Avis juridique important
Richtlijn 86/663/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gemotoriseerde transportwerktuigen
Publicatieblad Nr. L 384 van 31/12/1986 blz. 0012 - 0051
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 16 blz. 0048
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 16 blz. 0048
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 22 december 1986 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gemotoriseerde transportwerktuigen (86/663/EEG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,
Gezien het voorstel van de Commissie(1),
Gezien het advies van het Europese Parlement(2),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),
Overwegende dat de veiligheidsvoorschriften inzake het ontwerp en de bouw van gemotoriseerde transportwerktuigen van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen en daardoor een belemmering vormen voor de handel in deze transportwerktuigen; dat deze voorschriften dus onderling moeten worden aangepast;
Overwegende dat er in Richtlijn 84/528/EEG van de Raad van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gemeenschappelijke voorschriften voor hef- en verladingsapparatuur(4) een aantal gemeenschappelijke procedures is omschreven - namelijk een EEG-typegoedkeuring, een EEG-typeonderzoek en een EEG-fabrikantenverklaring - voor het in de handel brengen van deze hef- en verladingsapparatuur; dat het wenselijk is, in overeenstemming met de meest gebruikelijke handelwijze in de Lid-Staten, voor gemotoriseerde transportwerktuigen de procedure van de fabrikantenverklaring in te stellen;
Overwegende dat deze richtlijn een bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 2, tweede alinea, van Richtlijn 84/528/EEG;
Overwegende dat de in bijlage I opgenomen technische voorschriften niet strijdig zijn met de communautaire of nationale bepalingen met betrekking tot de andere veiligheidsaspecten van de betrokken transportwerktuigen, zoals bevestigingsinrichtingen voor de bestuurder, elektrische veiligheid, verkeersveiligheid, veiligheid bij het werken in zones met explosiegevaar, uitlaatsysteem en geluidsniveau;
Overwegende dat het voor een verhoogde veiligheid wenselijk is voorschriften in te voeren met betrekking tot de plaatsing van de bedieningsorganen en het brandstofreservoir; dat het gerechtvaardigd is een overgangsperiode in te stellen ten einde de producenten in staat te stellen hun produktie aan te passen aan de nieuwe voorschriften;
Overwegende dat de technische vooruitgang een snelle aanpassing van de technische voorschriften vereist; dat derhalve bij deze aanpassingen van de richtlijn de procedure moet worden gevolgd van artikel 22 van Richtlijn 84/528/EEG;
Overwegende dat sommige bepalingen van bijlage I dienen te worden uitgesloten van de toepassing van de afwijkingsclausule bedoeld in artikel 23 van Richtlijn 84/528/EEG;
Overwegende dat het bij de vaststelling van onderzoek- en beproevingsmethoden gaat om een technische uitvoeringsmaatregel en dat deze maatregel volgens genoemde procedure door de Commissie moet worden vastgesteld,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Deze richtlijn is van toepassing op gemotoriseerde transportwerktuigen met een capaciteit van niet meer dan 10 000 kg en op trekkers met een trekkracht aan de trekhaak van minder dan 20 000 N.
2. Onder gemotoriseerde transportwerktuigen worden in deze richtlijn alle voertuigen op wielen - uitgezonderd voertuigen op rails - verstaan die zijn bestemd voor het vervoeren, trekken, duwen, heffen of stapelen en het wegzetten in stellingen van lasten van ongeacht welke aard en die worden bediend door een bestuurder die hetzij naast het transportwerktuig meeloopt, hetzij meerijdt op een speciaal ingerichte op het chassis bevestigde of meestijgende bestuurdersplaats.
Artikel 2
1. Deze richtlijn is niet van toepassing op:
a)zogeheten kipwagens of motorkruiwagens die op bouwwerken worden gebruikt;
b)andere dan in bijlage I, punt 1.2, genoemde trekkers, vrachtwagens met of zonder aanhangwagen, land- en bosbouwtrekkers, bouwmachines en mijnwagens;
c)melkwagentjes en soortgelijke bestelwagens;
d)werktuigen voor hef- en stapelwerk die zich alleen tussen geleidingsrails kunnen verplaatsen, zogeheten stellingsbedieningsapparaten;
e)heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats met een nominale capaciteit die 5 000 kg overschrijdt;
f)heftrucks die speciaal zijn ontworpen voor het rijden met een hoog geheven last die 5 000 kg overschrijdt;
g)portaalheftrucks;
h)trekkers en transportwerktuigen met afstandsbediening, die de bestuurder niet vervoeren;
i)uitrusting die wordt gebruikt voor onderhoud boven de grond;
j)transportwerktuigen die worden gevoed door externe elektrische energiebronnen;
k)rijdende kranen;
l)rijdende hefplatforms;
m)heftrucks met telescopische armen.
2. Deze richtlijn is niet strijdig met de communautaire of nationale bepalingen betreffende het milieu en de andere veiligheidsaspecten van de transportwerktuigen die niet onder deze richtlijn vallen en die met name betrekking hebben op:
-elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen,
-het wegverkeer,
-de uitlaatgassen,
-de gevaren in explosieve omgeving,
-het geluid op de werkplek en in het milieu,
-de bevestigingsinrichtingen voor de bestuurder.
Artikel 3
De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen opdat de in deze richtlijn bedoelde gemotoriseerde transportwerktuigen slechts in de handel kunnen worden gebracht en in bedrijf kunnen worden gesteld wanneer zij beantwoorden aan de in deze richtlijn gegeven bepalingen.
Artikel 4
De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde verklaart op eigen verantwoordelijkheid voor ieder transportwerktuig dat het met het bepaalde in deze richtlijn overeenstemt, zulks door middel van een certificaat van overeenstemming waarvan het model in bijlage II is weergegeven en door het merkteken van overeenstemming op het transportwerktuig aan te brengen onder de in bijlage III omschreven voorwaarden.
Artikel 5
1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde geeft het certificaat van overeenstemming af en brengt het merkteken van overeenstemming aan, zoals voorgeschreven in artikel 4, indien hij kan aantonen:
-dat hij beschikt over de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de in bijlage I genoemde proeven, en in voorkomend geval,
-dat hij de in bijlage I genoemde proeven die hij niet zelf verricht, laat uitvoeren door een of meer instellingen die daartoe door de Lid-Staat zijn erkend.
2. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde houdt alle bescheiden waaruit blijkt dat de in bijlage I genoemde proeven zijn uitgevoerd en dat aan de technische eisen is voldaan, ter beschikking van de bevoegde diensten van de Lid-Staat.
3. Iedere Lid-Staat verstrekt de overige Lid-Staten en de Commissie:
-de lijst van erkende instanties die gemachtigd zijn om de in dit artikel genoemde proeven uit te voeren;
-elke latere wijziging van deze lijst.
Artikel 6
De Lid-Staat neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bepalingen van artikel 5 worden nageleefd.
Artikel 7
De Lid-Staat kan steekproefsgewijze controleren of het in artikel 1 bedoelde materieel in overeenstemming is met de voorschriften van deze richtlijn. Bij deze controles mogen echter geen strengere proeven worden opgelegd en strengere eisen gesteld dan die welke in deze richtlijn zijn vast- gesteld.
Artikel 8
Wanneer uit de in artikel 7 genoemde controles blijkt dat een gemotoriseerd transportwerktuig niet in overeenstemming is met de eisen van deze richtlijn, neemt de Lid-Staat alle dienstige maatregelen om met name:
-het op de markt brengen ervan te verbieden,
-het gebruik ervan te verbieden,
-het uit de handel nemen ervan op te leggen.
Is het niet in overeenstemming zijn het gevolg van een fout in het ontwerp of in de serieproduktie van de transportwerktuigen, die de veiligheid beïnvloedt, dan stelt de Lid-Staat de andere Lid-Staten en de Commissie in kennis van de geconstateerde gebreken en van de genomen maatregelen.
Deze maatregelen worden ingetrokken wanneer is aangetoond dat het transportwerktuig voldoet aan de eisen van de richtlijn.
Artikel 9
De Lid-Staten mogen het in de handel brengen, het in bedrijf stellen of het gebruik van aan de eisen van deze richtlijn beantwoordende transportwerktuigen voor gebruik overeenkomstig hun bestemming niet weigeren, verbieden of beperken om redenen die verband houden met de eisen van deze richtlijn.
Artikel 10
De wijzigingen die noodzakelijk zijn om bijlage I van de richtlijn, met uitzondering van de punten 9.12.1.1 en 9.12.1.2, aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 22 van Richtlijn 84/528/EEG.
Volgens diezelfde procedure worden ook de test- en onderzoekmethoden alsmede de aanpassing ervan aan de technische vooruitgang vastgesteld.
De procedure van artikel 23 van Richtlijn 84/528/EEG is van toepassing op bijlage I.
Artikel 11
Deze richtlijn laat de mogelijkheid onverlet dat de Lid-Staten - met inachtneming van het Verdrag - de voorschriften uitvaardigen die zij nodig achten om de werknemers bij het gebruik van de betrokken toestellen te beschermen, voor zover zulks niet inhoudt dat deze toestellen moeten worden gewijzigd ten opzichte van de specificaties van de richtlijn.
Artikel 12
1. De Lid-Staten dienen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen, bekend te maken en in werking te doen treden die nodig zijn om vóór 1 januari 1989 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 13
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Gedaan te Brussel, 22 december 1986.
Voor de RaadDe VoorzitterG. SHAW
(1)PB nr. C 165 van 2. 7. 1979, S. 1.
(2)PB nr. C 197 van 4. 8. 1980, S. 67.
(3)PB nr. C 182 van 21. 7. 1980, S. 22.
(4)PB nr. L 300 van 19. 11. 1984, S. 72.
BIJLAGE I TECHNISCHE EISEN VOOR GEMOTORISEERDE TRANSPORTWERKTUIGEN
1.INDELING VAN TRANSPORTWERKTUIGEN NAAR WERKWIJZE 1.1.Platformwagen Transportwerktuig waarbij de last op een vast platform of op een andere niet hefbare inrichting wordt vervoerd.
1.2.Industrietrekker Transportwerktuig met een koppelinrichting speciaal bestemd voor het trekken van voer- tuigen.
1.3.Duwtrekker Industrietrekker die aan de voor- en/of achterzijde tevens van een buffer is voorzien om daarmee weg- of railvoertuigen voort te duwen.
1.4.Heftruck Transportwerktuig dat een last kan heffen, laden en vervoeren.
1.4.1.Stapelaar Heftruck uitgerust met een platform of een vork of ander hefgereedschap, waarmee een al of niet gepalletiseerde last hoog genoeg kan worden geheven om deze te kunnen stapelen of in rekken te zetten.
1.4.1.1.Vrijdragende heftruck (met contragewicht): stapelaar uitgerust met een vork waarop de al dan niet gepalletiseerde last zich bevindt, en waarbij de last zich in vrijdragende positie vóór de voorwielen bevindt en de massa van de heftruck als tegengewicht dient.
1.4.1.2.Heftruck meet vooruitschuifbare mast of vork: stapelaar met steunarmen (reiktruck) waarbij de last door het vooruitschuiven van de mast of van het vorkjuk in vrijdragende positie kan worden gebracht.
1.4.1.3.Breedspoortruck: heftruck met ver uiteengeplaatste wielen in uithouders en een vork die zich steeds tussen de wielen beweegt, zodat het zwaartepunt van de last altijd binnen het steunvlak ligt.
1.4.1.4.Gesteunde stapelaar: stapelaar met steunarmen en een vork waarvan de tanden boven de steunarmen zijn geplaatst.
1.4.1.5.Platformstapelaar: stapelaar met steunarmen en een hefplatform dat zich over de steunarmen uitstrekt.
1.4.1.6.Heftruck met meestijgende bestuurdersplaats (stapelaar): heftruck met een bestuurdersplaats die meestijgt met de last (op een platform of vork). Voor het wegzetten van lasten in stellingen.
1.4.1.7.Zijlader: vorkheftruck waarbij het mogelijk is met behulp van de loodrecht op de lengteas van de wagen tussen de assen geplaatste vooruitschuifbare mast, een last waarvan het zwaartepunt zijdelings buiten de wielen ligt op te nemen, te heffen, zijdelings te verplaatsen en op het gestel van de truck te plaatsen.
1.4.1.8.Terreinvorkheftruck: vorkheftruck die speciaal is ontworpen voor het opnemen, heffen, vervoeren en stapelen van lasten op niet geëgaliseerd terrein (grote wielen, grote bodemvrijheid, speciale aandrijfinrichting) en die is uitgerust met een vaste of neigbare mast.
1.4.1.9.Zijstapelaar: stapelaar waarmede lasten aan beide zijden, loodrecht op de rijrichting, kunnen worden opgenomen en gestapeld.
1.4.1.10.Driewegstapelaar: stapelaar waarmede lasten zowel in de rijrichting als aan beide zijden, loodrecht op de rijrichting, kunnen worden opgenomen en gestapeld.
1.4.2.Niet stapelende heftruck voor geringe hefhoogte Heftruck met een platform of vork of ander hefgereedschap, waarmee de last tot een geringe hoogte kan worden geheven, die juist voldoende is om de last te kunnen vervoeren.
1.4.2.1.Pallettruck: niet stapelende heftruck met een gesteunde vork voor het vervoer van pallets (stapelborden).
1.4.2.2.Platformheftruck: heftruck met een hefplatform of andere inrichting voor het vervoeren van lasten.
1.4.2.3.Portaalheftruck: heftruck waarvan het gestel en de hefinrichting de last omvatten om deze te heffen en te verplaatsen.
1.4.3.Heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats voor grote en middelgrote hefhoogte Heftruck voorzien van een meestijgende bestuurdersplaats en van een inrichting waarop lasten kunnen worden geplaatst (normaal vorktanden voor een stapelbord of stellage), die worden gebruikt bij het uit de stellingen halen van opgeslagen goederen (en soms het terugplaatsen daarvan).
Heftrucks waarvan de bestuurdersplaats niet hoger dan 2,5 m kan worden geheven, worden beschouwd als heftrucks voor middelgrote hefhoogte.
1.4.4.Portaalheftruck: heftruck waarvan het gestel en de hefinrichting de last omvatten om deze te heffen, te verplaatsen en te stapelen.
2.INDELING VAN TRANSPORTWERKTUIGEN NAAR WIJZE VAN BESTURING(1) 3.INDELING VAN TRANSPORTWERKTUIGEN NAAR HEFHOOGTE(1) 4.INDELING VAN TRANSPORTWERKTUIGEN NAAR WIJZE VAN VERPLAATSING;(1) 5.INDELING VAN TRANSPORTWERKTUIGEN NAAR KRACHTBRON(1) 6.INDELING VAN TRANSPORTWERKTUIGEN NAAR TYPE WIEL(1) 7.TERMINOLOGIE VAN DE VOORNAAMSTE ONDERDELEN VAN TRANSPORTWERKTUIGEN(1) 8.CAPACITEIT VAN TRANSPORTWERKTUIGEN EN AANHANGWAGENS DAARVAN 8.1.Heftrucks voor grote hefhoogte 8.1.1.Nominale capaciteit van heftrucks voor grote hefhoogte Onder nominale capaciteit van een gemotoriseerd transportwerktuig voor grote hefhoogte wordt verstaan de door de fabrikant toegestane last in kg welke dit type transportwerktuig normaal onder bepaalde omstandigheden kan vervoeren en heffen (Zie addendum A).
