Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2026/799
1.4.2026
RICHTLIJN (EU) 2026/799 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 30 maart 2026
tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Doel van deze richtlijn is bij te dragen tot de goede werking van de interne markt en de kapitaalmarktenunie, en belemmeringen voor de uitoefening van fundamentele vrijheden, zoals het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging, die voortvloeien uit verschillen tussen nationale wetgevingen op het gebied van insolventie, weg te nemen.
(2)
Insolventieprocedures zorgen voor een ordelijke vereffening of herstructurering van vennootschappen of ondernemers die zich in financiële en economische moeilijkheden bevinden. In de context van financiële investeringen zijn die procedures, met inbegrip van de relevante waarborgen voor een nauwkeurige beoordeling van de waarde van de activa van die vennootschappen en ondernemers, van cruciaal belang, aangezien zij bepalend zijn voor de uiteindelijke recuperatiewaarde van die investeringen. De in Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad (3) erkende grote verschillen in materieel insolventierecht hebben de rechtsonzekerheid vergroot en de uitkomst van insolventieprocedures onvoorspelbaarder gemaakt. De grote verschillen in recuperatiewaarde en in de tijd die nodig is om insolventieprocedures in de Unie af te ronden, hebben negatieve gevolgen voor de voorspelbaarheid van de kosten voor schuldeisers en investeerders in grensoverschrijdende situaties in de interne markt. Deze verschillen tussen de regels van de lidstaten maken grensoverschrijdende investeringen minder aantrekkelijk, wat belemmeringen opwerpt en gevolgen heeft voor het grensoverschrijdende kapitaalverkeer binnen de Unie en tussen de Unie en derde landen. De harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht zou derhalve met zich mee kunnen brengen dat de wetgeving van sommige lidstaten moet worden gewijzigd.
(3)
De integratie van de interne markt op het gebied van insolventierecht door middel van deze richtlijn is essentieel om de kapitaalmarkten in de Unie efficiënter te laten functioneren, onder meer door de toegang tot bedrijfsfinanciering te verbeteren. Daarom is het noodzakelijk minimumvoorschriften vast te stellen op specifieke gebieden met betrekking tot insolventieprocedures die een aanzienlijke invloed hebben op de efficiëntie en de duur van die procedures, met name in het geval van grensoverschrijdende insolventieprocedures.
(4)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de individuele en collectieve rechten van werknemers uit hoofde van het Unierecht en het nationale recht in de context van insolventieprocedures, met name de Richtlijnen 98/59/EG (4) en 2001/23/EG (5) van de Raad, en de Richtlijnen 2002/14/EG (6), 2008/94/EG (7) en 2009/38/EG (8) van het Europees Parlement en de Raad en de nationale wetgeving tot omzetting daarvan. Deze richtlijn doet met name geen afbreuk aan de verplichtingen inzake het verstrekken van informatie aan en de raadpleging van werknemers en de rechten van werknemers bij de overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging, uit hoofde van die richtlijnen en de nationale wetgeving tot omzetting daarvan, ook indien die nationale wetgeving regels bevat die gunstiger zijn voor werknemers of hun vertegenwoordigers dan de regels in die richtlijnen.
(5)
Om de waarde van insolvente boedels voor schuldeisers te beschermen, moet het nationale insolventierecht doeltreffende regels bevatten over vorderingen tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van rechtshandelingen, waaronder juridische transacties, die nadelig zijn voor de gezamenlijke schuldeisers en die vóór de opening van de insolventieprocedure zijn voltooid (“vorderingen tot nietigverklaring”). Om te bepalen of een rechtshandeling nadelig is voor de gezamenlijke schuldeisers, moet rekening worden gehouden met de definitie van de begrippen “insolvente boedel” en “deelnemende schuldeiser”. Dat is met name van belang indien bepaalde rechten krachtens het nationale recht geen deel uitmaken van een insolvente boedel, maar tot de persoonlijke levenssfeer van de schuldenaar behoren, zoals het recht om een huwelijk aan te gaan of te beëindigen of om een kind te adopteren. De aanvaarding of verwerping van een nalatenschap mag niet worden onderworpen aan de in deze richtlijn vastgelegde regels inzake vorderingen tot nietigverklaring.
(6)
Aangezien vorderingen tot nietigverklaring tot doel hebben de nadelige gevolgen van een rechtshandeling voor een insolvente boedel ongedaan te maken, is het passend de nadelige gevolgen van een rechtshandeling te beschouwen als veroorzaakt op het moment dat de rechtshandeling wordt voltooid en niet op het moment dat de rechtshandeling wordt uitgevoerd. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een rechtshandeling beschouwd als voltooid wanneer zij overeenkomstig het nationale recht rechtsgevolgen sorteert. Indien, op grond van het nationale recht, de rechtsgevolgen van een rechtshandeling echter afhankelijk zijn van de inschrijving ervan in een openbaar register, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat de rechtshandeling wordt beschouwd als voltooid zodra aan alle andere voorwaarden voor de werking daarvan is voldaan, omdat de tijd die nodig is om een rechtshandeling in een openbaar register in te schrijven, buiten de controle van de schuldenaar en de andere partijen bij de rechtshandeling valt.
