,
een belangrijke bijdrage geleverd tot dit werk.
Het voorgestelde actieplan 1987—1989 heeft betrekking op onderstaande drie gebieden:
— kankerpreventie: op 7 juli 1986 hebben de Raad en de regeringsvertegenwoordigers van de
Lid-Staten een resolutie aangenomen waarin de hoofdlijnen van het preventieve gedeelte van: het
Europese programma inzake de strijd tegen kanker zijn vastgelegd (2). De onderhavige mededeling
vormt een aanvulling op dit programma en stelt een dertigtal communautaire acties vast;
— voorlichting en gezondheidseducatie van de bevolking en kankeropleiding voor de gezondheids-
werkers; voor dit onderdeel is een ontwerp-besluit van de Raad aan deze mededeling gehecht;
0) Het comité bestaat uit prof. C. de Duve, plaatsvervanger: prof. Boon (België), prof. C. Schmidt (Duitsland),
prof. E. Grundmann (Duitsland), Dr. O. Moeller Jensen (Denemarken), prof. J. Estape (Spanje), prof. M.
Tubiana (Frankrijk), dr. S. Vassilaros (Griekenland), dr. M. Moriarty (Ierland) prof. U. Veronesi (Italië),
prof. M. Dicato (Luxemburg), dr. R. Kroes (Nederland), prof. J. Conde (Portugal), en prof. N. Bleehen
(Verenigd Koninkrijk).
(2) PB nr. C 184 van 23. 7. 1986, blz. 19.
Nr. C 50/2 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
— kankeronderzoek: in november 1986 heeft de Europese Commissie een ontwerp-verordening (*)
inzake een vierde programma voor de coördinatie van het medisch onderzoek (1987—1989) aan
de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen toegezonden. In de onderhavige
mededeling wordt het aspect van het kankeronderzoek nader toegelicht en uitgewerkt.
Sommige voorgestelde acties vallen rechtstreeks onder de beheersbevoegdheid van de Commissie.
Deze zullen als zodanig ten uitvoer worden gelegd en met de meeste zal begin 1987 worden
aangevangen. Andere in het programma vermelde acties zijn voorstellen die de Commissie in de
periode 1987—1989 voor raadpleging aan het Europese Parlement en voor goedkeuring aan de Raad
van de Europese Gemeenschappen zal voorleggen. Deze voorstellen kunnen derhalve in een later
stadium nog worden gewijzigd.
(>) COM(86) 549 def. van 29. 10. 1986.
26 . 2 . 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 5 0 / 3
INHOUDSOPGAVE EN SAMENVATTING
Algemene inleiding 6
HOOFDSTUK 1: PREVENTIE VAN KANKER 8
I. STRIJD TEGEN HET ROKEN
Voorgestelde actie 1 (a): Opwaartse bijstelling van de op in Europa vervaardigde tabaksprodukten geheven
accijnzen 11
Voorgestelde actie 2: Financiering van nationale kankerpreventieacties met de verhoging van de accijnzen op
tabaksprodukten 12
Actie 3 (2): Publikatie van prijsindexcijfers, zonder tabak, door het Bureau voor de Statistiek der Europese
Gemeenschappen 12
Voorgestelde actie 4: Harmonisatie van de etikettering van sigaretten in de Europese Gemeenschap . . . 12
Voorgestelde actie 5: Verbod op sigaretten met een hoog teergehalte 12
Voorgestelde actie 6: Harmonisatie van de normen voor de meting van bestanddelen in tabaksrook . . . 12
Voorgestelde actie 7: Verbod op belastingvrije tabaksverkoop in de Europese Gemeenschap 13
Voorgestelde actie 8: Bescherming van kinderen tegen tabaksverkoop 13
Voorgestelde actie 9: Vermindering van de tabaksproduktie, heroriëntatie op minder toxische soorten en
onderzoek van de mogelijkheden van omschakeling 13
Voorgestelde actie 10: Anti-rookcampagne ter voorlichting en sensibilisering van de bevolking 14
Voorgestelde actie 11: Studie van de nationale voorschriften en uitwerking van voorstellen ter communau-
taire reglementering van het roken in openbare gelegenheden 14
Voorgestelde actie 12: Studie van de nationale voorschriften en uitwerking van voorstellen voor een
communautaire reglementering inzake de beperking van de tabaksreclame 14
Actie 13: Vergelijkende analyse van campagnes om rokers van hun gewoonte af te helpen 14
Actie 14: Uitwisseling van informatie over de strijd tegen het roken 14
II. VERBETERING VAN DE VOEDING
Actie 15: Analyse van bestaande informatie en gegevens inzake „voeding en kanker" 18
Actie 16: Ontwikkeling van aan alle betrokken categorieën van deelnemers aangepaste aanbevelingen inzake
voeding met het oog op de kankerbestrijding 18
Voorgestelde actie 17: Harmonisatie van de etikettering van levensmiddelen in de Europese Gemeen-
schap 18
Voorgestelde actie 18: Bescherming van de consumenten tegen bepaalde stoffen in levensmiddelen . . . . 18
Actie 19: Verbetering van de bestaande voorlichtingscampagnes inzake voeding 19
Actie 20: Starten van voorlichtingscampagnes ter aanbeveling van bepaalde levensmiddelen 19
Voorgestelde actie 21: Bevordering van de meest geschikte levensmiddelen en technieken 19
Actie 22: Evaluatie van de proefprojecten inzake voeding 19
Actie 23: Uitwisseling van gegevens over „voeding en kanker" 19
III. BESCHERMING TEGEN CARCINOGENE AGENTIA
Voorgestelde actie 24: Bescherming tegen ioniserende straling en follow-up van Tsjernobyl 27
Actie 25: Inrichten van een waarnemingspost en opstellen van een lijst van vermoedelijk carcinogene
chemische stoffen 27
Actie 26: Versneld tempo van de werkzaamheden op communautair niveau en instelling van een speciale
groep voor de indeling en etikettering van „carcinogene stoffen" 27
Voorgestelde actie 27: Goedkeuring van bij de Raad in behandeling zijnde richtlijnen ter bescherming van de
werknemers 29
Voorgestelde actie 28: Nieuwe richtlijnen inzake de bescherming van werknemers tegen carcinogene
stoffen 29
Voorgestelde actie 29: Verbetering van de praktische organisatie van de preventie van beroepskanker in de
onderneming, met inbegrip van voorlichting van werkgevers en werknemers 29
Voorgestelde actie 30: Nieuwe maatregelen ter bescherming van het grote publiek tegen carcinogene
stoffen 30
(a) De door de Commissie uitgewerkte voorgestelde acties zullen in de periode van 1987 tot 1989 voor advies aan
het Europese Parlement en ter goedkeuring aan de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschap worden
voorgelegd.
(2) De aangekondigde acties zullen door de Commissie in het kader van haar beheersbevoegdheden, meestal vanaf
1987, worden uitgevoerd.
Nr. C 50/4 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
IV. SYSTEMATISCHE SCREENING EN VROEGTIJDIGE DIAGNOSE
Actie 31: Bevordering van een beleid van systematische screening en vroegtijdige opsporing van
baarmoederhals- en borstkanker 31
Actie 32: Evaluatie en verbetering van het beleid van systematische screening en vroegtijdige opsporing van
andere veelvuldig voorkomende vormen van kanker 32
V. DE EUROPESE CODE VOOR KANKERPREVENTIE
Actie 33: Omzetting in gewone taal van de „Europese code voor kankerpreventie" 33
HOOFDSTUK 2: VOORLICHTING EN GEZONDHEIDSEDUCATIE INZAKE KANKER 33
I. VOORLICHTING VAN HET GROTE PUBLIEK
Actie 34: Opstelling van een Europese lijst van particuliere kankerbestrijdingsorganisaties 34
Actie 35: Vergelijkend overzicht van particuliere of overheidscampagnes inzake kankerpreventie 35
A. In 1987 geplande acties:
Actie 36: Sensibilisatie van de media voor de kankerpreventie en voor het programma „Europa tegen
kanker" 35
Actie 37: Een „Eurobarometer" over de houding van de Europeanen ten opzichte van kanker en de
preventie ervan 35
Actie 38: Bijdrage aan de financiering van populair-wetenschappelijke televisie-uitzendingen over
kankerpreventie 36
Actie 39: Verspreiding van de „Europese code voor kankerpreventie" ter gelegenheid van culturele en
sportmanifestaties onder auspiciën van de Europese Gemeenschappen 36
Actie 40: Manifestatie ter afsluiting van het eerste jaar van het programma „Europa tegen kanker" 36
Actie 41: Voorbereiding van in 1989, het „Europese Kankervoorlichtingsjaar", te voeren acties . . . 37
B. Voor 1988 voorgestelde acties:
Voorgestelde actie 42: Organisatie van een „Europese kankerpreventieweek" als test voor de in 1989,
het „Europese Kankervoorlichtingsjaar", te houden campagne 37
Voorgestelde actie 43: Uitbreiding in 1988 van de in 1987 gevoerde voorlichtings- en sensibilise-
ringsacties inzake kankerpreventie 37
C. Voor 1989 voorgestelde acties:
Voorgestelde actie 44: Sensibilisering van docenten en gezondheidswerkers voor de verspreiding van de
„Europese gulden regels voor kankerpreventie" 38
Voorgestelde actie 45: Organisatie in 1989 van een populair-wetenschappelijke campagne in de
verschillende media: „De twaalf dagen van de Twaalf tegen kanker" 38
Voorgestelde actie 46: Uitbreiding in 1989 van de in 1987 en 1988 gevoerde voorlichtings- en
sensibiliseringsacties ter bestrijding van kanker 38
II. GEZONDHEIDSEDUCATIE
Actie 47: Opstelling van een vergelijkend overzicht van de programma's gezondheidseducatie op de scholen
in Europa 39
Voorgestelde actie 48: Uitwerking van voorstellen ter verbetering van de programma's voor gezond-
heidseducatie op de scholen 39
Voorgestelde actie 49: Beschikbaarstelling van pedagogisch materiaal op het gebied van gezondheidsedu-
catie 39
Voorgestelde actie 50: Bijdrage tot de financiering van televisie-uitzendingen op het gebied van de
gezondheidseducatie inzake preventie en behandeling van kanker 39
HOOFDSTUK 3: OPLEIDING VAN GEZONDHEIDSWERKERS 39
Actie 51: Vergelijkende studie van de universitaire opleidingsstelsels voor gezondheidswerkers 42
Voorgestelde actie 52: Formulering van voorstellen ter verbetering van de organisatie van opleidingen op het
gebied van kanker 43
Actie 53: Stimulering van de mobiliteit van medische studenten en leerling-verpleegkundigen 43
Voorgestelde actie 54: Gezamenlijke ontwikkeling en tests van pedagogisch materiaal aan de medische
faculteiten gedurende het „Europese Kankervoorlichtingsjaar" 44
Actie 55: Uitwisseling van ervaring op het gebied van permanente opleiding 44
Voorgestelde actie 56: Gezamenlijke ontwikkeling van software voor medische deskundigensystemen . . 44
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/5
HOOFDSTUK 4: KANKERONDERZOEK 44
Voorgestelde actie 57: Toekenning van Europese beurzen ter bevordering van de mobiliteit van
kankeronderzoekers 46
I. ONDERZOEK TER VERBETERING VAN DE PREVENTIE,
DE SCREENING EN DE OPSPORING VAN KANKER
A. Verbetering van de informatiesystemen over frequentie en aard van de verschillende vormen van
kanker 46
Actie 58: Vergelijkend overzicht van de bestaande kankerregisters en aanbevelingen over de wenselijke
minimuminhoud en de toegangsvoorwaarden ervan 46
B. Epidemiologisch onderzoek ter verbetering van de preventie 47
Voorgestelde actie 59: Starten van een Europese coördinatie op het gebied van medisch onderzoek
inzake voeding en kanker 47
Voorgestelde actie 60: Versterking van het Europese onderzoek inzake beroepskanker 47
Actie 61: Voortzetting van de medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek naar de
preventie van door straling geïnduceerde kanker 48
Actie 62: Voortzetting van de medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek naar
carcinogene factoren van het milieu 48
Voorgestelde actie 63: Starten van een Europese coördinatie van medisch onderzoek over het onderwerp
kanker en voortplanting 48
Voorgestelde actie 64: Starten van een Europese coördinatie van medisch onderzoek naar passief
roken 48
C. Onderzoekingen ter verbetering van de screening en de diagnose 49
Voorgestelde actie 65: Voortzetting van de Europese coördinatie van medisch onderzoek over de
geautomatiseerde analyse van weefsels 49
Voorgestelde actie 66: Voortzetting van de Europese coördinatie van het onderzoek inzake het
„zichtbaar kunnen maken" in de medische wetenschap 49
II. ONDERZOEK INZAKE DE THERAPIE VAN KANKER
Voorgestelde actie 67: Versterking van de Europese coördinatie van het medisch onderzoek op het gebied
van multicentrale controle van therapeutische proeven 50
Actie 68: Medefinanciering van een Europees net van databanken inzake celculturen die monoclone
anti-lichamen produceren 51
Actie 69: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek inzake de genetische en de
proteïne-engineering voor de produktie van anti-kankergeneesmiddelen 52
Voorgestelde actie 70: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek naar het „richten"
van anti-kankergeneesmiddelen 52
Actie 71: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek inzake de farmacologie van
anti-tumorstoffen 52
Voorgestelde actie 72: Harmonisatie van de testnormen van anti-kankergeneesmiddelen 53
III. FUNDAMENTEEL ONDERZOEK INZAKE KANKER
Voorgestelde actie 73: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek over het
genenpatroon en de menselijke oncogenen 54
Voorgestelde actie 74: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek inzake nucleïne-
zuursondes : 54
CONCLUSIE
Actie 75: Regelmatige evaluatie van het actieplan 1987—1989 met medewerking van het Comité van
Europese kankerdeskundigen en opstelling van een algemeen overzicht in 1989 55
Ontwerp-voorstel voor een besluit van de Raad 56
Nr. C 50/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
ALGEMENE INLEIDING
Kanker is vermoedelijk zo oud als de mens (de onderkaak van Kanam, die ongeveer een half miljoen
jaar oud is, vertoont er al sporen van (]), en komt voor in tal van vormen (er zijn verscheidene
honderden soorten bekend). In onze ontwikkelde maatschappijen is deze ziekte wijdverbreid (één op
de vier Europeanen heeft kanker gehad, heeft of krijgt het nog). Kanker wordt nog steeds als een
raadselachtige ziekte ervaren, gekenmerkt door de verstoring van bepaalde cellen en hun wildgroei
welke, hoewel nog steeds niet geheel opgehelderd, steeds beter bekend wordt. Als de toename van de
laatste jaren blijft aanhouden, zal een derde van alle in het jaar 2 000 levende Europeanen op een of
ander ogenblik in hun leven kanker krijgen.
De situatie is wel zorgwekkend, maar mag niet tot angstpsychose leiden. Het is duidelijk dat de stijging
van het aantal gevallen van kanker moet worden toegeschreven aan de langere gemiddelde levensduur,
aangezien oudere mensen veel vaker kanker krijgen. Overigens is kanker, na hart- en vaatziekten,
slechts de tweede doodsoorzaak bij de mens.
Evenals de infectieziekten in vorige eeuwen is kanker desondanks in onze tijd de meest gevreesde
ziekte, waarschijnlijk omdat genezing nog te dikwijls met verminking of met ongewenste nevenef-
fecten gepaard gaat en vermoedelijk ook omdat bepaalde vormen van kanker, tot de recente
ontdekking van doeltreffende pijnstillers, langdurig en ondraaglijk lijden veroorzaakten.
Wij behoeven kanker echter niet meer gelaten te aanvaarden. Het staat vast dat preventie het aantal
gevallen kan verminderen en dat de behandeling dank zij therapeutisch onderzoek kan worden
verbeterd. De huidige stand van onze middelen maakt een lange overlevingsperiode, zoniet volledige
genezing, in bijna 50% van de gevallen mogelijk, terwijl in 1950 nauwelijks een kwart van de
patiënten werd genezen (2). Bovendien kan kanker dikwijls worden vermeden, zoals blijkt uit het
aanzienlijke succes dat sommige landen boeken in de strijd tegen drie veel voorkomende vormen van
kanker.
De spectaculaire daling van het aantal gevallen van maagkanker in de ontwikkelde landen kan dan
ook waarschijnlijk toegeschreven worden aan gezondere voeding, waarin geen microbenwoekeringen
meer voorkomen dank zij het gebruik van koelkasten en ongetwijfeld ook dank zij het gebruik van
anti-oxidatiemiddelen in levensmiddelen. De daling van het aantal gevallen van baarmoederhalskan-
ker, een ziekte waarvan meer en meer wordt vermoed dat zij sexueel wordt overgedragen, kan
vermoedelijk worden toegeschreven aan een regelmatigere gynaecologische controle en een betere
hygiëne zowel bij mannen als bij vrouwen. Tenslotte neemt men in landen als de Verenigde Staten en
het Verenigd Koninkrijk thans een daling van het aantal gevallen van longkanker waar; in deze landen
is men eerder met anti-rookcampagnes begonnen dan elders.
Dank zij betere preventie en doelmatiger behandeling hoopt men in Europa dat het percentage
sterfgevallen ten gevolge van kanker en het aantal kankerpatiënten nog veel verder zal dalen.
De strijd tegen kanker gaat iedereen op ieder niveau aan. De Europese landbouw en industrie kunnen
een bijdrage leveren door hun voorschriften en technieken te harmoniseren zodat het dagelijkse
leefmilieu van de Europeanen wordt verbeterd en vele kankerveroorzakende factoren worden
uitgeschakeld. De Europese research en technologie kunnen de doeltreffendheid van particuliere en
openbare onderzoekinspanningen stimuleren, door efficiëntere coördinatie van de menselijke en
financiële hulpmiddelen.
(*) Nationaal museum voor natuurlijke historie, Origine et l'évolution de l'homme, Parijs 1984.
(2) Tubiana M., Le Cancer, Presses Universitaires de France, Paris 1985.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/7
Evolutie van het aantal nieuwe gevallen van kanker in Denemarken 1943—1980
(bij gelijke leeftijd en per 100 000 inwoners)
MANNEN
100.0.
10.0 .
1.0.
0.1
Longen
Prostaat
Dikke darm
Endeldarm
a- r"
- Alvleesklier
_.—•-"""• Testes
•-•"•" .-Melanoom
r---*^*' Strottehoofd
*~~ ~ Lippen
- ; "->..• Leukemie
' ' " ' Slokdarm
Keel
1945 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980
VROUWEN
100.0 _,
10.0 _ -
1.0 _
0.1
Borst
Baarmoederhals
'Tv—»— Dikke darm
_ ^ Baarmoeder
.»**"*" Eierstokken
Endeldarm
Melanoom
Alvleesklier
Leukemie
• Slokdarm
Keel
_.-- Lippen
1 1 1 1 1 1 1
1945 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980
Bron: Ole Moeller Jensen et Ali. „Cancer Registration in Denmark" — National Institute Monograph No 65 —
blz. 2 4 5 - 2 5 1 .
Opmerking: Het in 1942 in Denemarken ingestelde kankerregister is in Europa het oudste in zijn soort. Daarmee
kan de evolutie op lange termijn van het aantal gevallen van kanker worden vastgesteld.
Nr. C 50/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
HOOFDSTUK 1
PREVENTIE VAN KANKER
(inclusief vroegtijdige opsporing)
Al heel lang hebben intelligente waarnemers gemerkt dat er verband bestaat tussen bepaalde vormen
van kanker en de leefwijze en arbeidsomstandigheden van de patiënten. De scherpzinnigste van hen
was ongetwijfeld de Engelse arts Percival Pott. Reeds in 1775 heeft deze de aandacht van zijn collega's
gevestigd op de rol die roet waarschijnlijk speelde bij kanker van het scrotum, waaraan
fabrieksschoorsteenvegers dikwijls leden. Zijn constatering werd twee eeuwen later - in 1915 -
bevestigd toen de Japanse artsen Yamigiwa en Itsjikawa kankergezwellen veroorzaakten op
konijneoren welke regelmatig met teer ingesmeerd waren.
Een van de grote vorderingen in de geneeskunde in de twintigste eeuw is geweest, dat men vastgesteld
heeft dat leefwijze, arbeidsomstandigheden en milieu van invloed zijn op het voorkomen van kanker.
Epidemiologisch onderzoek heeft hierbij een beslissende rol gespeeld. Uit onderzoek bij Amerikaanse
religieuze sekten die het gebruik van tabak en alcohol verbieden (Mormonen, Zevendedags Adventis-
ten), blijkt dat de frequentie van alle vormen van kanker daar 50% lager ligt dan bij andere
Amerikanen van dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht en met dezelfde beroepen, die dergelijke
voorschriften niet naleven. Uit ander onderzoek onder migranten konden ook belangrijke conclusies
worden getrokken. De frequentie van maagkanker, die in Japan zeer veel voorkomt, daalt bij
voorbeeld in de 15 jaar na de emigratie van Japanners naar de Verenigde Staten. Dezelfde Japanners
worden dan echter even vatbaar voor kanker aan de dikke en de endeldarm als de Amerikanen zelf.
Deze geografische verschillen in de frequentie van de diverse vormen van kanker en deze
vatbaarheidsverschillen naar gelang van de leefwijze hebben tot de veronderstelling geleid dat in de
meeste gevallen kanker bij de mens veroorzaakt wordt door externe factoren.
In verscheidene studies is getracht het relatieve belang van de verschillende risicofactoren te
kwantificeren. Over het geheel ontlopen de conclusies van de verschillende auteurs elkaar niet veel. In
hun rapport van 1981 over de „oorzaken van kanker" in de Verenigde Staten komen de Britse
epidemiologen Richard Doll en Richard Peto (J), die in de hele wereld als autoriteiten gelden, tot de
conclusie dat meer dan 75 % van de sterfgevallen door kanker verband houden met externe factoren
(zie tabel 1). In sommige gevallen, zoals roken, zijn hun conclusies gewoon ondubbelzinnig. Voor
andere factoren, zoals voeding, zijn zij nog niet helemaal zeker en moet er nog aanvullend onderzoek
worden verricht. Deze bevindingen zijn op de Verenigde Staten gebaseerd en hebben voor de Europese
landen slechts indicatieve waarde. Maar zij vormen een eerste benadering, behalve misschien ten
aanzien van de rol van alcohol, die veel belangrijker is in landen zoals Frankrijk, waar die
verantwoordelijk is voor meer dan 10% van alle kankergevallen met dodelijke afloop.
Uit het bovenstaande blijkt zonneklaar dat kanker dikwijls kan worden voorkomen, mits samenleving
en burgers hun gedrag en hun wetgeving aanpassen om zoveel mogelijk profijt te trekken van de
huidige kennis inzake kankerpreventie. Volgens Europese kankerspecialisten kunnen de Europese
landen hun krachten bundelen om het sterftecijfer als gevolg van kanker tegen het jaar 2000 met 15 %
te laten dalen.
(!) R. Doll en R. Peto, The Causes of Cancer, Oxford University Press, Oxford, New York, 1981.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 5 0 / 9
Tabel 1
Indeling van de kankersterfte naar de diverse factoren in de Verenigde Staten
Factoren of categorie
van factoren
Tabak
Alcohol
Voedingsgewoonten
Additieven in levensmiddelen
Sexueel en voortplantingsgedrag
Beroep
Verontreiniging
Industrieprodukten
Geneeskunde en medische procédés
Geofysische factoren
Infecties
Percentage van alle
sterfgevallen
Beste
raming
30
3
35
1
7
4
2
1
1
3
10?
door kanker
Laagste en hoogste
raming
25 — 40
2 — 4
10 — 70
- 5 — 2
1 — 13
2 — 8
1 — 5
1 — 2
0 ,5— 3
2 — 4
1 — ?
Bron: R. Doll en R. Peto.
I. STRIJD TEGEN HET ROKEN
1. T a b a k en kanker
Pas in 1950, toen de Britse artsen R. Doll en A. B. Hill hun bevindingen publiceerden (1), begon men in
te zien dat er een duidelijk verband tussen zwaar roken en longkanker bestaat. Sedertdien zijn meer
dan veertig kankerverwekkende stoffen in tabaksrook aangetroffen, en is uit talrijke onderzoeken bij
longkankerpatiënten gebleken dat ten minste 9 0 % van deze gevallen verband houdt met roken. De
resultaten van deze epidemiologische studies zijn bevestigd en gestaafd op grond van overzichten van
regelmatige gezondheidscontroles gedurende vele jaren bij honderdduizenden mensen overal ter
wereld die aanvankelijk allen in goede gezondheid verkeerden. Z o werd ontdekt dat de frequentie van
kanker aan de luchtwegen evenredig is met het aantal per dag gerookte sigaretten: de frequentie is bij
voorbeeld twintig maal hoger bij personen die dagelijks 20 sigaretten roken, dan bij degenen die er
maar één roken (2). Bovendien komt kanker ook vaker voor in alle weefsels die met tabaksrook in
contact komen: lippen, mond , tong, strottehoofd, keelholte, s lokdarm, longen, alvleesklier, maar
ook nieren en blaas, omdat de rookresten in het bloed terechtkomen en via de urinewegen worden
uitgescheiden.