8.1.2.Werkelijke capaciteit van heftrucks voor grote hefhoogte Onder de werkelijke capaciteit van een gemotoriseerd transportwerktuig voor grote hefhoogte wordt de door de fabrikant (in de regel op grond van stabiliteitsproeven) toegestane maximumlast in kg (afhankelijk van uitrusting en hefhoogte) verstaan, welke dit transportwerktuig bij normaal bedrijf onder bepaalde omstandigheden kan vervoeren of heffen (zie addendum A).
8.2.Transportwerktuigen met vast laadplateau of geringe hefhoogte 8.2.1.Nominale capaciteit van transportwerktuigen met vast laadplateau of geringe hefhoogte Onder de nominale capaciteit van een transportwerktuig met vast laadplateau of geringe hefhoogte wordt de door de fabrikant toegestane maximumlast in kg verstaan welke het transportwerktuig bij normaal bedrijf kan vervoeren, indien deze last gelijkmatig over het laadplateau of de draaginrichting is verdeeld.
8.3.Industrietrekkers 8.3.1.Nominale capaciteit van industrietrekkers De nominale capaciteit van een industrietrekker met aandrijving door een verbrandingsmotor is de door de fabrikant aangegeven trekkracht in Newton aan de trekhaak welke de industrietrekker bij een bepaalde koppelingshoogte kan ontwikkelen, terwijl deze zich verplaatst met een gelijkblijvende snelheid van tenminste 10 % van de maximumsnelheid zonder belasting op een effen, droge en horizontale cementvloer. Bij elektrisch aangedreven trekkers of trekkers met koppelomvormers is de nominale capaciteit de trekkracht bij een werkingsduur van 1 uur. Bij trekkers met zittende of staande bestuurder moet de massa van de bestuurder (eventueel vervangen door ballast) 90 kg bedragen.
Wanneer luchtbanden zijn gemonteerd, moeten deze zijn opgepompt tot de door de fabrikant van de trekker aangegeven spanning.
8.4.Verwisselbare hulpstukken (hefgereedschappen) 8.4.1.Onder de nominale capaciteit van verwisselbare hulpstukken (hefgereedschappen) wordt de door de fabrikant toegestane maximumlast verstaan, welke het hulpstuk bij normaal bedrijf onder gegeven omstandigheden kan behandelen.
9.ALGEMENE BEPALINGEN 9.1.Gegevensplaten 9.1.1.Identificatieplaten 9.1.1.1.Op ieder transportwerktuig moet op een duidelijk zichtbare plaats een duurzame identificatieplaat zijn aangebracht met de volgende gegevens:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
9.1.1.2.Identificatieplaten van verwisselbare hulpstukken (hefgereedschappen) Ieder verwisselbaar hulpstuk moet van een afzonderlijke identificatieplaat zijn voorzien waarop de volgende gegevens voorkomen:
a)naam van de fabrikant of importeur van het hulpstuk,
b)type,
c)serie- of fabricagenummer en jaar van fabricage,
d)massa van het hulpstuk,
e)zwaartepuntafstand van het hulpstuk vanaf het bevestigingsvlak aan het transportwerktuig,
f)nominale capaciteit,
g)bij hydraulisch gedreven hulpstukken de door de fabrikant van het hulpstuk aangegeven hydraulische bedrijfsdrukken,
h)waarschuwing: "De som van de eigen massa van het hulpstuk en de last mag de capaciteit van het transportwerktuig niet overschrijden''.
9.1.1.3.Voor bijzondere bedrijfsomstandigheden bestemde transportwerktuigen Indien een transportwerktuig voor bijzondere bedrijfsomstandigheden is bestemd, moet op een duidelijk zichtbare plaats een duurzame plaat met de volgende gegevens zijn aangebracht:
a)vermelding van de bijzondere bedrijfsomstandigheid (of bedrijfsomstandigheden),
b)capaciteit van het transportwerktuig in ieder van de bijzondere bedrijfsomstandigheden.
9.1.1.4.Tractiebatterijen en -bakken Op iedere bak moet op een duidelijk zichtbare plaats een duurzame identificatieplaat met volgende gegevens zijn aangebracht:
a)naam van de accufabrikant,
b)type,
c)serienummer,
d)nominale spanning,
d)capaciteit in ampère-uren bij ontlading in vijf uur,
f)bedrijfsmassa (met ballast ter compensatie van een te geringe massa van de batterij).
De massavermelding kan bovendien op de losse bak in de nabijheid van de aanslagpunten worden ingeslagen.
9.1.2.Capaciteitsplaten Op ieder transportwerktuig moet op een duidelijk zichtbare plaats een voor de bestuurder gemakkelijk leesbare en duurzame capaciteitsplaat zijn aangebracht waarop onderstaande gegevene voorkomen.
Deze capaciteitsplaat kan eventueel met de identificatieplaat worden gecombineerd.
9.1.2.1.Trucks voor grote hefhoogte Op de capaciteitsplaat moeten de in addendum B vermelde gegevens voorkomen.
9.1.2.2.Trucks met vast platform en trucks voor geringe hefhoogte Op de capaciteitsplaat moet de in kilogram uitgedrukte nominale capaciteit overeenkomstig de definitie in punt 8.2.1 zijn vermeld.
9.1.2.3.Trekkers Op de capaciteitsplaat moet de trekkracht aan de haak in Newton overeenkomstig de definitie in punt 8.3.1 zijn vermeld, alsmede de tijd gedurende welke deze kracht kan worden uitgeoefend.
9.1.3.Andere gegevens Voor het vermelden van deze gegevens dient niet noodzakelijk een plaat te worden gebruikt.
9.1.3.1.Inrichtingen voor het aanslaan (hijsen) van transportwerktuigen De aanslagspunten moeten op het transportwerktuig duidelijk zijn aangegeven (zie punt 9.8.4).
9.1.3.2.Bandenspanning De voorgeschreven spanning van luchtbanden moet op het transportwerktuig duidelijk zijn aangegeven.
9.1.4.Voor zover gebruik wordt gemaakt van een schriftelijke tekst, moet die zijn gesteld in de taal (talen) die is (zijn) aanvaard door het land waar het transportwerktuig zal worden gebruikt.
9.2.Parkeerreminrichtingen, beveiliging tegen onbedoelde bewegingen en tegen gebruik door onbevoegden 9.2.1.Er moet een parkeerrem aanwezig zijn de voldoet aan die voorschriften in de punten 9.3.4.1 en 9.3.4.2.
Voor heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats wordt verwezen naar de bijzondere bepalingen van hoofdstuk 10.
9.2.2.Het transportwerktuig moet zijn voorzien van een inrichting die gebruik door onbevoegden onmogelijk maakt (bij voorbeeld door middel van een sleutel).
Schakelsleutels voor transportwerktuigen met meelopende bestuurder enerzijds en voor transportwerktuigen met zit- of staanplaats voor de bestuurder anderzijds, die door dezelfde fabrikant zijn vervaardigd, mogen niet onderling verwisselbaar zijn.
9.3.Reminrichting - remvermogen 9.3.1.Bedrijfsremmen Gemotoriseerde transportwerktuigen moeten zijn voorzien van remmen die a)het transportwerktuig met zijn maximaal toelaatbare last onbeweeglijk houden op de maximale hellingen waarop het werktuig volgens de fabrikant mag worden gebruikt;
b)in elke rijrichting op een horizontale, gladde, droge en schone cementvloer een remkracht kunnen ontwikkelen waarvan de waarde F gemeten aan de trekhaak:
-bij alle transportwerktuigen (behalve trekkers) wordt aangegeven door een percentage van het brutogewicht van het transportwerktuig beladen met zijn maximumlast;
-bij trekkers wordt aangegeven door een percentage van het brutogewicht van de trekker zonder aanhangwagen.
De minimumwaarde van F is in onderstaande tabel aangegeven als functie van de maximumsnelheid welke het transportwerktuig beladen met zijn maximumlast (of de trekker zonder aanhangwagen) kan bereiken (V1 in km/h).
Indien het effectieve remvermogen van het transportwerktuig zich automatisch aanpast aan de snelheid zal de minimumremkracht F, gemeten aan de trekhaak, variëren naar gelang van de snelheid (zie grafiek A).
De minimumwaarde van F in onderstaande tabel moet kunnen worden bereikt met de kracht welke in punt 9.3.2 voor het betrokken bedieningsorgaan is vastgesteld.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
>BEGIN VAN DE GRAFIEK>
GRAFIEK A >EIND VAN DE GRAFIEK>
Ongeacht de helling moet de bedrijfsrem het in grafiek A weergegeven minimumremvermogen leveren bij snelheden tot 5 km/h voor transportwerktuigen van de groepen A, B en C en tot 4 km/h voor transportwerktuigen van groep D.
9.3.2.Bediening van bedrijfsremmen(1) a)Bij remmen die door het indrukken van een pedaal in werking worden gesteld, moet de hierboven aangegeven remkracht worden verkregen door op het pedaal een kracht uit de oefenen die niet meer dan 600 N bedraagt.
b)Bij remmen die door het loslaten van een pedaal in werking worden gesteld, moet eveneens de in de tabel aangegeven remkracht kunnen worden verkregen.
De kracht die nodig is om de remmen te lossen en deze tijdens het rijden in die toestand te houden, mag niet meer dan 300 N bedragen.
c)Bij remmen die met behulp van een handel in werking worden gesteld, moet de hierboven aangegeven remkracht kunnen worden verkregen door op de handel een kracht uit te oefenen die niet meer dan 150 N bedraagt.
d)Transportwerktuigen met staanplaats voor de bestuurder en transportwerktuigen met meelopende bestuurder moeten voorzien zijn van automatisch werkende remmen met een minimum remvermogen overeenkomstig bovenstaande tabel.
9.3.3.Alleen wrijvingsremmen, hydrostatische transmissies en elektrische remsystemen zijn als bedrijfsremmen toelaatbaar.
9.3.4.Parkeerrem 9.3.4.1.Alle transportwerktuigen, met uitzondering van trekkers, moeten zijn uitgerust met een parkeerrem die het werktuig, beladen met zijn maximaal toelaatbare last, op de maximumhelling die door de fabrikant is opgegeven, zonder hulp van de bestuurder ten minste in stilstand kan houden. Het remvermogen moet overeenkomen met een helling van ten minste:
a)transportwerktuigen met meerijdende bestuurder, elektrisch of door verbrandingsmotor aangedreven (behalve de types vermeld onder b) en c): 15 %;
b)magazijnheftrucks (met vooruitschuivende vork of mast, breedspoorstapelaars, gesteunde stapelaars, platformstapelaars voor grote hefhoogte of trucks met geringe hefhoogte): 10 %;
c)transportwerktuigen bedoeld onder de punten 1.4.1.6, 1.4.1.9, 1.4.1.10 en 1.4.3: 5 %;
d)transportwerktuigen met meelopende bestuurder: 10 %.
9.3.4.2.Alle industrietrekkers moeten zijn uitgerust met een parkeerrem die deze trekker zonder aanhangwagen en zonder tussenkomst van de bestuurder in stilstand kan houden op de maximumhelling welke de onbelaste trekker op kan rijden of op onderstaande helling indien deze waarde kleiner is:
-trekker met meerijdende bestuurder, elektrisch of door verbrandingsmotor aangedreven: 15 %;
-trekker met meelopende bestuurder: 10 %.
9.3.4.3.Rembedieningssysteem Bedrijfs- en parkeerremmen moeten worden bediend door middel van onafhankelijke systemen die echter op dezelfde remonderdelen (bij voorbeeld remschoenen) kunnen werken.
Dit geldt niet voor transportwerktuigen met een automatische bedrijfs- en parkeerrem zoals bedoeld in punt 9.3.2, onder b) en d).
9.4.Wielen Indien gebruik wordt gemaakt van tweedelige wielen met luchtbanden dienen er inrichtingen aanwezig te zijn die het de gebruiker onmogelijk maken de twee delen van het wiel uit elkaar te nemen voordat het wiel van de as is genomen.
9.5.Bedieningsorganen 9.5.1.Bedieningsorganen voor de rijrichting Overeenkomstig norm ISO 3691, tweede uitgave, 1985-11-15, punten 8.1 tot en met 8.2.3.3, 8.3.1, onder a), b), c), en 8.3.1.1 tot en met 8.4.3.2, met de volgende gegevens inzake 8.4.1.1:
iii)De rem-, gas-, koppelingspedalen en het/de rijrichtingspeda(a)l(en), indien aanwezig, dienen zodanig te zijn ontworpen, geconstrueerd en geplaatst dat zij zonder gevaar voor verwisseling kunnen worden bediend.
iii)De functie van de verschillende pedalen moet duidelijk zijn aangegeven in de rijinstructies en op een plaats met aanduidingen die voor de bestuurder in zijn normale rijhouding voortdurend zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zijn.
iii)De remhandeling mag niet worden belemmerd door het gelijktijdige gebruik van andere bedieningsorganen.
iv)De pedalen dienen zo te zijn uitgevoerd:
-dat de mechanische sterkte verenigbaar is met de krachten die op de pedalen worden uitgeoefend;
-dat zij beschermd zijn tegen de eventuele gevolgen van onopzettelijke handelingen.
v)Pedalen van transportwerktuigen die zijn gebouwd overeenkomstig de door de CEN met inachtneming van de procedure van Richtlijn 83/189/EEG opgestelde geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt, worden door de Lid-Staten erkend als conform de hierboven vermelde voorschriften.
8.4.1.2.
Versnellingshandel Overeenkomstig norm ISO 3691, punt 8.4.1.2.
8.4.1.3.
Keuzehefboom voor de rijrichting Overeenkomstig norm ISO 3691, punt 8.4.1.3.
8.4.1.4.
Beveiligingsinrichting en remmen - elektrisch aangedreven transportwerktuigen met bestuurders- zitplaats. De ISO-paragraaf schrappen en onder bovenstaande titel vervangen door:
Het voortbewegingsmechanisme moet zodanig zijn geregeld dat het transportwerktuig zich slechts verplaatst indien het bedieningsorgaan voor de rijrichting in werking wordt gesteld en zich niet met een hogere snelheid dan kruipsnelheid voortbeweegt, tenzij de snelheidsregelaar en het bedieningsorgaan voor de rijrichting te zamen in werking zijn gesteld. Indien er geen neutrale stand is, mag het transportwerktuig zich niet bewegen, tenzij de snelheidsregelaar wordt ingeschakeld..
8.4.1.5.
Beveiligingsinrichting en remmen - door verbrandingsmotor aangedreven transportwerktuigen met bestuurderszitplaats De ISO-paragraaf volledig schrappen.
8.4.2 t/m 8.4.3.2.
Overeenkomstig norm ISO 3691.
9.5.1.1.Bij elektrisch aangedreven transportwerktuigen moet het rijrichtingscircuit door een van het bedieningssysteem onafhankelijke, aparte schakelaar automatisch worden onderbroken wanneer de bestuurder het transportwerktuig verlaat.