(7)
Voor de toepassing van deze richtlijn, moet het begrip “rechtshandelingen” uit hoofde van de regels met betrekking tot vorderingen tot nietigverklaring ruim worden uitgelegd zodat elke gerichte gedraging met rechtsgevolgen die nadelig is voor de gezamenlijke schuldeisers, onder het toepassingsgebied valt, ongeacht of de rechtsgevolgen of het nadeel bedoeld waren, ook indien er geen sprake is van bedrieglijke opzet van de persoon die de rechtshandeling uitvoert, niettegenstaande de bepalingen in andere rechtsgebieden. Handelingen die worden uitgevoerd door een persoon die niet bewust of anderszins niet uit vrije wil handelt, mogen echter niet beschouwd worden als rechtshandelingen uit hoofde van deze richtlijn. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat, voor de toepassing van deze richtlijn, het begrip “rechtshandeling” ook omissies omvat, aangezien het geen significant verschil maakt of schuldeisers nadeel ondervinden van het handelen dan wel van het niet-handelen van de betrokken partij. Voorts dienen de regels inzake vorderingen tot nietigverklaring niet alleen betrekking te hebben op rechtshandelingen van de schuldenaar, maar ook op rechtshandelingen uitgevoerd door de tegenpartij van de schuldenaar of door een derde.
(8)
Bij deze richtlijn worden minimumregels inzake vorderingen tot nietigverklaring vastgesteld. Daarom moeten de lidstaten, met als enige uitzondering de in deze richtlijn vastgelegde verjaringstermijn voor vorderingen tot nietigverklaring, bepalingen inzake vorderingen tot nietigverklaring kunnen handhaven of vaststellen die gunstiger zijn voor de gezamenlijke schuldeisers dan de bepalingen in deze richtlijn. De lidstaten moeten ook voorzieningen kunnen treffen ten aanzien van vermoedens of vereisten die de bewijslast verlichten ten gunste van de partij die beweert dat de rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar is.
(9)
Om de gerechtvaardigde verwachtingen van de tegenpartij van een schuldenaar te beschermen, moet elke aantasting van de geldigheid of tegenwerpbaarheid van een rechtshandeling die het gevolg is van een vordering tot nietigverklaring, evenredig zijn aan de omstandigheden waaronder die rechtshandeling werd voltooid. Die omstandigheden kunnen onder meer de intentie van de schuldenaar, de kennis van de tegenpartij of de tijdspanne tussen de voltooiing van de rechtshandeling en de inleiding van de insolventieprocedure omvatten. Daarom moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende specifieke gronden voor vorderingen tot nietigverklaring die gebaseerd zijn op gemeenschappelijke en typische feitenpatronen en die de algemene voorwaarden voor vorderingen tot nietigverklaring aanvullen. Een dergelijke aantasting moet ook in overeenstemming zijn met de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”) neergelegde grondrechten.
(10)
Vorderingen tot nietigverklaring moeten betrekking hebben op rechtshandelingen die zijn voltooid binnen een bepaalde minimale periode vóór de datum van indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure of, in de lidstaten waar een insolventieprocedure ook kan worden ingeleid door een besluit van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de schuldenaar, vóór de datum van dit besluit. De bevoegdheid om een vordering tot nietigverklaring in te stellen, mag niet afhangen van de tijd die het gerecht nodig heeft om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure te onderzoeken of om een besluit vast te stellen, een en ander op grond van het nationale recht.
(11)
Ten behoeve van vorderingen tot nietigverklaring moet er een onderscheid worden gemaakt tussen rechtshandelingen waarbij de vordering van de tegenpartij opeisbaar en tegenwerpbaar was en op de voorgeschreven wijze is voldaan of gewaarborgd (“congruente dekking”) en rechtshandelingen waarbij de uitvoering niet geheel in overeenstemming was met de vordering van de schuldeiser (“incongruente dekking”). Voorbeelden van incongruente dekkingen zijn: voortijdige betalingen; de voldoening van een schuld met ongebruikelijke betaalmiddelen; de daaropvolgende zekerheidsstelling van een tot dan toe ongedekte vordering die niet in de oorspronkelijke schuldovereenkomst was overeengekomen; de toekenning van een buitengewoon beëindigingsrecht of andere wijzigingen waarin de onderliggende overeenkomst niet heeft voorzien; de afstand van wettelijke verweermiddelen; en bezwaren tegen of de erkenning van betwistbare schulden. In het geval van congruente dekking mogen preferenties slechts als grond voor nietigverklaring worden ingeroepen indien de schuldeiser van de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling ten tijde van de transactie wist dat de schuldenaar insolvent was. In het geval van zowel congruente als incongruente dekking moeten de termen “voldoening” en “zekerheidsstelling” van de vordering van de tegenpartij ruim worden uitgelegd, te weten met inbegrip van handelingen die een recht doen ontstaan op verrekening of aan schuldeisers een bevoorrechte status toekennen.