Daarentegen daalt bij personen die ophouden met roken, het bovenmatige sterftecijfer als gevolg van
longkanker geleidelijk in de loop van tien a vijftien jaar; daarna is hun levensverwachting weer gelijk
aan die van niet-rokers (3). De curven van longkankerfrequentie en tabaksgebruik verlopen t rouwens
parallel, maar twintig tot dertig jaar uit elkaar. Dit verschil komt overeen met de incubatietijd van
longkanker.
De aandacht is de laatste jaren ook gericht op de gevolgen voor de gezondheid van het onvrijwillig
inademen van tabaksrook, het „passief roken". Het begint hoe langer hoe duidelijker te worden dat
roken niet alleen schadelijk is voor de gezondheid van de roker, maar ook voor degenen die, of ze
willen of niet, moeten wonen of werken in een omgeving waar wordt gerookt. Z o telde een jaar
geleden de Journal of the American Medical Association (nummer van mei 1985) veertien
0) R. Doll en A. B. Hill, Smoking and Carcinoma of the Lung, British Medical Journal, 2, blz. 7 3 9 - 7 4 8 ,
1950.
(2) Monografie over kanker van het Internationale Agentschap voor Kankeronderzoek betreffende de evaluatie
van het door chemicaliën veroorzaakte gevaar voor kanker bij de mens: Roken van tabak. Deel 38, Lyon,
Frankrijk.
(3) R. Roemer, L'action législative contre l'épidémie mondiale de tabagisme, WGO, Genève, 1983.
Nr. C 50/10 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Verband tussen de mortaliteitsfrequentie door longkanker en het per dag gerookte aantal sigaretten in verschillende prospectieve
enquêtes
X35 T-
X30 -
Q Verenigd
/ Koninkrijk
X25
X20 -
Stijging van de
mortaliteitsfrequentie ten
gevolge van longkanker
X15
X10
X5
Rokers (mannen)
Verenigde Staten
10 20 30
Aantal per dag gerookte sigaretten
40
Bron: M. Tubiana, Le cancer, Presses Universitaires de France, Paris, 1985.
epidemiologische studies over dit onderwerp in de Verenigde Staten, Japan, de Bondsrepubliek
Duitsland, Griekenland en andere landen. Dertien daarvan komen tot de conclusie dat niet-rokers die
thuis en op het werk sigaretterook inademen, veel meer gevaar lopen om longkanker te krijgen. In zijn
toespraak tot het Internationaal Kankercongres in Boedapest in 1986 ging Sir Richard Doll zelfs zover
dat hij ongeveer een kwart tot een derde van alle gevallen van longkanker bij niet-rokers aan passief
roken weet.
Het lijdt dus geen enkele twijfel meer dat roken verreweg de meest verspreide kankerverwekker in onze
omgeving is. Alle oncologen ter wereld zijn het er derhalve over eens dat niets de kankersterfte in
Europa zo efficiënt zou doen dalen als het terugdringen van het tabaksgebruik. Bovendien zou een
hierop gerichte actie een aanzienlijke bijdrage leveren tot de vermindering van het aantal hart- en
vaatziekten.
2. In de periode 1987—1989 te voeren acties
De strijd tegen het roken wordt beslist een langdurige geschiedenis, die waarschijnlijk wel een hele
generatie duurt. Het zou een illusie zijn te denken dat het mogelijk is alle rokers over te halen meteen
met roken te stoppen. Maar de Europese Gemeenschap heeft wel een paar troeven in de hand. Het
oordeelkundig gebruik van specifieke bevoegdheden met betrekking tot de gemeenschappelijke
markt, het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de bescherming van de consumenten, kan de
tenuitvoerlegging van nationale, openbare of particuliere acties in de strijd tegen tabak tot steun zijn.
Voor alle duidelijkheid dient benadrukt te worden dat de voor de periode 1987—1989 geplande acties
heringedeeld zijn overeenkomstig de hoofdgebieden waarop de Europese Gemeenschap bevoegdhe-
den bezit. Deze acties zijn derhalve niet in volgorde van belangrijkheid geplaatst.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/11
A. Interne markt en tabak
Vóór eind 1992 zijn de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap verplicht eindelijk een echte
gemeenschappelijke markt op te richten. Dit betekent met name dat zij hun belastingstelsels moeten
harmoniseren om de controle aan de binnengrenzen, die thans nog nodig is wegens de zeer grote
verschillen tussen de belastingstelsels in Europa, te kunnen afschaffen. Een schoolvoorbeeld daarvan
is de accijns op tabaksprodukten, zoals blijkt uit tabel 2, aangezien de accijns op een gewoon pakje van
20 sigaretten uiteenloopt van 0,26 Ecü in Griekenland tot 2,76 Ecu in Denemarken.
De hoge belasting in Denemarken — een Europees, zo geen wereldrecord •— vloeit voort uit de
intrinsieke aard van het Deense belastingstelsel. Volksgezondheid en sociale zekerheid worden daar
niet gefinancierd door bijdragen voor sociale zekerheid van de lonen af te trekken, maar hoofdzakelijk
door directe en indirecte belastingen.
Takel 2
De kleinhandelsprijs van en accijns op de in ieder land meest gerookte pakjes van 20 sigaretten in april 1986
(in ECU)
Kleinhandelsprijs
Accijns
Kleinhandelsprijs
Accijns
Denemarken
3,16
2,76
Italië
1,02
0,73
Ierland
2,54
1,88
Luxemburg
0,97
0,65
Verenigd
Koninkrijk
2,35
1,76
Frankrijk
0,68
0,51
Duitsland
1,77
1,30
Portugal
0,73
0,50
Neder-
1,36
0,97
Spanje
0,73
0,38
*w
1,24
0,87
Grieken-
0,43
0,26
Met het oog op de volksgezondheid moet er uiteraard voor gezorgd worden dat de harmonisatie van
accijnzen en belastingen op tabak niet leidt tot prijsdalingen in landen met de zwaarste belasting. De
belasting moet dus aan de hogere percentages worden aangepast. Op grond van dit principe moet
echter rekening worden gehouden met de grote verschillen in uitgangssituatie — een factor tien tussen
de Griekse en de Deense accijnsheffingen — en dienovereenkomstig moeten tot 1992 heel geleidelijk
veranderingen worden aangebracht om alle betrokken partijen in staat te stellen zich met behulp van
een voldoende ruime harmonisatiemarge aan te passen. Hierbij worden voorlopige uitzonderings-
clausules niet uitgesloten.
Voorgestelde actie 1: Opwaartse bijstelling van de op in Europa vervaardigde tabaksprodukten
geheven accijnzen
Vóór 1 april 1987 zal de Commissie bij de Raad voorstellen voor communautaire richtlijnen indienen
die vóór eind 1987 dienen te worden goedgekeurd, te weten betreffende de gemeenschappelijke
marges voor de voornaamste accijnzen en de belasting over de toegevoegde waarde, waaronder die
betreffende tabaksprodukten.
Deze voorstellen hebben ten doel ervoor te zorgen dat de belastingharmonisatie voor tabak en
tabaksprodukten kan leiden tot een algemene daling van het tabaksverbruik en dus tot een verbetering
van het welzijn en de gezondheid van de Europeanen. In dit verband vraagt de Commissie de
Lid-Staten vanaf begin 1987 een aanvang te maken met de noodzakelijke aanpassingen van hun
belastingstelsel.
In de meeste Europese landen zullen deze belastingmaatregelen leiden tot een soms zeer aanzienlijke
stijging van de belastinginkomsten. De ervaringen uit het verleden hebben namelijk geleerd dat de
vraag naar sigaretten slechts in geringe mate daalt wanneer de prijzen stijgen. Uit verscheidene in het
Verenigd Koninkrijk en in andere Europese landen verrichte studies is gebleken dat een prijsverhoging
met een bepaald percentage (b. v. 10 %) gevolgd wordt door een verlaging van het tabaksverbruik met
de helft van dit percentage (in dit geval een verlaging van 5%); dit verband van 0,5 tussen de
veranderingen in verbruik en prijs is vastgesteld bij geringe prijsverhogingen.
Nr. C 50/12 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Voorgestelde actie 2: Financiering van nationale kankerpreventieacties met de verhoging van de
accijnzen op tabaksprodukten
Het ligt in het voornemen van de Commissie in 1987 voorstellen bij de Raad in te dienen, gericht op de
verbetering van de huidige situatie op het gebied van de screening en vroegtijdige opsporing van
bepaalde vormen van kanker (zie paragraaf IV). Het is duidelijk dat in de meeste landen de
financiering van deze programma's moet worden vergemakkelijkt door de accijnsverhoging die uit de
opwaartse bijstelling van de op in Europa vervaardigde tabaksprodukten geheven accijnzen
voortvloeit.
Overigens zal deze opwaartse bijstelling van de accijns gevolgen hebben voor de kleinhandelsprijs van
tabaksprodukten. Er moet natuurlijk bij de loononderhandelingen geen rekening worden gehouden
met deze verhoging. Ten einde de gevolgen van deze fiscale aanpassingen duidelijk te maken aan de
bevolking en de sociale partners, dienen de indexcijfers voor de kosten van het levensonderhoud te
worden gepubliceerd zonder dat daarin tabaksprodukten zijn verwerkt. Er kan dus bij loononder-
handelingen in de Lid-Staten gebruik worden gemaakt van deze indexcijfers.
Actie 3: Publikatie van prijsindexcijfers, zonder tabak, door het Bureau voor de Statistiek der
Europese Gemeenschappen
Met ingang van 1987 zal het Bureau voor de Statistiek der Europese Gemeenschappen regelmatig voor
elk van de twaalf landen een prijsindexcijfer publiceren waarin tabak en daarvan afgeleide produkten
niet zijn verwerkt.
Uiteraard zijn deze prijsstijgingen van tabaksprodukten slechts één element in de strijd tegen een van
de meest verspreide kankerverwekkende stoffen waarmee wij dagelijks in onze omgeving worden
geconfronteerd.
Voorgestelde actie 4: Harmonisatie van de etikettering van sigaretten in de Europese Gemeen-
schap
Vóór eind 1988 zal de Commissie de Raad voorstellen voorleggen betreffende de etikettering van
sigaretten en andere van tabak afgeleide produkten, zodat op elke verpakking duidelijk een medische
waarschuwing en nauwkeurige gegevens over de samenstelling van de inhoud te lezen zijn.
Wat dat betreft, lijdt het nu geen enkele twijfel meer dat het gevaar voor longkanker voor de roker des
te kleiner is naarmate het teergehalte van de gerookte tabak lager is. Ten einde de rokers aan te
moedigen over te stappen op deze minder schadelijke produkten, is soms voorgesteld een accijns in te
voeren die is afgestemd op het teergehalte. Een dergelijke aanpak schijnt veel moeilijker uitvoerbaar te
zijn dan eenvoudig bepaalde soorten tabak en afgeleide produkten te verbieden.
Voorgestelde actie 5: Verbod op sigaretten met een hoog teergehalte
Vóór eind 1987 zal de Commissie bij de Raad een voorstel voor een richtlijn indienen, houdende een
verbod in alle Lid-Staten van sigaretten met een teergehalte dat een bepaald niveau overschrijdt.
Ten einde de industrie — en de rokers — in de gelegenheid te stellen zich aan een dergelijke maatregel
aan te passen, moeten deze waarden goed gekozen worden. Bij wijze van voorbeeld zouden deze
maxima kunnen worden beperkt tot 15 mg per sigaret in 1989 en tot 12 mg in 1992. Natuurlijk
kunnen de Lid-Staten of de fabrikanten van tabaksprodukten op dit gebied sneller of verder gaan als zij
dat willen. Bovendien zouden, wil deze — maar ook de vorige — actie een volledig succes worden, de
methoden voor het meten van die stoffen geharmoniseerd moeten worden.
Voorgestelde actie 6: Harmonisatie van de normen voor de meting van bestanddelen in tabaks-
rook
In 1987 zal de Commissie vergelijkende proeven laten doen betreffende de verschillende normen die
gebruikt zijn voor de bepaling van de samenstelling van sigaretterook, ten einde in 1988 de Raad de
vaststelling van een gemeenschappelijke norm te kunnen voorstellen.
Bovendien moeten hier en daar op grond van oude tradities nog bestaande kunstmatige stimulansen
tot roken op korte termijn uit de weg geruimd worden, bij voorbeeld het gratis of goedkoop
verstrekken van tabak aan jonge recruten, of de verkoop van belastingvrije tabak in havens en
luchthavens. Het eerste soort verbod valt dan wel uitsluitend onder de bevoegdheid van de Lid-Staten,
maar het tweede ressorteert rechtstreeks onder de Europese Gemeenschap. Een dergelijk verbod
bestaat overigens al voor iedere reis binnen de Benelux.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/13
Voorgestelde actie 7: Verbod op belastingvrije tabaksverkoop in de Europese Gemeenschap
Vóór eind 1988 zal de Commissie bij de Raad een voorstel voor een richtlijn indienen, houdende een
verbod op belastingvrije verkoop van tabak in de Europese Gemeenschap.
Ten slotte zijn er de laatste tijd nieuwe produkten, zoals pruimtabak, op de markt gebracht, met name
in de Verenigde Staten. Door hun presentatie en reclame zijn deze produkten vaak zeer aantrekkelijk
voor jongeren en kinderen. Maar sommige hebben een hoog nicotinegehalte. Het gebruik ervan zal
zeer waarschijnlijk leiden tot een afhankelijkheid van nicotine en dus van tabak. Een aantal landen,
zoals het Verenigd Koninkrijk, hebben in juli 1986 beschermende maatregelen ten aanzien van deze
nieuwe produkten vastgesteld. Bij de „Protection of Children (Tobacco) Act" is de verkoop van tabak
en alle daarvan afgeleide produkten aan kinderen beneden de zestien jaar verboden, ongeacht degene
voor wie zij bestemd zijn. In Ierland zijn bepaalde pruimtabakken helemaal verboden, zoals het merk
„Skoal Bandits", dat oorspronkelijk uit de Verenigde Staten komt.
Voorgestelde actie 8: Bescherming van kinderen tegen tabaksverkoop
In 1987—1988 zal de Commissie de Raad en het Europese Parlement voorstellen voorleggen om de
verkoop van tabak en afgeleide produkten aan kinderen beneden de zestien jaar te verbieden.
B. Landbouw en tabak
De situatie in de tabaksector van de Europese Gemeenschap kan met de volgende economische
gegevens samengevat worden. Er zijn op het ogenblik iets meer dan 230 000 tabaksproducenten,
voornamelijk in de meest achtergebleven gebieden, waar de werkloosheid het hoogst is. In de
tabakverwerkende industrie zijn ongeveer 1 800 000 personen — meestal full-time — werkzaam in de
verwerkende en commerciële sector (*). Bovendien importeert de Europese Gemeenschap bijna de
helft van haar behoeften, hetgeen in 1985 een handelstekort van bijna 2 miljard Ecu tot gevolg
had.
Bij elk beleid dat gericht is op de vermindering op korte termijn van de Europese tabaksproduktie heeft
dit beleid onvermijdelijk gevolgen voor de werkgelegenheid in de toch al zo achtergebleven gebieden.
Ook zal het reeds grote handelstekort nog verder groeien. Ongetwijfeld zal het in deze sector gevoerde
beleid in de toekomst meer rekening moeten houden met de gezondheidsaspecten.
Voorgestelde actie 9: Vermindering van tabaksproduktie, heroriëntatie op minder toxische soorten en
onderzoek van de mogelijkheden van omschakeling
Met ingang van 1987 zal de Commissie erop toezien dat de verminderde en geheroriënteerde
produktie in versneld tempo gericht wordt op de voor de gezondheid minst schadelijke tabakssoorten.
Tegelijkertijd dient te worden nagegaan welke mogelijkheden er bestaan om op andere activiteiten,
speciaal op fruit- en groenteteelt die een gunstige invloed hebben op de kankerpreventie, over te
schakelen.
Hiertoe zullen maatregelen worden genomen op het gebied van de prijsgaranties aan tabaksprodu-
centen en op dat van de aan communautaire tabakafnemers betaalde premies. Deze afnemers —
plaatselijke firma's, staatsmonopolies of multinationals — hebben in 1986 ongeveer 800 miljoen Ecu
van de Europese Gemeenschap ontvangen.
Op het eerste gezicht lijkt dit bedrag misschien, vergeleken met de jaarlijkse begroting van de Europese
Gemeenschap voor medisch onderzoek (circa tien miljoen Ecu per jaar), enorm hoog. Maar een
dergelijke vergelijking is zinloos. Enerzijds blijft het medisch onderzoek in deze fase van het proces van
Europese integratie grotendeels een nationaal voorrecht en vertegenwoordigt het bedrag op de
communautaire begroting niet meer dan 1 % van de totale nationale uitgaven op dit gebied.
Anderzijds is het gemeenschappelijk landbouwbeleid momenteel een van de weinige beleidsvormen
die op Europees niveau zijn geïntegreerd, zodat de desbetreffende betalingen niet worden gedaan door
de Lid-Staten, maar door de Europese Gemeenschap. Ongetwijfeld zouden er, als het gemeenschap-
pelijk landbouwbeleid niet bestond, in een of andere vorm nationale premies van dezelfde orde van
grootte aan de tabaksector worden betaald, zoals bij voorbeeld in de Verenigde Staten.
Het paradoxale van de Europese of Amerikaanse situatie blijft even groot, maar men ontdoet zich niet
in enkele jaren van vijf eeuwen tabaksgebruik. Tegelijk met deze actie ter vermindering van de
0) „De tabakindustrie in de Europese Gemeenschap", rapport van PEIDA, Edinburgh, 1985.
Nr. C 50/14 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
tabaksproduktie, moet ook getracht worden het gebruik van tabaksprodukten in de Europese
Gemeenschap te verlagen om te vermijden dat het toch al grote handelstekort nog veel groter wordt.
Tegelijkertijd zal onder volledige eerbiediging van de geldende internationale overeenkomsten
rekening worden gehouden met de invoer van tabak. Bij dit economische argument komt natuurlijk
ook nog de noodzaak van de strijd tegen de meest verbreide kankerverwekkende stof in ons milieu, die
bijna een derde van de sterfgevallen veroorzaakt.
Voorgestelde actie 10: Anti-rookcampagne ter voorlichting en sensibilisering van de bevolking
In de periode 1987—1989 zal de Europese Gemeenschap een op bevolking, docenten en
gezondheidswerkers gerichte actie voeren. Deze sensibiliseringscampagne culmineert in 1989 in het
kader van het „Europese Kankervoorlichtingsjaar" (zie hoofdstuk 2). Een dergelijke actie kost de
communautaire begroting minder dan de besparingen dank zij de reductie van de aan de
communautaire tabakafnemers betaalde premies. Bij voorbeeld betekent 1 % vermindering van deze
premies 8 miljoen Ecu. Het gaat dus in zekere zin om een indirecte bijdrage van de tabaksector aan de
strijd tegen de kanker.
C. Bescherming van consumenten en werknemers
Gezien de gevaren van het passief roken en de noodzaak om de directe en indirecte reclame voor tabak
zoveel mogelijk te verminderen, is het aan de nationale overheden en de communautaire instellingen
om passende maatregelen te bevorderen.
Voorgestelde actie 11: Studie van de nationale voorschriften en uitwerking van voorstellen ter
communautaire reglementering van het roken in openbare gelegenheden
Vóór eind 1988 zal de Commissie een voorstel bij de Raad indienen inzake voorschriften ter
reglementering van het roken in openbare gelegenheden en op het werk.
Deze voorstellen zullen worden uitgevoerd nadat er een studie is gemaakt van de nationale
maatregelen ter reglementering van het roken in het openbaar vervoer, in openbare gebouwen en op
het werk. Ook zal rekening worden gehouden met de ervaringen in landen buiten de Gemeen-
schap.
Voorgestelde actie 12: Studie van de nationale voorschriften en uitwerking van voorstellen voor een
communautaire reglementering inzake de beperking van de tabaksreclame
Vóór eind 1989 zal de Commissie de Raad voorstellen voorleggen, ten einde de directe reclame zoveel
mogelijk te verbieden en de indirecte reclame, vooral de sponsoring van sportevenementen, zoveel
mogelijk af te remmen.
Ook zal worden aanbevolen dat de betroffen firma's uitgaven voor tabaksreclame niet van de belasting
mogen aftrekken en dat de daaruit voortvloeiende extra belastinginkomsten bestemd worden voor de
financiering van voorlichtingscampagnes over de gevaren van tabak.
D. Uitwisseling van ervaring
Alle betrokken landen zijn al korter of langer min of meer vastbesloten en met min of meer succes bezig
met voorlichtingscampagnes van de bevolking en acties om het tabaksverbruik terug te dringen.
Actie 13: Vergelijkende analyse van campagnes om rokers van hun gewoonte af te helpen
De Commissie zal in 1987 een evaluatie maken van de initiatieven om rokers van hun gewoonte af te
helpen en bevorderen dat aan in de periode 1987—1989 effectief gebleken initiatieven op grote schaal
bekendheid wordt gegeven.
Actie 14: Uitwisseling van informatie over de strijd tegen het roken
De Commissie zal in 1987 ook de uitwisseling van informatie en ervaringen over de zowel binnen als
buiten de Gemeenschap toegepaste methoden ter bestrijding van het roken bevorderen.
Indien deze 14 voorgestelde acties ten uitvoer gelegd worden, zal de Europese Gemeenschap een
belangrijke bijdrage leveren tot de strijd tegen het verschijnsel roken, dat onze maatschappij nog steeds
teistert. Met ingang van 1988 zal de uitwerking van deze acties regelmatig worden geëvalueerd, met
name via „Eurobarometer" (hoofdstuk 2). Deze reeks maatregelen moet natuurlijk nog worden
aangevuld met andere voorstellen op het gebied van de voorlichting en de gezondheidseducatie van
jongeren en volwassenen. Deze punten worden eveneens in hoofdstuk 2 behandeld.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/15
II. VERBETERING VAN DE VOEDING
1. Voeding en kanker
Uit tal van factoren blijkt dat voedingsgewoonten, met inbegrip van het gebruik van alcohol, een
belangrijke rol spelen bij het ontstaan, maar ook bij de preventie, van verschillende zowel bij mannen
als bij vrouwen veel voorkomende vormen van kanker, zoals kanker aan het spijsverteringskanaal —
van mond tot endeldarm — en borstkanker. In de reeds eerder genoemde studie schatten Doll en Peto
dat in de Verenigde Staten voedingsfactoren een rol kunnen spelen bij meer dan één derde van de
kankerster f te. De auteurs geven echter zelf toe dat deze raming niet erg nauwkeurig is, aangezien hun
onzekerheidsmarge van 10 tot 70 % loopt ('), in tegenstelling tot hun ramingen over de rol van tabak,
die met 25 tot 45 % een veel kleinere marge hebben.
De oncologen zijn uitzonderlijk eensgezind over het verband tussen tabak en kanker, maar niet
wanneer het gaat over het verband tussen voeding en kanker. Voorzichtigheid is nog geboden op dit
gebied, daar de werkelijke rol van talrijke voedingsfactoren dikwijls nog onduidelijk blijft. Uit het
beschikbare onderzoek kunnen evenwel reeds enkele belangrijke conclusies worden getrokken. Wat
betreft de preventie van kanker zijn die gelukkig vergelijkbaar met die welke benodigd zijn voor het
terugdringen van hart- en vaatziekten. De taak van degenen die verantwoordelijk zijn voor de
volksgezondheid wordt derhalve vergemakkelijkt.
1. In verscheidene Europese landen vertegenwoordigt een overmaat aan alcohol op zichzelf de
tweede belangrijke risicofactor voor kanker, na tabak. In een land als Frankrijk, dat het
wereldrecord in alcoholverbruik per hoofd van de bevolking op zijn naam heeft, houdt meer dan
één op de tien kankergevallen verband met alcoholgebruik. Ethanol op zichzelf is niet
kankerverwekkend, maar bepaalde andere componenten van alcoholische dranken zijn dat soms
wel. Ook de chronische irritatie door alcohol van mond, keel en slokdarm veroorzaakt een
duidelijke verhoging van de kankerfrequentie in deze gebieden, vooral wanneer alcoholgebruik
gepaard gaat met roken. In Frankrijk ligt de frequentie van slokdarmkanker bij personen die
minder dan tien sigaretten per dag roken en die niet meer dan 40 gram alcohol drinken bij
voorbeeld twintigmaal lager dan bij niet-rokers die een liter wijn per dag drinken (80 gram
alcohol), en vierenveertigmaal lager dan bij zware rokers die per dag twintig sigaretten roken en
een liter wijn drinken (2).