9.5.1.2.Transportwerktuigen met een automatische transmissie moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor wordt verhinderd dat het transportwerktuig op gang komt wanneer de transmissie is ingeschakeld.
9.5.2.Bedieningsorganen voor het hanteren van de last Overeenkomstig norm ISO 3691 (punt 8.5).
9.5.3.Symbolen voor bedieningsorganen Overeenkomstig norm ISO 3287.
9.6.Snelheidsbeperking(1) 9.6.1.Transportwerktuigen met meelopende bestuurder moeten zodanig zijn ontworpen dat zij in onbelaste toestand en op vlak terrein geen snelheid van meer dan 6 km/h kunnen bereiken.
Transportwerktuigen met meelopende bestuurder en met directe eentrapsaandrijving moeten zodanig zijn ontworpen dat zij in onbelaste toestand en op vlak terrein niet sneller dan 4 km/h kunnen rijden bij een maximale aanzetversnelling van 0,5 m/s2. Deze transportwerktuigen mogen niet van een hoog heffend laadplateau zijn voorzien.
9.6.2.Transportwerktuigen met bestuurdersstaanplaats moeten zodanig zijn ontworpen dat zij in onbelaste toestand en op vlak terrein niet sneller dan 16 km/h kunnen rijden.
9.7.Aandrijfinrichtingen en toebehoren 9.7.1.Uitlaat- en koelsystemen 9.7.1.1.1.Het uitlaatsysteem moet met de nodige aandacht voor het comfort en het welzijn van de bestuurder zijn ontworpen en aangebracht. In het bijzonder de uitmonding van de uitlaatpijp, ongeacht of deze laag of hoog is aangebracht, moet zodanig zijn gericht dat het personeel zo weinig mogelijk wordt gehinderd.
9.7.1.1.2.De luchtstroom door een koelsysteem mag evenmin aanleiding geven tot hinder voor de bestuurder.
9.7.1.2.Brandstoftanks Indien een brandstoftank zich binnen of naast de motorruimte bevindt en er ontoelaatbaar hoge temperaturen kunnen optreden, moeten de tank en/of de vulinrichting door middel van een passende beschermingsinrichting zoals een afzonderlijke omkleding of schotten van de elektrische installatie en de uitlaatleiding zijn geïsoleerd. Tanks en vulinrichtingen moeten zodanig zijn geplaatst, dat overlopende of lekkende branstof naar de grond wordt afgevoerd en niet in de motor- of bestuurdersruimte, op delen van de elektrische installatie of op de uitlaatinrichting terechtkomt.
9.7.1.2.1.Onder normale bedrijfsomstandigheden mag het niet mogelijk zijn dat de brandstof zich buiten de tank verspreidt. De brandstoftank en de vulinrichting moeten zodanig zijn aangebracht, dat de kans op beschadiging van de tank en de bijbehorende onderdelen tot een minimum is beperkt.
9.7.1.2.2.De brandstoftank moet afneembaar zijn. Deze tank en de vulinrichting moeten zodanig zijn aangebracht, dat de kans op beschadiging van de tank en de bijbehorende onderdelen tot een minimum is beperkt.
Andere brandstoftanks dan die voor LPG van plaatstaal met een dikte van 5 mm of meer behoeven niet afneembaar te zijn, mits zij tegen inwerking van de buitenlucht behandeld zijn. De controlevoorschriften voor de tanks moeten in de gebruiksaanwijzing en de onderhoudsinstructies staan.
9.7.1.3.Alle onderdelen van het brandstofsysteem moeten stevig aan het transportwerktuig zijn bevestigd, terwijl de bevestigingsmiddelen zodanig moeten zijn aangebracht dat het effect van trillingen tot een minimum is beperkt. De tanks moeten doeltreffend worden beschermd tegen mechanische overbelasting, bij voorbeeld door middel van een pantsering.
9.7.1.4.Tanks moeten zodanig op het transportwerktuig zijn aangebracht dat zij niet nodeloos zijn blootgesteld aan afschuring of eventuele schokken of aan de corrosieve werking van de produkten die door het transportwerktuig worden vervoerd.
9.7.2.Extra eisen voor transportwerktuigen met LPG-verbrandingsmotor 9.7.2.1.Tanks 9.7.2.1.1.Tanks voor vloeibaar petroleumgas kunnen hetzij vast op het transportwerktuig zijn bevestigd, hetzij gemakkelijk verwisselbaar zijn.
9.7.2.1.3.Tanks moeten stevig aan het transportwerktuig zijn bevestigd, terwijl de bevestigingsmiddelen niet door trillingen mogen worden beïnvloed. Leidingen en toebehoren op de tanks moeten doeltreffend worden beschermd tegen mechanische overbelasting, bij voorbeeld met platen of traliewerk.
9.7.2.1.4.Zowel vaste als verwisselbare tanks moeten van een inrichting zijn voorzien waarmede het plotselinge ontsnappen van grote hoeveelheden gas of vloeistof, in het bijzonder bij een leidingbreuk, wordt verhinderd. Dit geldt niet voor overdrukventielen.
De uitlaatopening voor de brandstof aan de tank moet van een gemakkelijk toegankelijke kraan zijn voorzien die snel met de hand kan worden bediend. De positie en de wijze van bediening van deze kraan moeten duidelijk zijn aangegeven aan de buitenkant van het transportwerktuig of dichtbij de kraan.
De brandstof moet in vloeibare toestand worden afgetapt, tenzij tank en motor speciaal zijn uitgerust om rechtstreeks het gas op te nemen.
9.7.2.1.5.Alle tanks die door de gebruiker tot een vast maximumvloeistofniveau moeten worden gevuld, moeten van volgende inrichtingen zijn voorzien:
a)een pasend overdrukventiel dat met de gasruimte van de tank is verbonden. Indien een dergelijke tank binnen een ruimte van een voertuig is aangebracht, moet de uitlaatzijde van de veiligheidsklep via een afvoerleiding met de buitenlucht in verbinding staan.
Het gas moet zonder gevaar worden afgevoerd. Zie ook punt 9.7.2.3.3;
b)een vaste inrichting die het maximumvulniveau aanwijst. Bij tanks die in een binnenruimte van een voertuig zijn aangebracht moet de uitlaatzijde van elke aanwijsinrichting van het maximumniveau, die op het ontsnappen van gas in de lucht is gebaseerd, op een duidelijk zichtbare plaats aan de buitenzijde van het voertuig uitmonden:
1.De aanwijsinrichting voor het maximumniveau waarbij gas in de lucht ontsnapt, moet zodanig zijn ontworpen dat de diameter van de uitlaatopening niet meer dan 1,5 mm bedraagt en dat de delen van deze inrichting bij normale meetverrichtingen niet volledig kunnen worden teruggetrokken.
2.Alle aanwijsinrichtingen voor het maximumvulniveau van vloeistoffen moeten voor het gebruikte LPG geschikt zijn en het maximumvulniveau aanwijzen, dat niet hoger mag zijn dan het niveau dat in overeenstemming is met de communautaire voorschriften betreffende drukvaten, voor zover deze bestaan, of andere met de bepalingen van het land waar de tank wordt gebruikt.
c)Indien een meetinrichting voor het vloeistofniveau aanwezig is mag deze niet van een uitlaatopening naar de buitenlucht zijn voorzien.
9.7.2.1.6.Indien een tank in een binnenruimte is aangebracht moet deze ruimte op het laagste punt van vaste openingen zijn voorzien. De ontluchtingsopeningen moeten een totale oppervlakte van ten minste 200 cm2 hebben en zonder gevaar voor de bestuurder een afdoende ventilatie naar de buitenlucht mogelijk maken.
9.7.2.1.7.Verwisselbare tanks moeten zodanig zijn bevestigd dat zij gemakkelijk kunnen worden gehanteerd en dat na verwisseling van de tank de installatie gemakkelijk kan worden gecontroleerd.
9.7.2.1.8.Indien verwisselbare tanks met veiligheidsklep worden aangebracht, moeten deze zodanig op het transportwerktuig zijn geplaatst dat de opening van de veiligheidsklep altijd in verbinding staat met de gasruimte (top) van de tank. Hiervoor kan een paspen worden toegepast, waardoor de tank wordt gefixeerd wanneer deze in de juiste stand is geplaatst.
9.7.2.1.9.Indien een reserve- of extratank op het transportwerktuig wordt meegevoerd, moet deze zijn bevestigd met behulp van een goedgekeurd systeem zoals bedoeld in 9.7.2.1.3 en 9.7.2.1.8.
9.7.2.1.10.Tanks moeten zodanig geplaatst worden dat ze niet te lijden hebben van hitte, met name de hitte afkomstig van de motor en de uitlaatinrichting. Het moet mogelijk zijn een hitteschild aan te brengen dat de ventilatie volstrekt niet mag hinderen.
9.7.2.2.LPG-leidingen 9.7.2.2.1.Verbindingsleidingen en alle bijbehorende onderdelen van de installatie moeten gemakkelijk toegankelijk zijn, tegen beschadiging en slijtage zijn beveiligd en soepel genoeg zijn om trillingen en vervormingen tijdens het gebruik te weerstaan. Leidingen moeten zodanig zijn aangebracht:
a)dat beschadigingen of lekken gemakkelijk kunnen worden ontdekt,
b)dat zij niet door hete delen van de motor kunnen worden beschadigd. Voor het verbinden van de tank met toevoerinrichtingen op de motor mogen geen volledig stijve leidingen worden gebruikt.
c)Hoge-drukleidingen (van meer dan 1 bar) moeten op zijn minst iedere 500 mm (flexibele leidingen) of 600 mm (stijve leidingen) worden ondersteund.
9.7.2.2.2.Slangen, stijve leidingen en alle koppelingen met een bedrijfsdruk van meer dan 1 bar moeten geschikt zijn voor een bedrijfsdruk van 25 bar en moeten een beproevingsdruk van 75 bar zonder te barsten weerstaan.
Slangen, stijve leidingen en alle koppelingen met een bedrijfsdruk van minder dan 1 bar moeten zonder te barsten een beproevingsdruk kunnen doorstaan die het vijfvoud van de hoogste voorkomende bedrijfsdruk bedraagt.
9.7.2.2.3.Tanks en leidingen moeten zodanig zijn aangebracht dat zij niet buiten de buitenomtrek van het transportwerktuig uitsteken. Tankaansluitingen moeten van stijve beschermingsinrichtingen zijn voorzien.9.7.2.2.4.Ieder LPG bevattend gedeelte van een leiding tussen twee afsluitkranen die beide gesloten kunnen zijn, moet met behulp van een voerdrukventiel of een ander geschikt middel tegen overdruk zijn beveiligd.
9.7.2.2.5.Het gebruik van aluminium voor LPG-leidingen is niet toegestaan.
9.7.2.2.6.Slangen moeten zo kort mogelijk zijn.
9.7.2.2.7.Hoge-drukverbindingsstukken en dichtingen (meer dan 1 bar) moeten van metaal zijn, met uitzondering van ingesloten dichtingsringen.
9.7.2.3.Uitrusting 9.7.2.3.1.De gastoevoer moet automatisch worden afgesloten zodra de motor tot stilstand komt, ongeacht of de ontsteking al dan niet werd uitgeschakeld.
9.7.2.3.2.Indien verschillende brandstoffen kunnen worden gebruikt, moet de installatie zodanig zijn ontworpen dat het LPG niet in een andere brandstoftank kan geraken en dat iedere brandstoftoevoer is afgesloten voordat een andere wordt geopend.
9.7.2.3.2.1.Indien het transportwerktuig is voorzien van twee of meer tanks waaruit brandstof kan worden afgetapt, moeten deze via een meerwegsklep of een ander geschikt middel zijn aangesloten, zodat het LPG slechts door één tank tegelijk wordt geleverd. Het (gelijktijdige) gebruik van verschillende flessen of tanks mag niet mogelijk zijn.
9.7.2.3.3.Veiligheidskleppen of vloeistofniveau-aanwijzers moeten zodanig zijn aangebracht dat de uitlaat daarvan niet is gericht op delen van het transportwerktuig die een ontbrandingshaard vormen in de richting van de bestuurder.
9.7.2.3.4.Indien de corrosie van een onderdeel afbreuk doet aan het correct functioneren ervan moet dit onderdeel met een corrosiebestendige beschermende laag zijn bekleed.
9.7.2.3.5.Alle delen van het brandstofsysteem moeten stevig aan het transportwerktuig zijn bevestigd, terwijl de bevestigingsmiddelen zodanig moeten zijn aangebracht dat het effect van trillingen tot een minimum wordt beperkt.
9.7.2.3.6.Reduceerkleppen moeten met het oog op inspectie en onderhoud gemakkelijk toegankelijk zijn.
9.7.3.Elektrische transportwerktuigen 9.7.3.1.Accu 9.7.3.1.1.Metalen deksels moeten zo zijn ontworpen dat zich boven de onder spanning staande delen van de accu een ruimte van ten minste 30 mm bevindt, tenzij de deksels of de onder spanning staande delen van de accu geïsoleerd zijn: in dat geval moet er een ruimte van ten minste 10 mm zijn boven de onder spanning staande delen van de accu. Het isolatiemateriaal van het deksel of de onder spanning staande delen moet zo zorgvuldig zijn aangebracht dat het bij normaal gebruik niet kan losraken.
9.7.3.1.2.Het deksel moet in normale stand voldoende stevig zijn. Het deksel mag niet met de accu (inclusief de cellen en aansluitklemmen) in aanraking komen wanneer op een willekeurig punt van het deksel over een oppervlak van 300 mm × 300 mm een kracht van 980 N wordt uitgeoefend. Het deksel moet zo zijn bevestigd dat verschuiving bij normaal gebruik van het transportwerktuig wordt voorkomen.
9.7.3.1.3.In de accubak of -ruimte of in het deksel moeten voldoende ventilatieopeningen zijn aangebracht, zodat zich geen schadelijke gassen kunnen verzamelen indien de installatie wordt gebruikt in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant.
9.7.3.1.4.Bakken en accu's van transportwerktuigen moeten zo zijn vastgezet dat gevaarlijke verschuiving bij normaal gebruik wordt voorkomen. Bij transportwerktuigen met meerijdende bestuurder mag, ter voorkoming van gevaar voor verwonding van de bestuurder, bij het kantelen van het transportwerktuig over 90° de accu niet losraken.
9.7.3.1.5.Vonkende delen en delen die een temperatuur van 300 °C of hoger kunnen bereiken, mogen niet zijn aangebracht op plaatsen waar zich explosieve gasmengsels kunnen verzamelen.
9.7.3.1.6.Spanning De nominale accuspanning mag niet meer dan 96 volt bedragen.
9.7.3.1.7.Spanningsgrenzen De elektrische uitrusting moet goed en veilig functioneren ook wanneer de accuspanning 30 % lager is dan de nominale spanning, d.w.z. ook bij 0,70-maal de nominale spanning (zie opmerking).