(12)
De bij deze richtlijn ingevoerde regels inzake vorderingen tot nietigverklaring mogen niet van toepassing zijn op bepaalde rechtshandelingen die een congruente dekking vormen, namelijk rechtshandelingen die rechtstreeks in ruil voor een redelijke vergoeding ten voordele van de activa van de schuldenaar worden uitgevoerd. Die rechtshandelingen hebben tot doel de gewone dagelijkse activiteiten van de onderneming van de schuldenaar te ondersteunen. Om niet aan de regels inzake vorderingen tot nietigverklaring te worden onderworpen, moeten deze rechtshandelingen een contractuele basis hebben en de directe uitruil van de wederzijdse prestaties van de partijen vereisen. Voorts moeten de prestaties en tegenprestaties die uit deze rechtshandelingen voortvloeien van gelijke waarde zijn en moet de tegenprestatie ten voordele komen van de schuldenaar en niet van een derde. De rechtshandelingen waarop de regels inzake vorderingen tot nietigverklaring niet van toepassing mogen zijn, omvatten: de onmiddellijke betaling van goederen, lonen of vergoedingen voor diensten; de contante betaling of betaling per kaart van goederen die nodig zijn voor de dagelijkse activiteiten van de schuldenaar; de levering van goederen, producten of diensten tegen betaling per omgaande; de vestiging van een zekerheidsrecht tegen uitbetaling van de lening of tijdens de voortzetting van een lening, indien dit in de context van de nationale regels noodzakelijk is om de gelijke waarde tussen prestatie en tegenprestatie te handhaven; en de onverwijlde betaling van door een overheid aangerekende vergoedingen in ruil voor een tegenprestatie zoals toegang tot openbare terreinen of instellingen. De regels inzake vorderingen tot nietigverklaring moeten evenwel van toepassing zijn op de verlening van krediet. Het moet mogelijk zijn de betaling van lonen aan werknemers van de schuldenaar, overeenkomstig het nationale recht, als een directe prestatie te beschouwen indien zij worden betaald binnen drie maanden na de uitvoering van de diensten door die werknemer.
(13)
De betaling door een schuldenaar van een uitstaande schuld aan een derde in een relatie tussen drie partijen, bijvoorbeeld wanneer een dochteronderneming de schuld van haar moedermaatschappij aan een derde betaalt, mag niet automatisch worden beschouwd als een rechtshandeling van de schuldenaar zonder vergoeding of in ruil voor een kennelijk ontoereikende vergoeding. In dergelijke gevallen kan de betaling door de schuldenaar wederkerig zijn aan de nakoming door de derde van zijn verplichting ten aanzien van de moedermaatschappij, hetgeen de schuldenaar een direct of indirect voordeel had kunnen opleveren, en de derde had misschien niet de mogelijkheid gehad om de betaling door de schuldenaar te weigeren.
(14)
Het feit dat de uit de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling voortvloeiende verrijking niet langer beschikbaar is in het vermogen van de partij die bij die rechtshandeling voordeel heeft gehad (“wegvallen van de verrijking”), mag niet kunnen worden ingeroepen indien die partij op de hoogte was van de omstandigheden waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd. Aangezien deze richtlijn echter minimumregels inzake vorderingen tot nietigverklaring bevat, kunnen de lidstaten besluiten de partij die voordeel heeft gehad bij de rechtshandeling, niet toe te staan zich te beroepen op het verweer dat de verrijking is weggevallen, zelfs indien die partij niet op de hoogte was van de omstandigheden waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd.
(15)
Nieuwe financiering of tussentijdse financiering die overeenkomstig het nationale recht wordt verstrekt in het kader van een herstructureringspoging, onder meer in de loop van een preventieve insolventieprocedure krachtens titel II van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad (9), moet in daaropvolgende insolventieprocedures worden beschermd.
(16)
Als instrument voor minimale harmonisatie doet deze richtlijn geen afbreuk aan de nationale wetten inzake de geldigheid van rechtshandelingen die onderworpen zijn aan vorderingen tot nietigverklaring. Het is derhalve aan de lidstaten om te beslissen of de nadelige rechtshandeling als van rechtswege nietig moet worden beschouwd, er geen werking aan moet worden gegeven of deze niet-tegenwerpbaar moet wordt gemaakt, dan wel of deze rechtshandelingen enkel bij beslissing van het gerecht nietig kunnen worden verklaard. Bovendien worden in deze richtlijn niet de voorwaarden vastgelegd waaronder een schuldenaar moet worden geacht niet in staat te zijn om zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden. Voor de toepassing van deze richtlijn moet derhalve overeenkomstig het nationale recht worden vastgesteld of een schuldenaar niet in staat is zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden, met inbegrip van de vraag of het voor die vaststelling noodzakelijk is dat de schuldenaar in het algemeen niet in staat is zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden.
(17)
Het belangrijkste gevolg van het feit dat een rechtshandeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar is als gevolg van een vordering tot nietigverklaring, is een verplichting voor de partij die voordeel heeft bij die rechtshandeling om het verkregen voordeel terug te geven aan de insolvente boedel. Het begrip “voordeel” moet in deze context in voorkomend geval ook de emolumenten en de rente omvatten, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. Het voordeel kan worden beschouwd als teruggegeven wanneer het werkelijke voordeel zelf is teruggegeven of wanneer het geldelijke equivalent van dat voordeel is betaald, overeenkomstig het nationale recht. Het moet mogelijk zijn een vordering tot nietigverklaring in te stellen tegen rechtsopvolgers onder bijzondere titel van de schuldenaar indien zij op het tijdstip van de verwerving van de activa waarop de vordering tot nietigverklaring betrekking heeft, op de hoogte waren van de omstandigheden waarop de vordering tot nietigverklaring was gebaseerd.