2. Over de fatale rol van overmatig alcoholgebruik bij het ontstaan van bepaalde vormen van kanker
bestaat nauwelijks nog enige twijfel (zie tabel 3); daarentegen zijn er bewijzen te over dat
voldoende verse groenten en vers fruit op één na de belangrijkste voedingsfactor zijn, maar in dit
geval in de zin van een grotere bescherming tegen bepaalde vormen van kanker. E. Wynder en
M. T. Goodman (3) hebben het overtuigende bewijs geleverd dat een voedingspakket met veel
verse groenten en vers fruit — de voornaamste bron van vitamine AenC — een beschermende rol
speelt tegen het ontstaan van longkanker, hoewel recente studies suggereren dat deze bescherming
niet meer geldt voor zeer zware rokers (2 pakjes of meer per dag). Ook beschikt men over bewijzen
dat een voedingspakket met veel verse groenten en vers fruit een zekere bescherming biedt tegen de
risico's van kanker aan slokdarm, maag, alvleesklier en dikke darm (zie tabel 3).
3. Overgewicht schijnt eveneens een belangrijke risicofactor te zijn, vooral bij vrouwen. Dat is
gebleken uit een Amerikaanse studie waarbij 750 000 personen dertien jaar lang zijn gevolgd (4).
Voor bepaalde vormen van kanker, zoals galblaas- en baarmoederkanker (endometrium), lag het
sterftepercentage bij personen met 40 % overgewicht viermaal hoger dan het gemiddelde. Wat het
mogelijke verband tussen overgewicht en borstkanker betreft, deelt F. de Waard (5) mede dat in
22 van de 27 vermelde studies een statistische correlatie bevestigd is.
4. Bij de huidige stand van onze kennis moet de specifieke rol van alle verschillende soorten vetten
nog nader worden belicht. Verscheidene epidemiologische onderzoeken laten echter doorsche-
meren dat, evenals bij dieren, een te vetrijke voeding een risicofactor schijnt te vormen voor
(') Dit geldt alleen voor voedingsmiddelen in de strikte zin van het woord, d.w.z. zonder alcohol en zonder
additieven (zie tabel 1).
(2) A. Tuyns. Internationaal centrum voor kankeronderzoek, Alcohol en kanker, Lyon 1978.
(3) E. Wynder en M. T. Goodman, Smoking and Lung Cancer; Some unresolved issues, Epidemiological
Reviews, 5, blz. 177—207, 1983.
(4) Lew, EAZ Garfinkel, L: Variations in Mortality by Weight Among 750 000 Men and Women, Journal of
Chronical Disease 32, blz. 5 6 3 - 5 7 6 , 1979.
(s) F. de Waard, Dietary Fat & Mammary Cancer, Nutrition and Cancer, Vol 8, No 1, blz. 5—7, 1986.
Nr. C 50/16 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
kanker aan de dikke darm en borstkanker. Deze waarneming is des te belangrijker omdat deze
vormen van kanker voor een groot deel van de kankersterfte in Europa en de Verenigde Staten
verantwoordelijk zijn (1). Er zijn ook aanwijzingen dat een te vetrijke voeding verband houdt met
kanker aan de alvleesklier, maar deze hypothese moet nog worden bevestigd.
5. Het belang van voedingsvezels voor het functioneren van de ingewanden is al lang bekend. Pas in
1971 echter maakte de Britse legerchirurg Burkitt (2) voor het eerst gewag van een mogelijk
verband tussen vezelarme voeding en het optreden van kanker aan de dikke darm. Hoewel er
nogal wat onenigheid over deze hypothese bestond, wordt zij tegenwoordig steeds algemener
aanvaard, vooral sedert zij bevestigd is door meer recente studies waarbij van moderne technieken
voor het meten van het vezelgehalte in levensmiddelen gebruik gemaakt is (3).
6. Andere, vaak onvrijwillig, in kleine hoeveelheden opgenomen elementen kunnen eveneens het
ontstaan van bepaalde vormen van kanker bij de mens beïnvloeden. Bepaalde door schimmels
geproduceerde mycotoxinen, zoals aflatoxinen, zijn bij dieren kankerverwekkend gebleken.
Volgens het door het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IAK) verrichte onder-
zoek f4) moeten wij ook de eventuele rol van nitriten, en misschien onder bepaalde omstandig-
heden van nitraten, niet over het hoofd zien. Deze stikstofverbindingen, die in de vorm van resten
in drinkwater en groenten aanwezig zijn, en als conserveringsmiddelen in bepaalde vleessoorten
en worst worden gebruikt, kunnen onder bepaalde nog niet geheel duidelijke omstandigheden in
de maag worden omgezet in N-nitriso-verbindingen, hetgeen bij dieren in zeer sterke mate
cancerigene stoffen zijn.
Bovendien zijn sommige voedseladditieven die bij dieren kankerverwekkend zijn gebleken, zoals
botergeel, tegenwoordig verboden. Volgens Doll en Peto zou minder dan 1 % van de
kankersterfte toe te schrijven zijn aan schadelijke voedingsadditieven; hun onzekerheidsmarge ligt
tussen - 5 en 2 %; de negatieve onderste grens herinnert eraan dat sommige van deze additieven
ook helpen kanker te voorkomen. Vooral anti-oxydantia, die het bewaren van voedingsmiddelen
hebben verbeterd, schijnen een zekere positieve rol te hebben gespeeld bij de spectaculaire
verlaging van het aantal gevallen van maagkanker.
7. Ten slotte heeft J. V. Joosens (s)in 1980 geopperd dat te zoute voeding het risico van maagkanker
kan vergroten. Deze eerste resultaten worden echter sterk in twijfel getrokken en moeten nog
gestaafd worden.
Samenvattend kunnen voedingsfactoren een beslissende rol spelen in het ontstaan — of de preventie —
van sommige vormen van kanker. Het belang van elke factor kan echter nog niet betrouwbaar genoeg
geëvalueerd worden omdat er op dit gebied nog niet veel epidemiologisch onderzoek verricht is.
In tabel 3 zijn ramingen opgenomen van de frequentie waarmee alcohol, fruit en groenten en
overgewicht betrokken zijn bij bepaalde veel voorkomende vormen van kanker; de gegevens berusten
op studies van Europese, Austraal-Aziatische en Noordamerikaanse populaties. Deze lijst is niet
volledig, maar kan momenteel nog niet worden aangevuld — vooral wat betreft het gesuggereerde
verband tussen prostaatkanker en overmatig vetgebruik en blaaskanker en onvoldoende vitaminen,
aangezien over deze en andere voedingsfactoren niet voldoende studies beschikbaar zijn.
Bovendien blijkt het verband tussen het totale calorieëngebruik en de risico's van bepaalde vormen van
kanker om verscheidene redenen moeilijk te evalueren, onder andere omdat het calorieëngehalte van
een individuele voedselportie moeilijk nauwkeurig vast te stellen is.
Natuurlijk moet nog meer onderzoek worden verricht om het eventuele verband tussen voeding en
kanker nader te bepalen. Sommige Europese onderzoekprogramma's dragen daartoe reeds bij en
zullen dat in de toekomst ook blijven doen (zie hoofdstuk 4). Ondanks een aantal onzekerheden die
omtrent sommige resultaten nog bestaan moet in dit stadium toch reeds gebruik worden gemaakt van
de beschikbare resultaten om de in de periode 1987—1989 te voeren actie toe te lichten.
(») K. K. Carroll, Dietary Fat & Cancer, Nutrition and Cancer, Vol 8, No 1, blz. 3—5, 1986.
(2) D. P. Burkitt, Epidemiology of Cancer of the Colon and Rectum, Cancer 28, blz. 3—13, 1971.
(3) Wereldgezondheidsorganisatie, Health Nutrition; Preventing Nutrition Related Diseases in Europe, juli
1986.
(4) H. Bartsch and R. Montesanol(IARC)Relevanceof nitrosaminestohuman cancer. Carcinogenesis, Vol 5, No
11, blz. 1381—1393, 1984.
(5) Joosen J. V.: Stroke, Stomach Cancer and Sak: Possible Clue to the Prevention of Hypertension? in:
Epidemiology of Arterial Blood Pressure, Den Haag, Nijhoff, blz. 489—508, 1980.
26 . 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 5 0 / 1 7
Tabel 3
Frequentie van de gevolgen van voedingsfactoren bij bepaalde vormen van kanker
Voedingsfactor
ALCOHOL
VERSE GROENTEN EN VERS FRUIT
(met inbegrip van vitaminen)
Voeding met weinig fruit en groenten
Voeding met weinig fruit en groenten
Toename aan vitamine C van 100 milligram per dag
Voeding met weinig vers fruit
Voeding met weinig vitamine A
Voeding met weinig verse groenten
OVERGEWICHT
Vorm van
kanker
Mond
Slokdarm
Strottehoofd
Lever
Slokdarm
Maag
Maag
Alvleesklier
Longen
Dikke darm
endeldarm
Borst
Baarmoeder
(endometrium)
Prostaat
Deze voedingsfactor
komt met de
volgende frequentie voor
75 % in verband met tabak
40 % op zichzelf;
70% in verband met tabak
25 % op zichzelf;
30 — 65 % in verband met tabak
15% (meer dan 30 gram
alcohol per dag);
40 % (meer dan 370 gram
alcohol per dag)
15 — 50%
70%
5 5 % in plaats van 70%
15%
20%
20 — 40 %
0— 12%
20%
20%
Bron: Voorlopig document van het IAK.
2. Acties 1987—1989
Een beleid tot verbetering van voeding en gezondheid hangt af van de medewerking van een groot
aantal deelnemers: de consumenten en hun vertegenwoordigersorganisaties, mensen uit de onderwijs-
en de medische wereld, landbouwers en bedrijven uit de voedingsmiddelensector, het horecabedrijf,
de nationale overheden en de instellingen van de Gemeenschap. Deze laatsten beschikken over
aanzienlijke bevoegdheden in het kader van het beheer en de aanpassing, niet alleen van de
gemeenschappelijke markt in industrieprodukten, maar ook van het gemeenschappelijk landbouw-
beleid.
Het is evenwel duidelijk dat men, wil men de inzet van al deze personen mobiliseren, over richtsnoeren
moet beschikken die duidelijk genoeg en aan iedere categorie aangepast zijn.
A. Uitwerking van richtsnoeren op het gebied van voeding en kankerpreventie
Pogingen om dergelijke richtsnoeren op te stellen, zijn overal ter wereld reeds door verschillende
commissies van deskundigen gedaan, bij voorbeeld in de Verenigde Staten door het Nat ional Cancer
InstituteC1) en op Europees niveau door de European Organization for Cooperat ion in Cancer
Prevention Studies (ECP) (2) (3). Deze yoedingsaanbevelingen zullen uiteraard zorgvuldig worden
bestudeerd en zoveel mogelijk worden verbeterd.
i1) National Cancer Institute, „Cancer Control" — Objectives for the Nation: 1985—2000, Washington,
1986.
(2) E.C.P. Symposium, „Diet and Human Carcinogenesis", Elsevier Science Publishers, Amsterdam, 1986.
(3) „Proceedings of a Joint E.C.P. — LU.N.B. Workshop on Diet and Human Carcinogenesis", Nutrition and
Cancer, 1986.
Nr. C 50/18 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Actie 15: Analyse van bestaande informatie en gegevens inzake „voeding en kanker"
Vóór eind 1987 zullen de vele gegevens die beschikbaar zijn over het verband tussen voeding en kanker
worden geïnventariseerd.
Daartoe zal de Commissie de reeds beschikbare deskundige kennis in de haar op voedingsgebied
adviserende raadgevende commissies en werkgroepen gebruiken en coördineren. Ook zal zij andere
bevoegde internationale organisaties, zoals de European Organization for Cooperation in Cancer
Prevention Studies (ECP) of het „Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek" raadplegen.
Actie 16: Ontwikkeling van aan alle betrokken categorieën van deelnemers aangepaste aanbevelingen
inzake voeding met het oog op de kankerbestrijding
Tegelijkertijd zal worden getracht specifieke aanbevelingen te formuleren ten behoeve van de
verschillende categorieën van deelnemers: consumenten en hun vertegenwoordigende organisaties,
leerkrachten en medici, landbouwers en bedrijven uit de voedingsmiddelensector en het horecabe-
drijf.
Natuurlijk moeten deze richtsnoeren worden aangepast aan iedere categorie, met inachtneming van
de enorme scala van regionale en nationale verschillen binnen de Gemeenschap. Bij wijze van
voorbeeld is het, alleen al op basis van de in het voorafgaande gemaakte opmerkingen, mogelijk om
over voeding enkele belangrijke beginselen voor consumenten, leerkrachten en gezondheidswerkers te
formuleren: vermijd overmatig gebruik van alcohol, vermijd overgewicht, gebruik weinig vet, eet
verse groenten en fruit en granen die veel voedingsvezels bevatten (zie hieronder de „Europese code
voor kankerpreventie").
B. De gemeenschappelijke markt en voeding
In de voedingsmiddelensector beschikt de Europese Gemeenschap reeds geruime tijd over een aantal
voorschriften ter bescherming van de gezondheid van de consument. Sedert 1962 mogen in de
Europese Gemeenschap bijvoorbeeld alleen nog die voedingsadditieven worden gebruikt die
voorkomen op een lijst die, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Wetenschappelijk
Comité voor menselijke voeding, door de Raad van Ministers is goedgekeurd. Met ingang van 1987
zal met de volgende nieuwe acties worden begonnen.
Voorgestelde actie 17: Harmonisatie van de etikettering van levensmiddelen in de Europese
Gemeenschap
In 1987 zal de Commissie bij de Raad een voorstel voor een richtlijn indienen, ter goedkeuring vóór
eind 1989, inzake de harmonisatie van de op de verpakking van levensmiddelen vermelde gegevens
inzake de voedingsaspecten van de inhoud.
Voorgestelde actie 18: Bescherming van de consumenten tegen bepaalde stoffen in levensmidde-
len
Op grond van de resultaten van het onderzoek „Voeding en kanker" zal de Commissie de Raad
eventueel nieuwe voorstellen moeten voorleggen om de consumenten beter te beschermen tegen
bepaalde potentieel kankerverwekkende stoffen (mycotoxinen, chemische stoffen, enz.).
C. Landbouw en bescherming van de consumenten
De landbouwers, en dus ook het gemeenschappelijk landbouwbeleid, spelen een sleutelrol bij de
pogingen om beter rekening te houden met de bezorgdheid over voeding en gezondheid, die steeds
vaker wordt gehoord van de kant van de consumenten en de medische wereld. De volgende acties
zullen in de periode 1987—1989 worden gevoerd:
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/19
Actie 19: Verbetering van de bestaande voorlichtingscampagnes inzake voeding
Met ingang van 1987 zullen de bestaande voorlichtings- en reclamecampagnes voor sommige
voedingsmiddelen worden gewijzigd om beter rekening te houden met de resultaten van de jongste
bevindingen inzake het verband tussen voeding en gezondheid.
Reclamecampagnes voor zuivelprodukten dienen bij voorbeeld beter op bepaalde, geselecteerde
doelgroepen te zijn afgestemd. Volle melk is ongetwijfeld aan te bevelen voor kleine kinderen. Voor
volwassenen dienen dergelijke reclamecampagnes daarentegen in de meeste gevallen gericht te zijn op
zuivelprodukten met een laag vetgehalte.
Actie 20: Starten van voorlichtingscampagnes ter aanbeveling van bepaalde levensmiddelen
Met ingang van 1987 zullen aan de hand van voedingsrichtsnoeren nieuwe voorlichtings- en
publiciteitscampagnes over voedingsmiddelen worden opgezet.
Dergelijke acties kunnen thans reeds voor groenten en fruit worden overwogen. Deze campagnes
zullen des te meer succes hebben als zij geïntegreerd kunnen worden in een grootscheepse poging om
niet alleen het grote publiek, maar ook leerlingen en studenten en docenten van scholen en
universiteiten te sensibiliseren (zie hoofdstuk 2).
Voorgestelde actie 21: Bevordering van de meest geschikte levensmiddelen en technieken
In het licht van de jongste resultaten van het onderzoek op voedingsgebied zal getracht worden in het
kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de vanuit het standpunt van volksgezondheid meest
geschikt geachte produktiemethoden en voedingsmiddelen te bevorderen.
Hierbij kunnen twee soorten maatregelen worden overwogen:
— veranderingen in de wetgeving, bij voorbeeld om de bestaande bepalingen inzake boter aan te
passen. De benaming „boter" is op het ogenblik verboden indien het vetgehalte niet minstens 80 %
bedraagt. In de toekomst zouden ook analoge melkprodukten die echter een lager, meer aan de
voeding van volwassenen aangepast vetgehalte bevatten, „boter" genoemd moeten kunnen
worden;
— bevordering van produktiemethoden, waarbij welbewust gebruik gemaakt wordt van de huidige
technieken ter vermindering van het gebruik van bepaalde chemische stoffen, zoals bij voorbeeld
een vermindering van de concentratie van nitraten en nitrieten in groenten.
Deze voorbeelden kunnen, in dit stadium, slechts zuiver illustratief zijn. Zij geven echter een beeld van
het uitgebreide actieterrein dat voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid open ligt.
D. Uitwisseling van informatie en ervaringen op voedingsgebied
Op verschillende plaatsen lopen proefprojecten op voedingsgebied, met name in Italië, Nederland en
Zweden. Op plaatselijk niveau werken daaraan mee: kleinhandelaren, voedingsmiddelenindustrie,
consumenten, scholen. In het bijzonder wordt getracht de weerslag van voorlichtings- en educatie-
campagnes inzake voeding na te gaan.
Actie 22: Evaluatie van de proefprojecten inzake voeding
Deze proefprojecten zullen vanaf 1987 geëvalueerd en de resultaten te zijner tijd verspreid worden.
Indien wenselijk, kan de Commissie andere proefprojecten in andere delen van de Europese
Gemeenschap laten uitvoeren.
Actie 23: Uitwisseling van gegevens over „voeding en kanker"
Met ingang van 1987 zal de Commissie erop toezien dat regelmatig informatie uitgewisseld wordt
over de resultaten van studies, onderzoek en proeven inzake „voeding en kanker", door middel van
colloquia en seminars die ook zullen openstaan voor deskundigen uit landen buiten de Gemeenschap,
alsmede door een ruime maar selectieve verspreiding van de verkregen resultaten.
Het is duidelijk dat deze negen voorgestelde acties, die erop gericht zijn de voeding van de Europeanen
te verbeteren om op die manier kanker te voorkomen, nog zullen moeten worden aangevuld,
gepreciseerd of uitgebreid naargelang nieuwe, betrouwbare gegevens beschikbaar komen. Maar nu al
vormen zij een waardevolle, zij het bescheiden bijdrage tot de kankerpreventie. Daarnaast is het
duidelijk dat zij ook een positieve uitwerking op de preventie van hart- en vaatziekten kunnen
uitcrefenen.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/25
III. BESCHERMING TEGEN CARCINOGENE AGENTIA
1. De grote verscheidenheid aan carcinogene agentia
Volgens Doll en Peto zijn tabak, alcohol en voeding bij elkaar de oorzaak van meer dan twee derde der
sterfgevallen aan kanker. Het resterende derde deel wordt dus veroorzaakt door andere factoren uit
onze dagelijkse omgeving, vooral radioactiviteit en ultraviolette straling, virusinfecties en chemische
stoffen.
A. Radioactiviteit en ultraviolette straling
Het ongeluk van Tsjernobyl heeft de aandacht gevestigd op de risico's van ioniserende stralingen.
Ieder menselijk wezen wordt voortdurend gedompeld in een stralingsbad van kosmische stralingen en
natuurlijke radioactieve elementen in de bodem en de voedingsmiddelen. Bij deze onvermijdelijke
stralingsdosis komt de, vrijwel gelijke, dosis als gevolg van menselijke activiteiten. De winning en
opwerking van uranium en andere radioactieve mineralen, het functioneren van kerncentrales en de
afval van daarvan afkomstige radioactieve elementen, vormen gemiddeld voor de bevolking van de
landen waar kernenergie wordt ontwikkeld een dosis die ver beneden de natuurlijke ligt.
In werkelijkheid is bijna 80 % van de radioactiviteit waaraan de mens wordt blootgesteld afkomstig
van diagnosemethoden en behandelingen met radioactieve stoffen. In deze sector zijn dus voortdurend
pogingen gedaan de stralingsdoses van medische oorsprong te verminderen. Vooral de radiodiagno-
setechnieken hebben deze laatste jaren grote vooruitgang geboekt, bij voorbeeld de mammografie
(röntgenfoto van de borst).
Bij deze basisstraling komt nog de straling ten gevolge van radioactieve isotopen welke in de atmosfeer
zijn gekomen tijdens het ongeluk van Tsjernobyl. In de Westeuropese landen bedraagt deze straling
niet meer dan ongeveer het honderdste van de jaarlijkse dosis ten gevolge van natuurlijke straling. In
de landen van Centraal-Europa bereikt zij ongeveer een tiende van de natuurlijke straling. Ter
vergelijking kan men aangeven dat de straling ten gevolge van Tsjernobyl in West-Europa lager zal zijn
dan een honderdste van de dosis ten gevolge van de radioactieve neerslag in verband met de
experimentele atoomontploffingen uit de jaren '50 en '60. De gevolgen voor de gezondheid zullen
waarschijnlijk buitengewoon gering zijn. Er zij aan herinnerd dat Doll en Peto van oordeel zijn dat
minder dan 1 % van de kankergevallen het gevolg is van ioniserende straling.
Van de niet-ioniserende stralingen zijn de ultraviolette cancerogeen. Zij komen voor in de
zonnestraling. Ultraviolette straling kan huidkanker veroorzaken als de kiemlaag van de huid
bestraald wordt. Dit is vooral het geval bij personen met een zeer blanke huid. In dat geval zijn
ultraviolette stralen de oorzaak van een hoog percentage van baso- en spinocellulaire huidkanker;
deze vormen van kanker zijn gemakkelijk te behandelen en te genezen. Ook worden de ultraviolette
stralen van de zon verantwoordelijk gemaakt voor kwaadaardige melanomen, zeer ernstige vormen
van kanker die moeilijk te behandelen zijn en bij sommige populaties (vooral Australië) wier huid zeer
blank is en die zeer veel aan de zon zijn blootgesteld, steeds meer voorkomt. De gevaarlijkste
blootstellingen zijn die als de huid niet gebruind is, dus de zonnestralen niet filtert. Daarom wordt
personen met zeer blanke huid over het algemeen ontraden zich lang en abrupt aan de zon bloot te
stellen en in dit geval wordt het gebruik van crème die de ultraviolette stralen filtert, aanbevolen.
B. De virussen
Het is intussen wetenschappelijk bewezen dat virussen een essentiële rol kunnen spelen in de
inwendige mechanismen van het ontstaan van kanker bij de mens sinds de Amerikaan Robert Gallo en
andere, Japanse, onderzoekers begin van de jaren '80 de essentiële rol hebben aangetoond van het
retrovirus HTLV (Human T-cell Leukemia Virus) bij een vooral in Japan en op de Caribische
Eilanden waargenomen vorm van leukemie. Sinds vele jaren echter wordt een klein aantal virussen
ervan verdacht betrokken te zijn bij de vorming van bepaalde vormen van kanker. Een bekend geval is
het hepatitis-B-virus dat de oorzaak kan zijn van een groter risico van leverkanker bij personen die een
virushepatitis hebben gehad, vooral in Afrika waar de aflatoxinen de beslissende co-factor schijnen te
zijn.
Nr. C 50/26 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Overigens is uit de werkzaamheden van de Duitse onderzoeker Zur Hansen uit Heidelberg gebleken
dat vele genitale laesies verband houden met virussen van de familie der papilloma. Enkele daarvan
kunnen de oorzaak zijn van kanker van de baarmoederhals, speciaal het papilloma-virus 16 dat in
meer dan de helft van deze vormen van kanker gevonden wordt. Ook daar moet nader onderzoek
verricht worden om licht te werpen op de rol van eventuele co-factoren en misschien ook later om
vaccins te ontwikkelen. Op korte termijn echter kunnen eenvoudige preventiemiddelen op het gebied
van de sexuele hygiëne worden aanbevolen.
C. Chemische substanties
Reeds twee eeuwen weet men, dankzij Sir Percival Pott, dat bepaalde in onze omgeving voorkomende
chemische substanties bij de mens kanker kunnen veroorzaken. Niet minder opmerkelijk is het dat de
explosie van het aantal nieuwe chemische produkten waarmee de bloei van de industriële revolutie
sinds twee eeuwen gepaard is gegaan en die daarmee samenhangend een grotere blootstelling van
werknemers en burgers aan deze stoffen heeft veroorzaakt, niet tot een kankerepidemie heeft geleid.