Opmerking Definitie nominale spanning: maximumaantal in serie geschakelde cellen vermenigvuldigd met de nominale spanning van 1 cel. De nominale spanning van 1 cel kan bij voorbeeld zijn: 2,0 volt voor conventionele loodzuurcellen, 1,2 volt voor conventionele alkalische cellen.
9.7.3.2.Stopcontacten Stopcontacten die worden gebruikt voor het aansluiten van tractiebatterijen op de uitrusting van elektrisch aangedreven transportwerktuigen of op acculaadinrichtingen moeten voldoen aan de voorschriften van addendum C.
9.7.3.3.Het mag niet mogelijk zijn de bedieningsstroomketen van het transportwerktuig in te schakelen zolang de contactstop voor het laden is aangesloten op de acculaadinrichting.
9.7.3.4.Weerstanden Weerstanden moeten zo zijn aangebracht dat oververhitting en beschadiging van aangrenzende delen van het transportwerktuig worden voorkomen.
9.7.3.5.Beveiliging 9.7.3.5.1.Onder normale bedrijfsomstandigheden moeten de onder spanning staande delen van het transportwerktuig tegen directe aanraking zijn beschermd.
9.7.3.5.2.De elektrische ketens mogen niet met het gestel van het transportwerktuig zijn verbonden. Deze bepaling geldt niet voor:
a)een detectiesysteem voor gestelsluiting;
b)een verlichtings- of hulpinstallatie, op voorwaarde dat de spanning hiervan niet meer dan 24 volt bedraagt en deze installatie elektrisch is geïsoleerd van de hoofdvoedingsbron;
c)een aansluiting op een beschermingsleiding tijdens het opladen, wanneer het opladen geschiedt met een laadtoestel op een houten ondergrond.
9.7.3.5.3.Voedingsketens voor motoren moeten zijn beveiligd tegen kortsluitstroom. Hulpstroomketens moeten tegen kortsluitstroom en gevaarlijke overbelastingsstromen zijn beveiligd. Parallel geschakelde hulpstroomketens met een gezamenlijke belasting van ten hoogste 10 ampère mogen door één beveiligingstoestel tegen overstroom zijn beveiligd.
9.7.3.5.4.Stroomketens moeten zo zijn uitgevoerd en beveiligd dat twee of meer gestelsluitingen geen ongewilde beweging kunnen veroorzaken.
9.7.3.5.5.Systemen met pulssturing moeten zo zijn uitgevoerd dat ongecontroleerde bewegingen worden voorkomen; elke ongecontroleerde inschakeling ten gevolge van een defect in het elektronische circuit dient onmiddellijk te worden opgeheven. Er dienen inrichtingen aanwezig te zijn om het veiligheidscircuit of -systeem te controleren.
9.7.3.6.Elektrische leidingen Leidingen moeten doeltreffend geïsoleerd zijn en waar nodig beschermd of moeten zo geplaatst en beveiligd zijn dat bij normale bedrijfsomstandigheden van het transportwerktuig mogelijke gevaren worden voorkomen.
De doorsnede van een leiding moet zo zijn gekozen dat de temperatuur ervan tijdens de werking van hettransportwerktuig de toegelaten temperatuur voor de gebruikte isolatieklasse van de leiding niet overschrijdt.
Voor leidingen buiten omhullingen gelden, uitgezonderd korte verbindingen tussen elektrische of elektronische onderdelen de vlak naast elkaar zijn geplaatst, de volgende bepalingen:
a)alle leidingen moten buigzaam zijn;
b)de doorsnede van meeraderige koperen leidingen en van gebundelde leidingen mag niet minder dan 0,5 mm2 bedragen; bundels en leidingen moeten behoorlijk zijn bevestigd;
c)eenaderige koperen leidingen moeten een doorsnede van ten minste 1,0 mm2 hebben.
9.7.3.7.Nooduitschakeling Er dient een systeem (of systemen) voor nooduitschakeling te zijn aangebracht. Die moet gemakkelijk toegankelijk zijn voor de bestuurder wanneer deze zich in een door de fabrikant aanbevolen bedieningspositie bevindt. De nooduitschakelketen moet zonder gevaar ten minste één pool kunnen uitschakelen. Het moet hierbij mogelijk zijn de maximale normale stoom (met inbegrip van de aanloopstroom van de motoren) met één van de volgende middelen te onderbreken:
a)een contactstop als aangegeven in punt 9.7.3.2,
b)een met de hand bediende schakelaar,
c)een schakelaar die in de spoelketen van twee afzonderlijke contactors is opgenomen.
9.7.3.8.Elektromechanische remmen Elektromechanische remmen moeten mechanisch worden aangezet en elektrisch worden gelost.
9.7.3.9.Spanningsproef Nieuwe transportwerktuigen moeten in droge toestand en met ontkoppelde tractiebatterij worden beproefd. Daarbij wordt tussen de actieve delen en het gestel een wisselspanning met een frequentie tussen 25 en 100 hertz aangesloten.
Halfgeleiders of soortgelijke elektronische onderdelen die bij de beproeving kunnen worden beschadigd, mogen worden kortgesloten of verwijderd.
De uitrusting moet bestand zijn tegen de onderstaande wisselspanningen:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
Indien een tweede proef noodzakelijk blijkt, moet de spanning worden verlaagd tot 80 % van de in bovenstaande tabel aangegeven spanning.
Indien als alternatief een spanningsproef met een proefduur van een seconde wordt uitgevoerd, moet de wisselspanning tot 1,1 keer boven genoemde waarde worden verhoogd. Bij gebruik van gelijkspanning bij de proef van 1 seconde moet de proef geschieden met een spanningswaarde gelijk aan 1,6 keer die van bovengenoemde wisselspanning.
9.7.3.10.Isolatieweerstandsproef De isolatie van transportwerktuigen moet voldoende weerstand hebben.
Bij de routinebeproeving moeten het transportwerktuig en de tractiebatterij afzonderlijk worden beproefd. De aangesloten spanning moet groter zijn dan de nominale spanning en kleiner dan 500 volt.
De isolatieweerstand van de geladen en met elektrolyt gevulde tractiebatterij wordt als voldoende beschouwd wanneer deze ten minste gelijk is aan 1 000 Ohm tussen de onder spanning staande delen en het gestel van het transportwerktuig.
De isolatieweerstand van de geladen en met elektrolyt gevulde tractiebatterij wordt als voldoende beschouwd wanneer deze ten minste gelijk is aan 1 000 Ohm tussen de onder spanning staande delen en het gestel van het transportwerktuig.
9.7.3.11.Beveiligingsinrichtingen voor elektrische en elektronische ketens De in onderstaande punten vermelde beveiligingsinrichtingen voor elektrische en elektronische ketens:
9.7.3.7 b) en c)Nooduitschakeling 9.10.5Beveiliging van meelopende bestuurder 10.1.1.1 10.1.2.1 10.1.2.3Snelheidsbeperking en remmen 10.1.3.1 10.1.3.2 10.1.2.2.Beperking van de snelheid en van zijdelingse bewegingen 10.2.5.3.4Slapkabelcontact 10.2.5.8Tweede hefafstandsbegrenzing moeten zo zijn ontworpen en aangebracht dat de veiligende functie bij defecten behouden blijft.
Mechanische schakelaars dienen zo gebouwd te zijn dat zij automatisch de stroomketen onderbreken, waarbij hun werking met zo weinig mogelijk onderdelen moet worden bereikt.
Opmerking Indien het met een enkelvoudige elektrische of elektronische keten niet mogelijk is aan bovenstaande eisen te voldoen, mogen de elektrische of elektronische ketens ook worden verdubbeld om de goede werking te controleren. Bij een defect moet de beweging in kwestie worden onderbroken en het opnieuw in werking stellen mag slechts plaatsvinden nadat de keten is hersteld.
9.8.Systemen en samenstellende delen voor het heffen, neigen en andere bewegingen 9.8.1.Inrichtingen door het heffen en neigen(1) 9.8.1.1.Hefkettingen Alleen rollen- of schlamkettingen zijn toegestaan. Indien de hefinrichting een of meer kettingen bevat, moet de fabrikant van het transportwerktuig kettingen kiezen met ten minste een factor K(2) 5 / 1 voor de verhouding tussen de door de kettingfabrikant gewaarborgde breukbelasting en de statische belasting die bij de gelijkmatig belaste ketting(en) zou optreden wanneer de maximale nominale last zich in transportpositie bevindt, waarbij wordt aangenomen dat er in de mastconstructie geen wrijving voorkomt. De doorsnede van de kettingrollen of -wielen moet ten minste gelijk zijn aan het drievoud van de steek van de kettingen.
9.8.1.2.Kabels Indien de hefinrichting een of meer kabels bevat, moet de fabrikant van het transportwerktuig kabels kiezen met ten minste een factor K 6 / 1 voor de verhouding tussen de door de kabelfabrikant gewaarborgde breukbelasting en de statische belasting die bij de gelijkmatig belaste kabel(s) zou optreden wanneer de maximale nominale last zich in transportpositie bevindt, waarbij wordt aangenomen dat er in de mastconstructie geen wrijving voorkomt. De doorsnede van de kabeltrommels, gemeten op de bodem van de groef, moet ten minste gelijk zijn aan 22-maal de kabeldoorsnede.
9.8.1.3.Hydraulisch hefsysteem De daling van de nominale last als gevolg van een lekverlies in het hydraulische systeem mag gedurende de eerste tien minuten niet meer bedragen dan 100 mm, waarbij de hydraulische vloeistof de normale bedrijfstemperatuur moet hebben. De in deze bepalingen bedoelde lekverliezen zijn die welke verschijnen onder de normale gebruiksomstandigheden van de transportwerktuigen; de externe lekverliezen ten gevolge van abnormale gebruiksomstandigheden of een verkeerde montage, worden niet in aanmerking genomen.
9.8.1.4.Begrenzing van het hefsysteem De hefinrichting moet van aanslagen zijn voorzien die het overschrijden van de uiterste standen beletten. Er moeten bovendien maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het vorkjuk en de bewegende delen van de mast uit het boveneinde van de mastgeleiders kunnen schuiven. Alle bewegingen met beperkte slag moeten door middel van stuitnokken tegen het overschrijden van de uiterste standen zijn beveiligd.
9.8.1.5.Beperking van de daalsnelheid In het hydraulische hefsysteem moet een controle-inrichting zijn ingebouwd waarmede bij een storing in het hydraulische systeem met uitzondering van het lichaam van het hydraulische hefsysteem de daalsnelheid van het hefmechanisme wordt beperkt; de daalsnelheid van het hefmechanisme of de nominale last mag in geen geval meer dan 0,6 m/s bedragen.
9.8.1.6.Hydraulische neigcilinders Wanneer de heftruck zijn nominale capaciteit op een hoogte van 2,5 m draagt, dan wel op de maximumhoogte indien deze minder is dan 2,5 m, met de mast in verticale positie, mogen de lekverliezen van de gehele hydraulische neiginrichting (cilinders, regelklep enz.) slechts een gemiddelde voorwaartse neigsnelheid van de mast mogelijk maken die gedurende de eerste tien minuten niet meer dan 5° bedraagt.
Bij heftrucks waarvan de maximumneiging minder dan 5° bedraagt, mag de gemiddelde snelheid van de voorwaartse neiging door lekverliezen niet groter zijn dan een halve graad per minuut.
9.8.1.7.Sterkte van constructie en voorzieningen De constructie van een heftruck en zijn voorzieningen moeten een voldoende sterkte hebben die gedurende 15 minuten de statische lasten 1,33 Q1 en 1,33 Q2 op de toepasselijke maximumhoogten kan verdragen:
Q1=maximumlast op de standaard zwaartepuntafstand van de last en de standaard hefhoogte (nominale capaciteit, addendum A, punten 2, 3 en 4).
Q2=maximumlast op de maximum hefhoogte, overeenkomstig de gegevens op de capaciteitsplaat (werkelijke capaciteit, addendum A, punt 5).
Wanneer een transportwerktuig wordt beproefd, mogen de lasten door een passend middel dat onafhankelijk is van het transportwerktuig op de vorken in de toepasselijke maximale hoogtepositie worden geplaatst; het transportwerktuig moet op een duidelijk horizontale bodem worden geplaatst en de mast moet duidelijk loodrecht staan.
Tijdens de proef mogen de masten worden bijgesteld.
Uit veiligheidsoverwegingen moet het transportwerktuig zo worden vastgemaakt dat de proeven niet worden beïnvloed. De banden mogen worden afgenomen.
Na de proef mogen er geen blijvende vervormingen of gebreken zijn.
9.8.2.Hydraulische uitrusting 9.8.2.1.Hydraulisch circuit Slangen, leidingen en alle koppelingen moeten zonder te barsten een druk kunnen doorstaan die ten minste gelijk is aan het drievoud van de daadwerkelijke nominale bedrijfsdruk van het overeenkomstige hydraulische circuit.
9.8.2.2.Veiligheidskleppen Hydraulische systemen moeten van een betrouwbare inrichting zijn voorzien die verhindert dat de druk in het circuit een vooraf ingestelde waarde overschrijdt (overdrukventiel).
Deze inrichting moet zo zijn geconstrueerd en aangebracht, dat het onverhoeds losgaan of verstellen ervan niet mogelijk is; een wijziging van de ingestelde druk mag alleen met een werktuig of een sleutel mogelijk zijn.
9.8.2.3.De hydraulische installatie moet zo zijn geconstrueerd, dat, bij het uitvallen of een onderbreking van de energietoevoer, door hydraulische druk in het systeem de pomp niet ongewild als hydraulische motor gaat werken.
9.8.2.4.Het hydraulische systeem moet zo zijn geconstrueerd en aangebracht, dat aan de prestatie en betrouwbaarheid hiervan geen afbreuk wordt gedaan of aan onderdelen hiervan schade wordt berokkend door uitwendige spanningen, trillingen of bewegingen van het transportwerktuig of delen hiervan, enz.
9.8.2.5.Het hydraulische systeem moet zo zijn geconstrueerd, dat de circulerende olie voortdurend wordt gefiltreerd.
9.8.3.Vorktanden en -juk 9.8.3.1.Vorktanden - technische kenmerken en beproeving overeenkomstig internationale norm ISO-2330, eerste versie 1978, hoewel in deze norm slechts wordt verwezen naar haakvormige vorktanden.
9.8.3.2.Vorktanden - zijwaartse vergrendeling In de vorktanden en het vorkjuk moeten middelen zijn ingebouwd die een ongewilde zijwaartse verschuiving verhinderen. Door middel van aanslagen moet het zijwaarts eruit glijden aan de uiteinden zijn voorkomen.
9.8.3.3.Vorkverlengingen Vorkverlengingen moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij niet onverhoeds los van de vorktand kunnen raken.
9.8.3.4.Indien zich aan de onderkant van het juk een verwijderingsgleuf voor de tanden bevindt, mag deze niet in verbinding staan met een spleet of zich aan de bovenkant van het juk bevinden, tenzij er voorzieningen zijn aangebracht om te voorkomen dat de tand zich ongewild verplaatst.
9.8.4.Inrichtingen voor het aanslaan (bij hijsen) Inrichtingen voor het aanslaan moeten zo zijn ontworpen, dat er geen kans op onverhoeds loshaken bestaat.