(18)
Partijen die nauw verbonden zijn met de schuldenaar, zoals familieleden wanneer de schuldenaar een natuurlijke persoon is, of partijen die een beslissende rol vervullen ten aanzien van de schuldenaar wanneer de schuldenaar een rechtspersoon is, genieten gewoonlijk een informatievoordeel met betrekking tot de financiële situatie van de schuldenaar. Om misbruik van deze posities te voorkomen, moeten er aanvullende waarborgen worden vastgesteld. Bijgevolg moeten in het kader van vorderingen tot nietigverklaring, wanneer de wederpartij die betrokken is bij een nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling een nauw met de schuldenaar verbonden partij is, rechtsvermoedens worden opgenomen over de kennis die die partij heeft van de omstandigheden waarop de vorderingen tot nietigverklaring zijn gebaseerd. Die vermoedens moeten weerlegbaar zijn en tot doel hebben de bewijslast om te keren ten gunste van de insolvente boedel. Indien de partij die voordeel heeft gehad bij een nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling, het verkregen voordeel daarna aan een derde heeft overgedragen, moet het tijdstip om te bepalen of die partijen nauw met elkaar verbonden zijn, het tijdstip van de overdracht zijn.
(19)
Het is van essentieel belang de middelen te verbeteren die insolventiefunctionarissen tot hun beschikking hebben om activa die tot een insolvente boedel behoren, alsook activa die voorwerp van een vordering tot nietigverklaring zijn, te identificeren en op te sporen teneinde de waarde van die insolvente boedel te maximaliseren. Bij de uitoefening van hun taken kunnen insolventiefunctionarissen toegang krijgen tot informatie in openbare gegevensregisters waarvan een aantal uit hoofde van het Unierecht zijn opgezet en op Europees niveau met elkaar verbonden zijn, zoals het systeem van gekoppelde registers (Business Registers Interconnection System — BRIS) bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad (10) of het systeem van gekoppelde insolventieregisters (IRI) dat is opgericht op grond van Verordening (EU) 2015/848. Vaak echter volstaat de toegang tot informatie in openbare databanken alleen niet om activa die zich in een insolvente boedel bevinden of zouden moeten bevinden, te identificeren en op te sporen. Met name insolventiefunctionarissen ondervinden praktische problemen wanneer zij toegang proberen te krijgen tot activaregisters van andere lidstaten dan de lidstaat waar zij zijn aangesteld.
(20)
Daarom moeten er bepalingen worden vastgelegd om ervoor te zorgen dat insolventiefunctionarissen bij de uitoefening van hun taken in het kader van insolventieprocedures direct of indirect toegang hebben tot informatie in databanken die niet openbaar toegankelijk zijn.
(21)
Onmiddellijke en rechtstreekse toegang tot registers van bankrekeningen is vaak onontbeerlijk om de waarde van insolvente boedels te maximaliseren. Daarom moeten er regels worden vastgelegd die de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten van de lidstaten onmiddellijke en rechtstreekse toegang verlenen tot informatie in de registers van bankrekeningen. Met het oog op de identificatie en opsporing van activa die tot insolvente boedels behoren, alsook van activa die voorwerp van een vordering tot nietigverklaring zijn, kan het nodig zijn dat niet alleen toegang wordt verleend tot informatie over de bankrekening van de schuldenaar, maar ook tot informatie over de bankrekening van derden indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat zij voordeel hebben gehad van rechtshandelingen die nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar zijn. Indien een lidstaat door middel van een centraal elektronisch systeem voor gegevensontsluiting toegang tot bankrekeninginformatie verleent, dient die lidstaat ervoor te zorgen dat de autoriteit die het ontsluitingssysteem beheert, de zoekresultaten onmiddellijk en ongefilterd aan de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten rapporteert.
(22)
Om het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy te eerbiedigen, moet rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot registers van bankrekeningen worden verleend aan daartoe door de lidstaten aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten. Derhalve moet het insolventiefunctionarissen worden toegestaan om indirect toegang te krijgen tot informatie in de registers van bankrekeningen middels een verzoek om toegang tot en raadpleging van die registers aan de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten in de lidstaat waar zij zijn aangesteld. De lidstaten moeten dezelfde gerechten of administratieve autoriteiten kunnen aanwijzen voor de toegang tot registers van bankrekeningen, zowel in eigen land als grensoverschrijdend via het in Richtlijn (EU) 2024/1640 van het Europees Parlement en de Raad (11) bedoelde koppelingssysteem voor registers van bankrekeningen (bank account registers interconnection system — Baris). De lidstaten moeten ook kunnen bepalen dat de voorwaarden voor toegang tot en raadpleging van bankrekeninginformatie moeten worden geverifieerd door andere dan de krachtens deze richtlijn aangewezen gerechten of autoriteiten. Toegang tot informatie mag alleen per geval worden verleend, indien dit relevant is voor specifieke insolventieprocedures met het oog op de identificatie en opsporing van activa die tot de insolvente boedel behoren, alsook van activa die voorwerp van een vordering tot nietigverklaring zijn. Aangezien er in deze richtlijn echter minimumregels worden vastgelegd, kunnen de lidstaten regels vaststellen of handhaven die voorzien in rechtstreekse toegang en raadpleging door insolventiefunctionarissen in hun nationale registers van bankrekeningen en elektronische systemen voor gegevensontsluiting. In gevallen waarin insolventiefunctionarissen rechtstreekse toegang hebben en rechtstreekse zoekopdrachten kunnen uitvoeren, zijn de lidstaten niet langer verplicht gerechten of autoriteiten aan te wijzen voor de toegang tot en het raadplegen van hun nationale registers van bankrekeningen of elektronische systemen voor gegevensontsluiting, maar zij blijven wel verplicht gerechten of autoriteiten aan te wijzen voor toegang en raadpleging via Baris.