Bovendien zijn, dank zij kankerregisters in bepaalde industrielanden, sinds de jaren '50 en de overal ter
wereld verrichte epidemiologische studies, slechts enkele honderden — van de ongeveer honderd-
duizend door het European Inventory of Chemical Substances genoteerde — chemische produkten tot
nu toe cancerogeen gebleken. Er moet op worden gewezen dat de internationale samenwerking op dit
gebied zeer vruchtbaar is geweest.
In 1965 heeft generaal de Gaulle, de toenmalige President van de Franse Republiek, de grote landen
voorgesteld een klein deel van hun militaire begroting te gebruiken om onder auspiciën van de
Wereldgezondheidsorganisatie, het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IAK) te
gebruiken. Het IAK is tegenwoordig in Lyon gevestigd en evalueert sinds 1971 de cancerogene risico's
van chemische stoffen en enkele mengsels daarvan bij de mens.
Van de 107 stoffen, groepen van produkten of industriële procédés waarvan men over epidemiolo-
gische studies beschikte, zijn 39 bij de mens cancerogeen gebleken en 68 andere zijn het
waarschijnlijk (*).
Van een steeds groter aantal andere chemische substanties waarvan men nog niet over voldoende
epidemiologische studies beschikt, worden dierproeven genomen. Volgens het IAK zijn in september
1986 127 daarvan in het laboratorium cancerogeen gebleken en op grond daarvan worden zij
verdacht ook cancerogeen bij de mens te zijn.
Ten slotte is het vastgesteld dat een groot aantal cancerogene chemische produkten mutaties in het
genenpatroon van bacteriën of dierlijke cellen veroorzaakt. Deze vaststelling is van groot praktisch
belang, want zij biedt een eenvoudige, snelle en doeltreffende mogelijkheid om de mutagene
substanties te identificeren welke vermoedelijk cancerogeen zijn. Een groot aantal reeds op de markt
gebrachte stoffen zou dus aan dit soort tests kunnen worden onderworpen.
Natuurlijk moet overal ter wereld de evaluatie van de mutagene en cancerogene aard van de chemische
substanties versneld worden. Bovendien moeten de reeds verkregen resultaten verwerkt worden om te
bepalen of deze stoffen gebruikt kunnen worden en zo ja, onder welke omstandigheden.
(') H. Vainio, K. Hemminki, J. Wilbourn (IARC), Data on the Carcinogenicity of Chemicals in the IARC
Monographs, Carcinogenesis, 1985, Vol. 6, No 11, blz. 1653.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/27
2. Van 1987 — 1989 te voeren acties
A. EURATOM-Verdrag en bescherming tegen ioniserende straling
Het Euratom-Verdrag verleent de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie als voornaamste taak
„het vaststellen van basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der
werknemers, en het toezicht dat deze worden nageleefd". Deze maximale radioactiviteitsnormen zijn
voor het eerst in 1959 vastgesteld en zijn sindsdien verscheidene malen gewijzigd. Bovendien is in 1984
een communautaire richtlijn goedgekeurd ter bescherming van patiënten tegen radioactiviteit tijdens
medische onderzoeken of behandelingen.
Voorgestelde actie 24: Bescherming tegen ioniserende straling en follow-up van Tsjernobyl
Voor de periode 1987—1989 zijn verschillende acties voorzien, met name: bestudering van de
normen van radioactieve emissies van kerncentrales, de opstelling van maximumnormen voor
besmetting van voedingsmiddelen, het uitwerken van extra beschermingsmaatregelen voor werkne-
mers in kerncentrales.
Overigens wordt in het kader van het onderzoekprogramma inzake stralingsbescherming (zie
hoofdstuk 4) een haalbaarheidsstudie inzake de evaluatie van gevolgen van natuurlijke radioactiviteit
voorgenomen.
B. Bescherming van de werknemers en de verbruikers tegen carcinogene chemische stoffen
Sinds 1984 is de Commissie van de Europese Gemeenschappen bezig met de indeling en etikettering
van vermoedelijk carcinogene chemische stoffen. De optimale normen voor gebruik van deze stoffen
worden vervolgens bepaald door de Commissie of door de Raad al naar gelang het geval.
De Europese Gemeenschap heeft echter al voor 1983 een aantal communautaire richtlijnen ter
bescherming van de werknemers tegen monomere vinylchloride (1978) en asbest (1983) aangenomen.
Ter bescherming van de verbruikers is middels andere richtlijnen een verbod ingesteld op het op de
markt brengen van monomere vinylchloride als drijfmiddel in aërosols (1976) en bepaalde
brandwerende middelen in kinderkleding (1979, 1983).
Daarom moet op communautair niveau spoed gezet worden achter de indelings- en etiketterings-
werkzaamheden alsmede achter de uitwerking van als zodanig ingedeelde carcinogene stoffen.
Actie 25: Inrichten van een waarnemingspost en opstellen van een lijst van vermoedelijk carcinogene
chemische stoffen
De Commissie van de Europese Gemeenschappen zal met ingang van 1987 zelf een waarnemingspost
oprichten om zo snel mogelijk de gegevens betreffende verdachte stoffen te verzamelen.
Deze zal de juiste contacten leggen met de bevoegde organisaties, met name het IAK, ter vermijding
van dubbel werk en ten einde volgens bijgaand schema een communautaire lijst van te onderzoeken
stoffen op te stellen.
De beslissingen tot indeling en etikettering voor alle chemische stoffen worden door de Commissie
genomen in samenwerking met een commissie van nationale deskundigen. Sinds 1984 is deze
commissie bezig met vermoedelijk carcinogene stoffen en aan het eind van 1986 is slechts een vijftigtal
ingedeeld en geëtiketteerd met de waarschuwing „kan kanker veroorzaken". Er moet dus spoed gezet
worden achter de werkzaamheden op dit gebied.
Actie 26: Versneld tempo van de werkzaamheden op communautair niveau en instelling van een
speciale groep voor de indeling en etikettering van „carcinogene stoffen"
Hoewel het tempo in 1986 reeds is opgevoerd, zal de versnelling van het tempo voor de etiketterings-
en indelingswerkzaamheden van carcinogene stoffen van 1987 tot 1989 worden voortgezet, ten einde
een minimumcadens van 50 evaluaties per jaar te bereiken.
Op die manier zullen vóór eind 1989 ongeveer 200 stoffen bestudeerd zijn. Voor dit werk zal binnen
de Commissie een speciale groep „indeling en etikettering van carcinogene stoffen" worden
opgericht.
Tegelijkertijd daarmee moet de Europese Gemeenschap de nodige beslissingen nemen voor optimale
normen van gebruik van deze carcinogene of vermoedelijk carcinogene chemische stoffen, ten einde de
Nr. C 50/28 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Z
w
ü -
O
H
w
Z
w
ü
O
z
u
o
z 2
w Q
Z
W
pa
UÜ
w c-
O
D
w
w
Q
Z
>
w
U
z
w U*
O
H
W
z t i j
o
o
z
u
«:
u
Z
> H
_ l
z
w
w
Z
> Ü
z
—1
—1
tu
H
e. O
c
"Ü c
« 5
3 öfi
3 - =
E H
i"« O N
u.y
tu
H
C~
O
z
UJ
w
H
o:
o
V
Z
OJ
WH
O
H
UJ
H
X
U
Q
erf
>
_c
b! c
3 _id
i i
-o
•0
c
13
-a
e
WD
C
o
>
E
o U
_*
D.
Ö
£
-o
Q.
O
3
"5
^
-a
c
13
-X
c
o
c
c
u
-a
^
.
c
ÖJD
C O
«
c
E -o
.S cS
e
o c
Öll
e
F oU
o
o
T3
O
$
IS
e E
o U
-o
T )
f5
£
C
-a
h*n
i)
Q O
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/29
preventie van beroepskanker alsmede de bescherming van de verbruikers te verbeteren. Natuurlijk
betreft het hier een moeilijke taak, gezien de economische verwikkelingen welke kunnen voortvloeien
uit een beslissing tot het instellen van een verbod of uit het vaststellen van toelaatbare grenswaarden.
In dit eerste geval wordt de situatie gecompliceerder omdat er geen experimenten op mensen gedaan
kunnen worden en de bepaling van blootstellingsdrempels heel vaak zowel een politieke als een
wetenschappelijke keuze is.
Daaruit vloeit natuurlijk voort dat de overeenkomstige beslissingen genomen moeten worden na een
minutieus onderzoek zonder dat dit irrationele vertragingen veroorzaakt.
Voorgestelde actie 27: Goedkeuring van bij de Raad in behandeling zijnde richtlijnen (naftylamine,
aminodifenyl, nitrodifenyl, benzidine en benzeen) ter bescherming van de werknemers
Deze twee voorstellen voor een richtlijn zijn op het ogenblik bij de Raad in behandeling en moeten
uiterlijk eind 1987 goedgekeurd zijn. Zij hebben betrekking op stoffen die een rol heten te spelen bij
blaas- en ruggemergkanker (zie tabel 4).
Voorgestelde actie 28: Nieuwe richtlijnen inzake de bescherming van werknemers tegen carcinogene
stoffen
De Commissie van de Europese Gemeenschappen zal de Raad in 1987 andere voorstellen voor
richtlijnen ter bestrijding van beroepskanker voorleggen. Daartoe gaat zij uit van de lijst van een
vijftigtal chemische stoffen welke eind 1986 reeds geëtiketteerd zijn als zijnde eventueel kankerver-
wekkend. Zij kiest voor een aanpak per groep, dat wil zeggen dat iedere richtlijn de grenswaarden
vastlegt voor een bepaalde groep stoffen. Dit werk zal worden aangevuld naarmate nieuwe stoffen
ingedeeld en geëtiketteerd worden.
Voorgestelde actie 29: Verbetering van de praktische organisatie van de preventie van beroepskanker
in de onderneming, met inbegrip van voorlichting van werkgevers en werknemers
Vóór eind 1988 zal de Commissie voorstellen op dit gebied formuleren, ook voor de kleine en
middelgrote ondernemingen. Vanaf 1987 zal zij de opstelling en publikatie van passende informatie
over de preventie van beroepskanker aanmoedigen.
Tabel 4
Voorbeelden van carcinogene agentia en procédés en hun uitwerking op de mens
Voorbeelden
CARCINOGENE AGENTIA
Asbest
Aromatische aminen:
— 4-aminodifenyl en de zouten daarvan
— benzidine en de zouten daarvan
— 2-naftylamine en de zouten daarvan
— 4-nitrodifenyl
Benzeen
Bis-(chloromethyl)-ether
(Chloromethyl )-methyl-ether
Vinylchloride
Zinkchromaat
Arsenicumtrioxyde
CARCINOGENE PROCÉDÉS
Ondergrondse winning van hematiet (5)
Isopropylalcoholindustrie (*)
Lederindustrie (looien) (')
Zuivering van nikkel (!)
Lokalisatie van kanker
Longen, borstvlies, buikvlies
blaas
blaas
blaas
blaas
ruggemerg
longen
longen
lever (angiosarcoom)
longen
longen, huid
longen
neus en neusholte
neusholte
longen, neusholte
(') De specifieke component(en) verantwoordelijk voor een cancerogene uitwerking bij de mens zijn nog niet geïdentificeerd.
Nr. C 50/30 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Voorgestelde actie 30: Nieuwe maatregelen ter bescherming van het grote publiek tegen carcinogene
stoffen
Ten slotte zullen, op basis van de huidige lijst van het vijftigtal reeds ingedeelde en geëtiketteerde
stoffen, nieuwe voorstellen ter definitie van de optimale gebruiksvoorwaarden worden uitgewerkt
door de Commissie, met name in het kader van het vierde programma voor de bescherming van het
milieu (1987—1992).
IV. SYSTEMATISCHE SCREENING EN VROEGTIJDIGE DIAGNOSE
1. Inleidende opmerkingen
In een ideale wereld, die in een niet al te verre toekomst toegankelijk zou kunnen zijn — zo snel
verloopt de vooruitgang op deze gebieden — zouden alle vormen van kanker vroeg genoeg gescreend
of opgespoord moeten kunnen worden. In de realiteit van het heden is dit evenwel nog lang niet waar:
enerzijds bestaat er tot op de dag van vandaag voor sommige tumoren geen enkele betrouwbare
techniek, anderzijds kunnen economische overwegingen niet worden verhuld.
Bij sommige organen zoals dikke darm of baarmoederhals, wordt kanker heel vaak voorafgegaan
door precancereuze laesies: poliepen aan de dikke darm die zichtbaar zijn via colonoscopie of
precancereuze cellen van de baarmoederhals welke na een uitstrijkje geanalyseerd kunnen worden.
Met systematische screening bij risicopopulaties kan het ontstaan van kanker worden voorkomen
door eenvoudig de door deze laesies aangetaste delen weg te nemen.
Bij andere organen, vooral de borst, kan vroeg genoeg de diagnose van een tumor worden gesteld,
hetgeen de kansen op succes bij de toe te passen behandelingen vergroot. Door de recente vooruitgang
van het „zichtbaar kunnen maken" in de medische wetenschap, vooral de mammografie, kunnen
dergelijke tumoren hoe langer hoe vroeger opgespoord worden.
A. Baarmoederhalskanker
Sommige landen in Europa en Noord-Amerika hebben sinds de jaren '40 programma's voor screening
van baarmoederhalskanker opgezet. Er wordt gebruik gemaakt van de methode van een uitstrijkje,
ook wel PAP-test genoemd naar zijn uitvinder, de Griekse bioloog Georges Nicholas Papanicholaou
(1883—1962) die deze test in 1941 heeft uitgewerkt. Het Internationaal Agentschap voor
Kankeronderzoek (IAK) heeft in november 1984 een werkbijeenkomst ter evaluatie van de bestaande
programma's (') gehouden. De conclusie van deze vergelijkende enquête is dat de maximumbescher-
ming tegen baarmoederhalskanker bij een massale screening 90 % bedraagt voor de leeftijdsgroep van
20 tot 64 jaar, ongeacht of de test ieder jaar of om de drie jaar wordt gedaan. Deze maximale
bescherming daalt tot 80 % indien de test om de vijfjaar wordt gedaan. Gezien de in de Lid-Staten van
de Europese Gemeenschap uiteenlopende uitgangssituaties, is de commissie van Europese kanker-
specialisten van oordeel dat in dit stadium de volgende regel een redelijke bescherming moet bieden:
„laat vanaf 20 a 30 jaar met regelmatige tussenpozen van drie tot vijf jaar een uitstrijkje maken".
Uit recente waarnemingen in bepaalde landen zoals Denemarken en het Verenigd Koninkrijk is echter
gebleken dat de frequentie van invasieve kanker bij jonge vrouwen tussen 20 en 35 jaar tekenen van
stijging vertoont. Deze vaststelling leidt sommige oncologen tot de opvatting dat het van belang zou
kunnen zijn, de leeftijd waarboven regelmatig een uitstrijkje gemaakt moet worden te verlagen.
B. Borstkanker
Deze, bij vrouwen meest voorkomende, vorm van kanker veroorzaakt ongeveer een kwart van de
sterftegevallen bij vrouwen tussen 35 en 54 jaar; volgens de werkzaamheden van de Raad van Europa
kan borstkanker met verscheidende methoden vroegtijdig worden opgespoord. Een huisarts of een
patiënte die goed op de hoogte is, kan manueel kleine knobbeltjes van een tiental millimeter doorsnede
ontdekken. In meer dan driekwart van de gevallen zijn deze knobbeltjes goedaardig en mochten zij
kwaadaardig zijn, kunnen zij gemakkelijker behandeld worden.
(J) M. Hakama, J. Chamberlain, N. E. Day, A. B. Miller, P. C. Prorok, Evaluation Qf screening programmes for
gynaecological cancer, British Journal of Cancer, 1985, No 52, blz. 669-673.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/31
Over de technieken van het „zichtbaar kunnen maken" in de medische wetenschap lopen de meningen
uiteen. Thermografie of echografie blijken teleur te stellen daar zij niet nauwkeuriger gebleken zijn
dan een goede palpatie. Daarentegen heeft mammografie heel wat vooruitgang geboekt zowel vanuit
het gezichtspunt van de bescherming van de patiënten tegen ioniserende stralingen als vanuit het
gezichtspunt van een vroegtijdige diagnose.
Dit radiologisch onderzoek van de borst gaat namelijk verder dan de manuele methoden aangezien
daarmee knobbeltjes van enkele millimeters doorsnede ontdekt kunnen worden. Bovendien kan in het
algemeen bepaald worden of de gevonden tumor al dan niet kwaardaardig is.
Uit studies in de Verenigde Staten, Zweden en Nederland bij meerdere tienduizenden vrouwen die
gedurende een tiental jaren gevolgd zijn, blijkt dat de mortaliteit ten gevolge van borstkanker bij
personen boven de 50 die om de twee jaar een mammografie hebben laten maken, ongeveer 30%
gedaald is.
Gezien het in de meeste landen van de Europese Gemeenschap vastgestelde gebrek aan uitrusting en
gespecialiseerd personeel, blijft het systematisch teruggrijpen op mammografie evenwel in vele landen
een doel op lange termijn. In afwachting daarvan meent de commissie van Europese kankerspecia-
listen dat de borsten regelmatig moeten worden gecontroleerd en dat, indien mogelijk, boven de
50 jaar mammografieën moeten worden gemaakt.
C. Kanker van dikke darm en endeldarm
Deze boven de 45 jaar ook veel voorkomende vormen van kanker worden gekenmerkt door een hoge
mortaliteit, want de diagnose wordt heel vaak te laat gesteld. Met een van de systematische
screeningtests — het onderzoek van occult bloed in de ontlasting (hemocult) kunnen in principe
eenvoudig en goedkoop de precancereuze laesies (25%) of bloedende tumoren (75%) worden
opgespoord. In het verleden heeft deze test evenwel niet aan alle daarin gestelde verwachtingen
voldaan, maar tegenwoordig schijnt de toevlucht tot deze verbeterde test betere screeningsmogelijk-
heden te bieden.
Het rectaal toucher is een andere test ter vroegtijdige opsporing die gemakkelijk kan worden toegepast
door een ervaren huisarts. Met deze exploratietechniek kan iedere abnormale knobbel in de
endeldarm of aan de prostaat worden ontdekt. Ten slotte kunnen met de technieken van het
„zichtbaar kunnen maken" (zoals colonoscopie) de wanden van endel- en dikke darm worden
onderzocht na minutieuze voorbereiding van de patiënten. Dit moeilijke en lange onderzoek moet
alleen systematisch worden toegepast bij risicopatiënten die persoonlijke of familiale poliepenante-
cedenten hebben.
D. Andere tumoren
Voor de meeste andere tumoren: huidkanker (carcinomen of melanomen), kanker van lucht- en
spijsverteringswegen, moet men zichzelf controleren en zelf iedere abnormale verandering van het
organisme ontdekken (moedervlekken die van vorm veranderen of bloeden, aanhoudende heesheid,
abnormale knobbels, enz.). In dergelijke situaties moet onverwijld een huisarts worden geraad-
pleegd.
Ten slotte wekt de toepassing van de resultaten van recente onderzoeken inzake tumormarkers en
monoclone antilichamen die specifieke vormen van kanker kunnen identificeren, de hoop dat
bepaalde tumoren in de toekomst in een vroegtijdig stadium opgespoord kunnen worden.
2. Van 1987 tot 1989 geplande acties
In verscheidene delen van de Europese Gemeenschap bestaan screeningprogramma's voor borst- en
baarmoederhalskanker. Het zou nuttig zijn de uitwisseling van gegevens en ervaringen tussen deze
programma's te bevorderen en over te gaan tot een up to date evaluatie van de beschikbare nieuwe
methoden, daarbij rekening houdende met op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau bestaande
infrastructuren en middelen alsmede met de financiële implicaties.
Actie 31: Bevordering van een beleid van systematische screening en vroegtijdige opsporing van
baarmoederbals- en borstkanker
Met ingang van 1987 zal de Commissie in samenwerking met de gezondheidsdiensten van de
Lid-Staten nagaan welke beleidsvormen er bestaan en met welke middelen en wegen, op redelijke
Nr. C 50/32 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
termijn, in de Lid-Staten een beleid van systematische screening en vroegtijdige opsporing van borst-
en baarmoederhalskanker kan worden opgezet.
Voor de andere, frequente vormen van kanker, zoals kanker van dikke en endeldarm of prostaat, zijn
de door de gezondheidsdiensten van de Lid-Staten gevolgde of voorgenomen beleidslijnen zeer
uiteenlopend. In sommige gevallen wordt de validiteit ervan in twijfel getrokken. Voor deze vormen
van kanker kunnen echter duidelijk afgebakende risicopopulaties worden vastgesteld die op die
manier speciaal gevolgd kunnen worden.
Actie 32: Evaluatie en verbetering van het beleid van systematische screening en vroegtijdige
opsporing van andere veelvuldig voorkomende vormen van kanker
Met ingang van 1987 zal de Commissie de uitwisseling van ervaring tussen de Lid-Staten bevorderen
ten einde de doeltreffendheid van de bestaande programma's te evalueren om het rendement ervan te
verbeteren.
V. DE EUROPESE CODE VOOR KANKERPREVENTIE
Uit vorige resultaten is gebleken dat vele vormen van kanker vermeden kunnen worden. Zoniet
kunnen zij soms wel worden genezen, mits zij vroeg genoeg worden ontdekt. Deze algemene
overwegingen moeten natuurlijk in het juiste verband gezet en ter kennis van het grote publiek, van
docenten en artsen gebracht worden. Het gaat hier om een fundamentele taak van de overheid op alle
niveaus.
Op Europees vlak echter zou het utopisch zijn om al te zeer in details te treden, vooral op het gebied
van de voeding. De voedingsgewoonten zijn immers een integraal onderdeel van de cultuur van een
gemeenschap.en lopen van land tot land, zelfs van streek tot streek of van stad tot stad sterk
uiteen.
Toch zijn de twaalf vooraanstaande kankerspecialisten die de Commissie hebben geholpen om dit
actieplan uit te werken, van mening dat het mogelijk en wenselijk is om op Europees niveau een paar
voor alle Europeanen begrijpelijke en aanvaardbare regels op te stellen. Deze kleinste gemeenschap-
pelijke noemer vormt wat men een „Europese code voor kankerpreventie" zou moeten noemen. Hij
bestaat uit tien eenvoudige regels en zou ook de „Tien Europese gulden regels voor de bestrijding van
kanker" genoemd kunnen worden. In dit stadium zijn zij nog maar provisorisch geformuleerd, de
definitieve tekst zal in het eerste halfjaar van 1987 worden opgesteld.
VOORLOPIGE VERSIE VAN DE „EUROPESE CODE VOOR KANKERPREVENTIE"
Voorwoord
Deze code vormt een integrerend deel van het actieplan 1987—1989 van het programma „Europa
tegen kanker". Dit plan omvat de gebieden kankerpreventie, voorlichting en gezondheidseducatie van
het publiek, kankeropleiding van gezondheidswerkers en kankeronderzoek.
Kanker kan vermeden worden.
1. Rook niet. Indien u het absoluut niet kunt laten, neem dan sigaretten met laag teergehalte en rook
geen andere (1).
2. Wees matig met alcohol.
3. Eet vetarm en vermijd overgewicht.
4. Eet voldoende vers fruit en verse groenten.
5. Gebruik voldoende voedingsvezels.
6. Vermijd zoveel mogelijk plotselinge, intensieve en langdurige blootstelling aan de zon, vooral
voor kinderen of indien u daaraan niet gewend bent.
i1) In de landen waar dit van toepassing blijkt, kan deze regel worden aangevuld met „Pruim of snuif geen
tabak".
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/33
Bepaalde vormen van kanker kunnen genezen worden indien zij vroeg genoeg opgespoord
worden.
7. Laat vanaf 20 a 30 jaar met regelmatige tussenpozen van drie a vijf jaar een uitstrijkje
maken.
8. Ga naar uw huisarts indien u merkt dat een moedervlek bloedt of van vorm of kleur
verandert.
9. Controleer regelmatig uw borst en laat indien mogelijk boven de 50 jaar mammografieën
maken.
10. Ga naar uw huisarts indien u een knobbeltje of een abnormaal bloeden ontdekt, indien u blijft
hoesten of hees blijft.
Actie 33: Omzetting in gewone taal van de „Europese code voor kankerpreventie"
In nauwe samenwerking met informatici zullen deze tien Europese gulden regels in mediavorm
worden gegoten in alle landen van de Europese Gemeenschap en wel vóór het eind van het eerste
halfjaar 1987.
Natuurlijk kunnen deze Europese gulden regels ook worden aangevuld en aangepast aan de speciale
omstandigheden in ieder land . . . en van iedere Europeaan.
In de landen waar gewoonlijk wijn wordt gedronken, kan bijvoorbeeld de tweede gulden regel worden
aangevuld met een indicatie van de maximaal verdraagbare hoeveelheid per dag.
Evenzo kan een arts deze gulden regels aanpassen aan zijn patiënten. Bijvoorbeeld kan hij een
verstokte roker die het niet kan laten om te roken, aanbevelen sigaretten met een gering teergehalte
(minder dan 10 mg) en in een geringe hoeveelheid te roken (minder dan vijf per dag).