9.9.Bestuurdersplaats 9.9.1.Afmetingen De zit- of staanplaats voor de bestuurder moet zo zijn geconstrueerd dat de bestuurder bij het bedienen van het transportwerktuig voldoende ruimte heeft om zich binnen de horizontale projectie van de buitenomtrek van het transportwerktuig terug te trekken.
De afmetingen moeten in overeenstemming zijn met onderstaande minimumafmetingen in mm:
>BEGIN VAN DE GRAFIEK>
Zitplaats van de bestuurder Rijrichting Stoel in rijrichting Rijrichting Steol dware op rijrichting Staanplaats van de bestuurder Kijkrichting van de bestuurder Verticaal vooraanzicht (of achteraanzicht) van de staruimte >EIND VAN DE GRAFIEK>
(1)Van de heupen tot de schouders.
(2)Deze afmeting - heuphoogte - is bij wijze van uitzondering een maximum.
Het voor de bestuurder beschikbare bodemoppervlak van voeten tot heupen mag niet minder dan 1 400 cm2 zijn en moet voorts een cirkel met een diameter van 360 mm kunnen bevatten.
9.9.2.Toegang Transportwerktuigen met meerijdende bestuurder moeten zo zijn ontworpen, dat gemakkelijk in- en uitgestapt kan worden zonder gevaar te lopen uit te glijden of te vallen. Het vloeroppervlak moet slipvrij zijn. Er dient een toereikend aantal treden of treeplanken met antislipoppervlak of -bekleding aanwezig te zijn.
De afstand tussen twee opeenvolgende treden (of treeplanken) of tussen een trede (of treeplank) en de grond mag in geen geval meer dan 550 mm bedragen. Zo nodig moeten veiligheidshandgrepen zijn aangebracht.
9.9.3.De bestuurdersstoel moet gecapitonneerd zijn en kan van een veerkrachtige ondersteuning worden voorzien om de overbrenging van trillingen op het lichaam van de bestuurder tot een minimum te beperken.
9.9.4.Temperatuur De bestuurdersstoel en alle delen van het transportwerktuig binnen het bereik van de bestuurder wanneer deze zich in de normale bedieningspositie bevindt, zich naar zijn bedieningsplaats begeeft of deze verlaat, moeten zijn geïsoleerd tegen te hoge temperaturen, veroorzaakt door de motor of andere apparatuur.
9.10.Beschermingsinrichtingen 9.10.1.Veiligheidskap ter bescherming tegen vallende voorwerpen Iedere heftruck voor een hefhoogte van meer dan 1,80 m, met meerijdende bestuurder, moet van een veiligheidskap zijn voorzien. Deze mag afneembaar zijn.
Indien de hefhoogte van transportwerktuigen met meelopende bestuurder en van transportwerktuigen met meelopende bestuurder waarop de bestuurder eventueel kan plaatsnemen, meer dan 1,80 m bedraagt, moet de lasthefinrichting van de heftruck kunnen worden voorzien van een lastrek.
Voor heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats, zie hoofdstuk 10.
Veiligheidskappen moeten voldoen aan de volgende voorschriften:
9.10.1.1.Constructie 9.10.1.1.1.Algemeen De veiligheidskap moet zich onder alle normale bedieningsomstandigheden van de heftruck over de bestuurder uitstrekken.
Indien de veiligheidskap aan de mast is bevestigd, geldt deze eis ongeacht de stand van de mast.
De bedieningshandels in neutrale stand, de onbeschermde pedalen en het stuurwiel mogen zich in de richting van de mast boven de verticale projectie op een horizontaal vlak van de buitenomtrek van de veiligheidskap bevinden tot een afstand van ten hoogste 150 mm. Er wordt geen rekening gehouden met de handrem in geloste stand.
De bescherming van de benen en de voeten van de bestuurder wordt bevredigend geacht wanneer de afstand, verticaal geprojecteerd op een horizontaal vlak, tussen de voorkant van de veiligheidskap en de achterkant van de voorconstructie van het chassis van de heftruck, die voor deze bescherming zorgt, niet meer bedraagt dan 150 mm.
9.10.1.1.2.Indien het mechanisme voor schuinstelling van de mast defect raakt, mag daardoor voor de bestuurder noch direct noch indirect gevaar ontstaan in verband met de veiligheidskap.
9.10.1.2.Afmetingen 9.10.1.2.1.Een veiligheidskap moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat het uitzicht zo weinig mogelijk wordt belemmerd.
9.10.1.2.2.Openingen in het dak van de veiligheidskap mogen in een van beide richtingen, lengte of breedte, niet groter zijn dan 150 mm.
De veiligheidskap moet zodanig zijn geconstrueerd dat hierop een extra voorziening kan worden aangebracht om in bijzondere gevallen de bestuurder een betere bescherming te bieden tegen vallende voorwerpen.
9.10.1.2.3.Bij trucks met een bestuurderszitplaats moet een verticale vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 1 000 mm. Deze afstand moet worden gemeten vanaf het diepste punt van de ingedrukte zitplaats van de bestuurder tot de onderkant van de veiligheitskap in de nabijheid van het hoofd van de bestuurder, wanneer deze zich in de normale bedieningspositie bevindt.
9.10.1.2.4.Bij trucks met een bestuurdersstaanplaats moet een verticale vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 1 880 mm. Deze afstand moet worden gemeten vanaf de voetplaat - waarop de bestuurder staat - tot de onderkant van de veiligheidskap in de nabijheid van het hoofd van de bestuurder, wanneer deze zich in de normale bedieningspositie bevindt.
9.10.1.2.5.De veiligheidskap mag de bestuurder bij het in- en uitstappen slechts zo weinig mogelijk hinderen.
9.10.1.3.Beproeving van veiligheidskappen 9.10.1.3.1.Algemeen Ter beproeving van de bescherming van de bestuurder tegen vallende voorwerpen (maar niet tegen de stoot van een last die overeenstemt met de capaciteit van de heftruck), moeten de hierna omschreven proeven worden uitgevoerd op het prototype van een veiligheidskap die is aangebracht op een truck van het type waarvoor de kap is ontworpen.
De kap mag ook op een proefgestel worden bevestigd, op voorwaarde dat dit op dezelfde wijze geschiedt als op de heftruck.
9.10.1.3.2.Statische beproeving De veiligheidskap moet in staat zijn gedurende één minuut een statische beproeving met een onvervormbare proeflast te doorstaan. Deze proeflast moet gelijkelijk worden verdeeld over het horizontale gedeelte van de kap. De grootte van de proeflast moet in overeenstemming zijn met onderstaande tabel en grafiek:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
>BEGIN VAN DE GRAFIEK>
Statische proeflast in kg Nominale capaciteit van de truck in kg (Q) >EIND VAN DE GRAFIEK>
9.10.1.3.3.Dynamische beproeving De veiligheidskap moet een aantal stoten van een vallende hardhouten kubus met een massa van ten minste 45 kg kunnen weerstaan.
De stand van de vrijvallende kubus moet zo zijn dat de kubus met één van zijn vlakken de bovenkant van de veiligheidskap raakt; de kubus mag de kap niet treffen met een hoek of een rand. De kubus moet worden geworpen vanaf een hoogte van 1,5 m. De proef moet tienmaal zodanig worden uitgevoerd dat de kubus de kap raakt op willekeurige plaatsen binnen een cirkel met een diameter van 600 mm, waarvan het middelpunt zich verticaal boven het middelpunt van de plaats van de bestuurder bevindt.
9.10.1.3.4.Resultaten van de statische en dynamische beproeving Na twee beproevingen mag de kap geen van de volgende gebreken vertonen: breuken, losgeraakte verbindingen of onderdelen, blijvende verticale vervorming die meer bedraagt dan 20 mm, gemeten aan de onderzijde van de kap binnen een cirkel met een diameter van 600 mm, waarvan het middelpunt zich verticaal boven het middelpunt van de plaats van de bestuurder bevindt.
9.10.1.3.5.Toebehoren van de veiligheidskap Vervormingen en beschadigingen die tijdens de dynamische beproeving optreden aan het toebehoren van de veiligheidskap (zoals draadgaas, bekleding, kunststof enz.) mogen buiten beschouwing worden gelaten.
9.10.2.Lastrek Heftrucks voor grote hefhoogte moeten zijn uitgerust met een voorziening die het mogelijk maakt een lastrek te monteren.
9.10.3.Platform 9.10.3.1.Bestuurdersplatforms op transportwerktuigen met bestuurdersplaats op het eind moeten zich verder dan de bestuurdersplaats uitstrekken en zodanig zijn ontworpen, dat zij een drukkracht kunnen weerstaan die met het gewicht van het belaste transportwerktuig overeenstemt en die in de richting van de lengteas van het transportwerktuig wordt uitgeoefend, met het buitenste uitsteeksel van het platform tegen een vlak verticaal oppervlak.
Noot:
In het kader van dit hoofdstuk omvat het bestuurdersplatform alle omringende versterkingen of delen van het transportwerktuig die bijdragen aan de weerstand van het platform tegen samendrukking.
9.10.3.2.Ten opzichte van het transportwerktuig overhangende platforms voor staande bestuurders moeten aan de zijkanten of voorzijde van het platform van beschermingen zijn voorzien.
9.10.3.3.Platforms voor staande bestuurders, die zijn aangebracht op transportwerktuigen voor meelopende bestuurders en die buiten de door de assen of het chassis van het transportwerktuig gevormde omtrek zijn aangebracht, moeten automatisch samenklappen of draaien wanneer de bestuurder het platform verlaat; het platform moet zijn voorzien van middelen die het onverhoeds samenklappen of draaien van het platform verhinderen wanneer de bestuurder zich daarop bevindt.
9.10.3.4.Vaste platforms voor staande bestuurders, die zich op een hoogte van meer dan 1 200 mm boven de grond bevinden, moeten zijn voorzien van een leuning bestaande uit een bovenregel, een tussenregel en een ten minste 100 mm hoge voetlijst, of van gelijkwaardige beschermingsmiddelen; de hoogte hiervan moet ten minste 1 000 mm en ten hoogste 1 100 mm bedragen, gemeten vanaf het bovenvlak van de leuning tot het platform. De leuningen moeten een kracht van 900 N kunnen weerstaan die hierop in horizontale richting op een willekeurige plaats wordt uitgeoefend(1).
Afneembare of scharnierende leuningen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij gemakkelijk op de juiste plaats kunnen worden gebracht en dat duidelijk zichtbaar is of zij goed vergrendeld zijn.
Bij scharnierende leuningen mag het alleen mogelijk zijn deze naar boven, naar binnen of zijdelings te openen.
9.10.4.1.Wielbeschermers 9.10.4.1.Wielen die duidelijk buiten de omtrek van het gestel van het transportwerktuig uitsteken, moeten van een doeltreffende inrichting zijn voorzien om de bestuurder in zijn normale bedieningspositie te beschermen tegen het gevaar voor verwondingen die kunnen worden veroorzaakt door voorwerpen welke door de wielen omhoog worden geslingerd (modder, grind, steentjes, bouten enz.).
De bescherming van de sturende wielen moet deze slechts bedekken wanneer het transportwerktuig rechtuit rijdt.
9.10.5.Bescherming van de bestuurder - transportwerktuigen met meelopende bestuurder In de disselboom of trekstang van transportwerktuigen met meelopende bestuurder moet een systeem zijn ingebouwd om de rijrichting om te keren of het transportwerktuig te doen stilstaan ingeval de trekstang of disselboom in de rijstand in aanraking zou komen met een vast voorwerp (b.v. het lichaam van de bestuurder).
9.10.6.Waarschuwingsinrichting Alle transportwerktuigen moeten van een duidelijk hoorbare waarschuwingsinrichting zijn voorzien.
9.10.7.Gevaarlijke punten voor de bestuurder De ten opzichte van elkaar bewegende delen die zich binnen het bereik van de bestuurder in zijn normale bedieningspositie bevinden, moeten afdoend worden afgeschermd, ofwel moet er tussen dergelijke delen een minimumafstand zijn die hieronder is aangegeven:
-Plaatsen waar de vingers van de bestuurder bekneld of afgekneld kunnen raken: 25 mm.
-Plaatsen waar de handen of voeten van de bestuurder bekneld of afgekneld kunnen raken: 50 mm.
-Plaatsen waar de armen of benen van de bestuurder bekneld of afgekneld kunnen raken: 100 mm.
9.11.Uitzicht De bestuurders van de transportwerktuigen moeten voldoende uitzicht hebben om alle bewegingen veilig te kunnen uitvoeren.
9.12.Voorwaarden in verband met het milieu 9.12.1.Geluid De geluidsemissie van een transportwerktuig met verbrandingsmotor wordt gemeten volgens onderstaande voorschriften:
9.12.1.1Geluidsniveau in de omgeving Het maximaal toelaatbare geluidsniveau in de omgeving is 90 dB (A).
9.12.1.2.Geluidsniveau op de bestuurderplaats Het maximaal toelaatbare equivalente geluidsniveau (Leq) op de bestuurdersplaats is 90 dB (A).
9.12.2.Bestuurderscabine 9.12.2.1.Indien in plaats van een veiligheidskap een cabine is aangebracht, moet deze aan de voorschriften van punt 9.10.1 voldoen.
9.12.2.2.Indien een volledig gesloten cabine met een verwarmingsinstallatie is uitgerust, moet de luchtinlaat van het verwarmingstoestel op een toevoer van verse lucht zijn aangesloten; gedeeltelijke regeling van de lucht is evenwel toegestaan. De installatie moet stevig zijn bevestigd; de temperatuur moet op redelijke wijze in de cabine kunnen worden verspreid. De installatie dient voorzien te zijn van een inrichting die belet dat de bestuurder zich verbrandt.
9.12.2.3.Er dient te zijn voorzien in een doelmatige ventilatie van de cabine.
9.12.2.4.Indien in de raamopeningen ruiten zijn aangebracht, moeten deze van veiligheidsglas zijn. De voorruit en de achterruit moeten voorzien zijn van voldoende grote ruitewissers.
9.12.2.5.(geschrapt) 9.13.Hulpstukken voor het grijpen van de last 9.13.1.Hulpstukken (bij voorbeeld klemmen, horizontale verstelinrichtingen enz.) moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, dat zij niet onverhoeds los kunnen raken en zijwaarts verschuiven.
De bewegingen van hulpstukken en onderdelen daarvan moeten in de uiterste standen met mechanische middelen zijn beperkt.
9.13.2.Kleminrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen dat de klemdruk automatisch wordt gehandhaafd door middel van stopkleppen of enig ander doeltreffend systeem wanneer de controle-inrichtingen van het transportwerktuig zich in neutrale stand bevinden.
Bij een storing in het energietoevoersysteem van hulpstukken mag het niet mogelijk zijn dat de last valt of onverhoeds in beweging komt.
9.13.3.Indien het hulpstuk van een eigen afzonderlijke hydraulische uitrusting is voorzien, moet deze voldoen aan het bepaalde in punt 9.8.2 Hydraulische uitrusting.