(23)
In Richtlijn (EU) 2024/1640 is bepaald dat de gecentraliseerde automatische mechanismen, zoals centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting, onderling moeten worden verbonden via Baris, dat door de Commissie moet worden opgezet en beheerd. Gelet op het toenemende belang van insolventiezaken met grensoverschrijdende gevolgen en het belang van relevante financiële informatie met het oog op het maximaliseren van de waarde van de insolvente boedel in insolventieprocedures, moeten de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten rechtstreeks toegang kunnen krijgen tot de registers van bankrekeningen van andere lidstaten, en deze rechtstreeks kunnen raadplegen via Baris.
(24)
De grensoverschrijdende toegang van krachtens deze richtlijn aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten tot bankrekeninginformatie via Baris is gebaseerd op een wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten dat voortvloeit uit hun eerbiediging van de grondrechten en van de beginselen die zijn erkend in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in het Handvest, alsook van de grondrechten en beginselen die zijn neergelegd in het internationaal recht en in de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met inbegrip van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in de grondwetten van de lidstaten, op hun respectieve toepassingsgebieden. De bevoegdheid uit hoofde van deze richtlijn om via Baris toegang te krijgen tot bankrekeninginformatie en deze te raadplegen, moet worden uitgeoefend met inachtneming van het Unierecht en het nationale recht, en van de nationale procedurele waarborgen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
(25)
Persoonsgegevens die krachtens deze richtlijn door aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten of insolventiefunctionarissen zijn verkregen, mogen alleen worden verwerkt wanneer dit noodzakelijk en evenredig is met het oog op de identificatie en opsporing, in lopende insolventieprocedures, van activa die tot de insolvente boedel behoren, in overeenstemming met de toepasselijke gegevensbeschermingsregels.
(26)
Richtlijn (EU) 2024/1640 zorgt ervoor dat personen met een rechtmatig belang toegang krijgen tot informatie over uiteindelijke begunstigden, in overeenstemming met de gegevensbeschermingsregels. Voor het opsporen van activa in het kader van lopende insolventieprocedures, moeten insolventiefunctionarissen tijdig toegang krijgen tot specifieke categorieën van informatie over uiteindelijk begunstigden die is opgeslagen in gekoppelde centrale registers van uiteindelijke begunstigden, zoals de naam, de geboortemaand, het geboortejaar, het land van verblijf en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, alsmede de aard en omvang van het gehouden economisch belang.
(27)
Om ervoor te zorgen dat activa in het kader van grensoverschrijdende insolventieprocedures doeltreffend kunnen worden opgespoord, moeten insolventiefunctionarissen snel toegang tot nationale registers en databanken krijgen, zelfs indien deze zich in een andere lidstaat bevinden dan de lidstaat waar de insolventiefunctionaris is aangesteld. Toegang moet worden verleend zonder de tussenkomst van een gerecht dat of autoriteit die optreedt als tussenpersoon, zodat insolventiefunctionarissen rechtstreeks kunnen communiceren met de entiteiten die de betrokken nationale registers of databanken beheren of onderhouden. De lidstaten moet worden toegestaan ervoor te zorgen dat insolventiefunctionarissen de datasets in die registers of databanken rechtstreeks kunnen doorzoeken. De toegangsvoorwaarden voor insolventiefunctionarissen die in een andere lidstaat zijn aangesteld, mogen niet omslachtiger zijn dan die voor binnenlandse insolventiefunctionarissen. Derhalve mogen de lidstaten geen andere toegangsvoorwaarden toepassen enkel op grond van het feit dat de verzoeker een in een andere lidstaat aangestelde insolventiefunctionaris is. Procedurele aspecten met betrekking tot het ontvangen en inwilligen van verzoeken van insolventiefunctionarissen, zoals de taal van de procedure of de verificatie van de toegangsvoorwaarden, moeten worden geregeld door het recht van de lidstaat waar de registers en databanken worden bijgehouden.
(28)
Om een doeltreffend en consistent systeem voor de invordering van schulden op de activa van schuldenaren tot stand te brengen, is het van essentieel belang te voorkomen dat schuldenaren hun activa verbergen, onder meer door de verwerving van financiële instrumenten, zoals effecten. De verschillen tussen nationale afwikkelingssystemen, alsook de verschillende soorten en kenmerken van financiële instrumenten, kunnen leiden tot moeilijkheden bij de toegang tot documenten en bij het identificeren van de uiteindelijke begunstigde van een financieel instrument. Daarom moeten de lidstaten, ongeacht het soort register, databank of andere informatiebron waarvan een lidstaat gebruikmaakt, over een kader beschikken om de identificatie en opsporing van de begunstigden van financiële instrumenten te vergemakkelijken door die nationale registers en databanken op verzoek toegankelijk te maken.
(29)
In het kader van vereffening in een insolventieprocedure moet de nationale insolventiewetgeving voorzien in de mogelijkheid om de boedel van een onderneming af te wikkelen door de verkoop van de onderneming of van een deel ervan als going concern. Voor de toepassing van deze richtlijn moet “verkoop als going concern” worden begrepen als de overgang van een onderneming, geheel of gedeeltelijk, naar een overnemer op zodanige wijze dat die onderneming, of een voldoende aanzienlijk deel daarvan, als een economisch productieve eenheid kan blijven functioneren. De term mag niet zo worden begrepen dat ook de geleidelijke verkoop van de activa van de onderneming (“geleidelijke vereffening”) eronder valt.