Bovendien verhindert niets een land om nog verder te gaan dan de voorgaande regels op het gebied van
de systematische screening en vroegtijdige opsporing. De regel van het uitstrijkje per drie jaar kan
worden toegepast vanaf het begin van het seksuele leven, ook al is de betrokkene nog geen 20 jaar
oud.
Willen al deze voorgaande acties, die gericht zijn op de bevordering van een betere preventie,
systematischer screening en vroegtijdiger diagnose van kanker, doeltreffend zijn, dan moet de
bevolking goed voorgelicht en geëduceerd zijn en moeten de gezondheidswerkers een op dit punt
goede opleiding genoten hebben.
HOOFDSTUK 2
VOORLICHTING EN GEZONDHEIDSEDUCATIE INZAKE KANKER
Alle kankerspecialisten zijn sinds enkele jaren twee opvallende feiten verblindend duidelijk
geworden:
— niet alleen kunnen de meeste vormen van kanker vermeden worden, maar
— vele vormen die niet vermeden konden worden, kunnen genezen worden mits zij vroeg genoeg
opgespoord worden.
Deze twee onweerlegbare feiten zijn echter grotendeels onbekend bij het grote publiek. Zodra er
sprake is van kanker, blijft obscurantisme vaak regel. Dientengevolge kan het veertigtal voorgestelde
communautaire acties op het gebied van preventie, screening en vroegtijdige opsporing alleen volledig
effect sorteren als zij aangevuld worden met voorlichtings- en gezondheidseducatiecampagnes voor
jongeren en volwassenen.
In verscheidene Europese landen worden dergelijke campagnes met min of meer regelmatige
tussenpozen reeds gevoerd door de overheid of door particuliere organisaties zoals nationale
kankerbestrijdingsliga's en -verenigingen. De Europese kankerspecialisten zijn het er unaniem over
eens dat deze nuttige en noodzakelijke acties moeten worden versterkt en aangevuld met een Europese
campagne.
Nr. C 50/34 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Natuurlijk kan deze Europese actie niet in de plaats komen van alles wat op nationaal vlak reeds is
gedaan — of nog gedaan zal worden. Daarentegen kan zij de doeltreffendheid van de nationale acties
versterken als zij zich de volgende drie punten ten doel stelt en deze weet te bereiken:
— allereerst jongeren en volwassenen er bewust van maken dat een Europese bundeling van
inspanningen, bronnen en ervaringen de beste garantie blijft voor het bereiken van resultaten in de
kankerbestrijding. De elementaire preventieregels van kanker die goedgekeurd zijn door de
commissie van Europese kankerspecialisten zouden dan ook een grotere bewijs- en overtuigings-
kracht bij de Europeanen moeten hebben;
— vervolgens een reeks besparingen bereiken door — onder vermijding van nutteloos en kostbaar
dubbel werk — gezamenlijk basismodulen voor voorlichting en gezondheidseducatie van het grote
publiek samen te stellen. Natuurlijk kunnen deze basismodulen vervolgens worden aangepast aan
de verschillende nationale en regionale culturen;
— tenslotte de uitwisseling van ervaringen bevorderen tussen de verschillende deelnemers in de
Europese landen, ten einde zoveel mogelijk profijt te trekken van de successen welke hier en daar
op het gebied van voorlichting en gezondheidseducatie van het grote publiek zijn geboekt en van de
mislukkingen welke zich hebben voorgedaan.
I. VOORLICHTING VAN HET GROTE PUBLIEK
Een Europese voorlichtingscampagne zou zich vooral moeten richten op de preventie van kanker,
omdat op dat gebied de handelingsmarge van het individu het grootst is en de kansen op succes het
grootst schijnen te zijn.
Het gaat erom het grote publiek te sensibiliseren voor de strijd tegen het roken, de verbetering van de
voeding, de strijd tegen carcinogene agentia, systematische screening en vroegtijdige opsporing van
kanker. Een van de hoekstenen van een dergelijke campagne wordt natuurlijk de „Europese code voor
kankerpreventie". Het doel is, de Europeanen ervan te overtuigen hun levenswijze aan te passen aan
de noodzaak van een goede kankerpreventie en onderzoek en tests te laten doen om iedere boosaardige
tumor vroeg genoeg op te sporen.
Wil deze eerzuchtige boodschap bij het grote publiek aanslaan, moet er gedurende minstens drie jaar
doorlopend actie gevoerd worden. Een door de IAA (International Advertising Association) gemaakte
analyse (*) van de tussen 1981 en 1983 gevoerde grote voorlichtingscampagnes heeft uitgewezen dat
de boodschap in het beste geval in het geheugen geprent is door
— 15% van de doelgroep aan het eind van het eerste jaar,
— 30% van de doelgroep aan het eind van het tweede jaar,
— 60% van de doelgroep aan het eind van het derde jaar.
Dergelijke gegevens rechtvaardigen dus het beginsel van een meerjarige voorlichtingscampagne die in
1989 zou moeten culmineren in een „Europees Kankervoorlichtingsjaar" op het gebied van preventie,
screening en behandeling. Maar eerst moet een inventaris worden gemaakt van wat er op nationaal
niveau op het gebied van voorlichting van het grote publiek inzake kankerpreventie aan know-how en
ervaring bestaat.
Actie 34: Opstelling van een Europese lijst van particuliere kankerbestrijdingsorganisaties
Vanaf begin 1987 moeten de vele particuliere deelnemers die op een of andere manier kunnen
bijdragen tot het succes van het programma „Europa tegen kanker" (nationale kankerbestrijdingsli-
ga's en -verenigingen, nationale anti-rookcomités, enz.) geïdentificeerd worden.
In sommige landen, bijvoorbeeld in Duitsland of Nederland, is de situatie eenvoudig omdat er maar
één enkele federatie bestaat. In andere gevallen heerst er absoluut geen eenheid, bij voorbeeld in
België, waar een dertigtal particuliere kankerbestrijdingsorganisaties bestaan.
Deze Europese lijst moet ook aangeven welke taken al deze verschillende deelnemers verricht hebben:
particuliere financiering van het onderzoek? Voorlichting over en sensibilisering van het grote publiek
(*) „European Community Survey of Public Information Campaign 1981 —1983", studie van de International
Advertising Association voor de Commissie van de Europese Gemeenschappen, mei 1984.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/35
voor kankerpreventie? Begeleiding van zieken en hun familie? Wat dit laatste betreft, zal de lijst ook
nuttig zijn voor zieken die in Europa onderweg zijn en op die manier weten waar zij, in geval van nood,
hulp kunnen vinden.
Bovendien zullen de particuliere organisaties die het publiek reeds voor kankerpreventie sensibilise-
ren, een beslissende rol spelen in het succes van het programma „Europa tegen kanker". Deze
deelnemers beschikken namelijk reeds over vrij wat voorlichtingsmateriaal, zoals maand- of
kwartaalbladen met een oplage van honderdduizenden, zo geen miljoenen exemplaren. Bovendien
beschikken deze organisaties over een lange ervaring op het gebied van voorlichtings- en
sensibiliseringscampagnes van het grote publiek; zowel hun successen als hun tegenslagen kunnen zeer
leerzaam zijn.
Actie 35: Vergelijkend overzicht van particuliere of overheidscampagnes inzake kankerpreventie
In 1987 zal zo spoedig mogelijk met een dergelijke vergelijkende studie worden begonnen.
Nu al zijn er aanwijzingen dat de campagnes die meer nadruk leggen op de positieve aspecten („rook
niet, dan hebt u niet zo'n slechte adem") (x) betere resultaten hebben dan de campagnes die de
risicofactoren aan de kaak stellen („roken veroorzaakt longkanker"). De conclusies van deze
vergelijkende studie zullen natuurlijk gebruikt worden voor het ontwerpen en plannen van de
Europese campagne 1987—1989.
1. In 1987 te voeren acties
In dit eerste jaar zal het „Europa tegen kanker"-programma trachten het grote publiek te sensibiliseren
voor de kankerpreventie, maar het ligt niet in de bedoeling bij de grote media reclameruimte te kopen.
De benodigde begrotingsmiddelen zijn dan ook gering en worden op 500 000 Ecu geraamd.
Actie 36: Sensibilisatie van de media voor de kankerpreventie en voor het programma „Europa tegen
kanker"
Begin 1987 zal via openbare inschrijving een reclamebureau worden geselecteerd met een afdeling
„public relations" om de media in alle landen van het Europa van de Twaalf te sensibiliseren voor het
Europese kankerbestrij dingsprogramma.
Dit reclamebureau moet er vooral voor zorgen dat de grote media voldoende aandacht besteden aan de
volgende evenementen:
— de Raad van ministers van gezondheid, die op 15 mei 1987 de grote lijnen van dit communautaire
actieplan 1987—1989 moet goedkeuren;
— de publikatie in september 1987 van een „Eurobarometer" over de houding va*n de Europeanen ten
opzichte van kanker en de preventie daarvan;
— uitzending op verschillende Europese televisiekanalen — najaar 1987 — van een populair-we-
tenschappelijk televisieprogramma over kankerpreventie;
— in december 1987 een grote manifestatie ter afsluiting van het eerste jaar van het programma
„Europa tegen kanker"; tijdens deze manifestatie zullen de voor 1988 en 1989 voorgenomen acties
worden voorgesteld.
Bij al deze gelegenheden zal natuurlijk de „Europese code voor kankerpreventie" worden uitgedeeld
die dan in alle negen talen van de Europese Gemeenschap in voor het grote publiek begrijpelijke taal
beschikbaar zal zijn.
Actie 37: Een „Eurobarometer" over de houding van de Europeanen ten opzichte van kanker en de
preventie ervan
Aan de hand van een in nauwe samenwerking met Europese kankerspecialisten opgestelde vragenlijst
zal in maart en april 1987 een opiniepeiling worden gehouden onder de Europeanen om te weten te
komen in hoeverre en onder welke aspecten zij zich bij kanker en de preventie ervan betrokken
voelen.
i1) De slagzin „Kiss a non-smoker and see the difference" („Een zoen van een niet-roker is toch heel anders") welke
in enkele Angelsaksische landen wordt gebruikt, schijnt vooral onder de jongeren goed aangeslagen te
zijn.
Nr. C 50/36 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Deze enquête zal voor rekening van de Commissie door gespecialiseerde instituten worden uitgevoerd
in het kader van de traditionele „Eurobarometers" die sinds 1974 tweemaal per jaar onder
representatieve steekproeven van de bevolking van alle twaalf landen van de Europese Gemeenschap
worden gehouden. In totaal zullen ongeveer 12 000 personen van 15 jaar of ouder thuis mondeling
worden ondervraagd, vooral om te weten te komen in hoeverre zij de „Europese code voor
kankerpreventie" kennen.
De brutoresultaten van deze eerste enquête moeten begin juni en de samenvatting begin september
1987 beschikbaar zijn. Aangezien het onderwerp zo belangrijk is en een dergelijke internationale
vergelijking iets volkomen nieuws is, zullen de resultaten waarschijnlijk door wetenschappelijke en
medische kringen, particuliere kankerbestrijdingsorganisaties, pers, radio en televisie verwerkt en
becommentarieerd worden, zodat de boodschappen over kankerpreventie vanzelf in brede kringen
bekendheid krijgen.
De leden van de Europese commissie van kankerspecialisten en de vertegenwoordigers van nationale
kankerbestrijdingsliga's en -verenigingen kunnen ook bijdragen tot de verspreiding van de boodschap
als zij deelnemen aan de persconferenties tijdens de publikatie van de resultaten van deze
„Eurobarometer".
Actie 38: Bijdrage aan de financiering van populair-wetenschappelijke televisie-uitzendingen over
kankerpreventie
De Europese Gemeenschap zal een deel van een Europese televisie-uitzending over het onderwerp
„levenswijze en kanker" financieren; dit programma zal in het najaar 1987 via verschillende Europese
televisiekanalen worden uitgezonden.
Een populair-wetenschappelijke televisie-uitzending is inderdaad bij uitstek een instrument om de
boodschap van de kankerpreventie in het geheugen van de Europeanen te prenten. Er zal op prettige
en duidelijke manier worden geïllustreerd hoe de vele uiteenlopende voedingsgewoonten en
levenswijzen in Europa zowel nationaal als regionaal verband kunnen houden met een niet minder
grote verscheidenheid van kankerfrequentie.
Bovendien ligt het, om meer nadruk te leggen op de grote verscheidenheid van nationale culturen, in de
bedoeling op soortgelijke manier tewerk te gaan als in 1986 bij het programma „The Origins of Man"
(„De oorsprong van de mens"). Aan de hand van een gemeenschappelijk door de acht betrokken
landen opgesteld plan en een kern van identieke beelden is de film uiteindelijk in de studio's van de BBC
te Londen gemonteerd met presentatoren uit alle deelnemende landen; zodoende werden de
taalproblemen opgelost en konden de culturele verschillen gerespecteerd worden. De Commissie van
de Europese Gemeenschappen denkt bij voorkeur aan een dergelijke opzet, vooral ook omdat op deze
manier aanzienlijke besparingen mogelijk zijn.
Actie 39: Verspreiding van de „Europese code voor kankerpreventie" ter gelegenheid van culturele en
sportmanifestaties onder auspiciën van de Europese Gemeenschappen
Met ingang van 1987 zal de Commissie ervoor zorgen dat de acties welke gewoonlijk onder haar
voorlichtingsbeleid ressorteren, ook zullen dienen voor de verspreiding van de „Europese code voor
kankerpreventie".
Vooral de Europese sportmanifestaties zoals de wielerwedstrijd van de „Tour de l'avenir" van de
Europese Gemeenschap zijn een van de gunstigste gelegenheden om het grote publiek boodschappen
over kankerpreventie mede te delen. Het onderwerp „Sport en kankerpreventie" is namelijk niet alleen
een van de meest ter zake doende — iedere bewuste sportbeoefenaar respecteert minstens de eerste drie
Europese gulden regels: rook niet, wees matig met alcohol, vermijd overgewicht — maar slaat vooral
bij de jongeren aan.
Bovendien zullen de in 1987 in verscheidene Europese steden te geven buitengewone concerten ter
viering van de dertigste verjaardag van de ondertekening van het Verdrag van Rome benut worden om
het grote publiek voor te lichten over het programma „Europa tegen kanker". De bij deze gelegenheid
ingezamelde gelden zullen hoofdzakelijk worden overgemaakt aan organisaties die zich met de
kankerpreventie bezighouden.
Actie 40: Manifestatie ter afsluiting van het eerste jaar van het programma „Europa tegen
kanker"
In december 1987, en indien mogelijk tijdens de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders
te Kopenhagen, zal met enige plechtigheid de eerste verjaardag van het programma „Europa tegen
kanker" gevierd worden en zullen officieel de voor 1988 en 1989 voorgenomen acties worden
aangekondigd.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/37
Actie 41: Voorbereiding van in 1989, het „Europese Kankervoorlichtingsjaar", te voeren acties
Reeds in het tweede halfjaar van 1987 zal de Commissie beginnen met de voorbereiding van acties die
vanaf 1988 gevoerd moeten worden en zich daarbij vooral concentreren op de voorlichtingscampagne
voor 1989, het „Europese Kankervoorlichtingsjaar" op het gebied van preventie, screening en
behandeling. Bij deze voorbereiding zal zij worden bijgestaan door een reclame- en public
relationsbureau en nauw samenwerken met de particuliere kankerbestrijdingsorganisaties; bovendien
zal het twintigtal over het Europa van de Twaalf verspreide pers- en voorlichtingsbureaus van de
Commissie worden gemobiliseerd.
2. Voorstellen voor acties in 1988
Dank zij de in 1987 gevoerde acties zal de Europese publieke opinie ongetwijfeld minstens drie of vier
maal door de media gesensibiliseerd zijn voor de „Europese gulden regels voor kankerpreventie". Als
men de beroepsmensen uit de mediawereld mag geloven, zal echter nog geen zesde van de Europeanen
deze preventieboodschap onthouden hebben.
Om de behaalde resultaten te consolideren en uit te breiden, moet de in 1987 gestarte voorlichtings- en
sensibiliseringscampagne in 1988 worden versterkt. Daartoe, en op basis van de aanbevelingen van de
mediaspecialisten en van de Europese commissie van kankerspecialisten, beveelt de Commissie aan in
1988 een „Europese week tegen de kanker" te organiseren. In die periode zullen bij wijze van proef de
Europese gulden regels voor de kankerpreventie met alle beschikbare middelen worden verspreid,
inclusief door het kopen van reclameruimte in de pers, op de radio en op de televisie.
Op basis van de door bovengenoemde studie van de IAA verstrekte ramingen en gezien het feit dat er
wegens het speciale belang van de uit te zenden boodschap moet kunnen worden onderhandeld over
voorkeurstarieven, mogen de kosten van deze multimediacampagne ongeveer 7 miljoen Ecu belopen.
Daarbij komen natuurlijk nog de kosten van begeleidende acties van deze „Europese week", die
ongeveer 1,5 miljoen Ecu zouden mogen bedragen.
Voorgestelde actie 42: Organisatie van een „Europese kankerpreventieweek"als test voor de in 1989,
het „Europese Kankervoorlichtingsjaar", te houden campagne
Deze Europese week die begin juni of begin september gehouden zou kunnen worden, vormt het
hoogtepunt van de kankerpreventiecampagne 1988 en is bedoeld als voorbereiding op 1989 - het
„Europese Kankervoorlichtingsjaar". In die week zullen de te verspreiden preventieboodschappen
getest worden.
Er zal reclameruimte in de pers, op de radio en op de televisie worden gekocht ter verspreiding van de
voornaamste Europese gulden regels voor kankerpreventie. Het reclame- en public relationsbureau
dat de Commissie ter zijde staat, zal ervoor zorgen dat de boodschappen in een voor de media
geschikte vorm gegoten worden. Natuurlijk kunnen deze boodschappen worden toegesneden op en
aangepast aan de verschillende populaties.
Tegelijkertijd zal naast deze mediacampagne een public relationscampagne worden gehouden met
uitzendingen op radio en televisie - indien mogelijk in Eurovisie - alsmede met zeer uitgebreide
artikelen en verslagen van gebeurtenissen in verband met deze „Europese kankerweek".
De overheids- en particuliere kankerbestrijdingsorganisaties zullen nauw betrokken worden bij de
voorbereiding en uitvoering van deze actieweek. Bovendien kunnen de particuliere organisaties tijdens
deze sensibiliseringsperiode van het publiek gelden inzamelen, indien dit met hun doelstellingen
strookt.
Ten slotte spreekt het vanzelf dat, wil deze „Europese week" volledig tot zijn recht komen, het gehele
jaar 1988 omlijst zal worden door allerlei voorlichtings- en sensibiliseringsacties van het grote
publiek.
Voorgestelde actie 43: Uitbreiding in 19&8 van de in 1987 gevoerde voorlichtings- en sensibili-
seringsacties inzake kankerpreventie
Ten behoeve van de continuïteit en de doeltreffendheid moeten de in 1987 gevoerde acties in 1988
worden voortgezet. Bij voorbeeld:
— moeten in maart—april en september—oktober 1988 controle-„Eurobarometers" worden
gemaakt ter beoordeling van het effect van de in 1987 en 1988 gevoerde acties;
Nr. C 50/38 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
— de „Eurobarometer" van 1987 zal in maart—april 1988 met een „Eurobarometer" inzake de
houding van de huisartsen ten aanzien van kanker, de preventie en de behandeling ervan worden
aangevuld. Met de op grote schaal in de medische pers verspreide resultaten kan dan de op het
gebied van de huisartsenopleiding te volgen strategie nader worden vastgelegd (zie hoofd-
stuk 3);
— zal financiële hulp worden toegekend aan Europese televisie-uitzendingen die het grote publiek
voor kankerpreventie sensibiliseren;
— zal de „Europese code voor kankerpreventie" tijdens culturele en sportmanifestaties onder
auspiciën van de Europese Gemeenschap worden uitgedeeld;
— zal eind 1988 een grote manifestatie de opening van het „Europese Kankervoorlichtingsjaar" op
het gebied van preventie, screening en behandeling inluiden.
3. Voorstellen inzake het Europese Kankervoorlichtingsjaar (1989)
De in 1987 gelanceerde en in 1988 geconsolideerde Europese campagne ter preventie van kanker moet
in 1989 culmineren in een „Europees Kankervoorlichtingsjaar". Deze suggestie van het Europese
Comité van Kankerspecialisten is in juli 1986 door de Commissie gesteund, terwijl in december 1986
op de Europese Raad te Londen in principe daartoe is besloten. De grote lijnen van deze actie moeten
worden vastgelegd tijdens de zitting van mei 1987 van de Raad van ministers van gezondheid van de
Europese Gemeenschap. De kosten van dit „Europese Kankervoorlichtingsjaar" mogen de 12,5
miljoen Ecu niet overschrijden.
De in 1989 te voeren acties stoelen vanzelfsprekend op de in 1987 en 1988 gehouden tests om het grote
publiek rechtstreeks te sensibiliseren. Zij moeten bovendien worden aangevuld met op de
gezondheidswerkers en docenten gerichte acties, die de boodschap van de kankerpreventie ook
doeltreffend aan jongeren en volwassenen kunnen doorgeven.
Voorgestelde actie 44: Sensibilisering van docenten en gezondheidswerkers voor de verspreiding van
de „Europese gulden regels voor kankerpreventie"
Een dergelijke actie zal in 1987 en 1988 in het kader van het onderdeel „Gezondheidseducatie" en het
onderdeel „Opleiding van gezondheidswerkers" van het programma „Europa tegen kanker"
grotendeels voorbereid zijn.
Om deze belangrijkste deelnemers aan een coherente en doeltreffende strategie voor kankerpreventie
te bereiken, kunnen de volgende hulpmiddelen worden gebruikt: publikatie van duidelijke en
begrijpelijke voorlichtingsbulletins; verspreiding van kleine aanplakbiljetten over de „Europese code
voor kankerpreventie"; beschikbaarstelling van aantrekkelijk en doeltreffend pedagogisch materiaal,
enzovoort.
Voorgestelde actie 45: Organisatie in 1989 van een populair-wetenschappelijke campagne in de
verschillende media: „De twaalf dagen van de Twaalf tegen kanker"
Deze actie is in verbeterde vorm een uitbreiding van de „Europese week" van 1988. Het definitieve
programma zal worden voorbereid en uitgevoerd met medewerking van het reclame- en public
relationsbureau dat de Commissie ter zijde staat en in nauwe samenwerking met de overheids- en
particuliere kankerbestrijdingsorganisaties.
Voorgestelde actie 46: Uitbreiding in 1989 van de in 1987 en 1988 gevoerde voorlichtings- en
sensibiliseringsacties ter bestrijding van kanker
De in 1987 en 1988 opgedane ervaring zal benut worden in het „Europese Kankervoorlichtingsjaar"
ter uitbreiding en aanvulling van de acties welke de media en het grote publiek de vorige twee jaar
geïnteresseerd hebben.
II. GEZONDHEIDSEDUCATIE
Het grote publiek voorlichten en sensibiliseren is één ding, maar het van gedrag laten veranderen is iets
heel anders. Toch verlangt kankerpreventie dat tal van door persoonlijke ervaring of culturele traditie
verworven gewoonten veranderd of zelfs afgeschaft worden.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/39
Dergelijke wijzigingen komen natuurlijk niet alleen tot stand onder invloed van de Europese
campagne of de van 1987 tot 1989 gevoerde nationale voorlichtingscampagnes. Niets is namelijk
moeilijker te veranderen dan sociaal gedrag.
Het is een kwestie van standvastigheid en volharding; een dergelijke actie duurt lang, vooral als men
weet dat de kansen op succes des te kleiner zijn naarmate iemand op latere leeftijd begint. Daarom
moeten alle Europeanen op zo jeugdig mogelijke leeftijd door cursussen gezondheidseducatie
gesensibiliseerd worden. Een dergelijke taak behoort vooral tot de verantwoordelijkheid van de
leerkrachten en hun plaatselijke, regionale of nationale toezichthoudende instanties. De Europese
Gemeenschap kan echter een belangrijke bijdrage leveren indien zij de drie doelstellingen welke in dit
tweede hoofdstuk uiteengezet zijn, invoert (verspreiding van de Europese gulden regels voor
preventie, velerlei besparingen, en uitwisseling van ervaringen).
Actie 47: Opstelling van een vergelijkend overzicht van de programma's gezondheidseducatie op de
scholen in Europa
In 1987 zal een vooral op de omvang van de kankerpreventie gericht vergelijkend overzicht worden
gemaakt van de op de scholen in Europa gegeven programma's voor gezondheidsopvoeding.
Voorgestelde actie 48: Uitwerking van voorstellen ter verbetering van de programma's voor
gezondheidseducatie op de scholen
In 1988 zal de Commissie de Raad op basis van de resultaten van de vorige enquête voorstellen ter
verbetering van de gezondheidsopvoeding van de jonge Europeanen doen.