9.13.4.Indien het hulpstuk is voorzien van een hydraulische uitrusting verbonden aan de hydraulische uitrusting van het transportwerktuig, moeten beide uitrustingen onderling verenigbaar zijn en moet de gecombineerde uitrusting voldoen aan het bepaalde in punt 9.8.2 Hydraulische uitrusting.
9.13.5.Hulpstukken moeten zodanig zijn uitgevoerd en op het transportwerktuig zijn aangebracht, dat de bestuurder vanaf zijn plaats de weg en het lastdragende onderdeel kan zien.
9.13.6.Gevaarlijke punten van hulpstukken (waar een lichaamsdeel kan worden verpletterd, bekneld of afgekneld kan raken), met uitzondering van die welke de last grijpen, moeten aan de in punt 9.10.7 vermelde eisen voldoen.
9.13.7.Het gecombineerde lastmoment van een hulpstuk en zijn last mag het nominale lastmoment van het transportwerktuig waarop het hulpstuk is gemonteerd, niet overschrijden.
De stabiliteit van de combinatie heftruck/hulpstuk met last moet door de heftruckfabrikant of overeenkomstig zijn aanwijzingen worden geverifieerd aan de hand van de daarop van kracht zijnde beproevingseisen.
Bij de berekening van de restcapaciteit van een combinatie heftruck/hulpstuk dient tevens rekening te worden gehouden met de stoot die zich voordoet wanneer met de nominale last de uiterste stand wordt bereikt (bij voorbeeld bij een horizontale verstelinrichting).
9.14.Stuurinrichting - schokdemping De overbrenging van schokken op de stuurinrichting van transportwerktuigen met bestuurdersstaanplaats of -zitplaats moet, voor zover redelijkerwijze mogelijk, zijn beperkt om letsel aan de handen of armen van de bestuurder te voorkomen.
9.15.Lichten Transportwerktuigen met meerijdende bestuurder moeten zo zijn geconstrueerd dat zij door de fabrikant of zijn vertegenwoordiger of door andere gekwalificeerde personen, aan de hand van de door de fabrikant opgegeven instructies, kunnen worden voorzien van een elektrisch circuit waarop koplampen, rode achterlichten en, indien nodig, een inrichting voor het aanwijzen van de richting kunnen worden aangesloten.
9.16.Stabiliteit van het transportwerktuig De stabiliteit van de transportwerktuigen moet in alle bedrijfsposities en bij alle hef- en rijbewegingen gedurende het geëigende gebruik gewaarborgd zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan wanneer aan de bepalingen van de betreffende bijlagen inzake beproevingen is voldaan.
10.AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HEFTRUCKS MET MEESTIJGENDE BESTUURDERSPLAATS EN HEFTRUCKS DIE SPECIAAL ZIJN ONTWORPEN VOOR HET RIJDEN MET HOOG GEHEVEN LAST De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor de volgende typen trucks:
a)transportwerktuigen zonder hefinrichting (bestuurdersplatform en lastdragend orgaan zijn niet hefbaar);
b)heftrucks met mestijgende bestuurdersplaats voor geringe hefhoogte; de last wordt net hoog genoeg opgetild om vervoerd te kunnen worden;
c)heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats waarvan de maximumhefhoogte van het bestuurdersplatform 1,20 m bedraagt.
10.1.Algemene bepalingen De heftrucks moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij in de voor hen specifieke bedrijfsomstandigheden stabiel genoeg zijn om zich in beladen en in onbeladen toestand zonder risico te kunnen verplaatsen terwijl de hefinrichting of het mechanisme voor het bewegen van de last en/of de bestuurder omhooggebracht, naar beneden gelaten of gedraaid wordt.
Indien de fabrikant hierop beperkingen stelt, moeten systemen zijn ingebouwd die de betreffende bewegingen van de truck automatisch beperken.
10.1.1.Veiligheidsvoorzieningen voor afzonderlijke typen 10.1.1.1.Bij heftrucks die met omhooggebrachte last en/of bestuurder in vrije ruimte buiten de stapelgangen of in stapelgangen zonder geleidingssystemen rijden:
a)moet de rijsnelheid automatisch worden beperkt tot maximaal 4 km/h, indien de bestuurders- plaats of de hefinrichting hoger dan 500 mm boven de laagste standt word geheven (zie figuur 1);
b)moet de rijsnelheid automatisch worden beperkt tot maximaal 4 km/h, indien de bestuurdersplaats of de hefinrichting zich tussen de 500 en 2 500 mm boven de laagste stand bevindt, en moet de rijsnelheid automatisch tot kruipsnelheid (maximum 2,5 km/h) worden verlaagd, indien het stuur van een in genoemde positie verkerende truck meer dan 10° wordt gedraaid ten opzichte van de stand die correspondeert met rijden in rechte lijn (zie figuur 1).
c)moet het rijden automatisch worden verhinderd of op kruipsnelheid (maximum 2,5 km/h) worden gehouden, indien de bestuurdersplaats of de hefinrichting meer dan 2 500 mm boven de laagste stand komt (zie figuur 1);
d)moet, wanneer de hefinrichting in bedrijf is en de hefhoogte meer dan 2 500 mm bedraagt, het rijden automatisch worden verhinderd of tot kruipsnelheid worden beperkt.
10.1.1.2.In gangen met een geleidingssysteem dient de heftruck te worden voorzien van een inrichting die, wanneer de heftruck rijdt, de afwijking tussen de lengteas van de heftruck en de lengteas van de gang tot circa 2° beperkt.
10.1.1.3.Indien een heftruck die in gangen rijdt, geheel of gedeeltelijk door externe stutinrichtingen verhinderd wordt te kantelen (bij voorbeeld door leirollen aan de heftruck die in geleidingsrails aan de stelling lopen), behoeven de speciale stabiliteitsproeven voor de werking in stellinggangen enkel te worden uitgevoerd in de richtingen waarin de heftruck niet tegen kantelen beveiligd is.
Er dient te worden verhinderd, dat de heftruck van deze stutinrichting losraakt wanneer hij werkt met omhooggebrachte last of bestuurder.
10.1.1.4.Indien een heftruck zich geleid voortbeweegt overeenkomstig de punten 10.1.1.2 en 10.1.1.3, moet er tussen de buitenste gedeelten van de bestuurdersplaats en de meestijgende bestuurdersplaats en de stellingen of de last op zijn normale stapelplaats een veiligheidsafstand van ten minste 100 mm in acht worden genomen.
10.1.2.Bedrijfsveiligheidsvoorzieningen 10.1.2.1.Indien de stabiliteit van de heftruck afhangt van verminderde snelheid en/of remwerking bij een bepaalde hefhoogte (of hefhoogten), dienen remkracht en rijsnelheid automatisch te worden aangepast.
Indien de heftruck boven bepaalde hefhoogten uitsluitend met kruipsnelheid mag rijden (max. 2,5 km/h), dient automatisch te worden voorkomen dat deze snelheid wordt overschreden.
Indien een truck is ontworpen om in drie richtingen te kunnen stapelen, dient hij te zijn uitgerust met een systeem dat automatisch voorkomt:
a)dat de truck sneller dan 2,5 km/h rijdt, wanneer de last zich in vooruitgeschoven positie bevindt;
b)dat de last in horizontale richting verplaatst kan worden, wanneer de heftruck rijdt.
Deze eis vervalt, indien de stabiliteit van de truck op een andere manier door de fabrikant wordt gewaarborgd.
10.1.2.2.Indien de kans bestaat dat enig deel van een heftruck zijdelings in een vak van de magazijnstelling terechtkomt, dient de truck te worden uitgerust met een systeem (of systemen) dat verhindert dat dit deel tijdens het rijden of tijdens het rijzen of dalen van de hefinrichting dergelijke zijdelingse bewegingen maakt en dat bovendien de truck uitsluitend op kruipsnelheid (max. 2,5 km/h) laat rijden, wanneer bedoeld deel zijdelings is of wordt uitgeschoven.
10.1.2.3.Bij hefstanden tijdens welke de truck uitsluitend op kruipsnelheid (max. 2,5 km/h) mag rijden, moet de acceleratie automatisch worden vertraagd tot een waarde die niet hoger ligt dan de door de fabrikant voor deze hefstanden vastgestelde maximumvertraging.
10.1.2.4.Alle bedieningsorganen, inrichtingen en systemen waarmee bewegingen in gang worden gezet, moeten automatisch in de stopstand terugkeren wanneer zij worden losgelaten, en tegen de eventuele gevolgen van een storing zijn beveiligd. Indien dit niet redelijkerwijs uitvoerbaar is, moet een storingswaarschuwingssysteem worden aangebracht.
10.1.3.Bedrijfsremmen 10.1.3.1.Wanneer binnen of buiten de stellinggangen zonder geleidingssysteem wordt gereden en de bestuurdersplaats of de hefinrichting zich op maximaal 500 mm boven de laagste stand bevindt, moet de remkracht van het remsysteem voldoen aan de eisen van punt 9.3.1, groep A, of moet de rijsnelheid automatisch worden verminderd tot maximaal 9 km/h (zie figuur 1).
10.1.3.2.Indien de bestuurdersplaats of de hefinrichting zich, zowel in de gangen met geleidingssysteem als in de vrije ruimte, op meer dan 500 mm boven de laagste stand bevindt, mag de remkracht F van punt 9.3.1, overeenkomstig de formules tegelijk met de snelheid variëren, mits het werkelijke remvermogen automatisch op de snelheid wordt afgestemd.
10.2.Aanvullende voorschriften voor trucks met meestijgende bestuurdersplaats 10.2.1.Snelheid Trucks met een meestijgende bestuurdersplaats moeten zodanig zijn geconstrueerd dat hun rijsnelheid in beladen toestand op vlakke grond niet meer dan 16 km/h (zie figuur 1) bedraagt.
10.2.2.Rijremmen 10.2.2.1.Bedrijfsremmen en parkeerremmen kunnen via een zelfde systeem worden bediend. Indien een dergelijke constructie is toegepast, dient falen van het systeem te resulteren in het in werking treden van de remmen.
10.2.2.2.Bij bedrijfsremmen en parkeerremmen kunnen dezelfde mechanische blokkeringsmiddelen worden toegepast (b. v. remschoenen, nokken en hefbomen).
10.2.2.3.De rem wordt bediend door een bedieningsorgaan dat gewoonlijk in de brake-on-stand is. Wanneer de op de stuurinrichting uitgeoefende druk wegvalt, moeten de remmen automatisch in werking worden gesteld en moet de aangewende remkracht zijn aangepast aan de stabiliteit (zie punt 9.3.1 - groep D). Wanneer de trucks in vrije ruimte met een snelheid van meer dan 9 km/h rijden (zie punt 10.1.3.1) en dus een grotere remkracht vereist is dan die bedoeld in punt 9.3.1, groep A, kan de extra remwerking op de normale wijze worden uitgeoefend en behoeft de "brake-on''-stand niet te worden gebruikt. De constructie moet zodanig zijn dat de extra rem pas in werking kan worden gesteld wanneer de last en/of de bestuurdersplaats zich op een hoogte van minder dan 500 mm bevinden.
10.2.2.4.Ook bij heftrucks met rembekrachtiging moet de in punt 9.3.4.1, sub c), aangegeven minimum-remwerking bij uitvallen van de energiebron voor de rembekrachtiging kunnen worden verkregen.
10.2.3.Bestuurdersplaats 10.2.3.1.De bestuurdersplaats op heftrucks die zijn gebouwd voor werkzaamheden op meer dan 1,2 m hoogte, moet voorzien zijn van een leuning overeenkomstig de eisen van punt 9.10.3.4.
10.2.3.2.Hekken, deuren enz. mogen alleen naar binnen, naar boven of naar opzij opengaan en moeten bij voorkeur zelfsluitend zijn. Indien de voor een heftruck geprojecteerde hefhoogte van de bestuurdersplaats meer dan 1,2 m bedraagt, moeten de deuren, hekken enz, voorzien zijn van een mechanisme dat rij- en hefbewegingen verhindert, zolang de deuren, hekken enz. niet naar behoren gesloten zijn.
10.2.3.3.Op heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats van het walk-on-type, waarbij op de pallets enz. mag worden gelopen, dienen voorzieningen te worden aangebracht om te voorkomen dat de bestuurder of zijn assistent zouden vallen wegens omkantelen of verplaatsen van de pallets. Bovendien moeten op orderverzameltrucks van het "walk-on''-type, met hefhoogten van meer dan 1,2 m vanaf de grond, voorzieningen zijn aangebracht die voorkomen dat de bestuurder of zijn assistent als gevolg van afwezigheid van de pallet van het platform valt.
10.2.3.4.Bij heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats als bedoeld in punt 10.2.3.3 van het walk-on-type met een bestuurdersplaats die hefbaar is tot hoogten van meer dan 1,2 m moet de in punt 10.2.3.1 genoemde leuning de voor de bestuurder (en helper, indien de constructie hierop is berekend) toegankelijke ruimte volledig omvatten.
Aan de ingang van het lastdragend orgaan is een bovenregel voldoende.
10.2.3.5.Indien de constructie van de bestuurdersplaats zodanig is dat de bestuurder ingesloten kan raken, moet de deurconstructie bevrijding van buitenaf vergemakkelijken of moet een alternatieve in/uitgang, bij voorbeeld een luik in het dak, zijn aangebracht.
10.2.3.6.De vloer van de bestuurdersplaats dient bij benadering horizontaal en slipvast te zijn. Indien de truck in de eerste plaats voor gebruik in de open lucht bestemd is, dient de vloer zodanig te zijn geconstrueerd dat er geen water op blijft staan.
Hij moet bestand zijn tegen een druk van 1 800 N/m2 en op elke plaats een massa van 100 kg op een oppervlak van 0,16 m2 kunnen dragen.
Indien de vloer van beglazing voorzien is, dient de sterkte of de veiligheid ervan ten minste gelijkwaardig te zijn aan die van de vloer zelf.
Indien de vloer uit een geperforeerde plaat of rooster bestaat, mogen de gaten of openingen geen kogel met een diameter van 20 mm doorlaten. Het oppervlak van iedere opening mag in geen geval meer dan 400 mm2 bedragen.
10.2.3.7.Bij de constructie van de bestuurdersplaats moeten materialen zijn gebruikt die minstens moeilijk ontvlambaar zijn.
10.2.3.8.Indien de wanden rond de bestuurdersplaats glas bevatten, moet de in punt 10.2.3.1 genoemde leuning op doelmatige wijze vóór het glas zijn aangebracht.
10.2.4.Beschermkap Een beschermkap, die aan de eisen van punt 9.10.1 moet voldoen, moet boven de bestuurdersplaats zijn bevestigd.
Aan de eis van punt 9.10.1.3.2 behoeft daarentegen niet te worden voldaan, indien een inrichting voor het stopzetten van de hefbeweging zondanig is aangebracht dat de bestuurder daardoor in alle gevallen wordt beschermd tegen de gevolgen van aanraking van het dak van het bestuurdersplatform met enig obstakel. Bij hydraulische hefsystemen mag, bij een beschermkap van voldoende sterkte, hiervoor de drukregelaar worden gebruikt.