(30)
Algemeen wordt aangenomen dat bij een vereffening een hogere waarde kan worden gerecupereerd door een onderneming, of een deel ervan, als going concern te verkopen dan door geleidelijke vereffening. Ter bevordering van de verkoop van een onderneming als going concern moeten de nationale insolventiewetgevingen zorgen voor een procedure op grond waarvan een schuldenaar in financiële moeilijkheden, met de bijstand of onder het toezicht van een toezichthouder, op zoek kan gaan naar geïnteresseerde overnemers en de pre-packverkoop van de onderneming als going concern kan voorbereiden (“pre-packprocedure”) vóór de formele opening van de insolventieprocedure. De activa van de aan de pre-packprocedure onderworpen onderneming kunnen dan snel na de formele opening van de insolventieprocedure worden afgewikkeld. In deze richtlijn moeten normen voor de pre-packprocedure worden vastgelegd, waarbij de lidstaten de mogelijkheid krijgen die normen aan het bestaande nationale insolventierecht aan te passen. Om ervoor te zorgen dat het verkoopproces eerlijk verloopt, moet de toezichthouder onafhankelijk zijn van de schuldenaar en van nauw met de schuldenaar verbonden partijen. De lidstaten moeten kunnen voorzien in aanvullende vereisten met betrekking tot de onafhankelijkheid van de toezichthouder ten aanzien van houders van eigenvermogensinstrumenten of schuldeisers. De pre-packprocedure moet uit twee fasen bestaan, namelijk een voorbereidingsfase en een vereffeningsfase.
(31)
De voorbereidingsfase moet als doel hebben een geschikte koper voor de onderneming van de schuldenaar of voor een deel daarvan te vinden en moet vertrouwelijk zijn, tenminste wat het vinden van een geschikte koper betreft. Het doel van de vereffeningsfase moet bestaan in de goedkeuring en uitvoering van de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan, en in de verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers, overeenkomstig het nationale recht. De vereffeningsfase moet beginnen met een beslissing van een rechterlijke instantie of een andere bevoegde instantie om op grond van het nationale recht formeel een insolventieprocedure te openen, wat vaak leidt tot de vereffening van de schuldenaar. De schuldenaar mag niet worden belet zijn bedrijfsactiviteiten met het resterende deel van zijn onderneming voort te zetten na afloop van de vereffeningsfase. De vereffeningsfase moet worden uitgevoerd door middel van insolventieprocedures die geen preventieve herstructureringsprocedures zijn. In lidstaten waar Verordening (EU) 2015/848 van toepassing is, moet de vereffeningsfase worden uitgevoerd door middel van de in bijlage A bij die verordening opgenomen insolventieprocedures die geen preventieve herstructureringsprocedures zijn.
(32)
De pre-packprocedure doet geen afbreuk aan de rechten van werknemers uit hoofde van het Unierecht en het nationale recht, met inbegrip van de betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers. De pre-packprocedure moet worden geregeld door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en moet worden begrepen als een procedure waarin de overgang van een onderneming of van een deel ervan wordt voorbereid met de bijstand van een toezichthouder onder toezicht van het gerecht of de bevoegde autoriteit, voordat er een formele insolventieprocedure wordt ingeleid met het oog op de vereffening van de activa van de schuldenaar. Hoewel de pre-packprocedure in de eerste plaats tot doel heeft een vereffening van de activa van de schuldenaar mogelijk te maken door de verkoop van de onderneming of een deel daarvan als going concern in het kader van een insolventieprocedure teneinde de vorderingen van alle schuldeisers zo veel mogelijk te voldoen, kan zij ook dienen voor het behoud van de werkgelegenheid.
(33)
Deze richtlijn geldt onverminderd Richtlijn 2001/23/EG. In het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, namelijk het arrest van 28 april 2022 in zaak C-237/20, Federatie Nederlandse Vakbeweging (12), valt de vereffeningsfase onder de uitzondering van artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/23/EG wanneer de pre-packprocedure als primair doel heeft de vorderingen van de schuldeisers zo veel mogelijk te voldoen en tegelijkertijd de werkgelegenheid zo veel mogelijk te behouden.
(34)
De invoering van de pre-packprocedure uit hoofde van deze richtlijn mag op geen enkele wijze leiden tot beperkingen van de bevoegdheden van insolventiefunctionarissen of van de mogelijkheid om de onderneming als going concern te verkopen in insolventieprocedures uit hoofde van het nationale recht.
(35)
De bepalingen van deze richtlijn met betrekking tot de pre-packprocedure komen niet in de plaats van nationale materiële regels, met name niet in de plaats van nationale regels betreffende de rangindeling van de vorderingen van de schuldeisers, de verdeling van de opbrengst, de aard, omvang en vorm van de deelname van schuldeisers, of de beloning van de insolventiefunctionaris. Indien een gerecht of bevoegde autoriteit geen toestemming verleent voor de door de toezichthouder voorgestelde verkoop van een onderneming of een deel ervan moet de insolventieprocedure worden voortgezet in overeenstemming met het toepasselijke nationale insolventierecht. Het begin van de vereffeningsfase is onderworpen aan de nationaalrechtelijke vereisten voor de opening van een insolventieprocedure, zoals de aanwezigheid van een grond voor de opening van deze procedure.