Bovendien zal ook een evaluatie worden gemaakt van de documentatie en het beschikbare
pedagogische materiaal (tekstboeken, software, spelmateriaal en videocassettes).
Voorgestelde actie 49: Beschikbaarstelling van pedagogisch materiaal op het gebied van gezond-
heidseducatie
Met ingang van 1988 en vooral in 1989 zal de Europese Gemeenschap ter gelegenheid van het
„Europese Kankervoorlichtingsjaar" bijdragen tot de vertaling en verspreiding van het meest geschikt
geachte pedagogische materiaal.
Met de opkomst van de televisie zal de gezondheidseducatie zich ten slotte niet meer alleen tot de
jongeren richten, maar voortaan ook toegankelijk zijn voor volwassenen. Sommige televisiepro-
gramma's, vooral in Nederland en Groot-Brittannië, beschikken op dit gebied over een zeer
interessante ervaring. Enerzijds gaat het om programma's die meer in het bijzonder gericht zijn op de
Europese gulden regels betreffende systematische screening en vroegtijdige opsporing van de meest
voorkomende vormen van kanker en anderzijds om uitzendingen bestemd voor zieken en hun familie
en gewijd aan methoden voor behandeling en begeleiding van de ziekte.
Voorgestelde actie 50: Bijdrage tot de financiering van televisie-uitzendingen op het gebied van de
gezondheidseducatie inzake preventie en behandeling van kanker
Vanaf 1988 zal de Commissie het opstellen van televisieprogramma's voor gezondheidseducatie
volgens de in actie 38 geschetste modaliteiten aanmoedigen.
Via deze Europese campagne van voorlichting en gezondheidseducatie ter preventie van kanker zal
worden aangetoond dat twaalf landen, negen talen en minstens evenveel verschillende culturen een
levende gemeenschap kunnen vormen die openstaat voor de directe zorgen van al zijn leden. Bij uitstek
een voorbeeld van een Europa van de burgers.
HOOFDSTUK 3
OPLEIDING VAN GEZONDHEIDSWERKERS
I. OPLEIDING EN DE STRIJD TEGEN KANKER
Gezondheidswerkers, of dat nu huisartsen, specialisten of verpleegkundigen zijn, hebben een
beslissende rol te spelen in de strijd tegen kanker. Niettemin zijn de Europese oncologen algemeen van
oordeel dat de huidige situatie in Europa verbeterd moet worden. Aan de ene kant zijn er veel te weinig
Nr. C 50/40 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
specifieke gezondheidswerkers (verpleegkundigen en specialisten) op het gebied van de behandeling;
aan de andere kant zijn de opleidingsprogramma's voor gezondheidswerkers niet altijd goed
aangepast aan de huidige noden, zoals blijkt uit onderstaand kort overzicht.
1. Huisartsen
In de strijd tegen kanker staan de huisartsen in de frontlijn. Het spontane vertrouwen dat in hen gesteld
wordt en hun voortdurende contacten met hun patiënten, maken van de huisartsen hoekstenen van
ieder beleid van preventie, systematische screening en vroegtijdige opsporing van kanker. Hun
opleiding op deze verschillende gebieden is dus essentieel en het is van groot belang dat zij tijdens hun
studie:
— algemene kennis opdoen over de vele verschillende vormen van kanker, de essentiële kenmerken
ervan en de beste manier om ze aan te pakken: preventie, vroegtijdige opsporing, of behandeling.
Bij sommige tumoren moet de nadruk bijvoorbeeld worden gelegd op preventie (bijvoorbeeld
vermijd longkanker door niet te roken); bij andere vormen (zoals kanker van de baarmoederhals)
moet de aandacht op systematische screening geconcentreerd worden; en tenslotte, bij weer andere
vormen (zoals kanker van de testes), is behandeling het belangrijkste, vooral daar deze vormen van
kanker in de meeste gevallen genezen kunnen worden;
— bekendheid krijgen met de meest voorkomende vormen van kanker welke een huisarts
waarschijnlijk regelmatig bij zijn dagelijkse werk tegenkomt;
— speciale kennis verwerven van de meest courante preventieve maatregelen welke zij hun patiënten
moeten aanbevelen;
— de bekwaamheid opdoen om zowel een eenvoudig uitstrijkje te maken als eenvoudig manueel
onderzoek zoals palpatie van de borst of vaginaal of rectaal onderzoek te doen ten einde bepaalde
soorten tumoren vroegtijdig te kunnen opsporen;
— behoorlijke kennis verwerven van de populaties met een hoog kankerrisico en van de technieken
van systematische screening welke in het laboratorium of in het ziekenhuis beschikbaar zijn.
Hebben zij die niet, dan is dat nadelig voor de gezondheid van de patiënten. Onvoldoende kennis
van de optimale voorwaarden voor gebruik van deze technieken kan zeer kostbaar zijn voor de
samenleving als het leidt tot een inopportune toename van het aantal recepten;
— algemene kennis opdoen van de huidige mogelijkheden voor behandeling en van de grote successen
welke in de strijd tegen kanker reeds geboekt zijn. Onkundigheid op dit gebied ligt ten grondslag
aan het taboe dat een aantal artsen weerhoudt om openlijk met hun patiënt over hun ziekte te
spreken. En als de patiënt slecht ingelicht is, kan het heel goed gebeuren dat hij verkeerd reageert,
op die manier de behandeling vertraagt en zodoende een positief resultaat in de weg staat.
Ter verbetering van de huidige situatie moet het aantal en de kwaliteit van de docenten verhoogd of het
aantal studenten verlaagd worden, de inhoud van de cursussen bijgewerkt worden en moet met
moderne pedagogische middelen gewerkt worden, in het bijzonder met audiovisueel materiaal en met
fantomen voor het aanleren van de manuele handelingen voor systematische screening en vroegtijdige
opsporing. Tenslotte moet bij de universitaire opleidingsprogramma's ook rekening worden
gehouden met het feit dat de huisarts hoe langer hoe meer een actieve rol moet spelen in de behandeling
thuis van patiënten met bepaalde vormen van kanker.
Nu is het juiste moment om rekening te houden met deze waarnemingen, omdat de landen van het
Europa van de Twaalf bezig zijn hun nationale voorschriften aan te passen aan de richtlijn welke de
Raad van de Europese Gemeenschappen op 15 september 1986 heeft goedgekeurd. Op grond van
deze richtlijn moeten de Lid-Staten uiterlijk in 1990 een speciale opleiding voor huisartsen van
minstens twee jaar invoeren, na de minimaal zes jaar durende verplichte algemene medische studie,
zoals vastgelegd in de communautaire richtlijnen van 1975.
2. Specialisten en oncologen
(NB: aan de benaming „oncoloog" — afgeleid van het Griekse „oncos" = gezwel — wordt in het
algemeen de voorkeur gegeven boven het synoniem „canceroloog" — van het Latijnse „cancro" =
kreeft).
De laatste twee decennia zijn de kankerbehandelingstechnieken revolutionair veranderd: de
vooruitgang in de chemotherapie aan het eind van de jaren zestig, succes van de conservatieve
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/41
chirurgie sinds 1973, opkomst van geïntegreerde behandelingen aan het begin van de jaren zeventig.
Met deze laatste kan de toepassing van chirurgie vaak verminderd worden door een juiste combinatie
van de huidige drie voornaamste behandelingen: chirurgie, chemotherapie en radiotherapie. Deze
technieken en hun optimale combinatie moeten dus voortaan bekend zijn bij alle specialisten die
kanker moeten behandelen. Nu men deze recente ontwikkelingen van de wetenschap goed beheerst,
kunnen bepaalde amputaties of ablaties gedeeltelijk of geheel worden vermeden door toepassing van
chemo- en/of radiotherapie.
Overigens kan bij sommige evolutieve vormen van kanker een onmiddellijke chirurgische ingreep
schadelijk zijn voor de patiënt. In die gevallen moet meestal een andere therapie worden toegepast,
bijvoorbeeld chemo- of radiotherapie.
Om deze voortdurende ontwikkeling van behandelingstechnieken waarvoor een gezamenlijke
benadering van specialisten uit verschillende disciplines nodig is, op te vangen, is een steeds groter
aantal landen bezig met het oprichten van anti-kankercentra waar gezondheidswerkers full-time bezig
zijn met de behandeling van kanker. Deze oncologen hebben bovendien dikwijls juist in deze
anti-kankercentra een opleiding genoten die weliswaar gespecialiseerd, maar ook multidisciplinair is
en hen in staat stelt met hun collega's de beste therapie te bespreken. Er zou moeten worden nagegaan
of een dergelijke benadering die in verscheidene ziekenhuizen in Europa reeds zeer waardevol
gebleken is, niet verder uitgebreid kan worden.
3. Verpleegkundigen
Van alle gezondheidswerkers zijn de verpleegkundigen het vaakst in contact met de patiënten.
Zodoende spelen zij op het gebied van de behandeling een belangrijke rol in de strijd tegen kanker.
Binnen de Europese Gemeenschap is de basisopleiding van algemene verpleegkundigen geharmoni-
seerd door een communautaire richtlijn van 1977 die voorziet in een minimale opleidingsperiode van
drie jaar.
Reeds verscheidene jaren hebben de meeste Europese landen te kampen met een gebrek aan
verpleegkundigen met een opleiding in de behandeling van kankerpatiënten, thuis of in een
ziekenhuis. Bovendien is in het eigen belang van de verpleegkundigen voor de moeilijke en gevaarlijke
uitvoering van sommige anti-kankerbehandelingen een basiskennis nodig van de speciale voorzorgen.
Ook hier moet nog extra aandacht worden besteed aan een speciale opleiding, te meer daar de inhoud
van de cursussen moet worden aangepast aan de opeenvolgende veranderingen op therapeutisch
gebied. Tenslotte moet meer rekening worden gehouden met de opleidingsbehoeften van verpleeg-
kundigen die zich specialiseren in het verplegen van ongeneeslijk zieke patiënten.
II. VOORGESTELD ACTIEPLAN 1987—1989
Vooral op nationaal en regionaal niveau en aan de medische faculteiten moet iets worden gedaari aan
de aanpassing en verbetering van de opleiding voor gezondheidswerkers. Ook de Commissie kan een
bescheiden, maar significante bijdrage leveren op de volgende drie gebieden: uitwisseling van
ervaringen, uitwisseling van studenten en uitwerking van de minimuminhoud van cursusprogram-
ma's.
Het derde punt is natuurlijk het belangrijkste en het noodzakelijkst voor het vrije verkeer van
gezondheidswerkers en hun vrijheid om zich in de landen van de Europese Gemeenschap te vestigen en
praktijk uit te oefenen. Bovendien moet de minimuminhoud van opleidingscursussen voor
gezondheidswerkers de Europeanen de best mogelijke verzorging garanderen, of zij nu voor hun werk
of voor hun plezier reizen. Bij al deze kwesties wordt de Commissie bijgestaan door drie competente
adviescommissies, namelijk voor de opleiding van artsen, van tandartsen en van verpleegkundigen.
Elk van deze commissies heeft een werkgroep „kankeropleiding" ingesteld, ten einde de diensten van
de Commissie bij te staan bij het uitwerken van en het vervolg op het in het bovenstaande geschetste
actieplan voor 1987—1989.
1. Minimuminhoud van universitaire opleidingsprogramma's
Op het gebied van de kankeropleiding bestaan er nogal wat verschillen tussen de Europese landen en
soms zelfs tussen bepaalde gebieden binnen hetzelfde land. Sommige landen hebben grote
Nr. O 50/42 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
inspanningen gedaan — of zijn bezig die te doen — om vanaf het begin kanker systematisch in de
medische studies te integreren. Daartoe hebben zij leerstoelen voor oncologie ingesteld. Bij die stelsels
wordt vooral de nadruk gelegd op de noodzaak van een multidisciplinaire benadering.
In andere landen is de kankeropleiding versnipperd en verspreid over de gehele medische opleiding,
soms zonder behoorlijke coördinatie. De Europese oncologen zijn algemeen van oordeel dat een
dergelijke situatie niet langer houdbaar is, maar deze opvatting wordt nog niet door alle docenten of
artsen opgemerkt of gedeeld. Daarom moet er een vergelijkende studie van de bestaande
opleidingsstelsels worden gemaakt.
Actie 51: Vergelijkende studie van de universitaire opleidingsstelsels voor gezondheidswerkers
Met ingang van 1987 zal de Commissie vergelijkende studies laten maken over het kankeronderwijs
op ieder niveau van de medische opleiding: medische basisopleiding, specifieke opleiding van
huisartsen, specialisten, oncologen en verpleegkundigen.
De door de werkgroepen „kankeropleiding" gekozen deskundigen (*) zullen hun rapporten in de herfst
van 1987 aan de adviescommissies ter bestudering voorleggen. Deze vergelijkende studies zullen als
basis dienen voor een eventuele communautaire actie betreffende de minimuminhoud van opleidings-
cursussen inzake kanker. Daartoe zullen de voor het verrichten van vergelijkende studies inzake
bestaande opleidingssystemen aangewezen deskundigen nagaan welke moeilijkheden zich eventueel
zullen voordoen bij het ten uitvoer leggen van aanbevelingen welke in 1986 zijn opgesteld door het bij
de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde Comité van vooraanstaande kanker-
deskundigen:
Studenten: bij alle medische opleidingscentra in de Lid-Staten moet een leerstoel voor oncologie zijn
die een breed opgezette cursus biedt van epidemiologie en de principes van preventie tot en met
vroegtijdige opsporing, behandeling en terminale verzorging. De cursus moet bestaan uit minstens 30
uur college en geconcentreerd zijn op de 10 voornaamste plaatsen waar tumoren kunnen voorkomen.
In alle programma's van de medische faculteiten moet een examen oncologie worden opgenomen.
Huisartsen: zij vormen een prioritaire groep in de kankeropleiding. Bovendien moeten zij worden
aangemoedigd om deel te nemen aan een permanent opleidingsprogramma.
Tenslotte moet overwogen worden op nationaal niveau een tijdschrift of nieuwsbulletin uit te
geven.
Oncologen: iedere Lid-Staat moet erkennen dat oncologie een specialisme is (2). De opleiding van
kankerspecialisten moet in de Lid-Staten geharmoniseerd worden. Er moet speciaal aandacht worden
besteed aan de opleiding en erkenning van specialisten met bijzondere belangstelling voor specifieke
vormen van kanker. Er moet een communautair opleidings- en permanent educatieprogramma inzake
oncologie worden uitgewerkt en initiatieven voor het ontwerpen van programma's voor oncologen
moeten worden aangemoedigd.
In ieder geval zullen de recente ontwikkelingen die de gehele kankerscène — van preventie tot en met
behandeling — radicaal veranderd hebben en nog steeds veranderen, ook de rol van gezondheids-
werkers in de strijd tegen kanker wijzigen. De opleidingsstelsels moeten dus eerst worden aangepast.
De grote lijnen zijn nu al te zien:
— de medische basisstudie moet de studenten in staat stellen een beter begrip te krijgen voor deze
recente veranderingen en beter voorgelicht en opgeleid te worden;
— de eerste opleiding van de huisartsen moet hen in staat stellen gelijke tred te houden met de eisen
van een steeds beter voorgelicht publiek dat meer en meer wenst te profiteren van systematische
screening en vroegtijdige opsporing van kanker en streeft naar een competente medische follow-up
wanneer het een specialistische behandeling heeft moeten ondergaan;
— de eerste opleiding van specialisten, inclusief de oncologen, moet hen in staat stellen in het belang
van de patiënten de technieken van geïntegreerde behandeling en conservatieve chirurgie beter te
beheersen.
(*) Prof. de Moura (Portugal) voor de medische basisopleiding; Prof. Larra (Frankrijk) voor de speciale opleiding
van huisartsen; dr. Costa (Italië) voor de opleiding van oncologen; dr. Lister (Verenigd Koninkrijk) voor de
opleiding van andere specialisten en voor de samenvatting.
(2) Dit specialisme valt in drie delen uiteen: medische oncologie (met name chemotherapie), radiotherapie en
chirurgische oncologie.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/43
Het spreekt vanzelf dat de Adviescommissie voor de opleiding van artsen en de voor het stellen van de
vergelijkende diagnose van bestaande opleidingssystemen verantwoordelijke deskundigen tegelijker-
tijd moeten nagaan welke moeilijkheden bij het in toepassing brengen van deze verschillende
aanbevelingen eventueel optreden om het terrein voor communautaire actie op dat gebied te
verkennen.
In 1987 zal de Adviescommissie voor de opleiding van verpleegkundigen met medewerking van een
werkgroep inzake kankeropleiding voor verpleegkundigen een soortgelijke weg bewandelen. De
Adviescommissie voor de opleiding van tandartsen zal eveneens in 1987 worden geraadpleegd.
Voorgestelde actie 52: Formulering van voorstellen ter verbetering van de organisatie van opleidingen
op bet gebied van kanker (eerste opleiding, huisartsen, specialisten, oncologen, verpleegkundi-
gen)
In 1988 en 1989 zal de Commissie, na raadpleging van de bestaande Adviescommissies — indien
nodig — de Raad voorstellen doen ter verbetering van de kankeropleiding voor gezondheidswerkers
op basis van de conclusies van vorige werkzaamheden.
2. Mobiliteit van de studenten
Volgens de Europese oncologen zou het wenselijk zijn dat Europese studenten een deel van hun
kankeropleiding in een ander land van de Europese Gemeenschap zouden kunnen volgen, speciaal in
een land met de juiste ervaring en infrastructuur. Een dergelijke actie zal natuurlijk een plaats vinden
in het kader van het communautaire programma voor de mobiliteit van de studenten (ERASMUS) dat
beurzen kan verstrekken van gemiddeld 2 000 Ecu aan studenten die een erkende periode — van zes a
negen maanden — aan een universiteit in een andere Lid-Staat studeren.
Om de toekomstige specialisten te leren hoe noodzakelijk multidisciplinaire benadering is voor goede
kankerbehandeling, moeten zij bovendien gelegenheid krijgen praktische opleidingscursussen in
andere disciplines in ziekenhuizen te volgen; met hetzelfde doel moeten bepaalde studenten de
gelegenheid krijgen stage te lopen bij ondernemingen die gespecialiseerd zijn in de vervaardiging van
materiaal en geneesmiddelen ter behandeling van kanker (fabrikanten van chirurgisch materiaal,
radiotherapeutische apparatuur, farmaceutische laboratoria).
Op dergelijke mogelijkheden kan reeds een beroep gedaan worden in het kader van het
COMETT-programma van de Europese Gemeenschap. Dit kent beurzen toe van gemiddeld 4 000
Ecu per jaar aan studenten die een praktische stage willen lopen bij een onderneming in een ander land
van de Europese Gemeenschap.
Actie 53: Stimulering van de mobiliteit van medische studenten en leerling-verpleegkundigen
Met ingang van 1987 zullen COMETT-beurzen worden toegekend aan oncologiestudenten om hen in
staat te stellen een praktische stage te lopen in een gespecialiseerde onderneming in een ander land van
de Gemeenschap. Zodra het ERASMUS-programma door de Raad is goedgekeurd, zal het ook
openstaan voor medische studenten en leerlingverpleegkundigen die een periode van hun oncolo-
giestudie in een ander land van de Europese Gemeenschap volgen, mits deze studieperiode ten volle
wordt erkend door de universiteit waar zij ingeschreven staan.
3. Gezamenlijke ontwikkeling en uitwisseling van pedagogisch materiaal
Volgens de werkgroep „kankeropleidihg van artsen" zijn, ten gevolge van de recentheid van de
educatie- en opleidingsprogramma's voor kanker en de mate waarin zich op dit gebied veranderingen
voltrekken, de audiovisuele hulpmiddelen dikwijls produkten van individuele initiatieven en zijn het
waard ter beschikking gesteld te worden van andere medische faculteiten. Om de manuele technieken
van vroegtijdige opsporing van bepaalde vormen van kanker (palpatie van de borst of vaginaal of
rectaal onderzoek) te leren beheersen, zouden de toekomstige huisartsen bovendien moeten
beschikken over aangepaste schaalmodellen waarvan de kenmerken in gemeenschappelijk overleg
vastgesteld kunnen worden. Op deze twee gebieden kan de Europese Gemeenschap de uitwisseling
van ervaring bevorderen.
Nr. C 50/44 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Voorgestelde actie 54: Gezamenlijke ontwikkeling en tests van pedagogisch materiaal aan de
medische faculteiten gedurende het „Europese Kankervoorlichtingsjaar"
Met ingang van 1987 zal de Commissie, op basis van de aanbevelingen van de werkgroep
„kankeropleiding van artsen", de uitwisseling van ervaring op het gebied van pedagogisch materiaal
bevorderen. In 1989 zal, ter gelegenheid van het „Europese Kankervoorlichtingsjaar", op die manier
ontwikkeld materiaal voor tests ter beschikking worden gesteld van de medische faculteiten.
4. Uitwisseling van ervaring op het gebied van permanente opleiding
In de strijd tegen kanker is permanente opleiding van fundamenteel belang voor alle categorieën
gezondheidswerkers. Deze noodzaak wordt zeer goed opgemerkt, vooral door degenen die een eerste,
elementaire of voortgezette opleiding in oncologie hebben gehad. Maar er zijn genoeg huisartsen en
wijkverpleegkundigen die tijdens hun studie nooit enige basisopleiding in oncologie hebben gehad.
Het cruciale probleem is deze gezondheidswerkers, speciaal de ouderen, te motiveren om de hen
ontbrekende basiskennis te verwerven en deze tijdens hun beroepsleven regelmatig bij te werken. Deze
taak zal natuurlijk gemakkelijker zijn indien het gebruikte pedagogische materiaal eenvoudig,
attractief en aangepast is aan de behoeften van deze categorieën van gezondheidswerkers. Ook hier
kan de Europese Gemeenschap een nuttige bijdrage leveren door de uitwisseling van ervaring te
bevorderen.
Bovendien zullen bestaande gebruiken worden geëvalueerd met het oog op hun eventuele aanpassing
in andere Lid-Staten, vooral de gebruiken die betrekking hebben op:
— de regelmatige voorlichting van huisartsen. In Frankrijk geschiedt dit bijvoorbeeld door middel
van een informatiebulletin dat sinds 1986 toegankelijk is via videotekst; deze informaties zijn
geselecteerd en geredigeerd door een commissie van oncologen met medewerking van medische
journalisten;
— de permanente opleiding van oncologen aan de Europese School voor Oncologie in Milaan en de
Europese School voor Hematologie in Parijs.
Actie 55: Uitwisseling van ervaring op het gebied van permanente opleiding
Met ingang van 1987 zal de Commissie de uitwisseling van ervaring pp het gebied van de permanente
kankeropleiding bevorderen, met name via hulp bij het vertalen en verspreiden van adequaat
pedagogisch materiaal.
Bovendien zijn, als gevolg van de revolutie in de informatica, binnen de Europese Gemeenschap
talrijke teams bezig met het ontwikkelen van „deskundigensystemen". Op het ogenblik zijn
specialisten in één discipline — in dit geval oncologie — samen met een groep vooraanstaande
informatici bezig deze informaticaprogramma's als hulpmiddel bij het nemen van beslissingen uit te
werken. Het doel is de beschikbare kennis in de oncologie over te hevelen naar een programma
waarmee de gebruiker een dialoog kan voeren, hetzij om zijn opleiding te verbeteren hetzij om de
meest geschikte diagnose of behandeling te kiezen.
Voorgestelde actie 56: Gezamenlijke ontwikkeling van software voor medische deskundigen-
systemen
In het kader van de onderzoekprogramma's, speciaal het biotechnologieprogramma (1986-1989), zal
de Europese Gemeenschap gedeeltelijke financiële steun verlenen aan bepaalde projecten op het
gebied van ontwikkeling van gemeenschappelijke deskundigensystemen op het gebied van de
oncologie.
HOOFDSTUK 4
KANKERONDERZOEK
De kankerpatiënt begint zich er tegenwoordig bewust van te worden dat hij niet onherroepelijk
veroordeeld is. Hij weet dat zijn overlevingskansen groot zijn en in de loop der jaren regelmatig
toenemen en schrijft deze ontwikkeling terecht toe aan de vooruitgang van het biologisch en medisch
onderzoek. Dank zij de vooruitgang op deze gebieden is het tegenwoordig mogelijk bijna de helft van
de patiënten erdoor te halen, tegenover nauwelijks een kwart dertig jaar geleden. Dit zijn natuurlijk
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/45
globale cijfers want de prognose van de evolutie van kanker loopt sterk uiteen: uiterst somber voor
bepaalde soorten tumoren zoals die aan de alvleesklier, daarentegen zeer gunstig voor andere vormen
van kanker, bijvoorbeeld huidkanker.
Bovendien zijn de meeste deskundigen van oordeel dat de mortaliteit ten gevolge van kanker in Europa
tegen het jaar 2000 nog 15% gereduceerd kan worden mits het in het bovenstaande aanbevolen
preventiebeleid ten uitvoer wordt gebracht. Dit toont goed het belang, maar ook de grenzen van deze
maatregelen die ook moeten worden aangevuld met een krachtige wederopleving van het onder-
zoek.