10.2.5.Veiligheidsvoorzieningen en constructievoorschriften 10.2.5.1.De opstelling van de bedieningsorganen moet zodanig zijn, dan wel moeten daartoe strekkende inrichtingen aanwezig zijn, dat de bestuurder en zijn helper (zie tweede alinea) zich veilig binnen de begrenzing van de bestuurdersplaats of het platform moeten bevinden, alvorens de bestuurder de truck of het platform op enigerlei wijze in beweging kan zetten, en dat wordt bereikt dat hij/zij zich redelijkerwijs niet buiten de begrenzing van de cabine of het platform kan/kunnen begeven zonder dat de bewegingen van de truck worden stopgezet.
Indien een truck met meestijgende bestuurdersplaats is uitgerust met een veiligheidssysteem voor meer dan één bedieningsman, moet met het oog op wisselingen in de samenstelling van de bedieningsploeg een hoofdverbodschakelaar worden aangebracht. De schakelaar moet kunnen worden gesloten met een sleutel die afwijkt van alle andere voor de truck gebruikte sleutels.
10.2.5.2.Beveiliging van de hefinrichting 10.2.5.2.1.De truck moet zo zijn uitgerust dat verhinderd wordt dat bij storing in de hefinrichting de bestuurdersplaats valt.
10.2.5.2.2.Aan de eis van punt 10.2.5.2.1 wordt geacht te zijn voldaan als de volgende maatregelen zijn getroffen.
10.2.5.2.2.1.Voor volledig mechanische hefinrichtingen -dient er een inrichting aanwezig te zijn die de bestuurdersplaats met zijn door de fabrikant vermelde maximumlast bij storing in het hefsysteem steunt, en -dienen de in hefinrichtingen van de bestuurdersplaats gebruikte kettingen of kabels ten minste te voldoen aan de bepalingen van de punten 10.2.5.3.1 tot en met 10.2.5.3.5.
Tot en met 31 december 1992 mogen de Lid-Staten op hun grondgebied eveneens het op de markt brengen van trucks met meestijgende bestuurdersplaats, die slechts voldoen aan een van de hierboven aangegeven vereisten, toestaan.
De bestuurder mag het blokkeringsmechanisme alleen buiten werking kunnen stellen bij daalsnelheden van ten hoogste 0,4 m per seconde.
10.2.5.2.2.2.Voor volledig hydraulische hefinrichtingen Er moet een inrichting zijn aangebracht die bij breuk in de leidingen of slangen het dalen tegengaat. Deze inrichting dient direct op of in de hefcilinder te worden aangebracht. De bestuurder mag het blokkeringsmechanisme alleen buiten werking kunnen stellen bij daalsnelheden van ten hoogste 0,4 m per seconde.
10.2.5.2.2.3.Voor gecombineerde hefinrichtingen Bij gecombineerde hefinrichtingen moeten de in de punten 10.2.5.2.2.1 en 10.2.5.2.2.2 genoemde beveiligingen zijn aangebracht.
10.2.5.3.Kabels en kettingen gebruikt in hefinrichtingen van de bestuurdersplaats 10.2.5.3.1.Bij gebruik van kabels of kettingen voor het heffen/dragen van de bestuurdersplaats, moeten ten minste twee gelijke kabels of kettingen worden gebruikt. De belasting moet gelijkelijk over de kettingen of stalen kabels zijn verdeeld. De kettingen of kabels moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.
10.2.5.3.2.De totale breukbelasting van de kettingen of stalen kabels als aangegeven door de fabrikant daarvan moet bij kettingen ten minste het tienvoudige en bij stalen kabels ten minste het twaalfvoudige bedragen van de maximale statische belasting waaraan in bedrijf zijnde kettingen of stalen kabels gezamenlijk worden blootgesteld(1), met dien verstande dat voor ieder van de kettingen of stalen kabels een coëfficiënt K van respectievelijk ten minste 5/1 en 6/1, zoals bepaald in de punten 9.8.1.1 en 9.8.1.2, dient te worden gewaarborgd.
10.2.5.3.3.De sterkte van elk der uiteinden van de kabel of ketting moet ten minste 80 % bedragen van de sterkte van de kabel of ketting.
10.2.5.3.4.Een hefinrichting van de bestuurdersplaats met kabels of kettingen moet worden uitgerust met een of meer slapkabelcontacten die, wanneer een kabel of ketting slap komt te hangen, automatisch de beweging van de hefinrichting van de bestuurdersplaats stoppen. Door middel van een voorziening kan ervoor worden gezorgd dat:
-de inrichting voor het heffen van de last of de bestuurdersplaats kan worden vrijgemaakt;
-de hefinrichting van de last kan worden opgehaald;
-de bestuurdersplaats of de hefinrichting van de last tot in de laagste stand kan worden neergelaten en -de bestuurdersplaats of de hefinrichting van de last niet opnieuw kan worden opgehaald voordat het slapkabelcontact opnieuw is ingesteld.
De opstelling van de hefinrichting moet zodanig zijn dat de kabels niet verward, gedraaid of uit hun normale bedrijfsstand kunnen geraken.
10.2.5.3.5.Alle nodige maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat bij het breken van één (van de) kabel(s) of ketting(en) de overige kettingen of kabels en hun bevestigingen op hun plaats blijven zonder dat er vervorming van de samenstellende delen van het transportwerktuig optreedt. Ketting- of kabelbreuk moet stopzetting van de opwaartse of neerwaartse beweging tot gevolg hebben.
10.2.5.4.Indien er twee bedieningsposten zijn, te weten één op de meestijgende bestuurdersplaats en één aan het chassis bevestigde bedieningspost, mag inschakeling van de bedieningsorganen op de bestuurdersplaats pas mogelijk zijn, nadat de bediening op het chassis buiten werking is gesteld. De voorschriften van punt 10.2.5.7 inzake daling in geval van nood blijven echter van toepassing.
De plaatsing van de bedieningspost op het chassis moet zodanig zijn dat deze buiten het bereik van de dalende bestuurdersplaats blijft.
10.2.5.5.De loskoppeling van de energiebron (gewoonlijk de accu) van de aandrijvings-, hef- en verplaatsingssystemen moet feilloos kunnen plaatsvinden door middel van een orgaan dat, ongeacht de positie van de bestuurdersplaats, gemakkelijk bereikbaar is voor de bestuurder.
Het systeem moet zo zijn ontworpen, dat de onderbreking van de stroomtoevoer tijdens de daling geen gevaar kan opleveren voor de bestuurder.
10.2.5.6.Heftrucks waarvan de bestuurder tot een hoogte van meer dan 2,5 m kan worden geheven, moeten zijn uitgerust met een inrichting die hem in staat stelt veillig de grond te bereiken, indien de bestuurdersplaats in geheven positie geblokkeerd raakt.
10.2.5.7.Heftrucks waarvan de bestuurdersplaats tot een hoogte van meer dan 2,5 m kan stijgen, moeten zijn uitgerust met een nooddaalinrichting die vanaf de grond kan worden bediend, zelfs indien de stroomtoevoer is afgesneden. De plaats van het bedieningsorgaan moet zorgvuldig worden gekozen, ten einde persoonlijke ongelukken bij het bedienen ervan te voorkomen.
10.2.5.8.De hefinrichtingen moeten zijn uitgerust met eindafslagen. Eén van deze apparaten moet een mechanische eindstop zijn die het hefwerktuig aan het einde van de hefweg op zijn plaats houdt.
Tevens dient de hefinrichting over de gehele hefweg te zijn beveiligd tegen eventueel losraken van de bestuurdersplaats.
10.2.5.9.Heftrucks, waarvan de bestuurdersplaats tot boven de 2,5 m kan stijgen, moeten met een waarschuwingslicht zijn uitgerust, dat vanaf de grond zichtbaar is, wanneer de bestuurder daalt en de truck rijdt.
10.2.5.10.Heftrucks op luchtbanden moeten zijn uitgerust met een of meer voorzieningen waardoor in geval van een lekke band het overhellen van het werktuig tot een minimum wordt beperkt en de stabiliteit niet in gevaar komt.
10.2.6.Gegevensplaten 10.2.6.1.Op de capaciteitsplaat (9.1.2) moet duidelijk niet alleen de verhouding capaciteit/hefhoogte zijn aangegeven, maar ook de hoogten waarbij automatisch de remkracht wordt gewijzigd. Het plaatje moet op duurzame wijze worden aangebracht op een plaats waar het vanaf de bestuurdersplaats duidelijk leesbaar is.
10.2.6.2.Naast de in punt 9.1 en elders voorgeschreven plaatjes moet de heftruck zijn voorzien van een stevig bevestigde plaat waarop duidelijk het aantal personen is vermeld dat zich op het bestuurdersplatform mag bevinden, wanneer de truck in bedrijf is.
>BEGIN VAN DE GRAFIEK>
FIGUUR 1 Gebruik in gangen in vrije ruimte Snelheid V1 9 km/uur tot max.
16 km/uur (1) Max. 9 km/uur Zeer laag (max. 2,5 km/uur) Max.
4 km/uur Max.
9 km/uur 9-13,4 km/uur 13,4-16 km/uur (1) Hefhoogte Enige beperking:
stabiliteit Van 500 mm tot 2,5 m Max. 500 mm Besturing Geleid Geen beperkingen ± 10° Geen beperkingen Remkracht F van de bedrijfsrem 9 % 1,0 V1 % 1,86 V1 % 25 % (1)De maximumsnelheid van 16 km/uur geldt niet voor heftrucks met niet meestijgende bestuurderszitplaats.
>EIND VAN DE GRAFIEK>
11.DOCUMENTEN, BEDIENINGS- EN ONDERHOUDSINSTRUCTIES Ieder gemotoriseerd transportwerktuig (of, indien de gebruiker hiermee instemt, iedere groep transportwerktuigen) moet vergezeld gaan van een boekje (of boekjes) dat gedetailleerde en volledige bedienings- en onderhoudsinstructies bevat in een taal die de gebruiker uit het betrokken land begrijpt.
De Lid-Staten kunnen eisen dat de transportwerktuigen, vóór de ingebruikneming op hun grondgebied, voorzien worden van aanduidingen betreffende hun arbeidswetgeving.
ADDENDUM A DEFINITIE VAN DE CAPACITEIT
1.INLEIDING In dit addendum wordt de nominale capaciteit gedefinieerd ten einde de vergelijking van de basismodellen van fabrikanten te vergemakkelijken; deze capaciteit heeft betrekking op een denkbeeldige hefhoogte.
In deze bijlage wordt tevens de werkelijke capaciteit van een heftruck met mast gedefinieerd. Deze capaciteit wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke standaardstabiliteitsproeven.
2.NOMINALE CAPACITEIT De door de fabrikant aangegeven nominale capaciteit van een transportwerktuig moet overeenstemmen met de maximumlast Q(1) welke het werktuig kan vervoeren en stapelen op een vork of een plateau, indien het is uitgerust met een verticale dubbele mast waarvan de maximumhefhoogte gelijk is aan de standaardhefhoogte H overeenkomstig hoofdstuk 3. De standaardzwaartepuntsafstand van de lats D overeenkomstig hoofdstuk 4 wordt hierbij horizontaal resp. verticaal gemeten tussen het zwaartepunt G van de last en:
a)de voorzijde van het verticale gedeelte van de vork;
b)de bovenzijde van het horizontale gedeelte van de vork (zie figuur 1) of gelijkwaardige afmetingen bij transportwerktuigen met een plateau.
Ook indien de heftruck niet met een dubbele mast is uitgevoerd of niet tot de standaardhefhoogte H heft, moet de nominale capaciteit worden aangegeven alsof een dergelijke mast, resp. standaardhoogte H, aanwezig is.
3.STANDAARDHEFHOOGTE De standaardhefhoogte H wordt als volgt vastgesteld:
H=2 500 mm voor gesteunde stapelaars en platformstapelaars, waarbij de breedte over de vorktanden of over het plateau ten hoogste 690 mm bedraagt.
H=3 300 mm voor alle overige typen heftrucks.
4.STANDAARDZWAARTEPUNTSAFSTAND VAN DE LAST 4.1.Voor in serie geproduceerde vrijdragende vorkheftrucks met een nominale capaciteit tot 10 000 kg, die worden geleverd in de landen die gebruik maken van het internationale eenhedenstelsel (SI), gelden onderstaande standaardzwaartepuntsafstanden van de last:
>BEGIN VAN DE GRAFIEK>
FIGUUR 1 D=standaardzwaartepuntafstand van de last G=zwaartpunt van de last gelegen in het langssymmetrievlak tussen de geleiders van de mast H=standaardhefhoogte Q=last >EIND VAN DE GRAFIEK>
-Bij alle andere heftrucks, met uitzondering van zijladers, moet de zwaartepuntsafstand van de last die wordt gebruikt om de capaciteit te bepalen, 600 mm bedragen.
-De capaciteit van zijladers moet worden vastgesteld bij de door de fabrikant aangegeven zwaartepuntsafstand van de last.
-De capaciteit van trucks voor speciale toepassingen mag worden vastgesteld bij een zwaartepuntsafstand van de last die in overeenstemming is met de toepassing.
5.WERKELIJKE CAPACITEIT De werkelijke capaciteit van een truck wordt afgeleid uit de toepasselijke stabiliteitsproeven. Zij zal variëren afhankelijk van de verschillende typen en hoogten van de mast en de verschillende zwaartepuntsafstanden van de last (zie punt 4) die voor de bepaling van de capaciteit worden gebruikt. De capaciteit moet worden vastgesteld met standaardvork of -plateau. Er kunnen eveneens waarden van de werkelijke capaciteit met verwisselbare hulpstukken worden vastgesteld, indien de geldende stabiliteitsspecificatie zulks toelaat.
ADDENDUM B GEGEVENS OP DE CAPACITEITSPLAAT
1.INLEIDING Dit addendum heef tot doel de uniforme vermelding van gegevens op de capaciteitsplaten te vergemakkelijken.
In addendum A is aangegeven hoe de capaciteitsgegevens worden vastgesteld.
2.NOMINALE CAPACITEIT De nominale capaciteit moet op de capaciteitsplaat zijn vermeld.
Voorbeeld: "nominale capaciteit = 6 000 kg''.
De nominale capaciteit mag op de identificatieplaat zijn vermeld maar moet zodanig zijn aangegeven dat zij niet met de gegevens betreffende de werkelijke capaciteit kan worden verward.
Voorbeeld: type nr. XYZ/6,0.
3.WERKELIJKE CAPACITEIT Werkelijke capaciteiten, hefhoogten en zwaartepuntsafstanden van de last die op de capaciteitsplaat moeten worden vermeld, dienen aan onderstaande eisen te voldoen:
3.1.De werkelijke capaciteiten bij de maximumhefhoogte van de truck en bij de standaardzwaartepuntsafstand van de last moeten altijd zijn vermeld.
De werkelijke capaciteiten bij een of meer andere zwaartepuntsafstanden van de last moeten eveneens zijn vermeld indien dit in verband met de constructie van de truck mogelijk is(1).