(36)
De pre-packprocedure van deze richtlijn moet worden toegepast op schuldenaren die rechtspersonen zijn. De lidstaten moet worden toegestaan de toepassing van de pre-packprocedure uit te breiden tot natuurlijke personen die ondernemer zijn.
(37)
Schuldenaren moeten in aanmerking kunnen komen voor een tijdelijke schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen. De schorsing moet mogelijk zijn in de voorbereidingsfase of in het kader van een ander soort insolventieprocedure waarin de schuldenaar geheel of ten minste gedeeltelijk de zeggenschap over zijn activa en de dagelijkse bedrijfsvoering van zijn onderneming behoudt en waarin de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan als going concern kan worden voortgezet en afgerond. Indien de schorsing tijdens de voorbereidingsfase beschikbaar wordt gesteld, moet deze beschikbaar zijn onder de voorwaarden van artikel 6 en 7 van Richtlijn (EU) 2019/1023 en de nationale wetgeving tot omzetting van die richtlijn.
(38)
De pre-packprocedure moet ervoor zorgen dat het beste bod dat tijdens de voorbereidingsfase wordt ontvangen, ter goedkeuring aan het gerecht of de bevoegde autoriteit of ter aanvaarding aan de schuldeisers wordt voorgelegd. De toezichthouder moet beoordelen of en vaststellen dat de geleidelijke vereffening meer waarde voor de schuldeisers zou opleveren dan de marktprijs die door de verkoop van de onderneming, of van een deel ervan, als going concern zou kunnen worden verkregen. Van de going-concernwaarde van een onderneming zou redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat zij hoger is dan de waarde bij een geleidelijke vereffening omdat zij gebaseerd is op de veronderstelling dat de onderneming haar activiteiten met minimale verstoring zal voortzetten, het vertrouwen van financiële schuldeisers, aandeelhouders en klanten zal behouden en inkomsten zal blijven genereren. De toezichthouder of het verkoopproces mogen niet onnodig worden belast, en er mag zeker geen volwaardige waardering worden verlangd in de voorbereidingsfase van het proces, tenzij de potentiële koper een nauw met de schuldenaar verbonden partij is. Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn om van de toezichthouder te verlangen dat hij rekening houdt met andere elementen dan de prijs, zoals het algemeen belang of de levensvatbaarheid van de onderneming. Er moet echter verplicht verscherpt toezicht worden gehouden indien het bod dat als het beste wordt beschouwd, afkomstig is van een nauw met de schuldenaar verbonden partij. Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn om van de toezichthouder te verlangen dat hij een onderbouwing geeft voor zijn conclusie dat het bod dat als het beste wordt beschouwd de schuldeisers niet in een slechtere situatie brengt dan het geval zou zijn geweest bij gebruik van een ander mechanisme om de insolventie van de schuldenaar aan te pakken. De toezichthouder moet de voorbereiding van het verkoopproces documenteren om een passende basis te bieden voor de goedkeuring of aanvaarding van het beste bod.
(39)
De voorbereidingsfase moet beperkt zijn in de tijd. De lidstaten moeten voorzien in een maximumduur die korter kan zijn dan de duur van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen waarin Richtlijn (EU) 2019/1023 voorziet. Indien in de voorbereidingsfase blijkt dat de doelstellingen van de pre-packprocedure niet kunnen worden bereikt, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat de pre-packprocedure kan worden beëindigd. Die situaties kunnen zich voordoen wanneer de schuldenaar niet samenwerkt met de toezichthouder of niet met due diligence handelt tijdens de voorbereidingsfase. Een andere dergelijke situatie is die waarin er geen redelijke kans bestaat dat de onderneming als going concern wordt verkocht, bijvoorbeeld wanneer de boeken en bescheiden van de schuldenaar onvolledig zijn of dermate gebrekkig dat het onmogelijk is zijn ondernemings- en financiële situatie vast te stellen. Voorts kunnen, waar het nationale recht vereist dat het verkoopproces tijdens de voorbereidingsfase concurrerend, transparant en eerlijk is en aan de marktnormen voldoet, handelingen van de schuldenaar die niet aan die vereisten voldoen, worden beschouwd als een verzuim om met due diligence te handelen. Niettemin moet het mogelijk zijn dat de lidstaten bepalen dat, zelfs indien de schuldenaar niet met de toezichthouder samenwerkt of met due diligence handelt, indien de voortzetting van de voorbereidingsfase in het algemeen belang van de schuldeisers is, het gerecht of de bevoegde autoriteit de rechten van de schuldenaar om zijn onderneming te beheren overeenkomstig het toepasselijke insolventierecht kan beperken met het oog op de voltooiing van de pre-packprocedure.
(40)
Om te garanderen dat een onderneming voor de beste prijs via de pre-packprocedure wordt verkocht, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het verkoopproces in de voorbereidingsfase verloopt volgens hoge normen inzake concurrentie, transparantie en eerlijkheid. Bij wijze van alternatief moeten de lidstaten erin kunnen voorzien dat na de opening van de vereffeningsfase of de presentatie van de aanbevolen hoogste bieder, een openbare veiling wordt gehouden om het beste bod te selecteren of dat het door de toezichthouder aanbevolen bod door de schuldeisers wordt goedgekeurd. Het is aan de lidstaten om te beslissen of de goedkeuring van de schuldeisers wordt gegeven door de algemene vergadering van schuldeisers of door het schuldeiserscomité.