De praktische resultaten van Europa op het gebied van kanker bereiken niet het niveau van de
ontwerpen uit haar laboratoria. Het is zelfs paradoxaal dat de meeste anticancereuze stoffen die
tegenwoordig met behulp van biotechnologieën worden geproduceerd van Amerikaanse laboratoria
afkomstig zijn, terwijl een van deze revolutionaire fabricageprocédés — celfusie — in Frankrijk
ontdekt is door Georges Barski en in Engeland toegepast is op monoclone antilichamen door Kohier
en Millstein die in 1984 de Nobelprijs hebben gekregen. Misschien hebben wij een eerste uitleg voor
deze dispariteit als wij de aan deze en gene zijde van de Atlantische Oceaan bestede financiële middelen
met elkaar vergelijken.
Natuurlijk is het niet gemakkelijk een balans op te maken van de financiële inspanningen voor
kankeronderzoek in Europa, want er moet rekening worden gehouden met nationale en commu-
nautaire programma's en men moet ook bedacht zijn op onderzoekactiviteiten welke niet rechtstreeks
verband houden met kanker maar indirect tot de oplossing van het probleem bijdragen.
Bij benadering wordt ons echter een raming van de respectieve omvang van de bestede middelen
gegeven door de vergelijking van de financiering van het gehele medische onderzoek: vijf miljard
dollar per jaar voor het National Institute of Health in de Verenigde Staten tegenover ongeveer
1,5 miljard dollar per jaar in het Europa van de Twaalf. Aangezien bovendien het kankeronderzoek in
Amerika sinds 1971 onder een groot nationaal programma ressorteert, kan daaruit worden
geconcludeerd dat het verschil op dit speciale gebied nog groter is dan uit de globale cijfers
blijkt.
Het kankeronderzoek krijgt de eerstvolgende drie jaar een Europese financiële steun in het volgende
kader:
— het voorstel voor het vierde coördinatieprogramma voor medisch onderzoek (1987—1989) dat
eind 1986 aan de Raad zal worden voorgelegd en volgens de voorstellen van de Commissie een
krediet van 37 miljoen Ecu moet krijgen, waarvan 11 miljoen voor kankeronderzoek;
— het vierde programma van medisch onderzoek in de EGKS-industrieën (1982—1987) met een
krediet van 9 miljoen Ecu waarvan ongeveer 1 miljoen voor kankeronderzoek; en het voorstel van
het vijfde programma (1988—1991) dat in 1987 aan de Raad zal worden voorgelegd. Daarmee
kan volgens de huidige hypotheses van de Commissie een twaalftal miljoen Ecu gemoeid zijn,
waarvan ongeveer 3 miljoen voor kanker;
— het voorstel voor een eerste programma van predictief geneeskundig onderzoek (1987—1989) dat
begin 1987 aan de Raad zal worden voorgelegd;
— het onderzoekprogramma stralingsbescherming (1985—1989) dat voor de hele periode beschikt
over 58 miljoen Ecu, waarvan in de periode 1987—1989 ongeveer 5 miljoen aan kankeronder-
zoek besteed zou kunnen worden;
— het onderzoekprogramma biotechnologie (1986—1989) dat beschikt over 55 miljoen Ecu,
waarvan ongeveer 4 miljoen voor kankeronderzoek (periode 1987—1989);
— het onderzoekprogramma inzake het milieu (1982—1990) dat beschikt over 55 miljoen Ecu,
waarvan ongeveer 1 miljoen Ecu voor kanker.
In werkelijkheid is het totale bij deze onderzoekingen betrokken bedrag veel hoger; in het geval van
medefinanciering is het totale geïnvesteerde bedrag minstens twee keer zo hoog; in geval van
coördinatie kan dit tot dertig keer zoveel oplopen. In totaal zullen de communautaire onder-
zoekprogramma's inzake kanker in de periode 1987—1989 werkzaamheden coördineren over meer
dan 300 miljoen Ecu.
Als de financiering de enige reden voor Europese achterstand zou zijn, zou de remedie gemakkelijk te
vinden, zo niet toe te passen zijn. Maar deze achterstand houdt vooral verband met structurele
Nr. C 50/46 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
redenen en met name met de versnippering van nationale programma's en daaruit voortvloeiende
misplaatste doubleringen in een tijdperk waarin zowel de menselijke als de financiële middelen
beperkt zijn. De samenvoeging, via Europese samenwerking, vormt natuurlijk een even noodzakelijk
als passend antwoord.
Het gaat er enerzijds om te zorgen voor een transfer van technologieën tussen de laboratoria van
verschillende landen als eerste impuls voor duurzame internationale samenwerking en anderzijds de
beste Europese laboratoria te integreren in een net van kankeronderzoek. Het doel is, op die manier
een soort instituut zonder muren te scheppen dat moet leiden tot een echte Europese „ruimte" voor
kankeronderzoek. Een van de dringendste maatregelen is dan ook de mobiliteit van de kankeron-
derzoekers in Europa te vergroten.
Voorgestelde actie 57: Toekenning van Europese beurzen ter bevordering van de mobiliteit van
kankeronderzoekers
In het kader van haar voorstel voor een programma van medisch onderzoek (1987—1989) dat zij eind
1986 aan de Raad heeft voorgelegd, raadt de Commissie aan ieder jaar beurzen voor een gemiddeld
jaarlijks bedrag van 20 000 Ecu toe te kennen aan 50 onderzoekers voor hun opleiding in
kankeronderzoek in een laboratorium van een ander land van de Europese Gemeenschap.
Door op deze manier de circulatie van mensen en ideeën tussen de Europese laboratoria te bevorderen,
vergemakkelijkt de Europese Gemeenschap de overdracht van wetenschappelijke en technologische
informatie op universitair en industrieel niveau. Tegelijkertijd creëert zij een Europese instelling die er
toe bijdraagt van Europa meer dan een economische eenheid te maken en remt de „braindrain" naar de
Verenigde Staten. Ten slotte worden banden gelegd tussen Europese laboratoria, tussen fundamenteel
en klinisch onderzoek, welke nodig zijn om later een net van duurzame en doeltreffende
samenwerking op alle gebieden van kankeronderzoek op te bouwen.
I. ONDERZOEK TER VERBETERING VAN DE PREVENTIE, DE SCREENING EN DE OPSPORING
VAN KANKER
A. Verbetering van de informatiesystemen over frequentie en aard van de verschillende vormen van kanker
Goed kankeronderzoek is onmogelijk zonder aangepast informatiesysteem. Het preventieprogramma
in de Verenigde Staten berust oorspronkelijk op het „Connecticut Cancer Registry" dat sinds 1935
informatie over kanker heeft verzameld. Het eerste Europese register is in 1943 in Denemarken
opgezet en daardoor heeft dit land een buitengewoon goede kennis van de evolutie van de
verschillende vormen van kanker sinds de Tweede Wereldoorlog.
Tegenwoordig bestaan er in de Europese Gemeenschap kankerregisters op verschillende niveaus.
Sommige hebben betrekking op een stad, andere op een regio en weer andere ten slotte verzamelen
gegevens op landelijk niveau. Deze grote verscheidenheid maakt de vergelijking van deze gegevens en
de verwerking ervan moeilijk en er bestaat geen register op nationaal niveau in de meeste Europese
landen. In Frankrijk bij voorbeeld bestaan slechts in vier van de 100 departementen die dit land telt
(Doubs, Calvados, Isère en Bas Rhin) kankerregisters.
Een epidemiologie op Europees niveau veronderstelt echter een geharmoniseerde registratie van alle
kankergevallen in de Gemeenschap.
Er moet dus een reglementaire basis geschapen worden die de onderzoekers van de Lid-Staten in staat
stelt, dank zij de registratie van de kankergevallen, epidemiologische studies te verrichten. Ook
moeten de wettelijke restricties op deze registratie worden verzacht om het epidemiologisch onderzoek
niet te belemmeren. In sommige Europese landen heeft men de werkzaamheden inzake beroepskanker
dan ook moeten onderbreken wegens de geldende vertrouwelijkheidsvoorschriften die iedere
prospectieve studie op dit gebied verbieden. Deze regels zouden met handhaving van het strikt
vertrouwelijke karakter van de medische gegevens moeten worden aangepast.
Actie 58: Vergelijkend overzicht van de bestaande kankerregisters en aanbevelingen over de
wenselijke minimuminhoud en de toegangsvoorwaarden ervan
De Europese Commissie heeft reeds in 1986 ieder kankerregister in de Lid-Staten een vragenlijst
gezonden ten behoeve van een vergelijkende analyse. De resultaten zullen in 1987 worden
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/47
geanalyseerd om de omvang van de verzamelde gegevens te bepalen en hun vergelijkbaarheid en
betrouwbaarheid te verbeteren. Bovendien zal in 1987 een haalbaarheidsstudie worden gestart ten
einde een Europees net van kankerregisters op te bouwen ter vaststelling van een Europese
gegevensbasis over het optreden van kanker.
Ten slotte zal in 1988 een conferentie worden georganiseerd over de verbetering van het
registratiesysteem van kankergegevens, zulks in samenwerking met het Internationale Agentschap
voor Kankeronderzoek (IAK) en de Internationale Associatie voor Kankerregistratie. Indien nodig
kunnen voorstellen ter harmonisatie van de verzamelde gegevens worden gedaan.
B. Epidemiologisch onderzoek ter verbetering van de preventie
De preventiemaatregelen moeten berusten op epidemiologisch onderzoek, dat wil zeggen op de
omstandigheden waaronder de ziekte optreedt afhankelijk van de kenmerken van het individu en zijn
omgeving. De gegevens welke men daaraan ontleent moeten het mogelijk maken de eventuele
oorzaken op te sporen, de tendensies van de pathologische evolutie te volgen en de uitwerking van
ingrepen voor te bereiden en te evalueren.
Een Europese samenwerking zou het voordeel bieden van een toegang tot een grotere populatie,
hetgeen de validiteit van de conclusies versterkt, vooral voor zelden voorkomende tumoren. Ook
kunnen zodoende vergelijkingen worden gemaakt tussen groepen van bewoners wier levensstandaard
ongeveer gelijk is, maar wier sociale en voedingsgewoonten van het Noorden tot het Zuiden van
Europa tamelijk ver uiteenlopen.
Voorgestelde actie 59: Starten van een Europese coördinatie op het gebied van medisch onderzoek
inzake voeding en kanker
Dit is het gebied waarop de epidemiologische gegevens het onzekerst zijn, zoals blijkt uit de grootte
van de marge in de ramingen van Doll en Peto volgens welke 10 tot 70% van de sterfgevallen ten
gevolge van kanker verband zouden houden met de voeding.
In 1987 moet een in samenwerking met het Internationale Agentschap voor Kankeronderzoek (IAK)
opgestelde samenvatting gereed zijn om na te gaan wat de huidige stand van de epidemiologische
kennis is ten einde de onderzoekprioriteiten vast te leggen en de methode te vergelijken en te
harmoniseren.
Aan de hand van deze oriënterende fase moeten de inspanningen gericht kunnen worden op de
bijzondere aspecten van verband tussen voeding en kanker. Een aantal prioritaire onderwerpen zijn
reeds vastgesteld, met name de rol van voeding bij atrofische gastritis (voorstadium van de
ontwikkeling van maagkanker) en de rol van het gebruik van voedingsvezels en andere factoren in
verband met kanker van de dikke darm. Grote aandacht zal eveneens worden besteed aan tot nu toe
minder intensief bestudeerde voedingsfactoren, welke in verschillende mate onder verdenking staan,
zoals uiteengezet is in het onderdeel preventie: vetten (vooral bij de vrouw in de postmenopauzefase),
vitaminen, mineralen, nitrieten, enzovoort.
Voorgestelde actie 60: Versterking van het Europese onderzoek inzake beroepskanker
Sinds het begin van de jaren '50 heeft longkanker bij werknemers uit de ijzermijnen en bepaalde
vormen van kanker bij de werknemers uit de staalindustrie de aandacht getrokken van de
onderzoekers. Ondanks de vermindering van deze activiteiten in het laatste decennium, blijven in de
kolen- en staalindustrie ongeveer twee miljoen werknemers aan risico's blootgesteld. Het vierde
programma van de EGKS (1982—1987) heeft de werkzaamheden in verband met longkanker bij
lassers en vormen van kanker bij werknemers uit de steenkolenmijnen en de cokesfabrieken versterkt.
Het vijfde programma van de EGKS (1987—1991) zal deze gemeenschappelijk gefinancierde
onderzoekingen over longkanker uitbreiden met werkzaamheden over de identificatie van de
betrokken cancerogene agentia.
Van zijn kant zal het milieuprogramma (1982—1990) van de Commissie een financiële bijdrage
leveren voor de werkzaamheden inzake de carcinogene uitwerking van asbest en andere materialen
zoals glasvezels.
Ten slotte voorziet het programma voor medisch onderzoek voor het eerst sinds het in 1978
gelanceerd is in de evaluatie van epidemiologische methoden inzake beroepsrisico's in verband met
kanker, uitgaande van de kritische studie van de in andere landen gepubliceerde resultaten. Er dient
Nr. C 50/48 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
vooral lering te worden getrokken uit de methodologische resultaten van in Canada verricht
onderzoek op 15 industrieterreinen en naar de blootstelling aan 200 chemische stoffen.
Actie 61: Voortzetting van de medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek naar
de preventie van door straling geïnduceerde kanker
In het kader van het stralingsbeschermingsprogramma (1985—1989) zullen retrospectieve epidemio-
logische enquêtes gereedkomen over de personen die enige jaren geleden alfadeeltjes uitzendende
stralingselementen toegediend hebben gekregen. Tussen 1929 en 1950 is bij voorbeeld Thorotrast op
basis van thoriumoxyde gebruikt als radiografische contraststof voor bloedvaten en dit is
verantwoordelijk voor levertumoren. Een soortgelijk onderzoek loopt ook over radium 224 dat
vroeger gebruikt is bij de behandeling van bepaalde ontstekingen van de wervels (spondylitis) en de
oorzaak is van botkanker.
De aandacht is op het ogenblik echter vooral gericht op de kwestie van de uitwerking van zwakke
stralingsdoses, of het nu gaat om het gebruik van radioactieve elementen voor een medisch doel, om de
natuurlijke radioactiviteit van het milieu of om toevallige radioactieve verontreiniging.
Blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit past in dit kader: radon, zeldzaam radioactief gas
voortvloeiende uit de desintegratie van radium, komt soms in abnormaal hoge hoeveelheden op
sommige plaatsen op grond van de geologie (granietrotsen) en type bouw (geïsoleerde ruimten) voor.
Of het een rol speelt bij het optreden van longtumoren moet met een haalbaarheidsstudie bepaald
worden.
Het recente ongeluk in Tsjernobyl heeft de belangstelling voor epidemiologische studies op dit gebied
doen herleven. Toch mag niet te veel worden verwacht dat alleen epidemiologisch onderzoek een
antwoord geeft op het probleem van de uitwerking van zwakke doses. Op basis van theoretische
berekeningen inzake de stralingscancerogenese kan namelijk door extrapolatie op grond van gegevens
van sterke stralingen de hypothese worden opgesteld dat het Europa van de Twaalf in 20 jaar 1 000 a
3 000 extra gevallen van kanker ten gevolge van dit ongeluk kan registreren. Op het eerste gezicht lijkt
dit veel. Maar indien men zich realiseert dat gedurende dezelfde periode van deze populatie van 370
miljoen bewoners meer dan 70 miljoen mensen kanker krijgen, dan geeft men zich rekenschap van de
juiste proportie van het verschijnsel. Dit voorbeeld toont heel goed aan hoe moeilijk het is de
uitwerking van zwakke doses ioniserende straling te evalueren.
Actie 62: Voortzetting van de medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek naar
carcinogene factoren van het milieu
Van 1987 tot 1989 zullen in het kader van het programma voor onderzoek inzake het milieu
(1982—1990) werkzaamheden worden verricht om snel de cancerogene stoffen onder de talrijke
milieuvervuilers op te sporen. De gefinancierde werkzaamheden hebben betrekking op de verbetering
van de opsporing op microbiële culturen, het mutagene vermogen van verdachte stoffen en op het
uitwerken van tests van chromosomenbeschadiging. Al deze verschijnselen zijn namelijk potentieel
carcinogeen.
Voorgestelde actie 63: Starten van een Europese coördinatie van medisch onderzoek over het
onderwerp kanker en voortplanting
Sinds 1978 kunnen met de Europese registratie van aangeboren ziekten bij pasgeborenen statistieken
worden opgesteld en enquêtes gehouden over de anomalieën bij de geboorte. Tijdens de periode
1987—1989 zal men trachten een verband te leggen met het later optreden van kanker bij kinderen die
deze aangeboren ziekten hebben. Door de bevestiging van een verband tussen tumoren en aangeboren
anomalieën zouden bepaalde carcinogene factoren en hun werkingsmechanisme geïdentificeerd
kunnen worden.
Een andere onderzoeksrichting is het biologische toezicht op bepaalde populaties die blootgesteld zijn
aan mutagene uitwerkingen van milieufactoren ten einde te onderzoeken of men een significatieve
afwijking kan ontdekken in de frequentie van aandoeningen van genetische oorsprong welke tijdens
de eerste maanden van het leven gediagnosticeerd kunnen worden.
Voorgestelde actie 64: Starten van een Europese coördinatie van medisch onderzoek naar passief
roken
Vanaf 1987 zullen de op dit gebied verrichte werkzaamheden verzameld worden met het oog op de
oriëntatie van een latere actie. Er zal worden getracht nauwkeurig te bepalen hoe passief roken, dat
moeilijk objectief te meten is, kwantitatief geëvalueerd kan worden. Hiertoe zal het Internationale
Agentschap voor Kankeronderzoek (IAK) worden ingeschakeld.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/49
C. Onderzoekingen ter verbetering van de screening en de diagnose
Twee onderzoeksgebieden hebben een speciale invloed op de toekomst van de kankerscreening: de
geautomatiseerde analyse van weefsels en de perfectionering van het „zichtbaar kunnen maken" in de
medische wetenschap.
Voorgestelde actie 65: Voortzetting van de Europese coördinatie van medisch onderzoek over de
geautomatiseerde analyse van weefsels
Een coherent beleid van vroegtijdige opsporing veronderstelt een enorm aantal uiteenlopende
biologische analyses: aflezen van uitstrijkjes, onderzoek van virussen, van karakteristieke proteïnen,
histologisch onderzoek of chromosomenanalyse voor de diagnose van tumoren.
De bestaande infrastructuur van de analyselaboratoria kan niet het hoofd bieden aan de te verwachten
stijging van de vraag. In het Verenigd Koninkrijk worden jaarlijks 3 miljoen uitstrijkjes gemaakt om
baarmoederhalskanker op te sporen. Dit is echter niet voldoende want een systematisch onderzoek om
de drie jaar van de risicobevolking impliceert minstens een verdubbeling van dit tempo. De situatie is
hetzelfde in de andere Europese landen waar men verwacht dat globaal 35% van de betrokken
vrouwen om controle vraagt. Indien alle aan het risico blootgestelde vrouwen profijt zouden willen
trekken van de preventie, zou het systeem in elkaar zakken.
Een microscooppreparaat bekijken vergt namelijk veel werktijd van een ervaren specialist. Het idee
om hieraan een systeem van automatische exploratie van het preparaat, een videocamera en een
informaticasysteem voor het analyseren van het waargenomen beeld toe te voegen, heeft dan ook
ingang gevonden zowel voor het onderzoek van chromosomen als voor de meer algemene studie van
de cellen.
De geautomatiseerde analyse van de chromosomen (bij voorbeeld het onderzoek van translocaties) is
van het grootste belang, niet alleen voor de meeste gevallen van leukemie (diagnose, prognose,
behandeling), maar ook voor een aantal vaste tumoren. De met de microscoop bekeken stukjes
weefsel tonen slechts een klein aantal cellen in deling, hetgeen de manuele studie saai maakt.
Wat de geautomatiseerde cytologie (onderzoek van de cellen) betreft, deze is bezig zich zeer snel te
ontwikkelen, vooral wat de opsporing betreft van baarmoederhalskanker in het preklinische stadium
bij risicopersonen. Drie prototypen van gespecialiseerde diagnosemachines worden binnenkort in
Europa op de markt gebracht (in Nederland, in Duitsland en in het Verenigd Koninkrijk) en zullen
snel beschikbaar zijn. Deze apparaten zijn een uitstekend werktuig voor „screening", maar zij sporen
meer verdachte dan positieve echte gevallen op. Hun resultaten moeten dus getest, vergeleken en
gevalideerd worden en voor andere vormen van kanker moeten soortgelijke systemen worden
ontworpen; een andere polyvalentere diagnosemachine is in Frankrijk in studie.
Voorgestelde actie 66: Voortzetting van de Europese coördinatie van het onderzoek inzake het
„zichtbaar kunnen maken" in de medische wetenschap
Sinds de ontdekking van de röntgenstralen door Wilhelm Roentgen in 1895 heeft de klassieke
radiografie dank zij de informatica enorme vooruitgang geboekt. Aan de hand van een reeks onder
verschillende hoeken verrichte onderzoeken kan de computeranalyse van de beelden een driedimen-
sionaal beeld van het geradiografeerde object reconstitueren: dat is de scannertechniek (of
tomodensitometrie) welke voor het eerst in 1975 is ontwikkeld door de Britse ingenieur G. N.
Hounsfield (Nobelprijs). Op deze manier kunnen door berekening opeenvolgende preparaten van het
onderzochte organisme worden gereconstitueerd (tomografie) hoe de operator dat ook wil en kunnen
de vorm en de localisatie van een tumor uiterst nauwkeurig worden bepaald.
Deze reconstitutie van een beeld in verschillende dimensies kan tot stand gebracht worden aan de hand
van gegevens van uiteenlopende aard zoals de magnetische eigenschappen van de materie (Résonance
Magnétique Nucléaire = RMN), de radioactiviteit van korte duur van elementen (tomografie van de
emissie van positronen = PET) of de tomoscintigrafie met fotonen-emitterende elementen.
Bij de „résonance magnétique nucléaire (RMN)" wordt het levende organisme onderworpen aan een
magnetisch veld dat voornamelijk de kernen van de waterstof atomen beïnvloedt door deze uit hun
oorspronkelijke positie weg te halen. Iedere kern geeft als hij op zijn plaats terugkomt een zwak
elektromagnetisch signaal en met de globale analyse daarvan kan de verspreiding in de ruimte van de
waterstof atomen, dus van de vorm van de weefsels, gereconstitueerd worden. Bovendien is, al
naargelang de structuur van de molecule waarin de waterstofatoom zich bevindt, het signaal anders en
geeft informatie over de chemische samenstelling van het weefsel. Op die manier kunnen de grijze
Nr. C 50/50 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
hersencellen van de witte worden onderscheiden. Het uitgezonden signaal hangt ook af van de
intermoleculaire krachten en van de snelheid van verplaatsing van de molecule waardoor de
temperatuur (thermische agitatie van de moleculen) en een flux (bij voorbeeld bloedstroom in de
aderen) gemeten kunnen worden.
In vergelijking met de röntgenscanner kunnen met de RMN de weefsels beter gedifferentieerd worden
en met name het tumorweefsel duidelijk gescheiden worden van de andere zachte daaromheen
liggende weefsels (ontstekingsreactie). De omzetting op schaal is ook beter en de tumoren kunnen in
plaats van de orde van grootte van een centimeter met de radiografie, met de orde van grootte van een
millimeter worden ontdekt.
De bestaande RMN-apparaten worden in slechts weinige exemplaren gefabriceerd en zijn vaak nog
prototypen; dit materiaal zal in de komende jaren nog aanzienlijk evolueren, de bestaande systemen
moeten dus getest en vergeleken worden en hun constructie versneld worden. Dit doel heeft de
Europese Gemeenschap zich voor de periode 1987—1989 gesteld.
De emissietomografie van positronen (PET) berust op een ander principe: in een levend organisme
worden isotopen met korte levensduur geïnjecteerd (bij voorbeeld zuurstof 15, stikstof 13 of koolstof
11) — positieve elektronenzenders — en met behulp van een scanner wordt hun verdeling opgevangen
zodat men beelden van een buitengewoon goede kwaliteit krijgt. Ook daar worden allerlei
verschillende materialen gebruikt en door overleg van de gebruikers kunnen de kwaliteiten van de
uitrustingen welke zich in een ontwikkelingsstadium bevinden, vergeleken worden.
II. ONDERZOEK INZAKE THERAPIE VAN KANKER
Voor het grote publiek is dit het voornaamste punt van het onderzoek. Al erkent men dat dit een van de
belangrijkste aspecten is omdat het zo urgent is, niet mag worden vergeten dat op korte termijn de
preventie en voor de toekomst het begrip van de mechanismen van de carcinogenese nog veel
belangrijker worden voor de volksgezondheid.