3.2.Indien het toegestaan is grotere dan de in 3.1 vermelde werkelijke capaciteiten te heffen tot hoogten die kleiner zijn dan de maximumhefhoogte van de truck, moeten de met de hefhoogten en de standaardzwaartepuntsafstand van de last corresponderende werkelijke capaciteiten zijn vermeld. Werkelijke capaciteiten bij een of meer andere zwaartepuntsafstanden moeten eveneens zijn vermeld, indien dit in verband met de constructie van de truck mogelijk is;(1).
3.3.Tevens kunnen andere werkelijke capaciteiten en zwaartepuntsafstanden zijn aangegeven.
4.VOORZETSTUKKEN (hefgereedschappen) Indien een truck door de fabrikant met een of meer verwisselbare voorzetstukken (hefgereedschappen) wordt geleverd, moeten op de truck behalve de punt 3 vereiste gegevens enkele extra gegevens inzake capaciteit zijn vermeld. De werkelijke capaciteiten, hefhoogten en zwaartepuntsafstanden van de last met voorzetstuk die op de plaat moeten staan aangegeven, moeten aan de volgende eisen voldoen.
De toelaatbare hefvermogens bij de desbetreffende toelaatbare hefhoogten en de daarbij behorende zwaartepuntsafstanden van de last moeten altijd worden aangegeven. Voorts moet duidelijk worden aangegeven voor welke voorzieningen de gegevens gelden.
5.EENHEDEN Voor het aangeven van de waarden moeten de volgende eenheden worden gebruikt:
SI 7 -hefhoogte: millimeter (mm),
-last: kilogram (kg),
-zwaartepuntsafstand van de last: millimeter (mm).
6.MERKEN De op de capaciteitsplaat vermelde bijzonderheden mogen in de vorm van een tabel of diagram zijn aangegeven.
ADDENDUM C SPECIFICATIES VOOR STOPCONTACTEN
1.SPECIFICATIE 1.1.Aantal modellen Deze specificatie geldt voor drie modellen, die worden onderarbeiden naar hun nominale belasting: 80-160-320 ampère.
1.2.Definities 1.2.1.Nominale belasting De nominale belasting is de continubelasting in ampère waartegen het stopcontact bestand is, en waarbij de in punt 1.3.8 aangegeven toelaatbare maximumtemperatuur niet wordt overschreden.
1.2.2.Stroom bij noodonderbreking De stroom bij onderbreking onder maximale belasting is de in punt 2.3.2 gespecificeerde stroom die met het stopcontact moet worden verbroken in uitzonderlijke omstandigheden of in geval van nood.
1.2.3.Spanning 1.2.3.1.Maximumspanning De stopcontacten moeten berekend zijn op een maximumspanning van 150 volt gelijkstroom. Deze maximumspanning dient op de buitenkant van het stopcontact te zijn aangegeven (zie punt 1.3.11).
1.2.3.2.Bedrijfsspanning De nominale accuspanning mag niet meer dan 96 volt bedragen.
1.3.Constructievoorschriften Elk stopcontact dient uit twee in elkaar passende helften te bestaan. Op iedere helft moeten bevestigingsmiddelen kunnen worden aangebracht.
1.3.1.Contactdozen De contactdozen dienen mechanisch voldoende sterk te zijn. Ze moeten moeilijk ontvlambaar zijn, niet absorberend en bestand tegen zuren, accudampen en verdunde basen (bij voorbeeld zout). Ze moeten in alle gebruikelijke kleuren kunnen worden geschilderd.
1.3.2.Contacten Elk deel van een stopcontact dient twee hoofdcontacten te bevatten. Tevens kunnen voorzieningen voor twee hulpcontacten worden ingebouwd. Al deze contacten moeten behoorlijk beschermd zijn tegen corrosie.
De hulpcontacten, voor zover aanwezig, van de drie modellen stopcontacten dienen bestand te zijn tegen een belasting van 20 ampère. Zij mogen pas na de hoofdcontacten contact maken.
1.3.3.Mechanische delen De mechanische delen dienen doelmatig beschermd te zijn tegen corrosie.
1.3.4.Verwisselbaarheid der polen In de contactdozen moet een niet verwijderbare inrichting zijn ingebouwd die het omgekeerd monteren van de twee delen van een stopcontact onmogelijk maakt en elke der polen voorkomt.
1.3.5.Isolatie Wanneer contacten en andere actieve delen gesloten of gescheiden zijn, mogen zij geen contact kunnen maken met metalen delen van het huis van het stopcontact.
De isolatiematerialen moeten bestand zijn tegen temperaturen tussen + 90 °C en 20 °C.
Opmerking Aangezien de temperatuur maximaal 90 °C mag bedragen, mag als minimumeis voor inwendige en uitwendige isolatie klasse Y gelden als vermeld in aanbeveling 85 van de Internationale Elektrotechnische Commissie van 1957.
1.3.6.Graad van beveiliging 1.3.6.1.Wanneer de twee delen van een stopcontact zijn samengevoegd dient het geheel een graad van beveiliging te bieden die beantwoordt aan Cenelec HD 365 IP 23.
1.3.6.2.De actieve delen van het deel van het stopcontact dat permanent op de batterij is aangesloten, dient beveiligd te zijn tegen toevallige directe aanraking van onder spanning staande delen door personen en tegen het van buitenaf binnendringen van kleine voorwerpen.
Opmerking Bij het aanbrengen van de diverse vormen van beveiliging is HD 365 IP 23 van het Cenelec maatgevend, namelijk IP 2*-beveiliging tegen het met de vingers aanraken van onder spanning staande delen. Beveiliging tegen het van buitenaf binnendringen van kleine voorwerpen.
IP *3-neerstromend water dat valt onder een hoek van maximaal 60° ten opzichte van de loodlijn (ongeveer 1 rad) mag geen schadelijke gevolgen hebben.
1.3.7.Beveiliging Ieder stopcontact dient zodanig te zijn uitgevoerd dat een contactstop uitsluitend op een contactdoos kan worden aangesloten die op dezelfde bedrijfsspanning is berekend.
1.3.8.Temperatuurgrenzen Contacten, kabelaansluitingen en mechanische delen moeten bestand zijn tegen een maximumtemperatuur van 90 °C en een minimumtemperatuur van 20 °C.
1.3.9.Aansluitklemmen voor de stopcontacten De delen van een stopcontact dienen door middel van kabels op de batterij of op de bedrijfsstroomketens (of de laadstroomketens) te zijn aangesloten.
In onderstaande tabel worden de nominale koperdoorsneden gegeven van de kabels die bij de drie modellen stopcontacten moeten worden gebruikt:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
1.3.10.Vergrendeling - praktisch gebruik Na samenvoeging van twee willekeurige delen van een stopcontact moeten deze bijeen worden gehouden door een vergrendelingsmechanisme. De vergrendeling moet bij gevaar snel kunnen worden opgeheven.
De twee contactstukken moeten in elke positie gemakkelijk kunnen worden gescheiden. De daarvoor benodigde kracht mag ten hoogste 150 N zijn. Vergrendeling is niet vereist indien voor scheiding van de delen van een stopcontact een kracht van ten minste 15 N nodig is.
1.3.11.Merken Op de stopcontacten dienen duidelijk en onuitwisbaar de volgende merktekens te zijn aangebracht:
-fabrieksnaam of merk,
-maximum bedrijfsspanning: 150 volt,
-nominale belasting in ampère (bij voorbeeld: 160 A),
-tekens + en voor de contacten die respectievelijk met de positieve en negatieve pool van de batterij zijn verbonden.
2.BEPROEVINGSPROCEDURES Op de drie prototypen van alle stopcontactmodellen moeten de volgende proeven worden uitgevoerd. In serieproduktie vervaardigde stopcontacten moeten aan deze eisen voldoen. Dit moet door middel van passende kwaliteitscontrole gewaarborgd zijn. De proeven moeten in veilige omstandigheden worden uitgevoerd.
2.1.Temperatuurverhogingsproeven op actieve delen van stopcontacten Om actieve delen te beproeven en aldus rekening te houden met de temperatuurverhoging die het gevolg is van de contactweerstand wordt het stopcontact aangesloten door middel van kabels met een nominale doorsnede als bepaald in punt 1.3.9. De kabels worden bevestigd volgens een van de door de fabrikanten van de stopcontacten aanbevolen methoden.
De kabels dienen ten minste 2 m lang te zijn.
De proeven worden uitgevoerd bij nominale stroomsterkte en een omgevingstemperatuur van 20 ± 2 °C.
De proef wordt voortgezet tot de temperatuur stabiel is.
De temperatuurverhoging wordt gemeten met behulp van thermokoppels of volgens andere methoden met dezelfde nauwkeurigheid. Het gebruik van gewone thermometers is niet toegestaan.
De temperatuurverhoging mag 65 °C niet overschrijden.
2.2.Duurproef Twee normaal ingestoken, niet op een stroombron aangesloten delen van een stopcontact worden gescheiden en vervolgens opnieuw ingestoken.
Deze proef wordt 5 000-maal herhaald. Daarna moet het stopcontact in zijn geheel de temperatuurverhogingsproeven van punt 2.1 kunnen ondergaan.
2.3.Scheiding bij belasting 2.3.1.Scheiding bij overbelasting Een geheel van twee ingestoken delen van een stopcontact wordt via een inductieve stroomketen met een impedantie van 0,50 0 millihenry aangesloten op een gelijkstroombron met een spanning van 96 volt.
Door het stopcontact wordt een stroom gezonden van:
-bij het model van 80 ampère: 200 ampère,
-bij het model van 160 ampère: 400 ampère,
-bij het model van 320 ampère: 800 ampère.
Nadat de beide delen van het stopcontact goed op elkaar zijn aangesloten, wordt de stroom weer onderbroken door scheiding van de beide delen met een snelheid van 0,8 tot 1,0 m/sec.
Deze proef moet vijfmaal achtereen worden uitgevoerd.
Na de beproeving wordt het stopcontact onderzocht op eventuele schade, vervolgens opnieuw gekoppeld en onderworpen aan de temperatuurverhogingsproef van punt 2.1.
Indien koppeling niet tot stand kan worden gebracht of bij een negatief resultaat van de temperatuurverhogingsproef, wordt het stopcontact afgekeurd.
2.3.2.Scheiding onder noodcondities Bij nooduitschakeling volgens de methode sub a) in punt 9.7.3.7 moet de volgende proef worden uitgevoerd:
Een geheel van twee ingestoken delen van een stopcontact wordt aangesloten op een gelijkstroombron via een inductieve stroomketen met een zodanige impedantie dat de tijdconstante van de keten 15 milliseconden bedraagt en de te verbreken stroom viermaal zo sterk is als de normale stroom bij een spanning van 96 volt.
Bij het stopcontact dienen alle eventuele vlambogen als gevolg van deze noodstroomonderbreking te doven. De twee helften van het stopcontact behoeven na deze proef niet opnieuw te kunnen worden gebruikt.
2.4.Onderdompelingsproef Twee ingestoken delen van een stopcontact zonder kabel worden één uur lang ondergedompeld in een oplossing van zwavelzuur met een dichtheid van 1,10 ± 0,05 op omgevingstemperatuur. Na afspoeling met helder water en droging moet mogelijk zijn de twee contactstukken naar behoren te koppelen en te onderwerpen aan de verhittingsproef van punt 2.1.
De proef wordt onder dezelfde omstandigheden herhaald met een oplossing van caustische soda met een dichtheid van 1,10 ± 0,05.
De delen van een stopcontact dienen hierna volgens de punten 2.5 en 2.6 te worden beproefd. Ze moeten echter van tevoren gedurende ten minste 48 uur worden ondergedompeld in waterstofgas.
Alle volgende proeven dienen met alle drie de typen uitgevoerd te worden in de volgorde van de tekst.
2.5.Doorslagsterkteproef Elk deel van een stopcontact dient, zonder kabel, gedurende een minuut bestand te zijn tegen een sinusvormige wisselstroom met een frequentie tussen 25 en 100 hertz en met een effectieve spanning van 2 000 volt die wordt aangelegd tussen:
-de twee hoofdcontacten,
-tussen het (of de) eventueel aanwezige hulpcontact(en) en de hoofdcontacten,
-tussen de gezamenlijke doorverbonden contacten en metalen delen van het stopcontact (en de metalen delen die aan het huis zijn bevestigd, indien dit huis isolerend is).
2.6.Valproef Een deel van een stopcontact dient te worden verbonden met twee stukken kable van 1 500 mm met maximaal toelaatbare doorsnede, waarvan de uiteinden 1 000 mm boven de grond worden bevestigd.
Men laat hat deel van een stopcontact van een hoogte van 2 000 mm op een cementvloer vallen.
Deze proef wordt 25-maal herhaald.
Na deze proeven mag het stopcontact geen scheuren of blijvende vervormingen vertonen.
Het deel van een stopcontact dient normaal aan een ander deel te kunnen worden gekoppeld.
(1)Overeenkomstig norm ISO 5053/I van 15 september 1980.
(1)Voor heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats wordt naar hoofdstuk 10 verwezen.
(1)Voor heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats wordt naar hoofdstuk 10 verwezen.
(1)Voor heftrucks met meestijgende bestuurdersplaats wordt naar hoofdstuk 10 verwezen.
(2) K = minimale breukbelasting per ketting of kabel × aantal kettingen of kabelsdraagvermogen van het transportwerktuig + eigen gewicht van het hefmechanisme (1)Kettingen en kabels worden niet als gelijkwaardige beschermingsmiddelen beschouwd.
(1)Zie de punten 9.8.1.1 en 9.8.1.2 voor de doorsnede van de heffingrollen of wielen.
(1)Bij heftrucks met meestijgende bestuurder moet rekening worden gehouden met een extra last van 90 kg die bij de nominale last Q moet worden geteld.
(1)De extra zwaartepuntsafstand(en) moet(en) bij voorkeur standaardzwaartepuntsafstand(en) zijn en bij trucks die werden geleverd in landen die de SI-eenheden gebruiken moet één van deze afstanden, voor zover deze nog niet voorkomt, 600 mm zijn.
BIJLAGE II CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING VAN DE FABRIKANT (OF DE IMPORTEUR) VOOR GEMOTORISEERDE TRANSPORTWERKTUIGEN
Ondergetekende: .
(naam en voornaam, functies, onderneming) verklaart hierbij dat het hieronder aangegeven gemotoriseerde transportwerktuig voldoet aan de eisen van de bijzondere richtlijn .
(titel en nummer van de richtlijn) 1.Categorie: .
2.Fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde: .
3.Type: .
4.Typenummer-/serienummer van het gemotoriseerde transportwerktuig .
5.Bouwjaar: .
6.Verdere aanvullende gegevens: .
Datum: .
.
(Handtekening) .
(Functie)
BIJLAGE III MERKTEKEN VAN OVEREENSTEMMING
1.Het merkteken van overeenstemming moet duidelijk zichtbaar en onuitwisbaar vlak naast of op de gegevensplaat worden aangebracht.
2.De afmetingen van het teken moeten zodanig gekozen worden dat de daarop vermelde gegevens duidelijk leesbaar en zichtbaar zijn. De werkelijke diameter van de cirkel rond het teken moet tenminste 15 mm bedragen.
Top