A. Klassieke therapieën
Dank zij de vooruitgang van de technieken van het „zichtbaar kunnen maken", kan de oudste
behandelingsmethode van kanker, de chirurgie (die werd reeds in de zeventiende eeuw gebruikt),
voortaan in een veel vroeger evolutiestadium van een tumor worden gebruikt en bovendien veel
nauwkeuriger. Operaties of amputaties welke nauwelijks enkele jaren geleden onvermijdelijk geacht
werden, kunnen voortaan vermeden worden en vervangen worden door een microchirurgie die het
organisme veel meer spaart.
In het begin van de twintigste eeuw, na de ontdekking door Roentgen van de röntgenstralen in 1895,
heeft de radiotherapie zich zeer snel ontwikkeld. Al in 1900 gebruikten verscheidene ziekenhuizen
bestraling bij de therapie. Het gebruikte materiaal is enorm geëvolueerd vooral wat betreft de
nauwkeurigheid van het gebruik en de veiligheid zowel voor de patiënt als voor de operator.
De chemotherapie is na de Tweede Wereldoorlog ontstaan met methaan, een derivaat van de
oórlogsgassen dat een zekere doeltreffendheid biedt in gevallen van leukemie. Een lange reeks
produkten met uiteenlopende karakteristieken is sindsdien ontwikkeld (methotraxaat (1948),
actinomycine D, enz., met ten slotte de jongstgeborenen, de derivaten van platina (1976) en ellipticine
(1982)).
Ten slotte zijn sinds het begin van de jaren '70 grote vorderingen gemaakt met de combinatie van
verscheidene chemotherapieën en door de zinvolle koppeling van de drie voornaamste technieken:
chirurgie, radiotherapie en chemotherapie.
Voorgestelde actie 67: Versterking van de Europese coördinatie van bet medisch onderzoek op het
gebied van multicentrale controle van therapeutische proeven
Om de waarde van een verondersteld anti-cancereuze behandeling te testen, moet men beschikken
over een beproefde methodologie zodat onomstotelijke resultaten bereikt kunnen worden. In dit
verband spelen de verschillende therapeutische rapporten die de volgorde bepalen waarin de
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/51
technieken gebruikt worden en het belang vaststellen van de gekozen doses, een beslissende rol. Deze
keuze wordt gemaakt door een multidisciplinair team bestaande uit een chirurg, een radioloog en een
chemotherapeut. Natuurlijk moeten deze rapporten zorgvuldig worden geregistreerd, vooral als zij
nieuw zijn, zodat de doeltreffendheid ervan beter geëvalueerd kan worden. Een dergelijke controle
van therapeutische proeven is des te nuttiger naarmate die betrekking heeft op een zo groot mogelijke
steekproef van patiënten en met geharmoniseerde registratiemethoden verkregen is. In dit verband is
de Europese dimensie van essentieel belang.
De in 1962 opgerichte „European Organisation for Research and Treatment of Cancer" (EORTC), is
een non-profitorganisatie die een beslissende rol speelt in de coördinatie en verwerking van het
Europese onderzoek inzake therapeutische proeven. Eind 1985 beschikte zij reeds over een
gegevensbank met de rapporten over de verzorging van 30 000 patiënten, verdeeld over de
verschillende anti-kankercentra en ziekenhuizen die tot dit net van de EORTC behoren; ieder jaar
worden 5 000 nieuwe gevallen geregistreerd en blijven 5 a 10 000 eerdere gevallen onder
controle.
Het is dus logisch dat wordt teruggegrepen op de onbetwiste ervaring van de EORTC op het gebied
van experimentele en klinische bases van de kankerbehandeling.
De steun van de Europese Gemeenschap heeft op drie onderwerpen betrekking:
— computernet: opzet en onderhoud van het computernet „Eurocode" waarmee, wegens de geringe
kosten, de toegang tot voor oncologen waardevolle klinische gegevens vergemakkelijkt wordt en
dat bij hen een nieuw besef voor communicatie moet kweken,
— kwaliteitscontrole: toezicht op de betrouwbaarheid van de transfer van gegevens van het klinische
dossier tot en met de computer, alsmede de juiste toepassing van de therapeutische rapporten,
— coördinatie: verbetering van de coördinatie tussen de EORTC en de verschillende nationale
groepen die werkzaam zijn op het gebied van klinisch onderzoek met het oog op het plannen van
gezamenlijke acties.
B. Uit de moleculaire biologie en de biotechnologieën voortgesproten nieuwe therapieën
Dank zij de biotechnologische omwenteling die aan het begin van de jaren '70 voornamelijk in de
Verenigde Staten begonnen is, heeft sinds enkele jaren een nieuw soort anti-kankergeneesmiddelen
zijn intrede gedaan, de modifiers van het biologische gedrag, onder meer interleukine 2 dat zeer
bemoedigende resultaten heeft opgeleverd voor verschillende vormen van kanker, alfa interferon dat
(tot bijna 90%) een bepaald tot nu toe heel moeilijk te bestrijden soort leukemie kan genezen
(tricholeucytenleukemie), gamma interferon dat actief schijnt te zijn op bepaalde vaste tumoren,
alsmede een andere molecule, de necrosefactor van tumoren. Al deze moleculen en nog vele andere
(lymfotoxine, necrosine, enz.), worden zeer intensief bestudeerd en over een paar jaar mag men
belangrijke ontwikkelingen verwachten.
Andere stoffen behoren tot de groep van differentiatiefactoren die het mogelijk schijnen te maken
kankercellen tot rijpheid te brengen waardoor deze weer tot de normale toestand terugkeren.
Ten slotte de monoclone antilichamen, die zeer specifiek zijn voor het anti-geen dat zij erkennen; deze
kunnen door een radioactief element worden gemarkeerd om kanker met behulp van een scanner
vroegtijdig te lokaliseren. Zij kunnen ook gebruikt worden om de ontwikkeling van bepaalde vormen
van kanker te wijzigen (antigroei-antilichamen en anti-receptor-antilichamen van deze groeifactoren).
Ten slotte kunnen zij gekoppeld worden met een sterk celgiftige stof die de kankercellen kan
vernietigen zonder de normale cellen te beschadigen: dat is het „richten" van de medicamenten.
Tot nu toe vindt men helaas niet in Europa, maar in de Verenigde Staten de meeste industriële
ontwikkelingen op dit gebied van de nieuwe biotechnologische anti-kankergeneesmiddelen. Het
medisch en biotechnologisch onderzoek in Europa moet dus deze, niet alleen medische, maar ook
economische uitdaging opnemen.
Actie 68: Medefinanciering van een Europees net van databanken inzake celculturen die monoclone
anti-lichamen produceren
Het biotechnologieprogramma van de Europese Gemeenschap is bezig met de bevordering van de
structuratie van een net van hybridoomcollecties (voor de synthese van monoclone anti-lichamen).
Sinds maart 1986 is het CERDIC (Europese Centrum voor Documentair Onderzoek inzake
Immunoclonen) in Nice gevestigd en vormt de Europese kern van de Internationale Organisatie
Hybridoma Data Bank (HDB).
Nr. C 50/52 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
Een Europees laboratorium ondervindt namelijk dikwijls moeilijkheden om zich het levende
materiaal te verschaffen dat het nodig heeft voor zijn experimenten en vooral de monoclone
anti-lichamen-producerende celstammen die gebruikt kunnen worden voor het „richten" van de
anti-kankergeneesmiddelen. Dit materiaal is in collecties van uiteenlopende bekendheid beschikbaar,
welke in een computernet georganiseerd moeten worden.
Actie 69: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek inzake de genetische en de
proteïne-engineering voor de produktie van anti-kankergeneesmiddelen
Dergelijke acties worden gevoerd in het kader van het programma biotechnologie (1986—1989). Het
clonen bestaat uit het inbrengen in een cultuurcel van de genetische code van een interessante proteïne
om deze in grote hoeveelheden tegen lage prijzen en zonder gevaar te produceren. Er kunnen reeds
verschillende soorten interferon, verschillende interleukinen, de necrosefactor van tumoren (TNF) of
een substantie van embryonaire oorsprong („Mullerian inhibiting substance"), dat de ontwikkeling
•van kanker aan de eierstokken kan stoppen, geproduceerd worden.
Een gedoneerde proteïne kan in theorie heel goedkoop gekweekt worden in een microbiële cel zoals de
colibacil (Escherichia poli). In de praktijk doen zich vele moeilijkheden voor omdat microbiële cellen
na transcriptie van de proteïne niet kunnen zorgen voor bepaalde modificaties welke noodzakelijk zijn
voor de activiteit ervan (bij voorbeeld glycosylatie).
Het doel van dit aspect van het biotechnologieprogramma is in de Europese laboratoria de know-how
te ontwikkelen waarmee zij door clonage om het even welke biologische substantie snel kunnen
ontwikkelen. Het kankeronderzoek profiteert hiervan dus indirect, maar wel reëel.
Zodra de proteïne gedoneerd is, moet zij in grote hoeveelheid gefabriceerd worden. Het probleem
doet zich ook voor bij de monoclone anti-lichamen. Het biotechnologieprogramma financiert dus ook
de werkzaamheden inzake de cultuur op grote schaal van dierlijke of menselijke cellen.
Overigens kan met de gezamenlijke middelen van de fysica (diffractie van de röntgenstralen), de
biochemie en de informatica, thans de ruimtelijke configuratie van de structuur van een proteïne-
molecuul, zichtbaar gemaakt op een computerscherm, vastgesteld worden. Zodoende kan een parallel
worden getrokken tussen de moleculaire structuur en de biologische activiteit van een proteïne.
Bovendien kan zodoende worden voorzien welke modificatie aan een molecuul de biochemische en
biologische activiteit hiervan zou vergroten. Het eerzuchtige doel van de proteïne-engineering is dus
moleculen te synthetiseren die meer presteren dan de natuurlijke. De toepassing op kanker geschiedt
vooral door de studie van de relaties tussen de activiteit van de anti-cancereuze moleculen en hun
ruimtelijke structuur.
Voorgestelde actie 70: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek naar het
„richten" van anti-kankergeneesmiddelen
Deze actie zal worden gevoerd in het programma van predictieve geneeskunde dat de Commissie in
1987 aan de Raad zal voorleggen.
De predictieve geneeskunde heeft ten doel de risicofactoren welke aan een individu of een populatie
eigen zijn en verband houden met de genetische constitutie of de omgeving, te bepalen. Ze ligt dus nog
vóór de preventieve geneeskunde en bereidt de actie daarvan voor. Dit programma heeft voornamelijk
betrekking op het fundamenteel onderzoek — waarover later meer — maar omvat meer toegepaste
aspecten, zoals het „richten" van geneesmiddelen.
Het principe van het „richten" is eenvoudig: door twee moleculen te koppelen — één monoclonaal
antilichaam dat een kankercel kan herkennen en zich daarop kan vastzetten, en een voor de cellen
toxische stof — kan men een cytotoxische stof specifiek richten op tumorcellen en deze vernietigen,
maar de normale cellen sparen.
Het uitwerken van deze verbindingen was een enorme verbetering van de chemotherapie. Hoewel het
principe eenvoudig is, blijkt de praktische uitvoering moeilijk te zijn.
Actie 71: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek inzake de farmacologie
van anti-tumor stof f en
Het biotechnologieprogramma (1986—1989) verleent steun aan verscheidene in vitro farmaco-to-
xicologische onderzoeken, onder andere een op het gebied van kanker; deze methoden moeten leiden
tot een versnelling van de onderzoekprocedures van anti-tumorstoffen en tot opheldering van de
werkingsmechanismen van reeds bekende doeltreffende geneesmiddelen.
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/53
De ontwikkeling van farmacologische en toxicologische in wYro-methoden heeft drie doelen. Het
eerste, wetenschappelijke, is een analytischer bestudering van de activiteit van moleculen door de
uitwerking van geneesmiddelen op een speciaal mechanisme te isoleren, waardoor onder andere een
nauwkeuriger benadering van de relatie structuur-activiteit van de moleculen mogelijk wordt. Het
tweede, economische, is een snellere en goedkopere zeving van de activiteit van moleculen welke naar
men hoopt interessante farmaceutische eigenschappen hebben. Het derde, humanitaire, is het aantal
bij farmaceutische proefnemingen gebruikte dieren te verminderen.
Maar de preklinische farmacologie zou ook in vivo moeten worden ontwikkeld. De studie in vivo
maakt het met behulp van bepaalde speciale technieken zoals vreemde transplantaten mogelijk de
voorwaarden voor klinische behandeling te benaderen. Vreemde transplantaten zijn transplantaten
van menselijke kankerweefsels op een soort muizen dat geen immunitair afweermechanisme heeft
(„naakt") en het transplantaat niet afstoot. De van oorsprong menselijke tumor gaat zich dus
ontwikkelen en lenen voor in wVo-proeven welke dicht bij de behandelingsomstandigheden liggen,
zowel door de menselijke herkomst van de cellen als door het farmacocinetische gedrag van de muis
dat niet veel verschilt van dat van de mens. De mogelijkheid van een Europese actie op dit gebied moet
in de toekomst worden overwogen.
Ten slotte moeten de in anti-kankergeneesmiddelen gespecialiseerde farmaceutische laboratoria en
ondernemingen profijt kunnen trekken van gemeenschappelijke evaluatieprocedures.
Voorgestelde actie 72: Harmonisatie van de testnormen van anti-kankergeneesmiddelen
Vooropgesteld dat de Raad de voorstellen van de Commissie met betrekking tot zeer geavanceerde
technologisch/biotechnologische geneesmiddelen binnenkort goedkeurt, kunnen de nieuwe anti-kan-
kergeneesmiddelen profiteren van een in de verschillende Lid-Staten geldende evaluatieprocedure
waardoor zij sneller in de praktijk gebruikt kunnen worden. Behalve deze snellere commercialisatie
kan de farmaceutische industrie een investering op de grote Europese markt veel rendabeler maken,
dus investeren voor minder verspreide ziekten. Ook zal het gemakkelijker zijn op gecentraliseerde
multinationale basis de nodige deskundigen te vinden.
III. FUNDAMENTEEL ONDERZOEK INZAKE KANKER
Nog niet lang geleden kende men bij de mens geen carcinogeen virus en deze leemte was des te
verbazingwekkender omdat er veel dergelijke virussen bestonden bij de dieren, bij voorbeeld leucosen
(ganglionnairè tumoren) van gevogelte, runderen of katten welke sinds het begin van de eeuw bekend
waren. In 1908 hebben de Denen Ellerman en Bang aangetoond dat erythroblastleukemie van
gevogelte besmettelijk was en in 1917 leverde de Duitser Rous het eerste bewijs van het rechtstreeks
ingrijpen van een virus dat in een kippesarcoom infiltreerde (sarcoom van Rous). Dit feit stootte op
zoveel ongeloof dat hij een vijftigtal jaren moest wachten voordat hij de Nobelprijs kreeg!
De studie van het genenpatroon van sommige van deze kankervirussen (retrovirus) heeft het mogelijk
gemaakt de genen te ontdekken welke verantwoordelijk zijn voor de cancerisatie: de virale oncogenen
die tumoren kunnen opwekken nadat zij in het genenpatroon van de cellen van het aangetaste dier zijn
binnengedrongen.
Door deze resultaten is de belangstelling voor het onderzoek van oncogene virussen bij de mens weer
opgeleefd. Uit verscheidene recente waarnemingen is gebleken dat bij kanker vaak een virus
voorkomt. Deze virussen zouden dus de rechtstreekse oorzaak of een begunstigende factor zijn. Als
voorbeeld van deze min of meer nauwe relaties zou men kunnen noemen het verband van kanker aan
baarmoederhals en externe genitaliën met het virus van de menselijke papillomen, van de tumoren van
de lymfklieren (Lymfoom van Burkitt) met het virus van Epstein-Barr, van het sarcoom van Kaposi
met het AIDS-virus, van leukemie en T-cel lymfomen met de HTLV 1 en 2-virussen en ten slotte van
leverkanker met het hepatitis B-virus.
Toen in 1976 de Franse onderzoeker Dominique Stehelin (') in samenwerking met een Amerikaans
team in het genenpatroon van normale dierlijke en menselijke cellen genen vond die een coderende
sequentie hebben welke veel lijkt op de oncogenen van retrovirussen, heeft dit tot een volledige
herziening van de mechanismen van cancerogenese geleid. In 1982 heeft een team Amerikaanse
onderzoekers onder leiding van de Spanjaard Barbacid (2) aangetoond dat de activering van een
menselijk oncogeen (verantwoordelijk voor blaaskanker) te wijten was aan een mutatie van een
(') D. Stehelin, V. E. Varmus, J. M. Bishop & P. K. Vogt, 1976, Nature 260, blz. 170—173.
(2) Reddy E. P., Reynolds R. K., Santos E. &c Barbacid M., 1982, Nature 300, blz. 149—152.
Nr. C 50/54 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 26. 2. 87
aminozuur van een oncogeen en in 1983 heeft hetzelfde laboratorium aangetoond dat het bij de rat
door een chemisch agens teweeggebrachte borstcarcinoom voortsproot uit een specifieke mutatie van
een oncogeen welke steeds voorkomt op hetzelfde aminozuur. De exploratie van genetische aspecten
van kanker waarmee kortgeleden begonnen is, moet in de toekomst worden uitgebreid.
Voorgestelde actie 73: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek over bet
genenpatroon en de menselijke oncogenen
Deze actie zal door de Commissie worden voorgesteld in het programma voor predictieve
geneeskunde (1987—1989) dat begin 1987 aan de Raad zal worden voorgelegd. De celoncogenen
hebben belangrijke normale functies in de regulering van de scheiding en de differentiatie van cellen.
Een tumor kan dus het gevolg zijn van externe storingen, zoals de toevoer van een virusoncogeen, de
mutatie van eeen oncogeen van de cel, een chromosomenbreuk waardoor een oncogeen gescheiden
wordt van zijn naburige regulatiesysteem op de DNA-keten of aan een of andere storing van het
controlesysteem van een oncogeen.
Er zijn op het ogenblik meer dan 25 oncogenen bekend waarvan de genetische code in bepaalde
tumoren kan worden teruggevonden, zoals leukemie of lymfomen en dit heeft een zeker praktisch
belang, want al naar gelang het betrokken oncogeen kan de prognose ernstiger of minder ernstig
zijn.
Op een totaal van meer dan 50 000 menselijke genen is op het ogenblik de sequentie bekend van
ongeveer 350, waaronder 80 pathologische, hetgeen een idee geeft van het werk dat nog gedaan moet
worden om het gehele menselijke genenpatroon te kennen. Overigens kan men de inzet en de nodige
middelen voor een dergelijke onderneming vergelijken met die van de verovering van de maan.
Deze enorme hoeveelheid werk kan bijna als routinewerk worden gekwalificeerd als de technische
vernieuwingen (automatische bepaling van sequenties) niet zo'n grote rol speelden, want de op het
ogenblik beschikbare manuele methoden zijn veel te langzaam voor een dergelijk omvangrijk
werk.
Het probleem van de regulering van de expressie der oncogenen is even belangrijk als de inventaris van
het genenpatroon en ongetwijfeld toegankelijker. Er kunnen vele modellen worden bestudeerd, te
beginnen met de eenvoudigste (gist bezit bij voorbeeld vele oncogenen, geïdentificeerd door hybridatie
met de overeenkomstige genen van zoogdieren).
Een andere benadering is het onderzoek van de genetische markeurs die een correlatie vertonen met
bepaalde pathologische toestanden. Het HLA-systeem waarvoor de Franse onderzoeker Jean Dausset
de Nobelprijs heeft gekregen, houdt bij voorbeeld verband met keelkanker van de vissers uit het gebied
van Canton. Er mag worden verwacht dat andere markeurs, zoals polymorfie van restrictiefragmen-
ten, nog interessantere genetische verbindingen met de kankerpathologie kunnen aangeven.
Voorgestelde actie 74: Medefinanciering door de Europese Gemeenschap van onderzoek inzake
nucléinezuursondes
Deze actie valt onder het voorstel voor een programma van predictieve geneeskunde
(1987—1989).
Voor de praktische toepassing van de gegevens over het menselijke genenpatroon moeten de juiste
gereedschappen ontwikkeld worden voor de herkenning van de aanwezigheid van een speciaal gen: de
nucleïnezuursonden.
Een sonde is eenvoudig de kopie van een gen dat met een radioactief element of met een of ander
systeem gemerkt kan worden. Deze sonde heeft een zeer sterke affiniteit voor de aanvullende
genetische informatie en zal zich daarop volkomen specifiek fixeren waardoor de aan- of afwezigheid
van een gen wordt vastgesteld.
Voor sommige genen zijn dergelijke systemen reeds operationeel, maar hun gebied moet nog worden
uitgebreid en zij moeten gemakkelijker te gebruiken worden, want op het ogenblik blijven zij
voorbehouden aan gespecialiseerde laboratoria en kunnen niet overal door de klinische laboratoria
worden gebruikt. Daarmee kunnen bijvoorbeeld oncogenen in een tumorcel snel worden opgespoord
en dus waardevolle indicaties over de prognose van kanker leveren. Ook kan daarmee het
genenpatroon van een virus in een cel worden opgespoord en bijvoorbeeld in precancereuze toestand
de aanwezigheid van papillomateuze virussen in cellen van de baarmoederhals worden gediagnosti-
seerd.
De Europese Gemeenschap wordt betrokken bij multidisciplinair onderzoek op lange termijn, hetgeen
onder andere de medewerking van artsen en biologen impliceert op vrijwel alle gebieden van de
26. 2. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 50/55
fundamentele wetenschappen alsmede van specialisten in de elektronika en de gegevensverwerking.
Voor het eerst wordt een dergelijke uitgebreide poging tot integratie (multinationaal, multidisciplinair
en multisectorieel) gedaan met het oog op een gemeenschappelijke actie.
Zeer terecht zullen de specialisten niet nalaten op te merken dat het een of andere aspect een betere
behandeling verdient. Intussen hebben wij enkele van deze aspecten aangestipt: voeding, preklinische
farmacologie, virologie en andere. Dit programma van kankeronderzoek kan dus niet alle
doelstellingen in enkele jaren bereiken en de inspanning zal na 1989 moeten worden voortgezet.
CONCLUSIE
Indien alle voorstellen van dit actieplan 1987—1989 aangenomen zouden worden, zou het
programma „Europa tegen kanker" ongetwijfeld succes kunnen boeken in de strijd tegen de kanker.
Natuurlijk komt deze vooruitgang pas op gang in deze eerste drie jaar. De actie zal na 1989 moeten
worden voortgezet om de behaalde resultaten te bevestigen en te consolideren. Eerst moet gedurende
deze drie jaar natuurlijk een evaluatie gemaakt worden van de gevoerde acties en de behaalde
resultaten.
Actie 75: Regelmatige evaluatie van het actieplan 1987—1989 met medewerking van het Comité van
Europese kankerdeskundigen en opstelling van een algemeen overzicht in 1989
Met medewerking van het Comité van Europese Kankerdeskundigen zal regelmatig een evaluatie van
dit actieplan 1987—1989 gemaakt worden. In 1989 zal een algemeen overzicht worden opgesteld
voor de Raad, het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité.
Alle 75 acties of voorgestelde acties in dit actieplan 1987—1989 preciseren de bijdrage van de
Europese Gemeenschap aan de uitvoering van het programma „Europa tegen kanker".
Wat de kankerpreventie betreft (acties of voorgestelde acties 1 t /m 33), wordt de Raad gevraagd nota
te nemen van de acties waarmee reeds een begin is of in 1987 zal worden gemaakt en wordt hem
dringend verzocht de hem in de periode van 1987—1989 voorgelegde voorgestelde acties zo spoedig
mogelijk goed te keuren. Deze spruiten rechtstreeks voort uit de op 23 juli 1986 goedgekeurde
resolutie en hebben betrekking op een op preventie gericht programma van de Europese Gemeen-
schappen (1).
Wat het kankeronderzoek (acties of voorgestelde acties 57 t /m 74) betreft, wordt de Raad tevens
gevraagd nota te nemen van de acties waarmee reeds een begin is of in 1987 zal worden gemaakt en
wordt hem dringend verzocht de hem reeds voorgelegde (voorstel voor een verordening inzake een
vierde programma van medisch en gezondheidsonderzoek) (2) of binnenkort voor te leggen (voorstel
betreffende een programma van predictieve geneeskunde) voorstellen zo spoedig mogelijk goed te
keuren.
Tenslotte wordt de Raad dringend verzocht zo spoedig mogelijk het bijgaande voorstel voor een
besluit inzake de onderdelen „voorlichting van. het grote publiek" en „opleiding van gezondheids-
werkers" uit het programma „Europa tegen kanker" goed te keuren.
0) PB nr. C 184 van 23. 7. 1986, blz. 19.
(2) COM(86) 549 def. van 29. 10. 1986.
Full & Egal Universal Law Academy