(41)
De lidstaten kunnen bepalen dat een gerecht dat of een bevoegde autoriteit die heeft vastgesteld dat het verkoopproces niet concurrerend, transparant en eerlijk verloopt en niet aan de marktnormen voldoet, kan besluiten over te gaan tot een openbare veiling in de vereffeningsfase of tot een geleidelijke vereffening van de activa van de schuldenaar in een insolventieprocedure die in het kader van de pre-packprocedure is geopend.
(42)
Alle schuldeisers met vorderingen op de insolvente schuldenaar moeten het recht hebben om deel te nemen aan de vereffeningsfase van de pre-packprocedure. Het moet mogelijk zijn dat deze vorderingen naar behoren worden geregistreerd, onderzocht en voldaan overeenkomstig het toepasselijke insolventiekader.
(43)
In insolventiestelsels die gebaseerd zijn op het beginsel van de autonomie van schuldeisers, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat het aan de algemene vergadering van schuldeisers of het schuldeiserscomité is om in te stemmen met de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of een deel ervan, overeenkomstig het nationale recht.
(44)
Indien een lidstaat ervoor kiest om in de voorbereidingsfase hoge normen te eisen, moet de toezichthouder of, indien en voor zover de lidstaten daartoe besluiten, de schuldenaar die zijn goederen in bezit houdt, ervoor zorgen dat het verkoopproces concurrerend, transparant en eerlijk verloopt en dat het aan de marktnormen voldoet. Om aan de marktnormen te voldoen, moet het verkoopproces verenigbaar zijn met de standaardregels en -praktijken inzake fusies en overnames in de betrokken lidstaat, moeten potentieel geïnteresseerde partijen worden uitgenodigd om aan het verkoopproces deel te nemen, moet dezelfde informatie aan potentiële kopers worden bekendgemaakt zodat zij due diligence kunnen betrachten, en moeten biedingen van geïnteresseerde partijen via een gestructureerd proces worden verkregen.
(45)
Wanneer een openbare veiling vóór of na de opening van de vereffeningsfase wordt gehouden, moet het door de toezichthouder tijdens de voorbereidingsfase gekozen bod met het oog op de veiling als eerste bod (“stalking horse”-bod) worden gebruikt. In de voorbereidingsfase moet de schuldenaar de “stalking horse”-bieder prikkels kunnen bieden door met name in te stemmen met kostenvergoedingen of verbrekingsvergoedingen indien via de openbare veiling een beter bod wordt gekozen. De lidstaten moeten er niettemin voor zorgen dat die prikkels evenredig zijn en andere potentieel geïnteresseerde bieders niet afschrikken om aan de veiling deel te nemen.
(46)
De toezichthouder moet elke stap van het verkoopproces documenteren en daarover schriftelijk rapporteren. Die documenten en rapporten moeten tijdig in digitaal formaat beschikbaar worden gesteld. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat voor de toezichthouder dezelfde vertrouwelijkheidsvereisten gelden als voor een insolventiefunctionaris.
(47)
Om te voorkomen dat de waarde van een onderneming vermindert vanwege het enkele feit dat zij aan een insolventieprocedure is onderworpen, moet ervoor worden gezorgd dat operationele tegenpartijen, zoals leveranciers of klanten van de betrokken schuldenaar, overgenomen worden door de overnemer en niet getroffen worden door de pre-packprocedure. Derhalve mag de opening van een insolventieprocedure niet leiden tot de vroegtijdige beëindiging van overeenkomsten krachtens welke de partijen nog bepaalde verplichtingen moeten nakomen en die noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de onderneming. Deze beëindiging zou de waarde van de onderneming of van een deel ervan, die of dat via de pre-packprocedure moet worden verkocht, onnodig in gevaar brengen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat die overeenkomsten worden overgedragen aan de overnemer van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan, zelfs zonder dat de schuldenaren tegenpartij bij de overeenkomst toestemming geeft voor de overdracht. Niettemin kunnen er situaties zijn waarin de overdracht van bepaalde verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten redelijkerwijs niet kan worden verwacht, zoals wanneer de overnemer een concurrent is van de tegenpartij bij de overeenkomst. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat de toestemming van de tegenpartij(en) van de schuldenaar vereist is voor de overdracht van contractuele verplichtingen, afhankelijk van het soort overeenkomst, de hoedanigheid van de partijen of de belangen van de betrokken onderneming. De lidstaten moeten de toestemming van de licentienemer kunnen eisen om overeenkomsten met betrekking tot licenties op intellectuele- en industriële-eigendomsrechten, waarvan de schuldenaar de licentiegever is, te beëindigen, aangezien de bescherming van die rechten in geval van insolventie van de licentiegever een aanmoediging vormt om in de ontwikkeling van die rechten te investeren.
(48)
De bepalingen van deze richtlijn betreffende de automatische overdracht van overeenkomsten aan de overnemer doen geen afbreuk aan het recht van de tegenpartij om de overeenkomst te beëindigen overeenkomstig de voorwaarden ervan, noch aan het recht van de tegenpartij om uit hoofde van het toepasselijke overeenkomstenrecht maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de schuldenaar de verplichting nakomt in gevallen van niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering, zoals het recht van de tegenpartij om een waarborgsom of zekerheidsrecht te eisen of het recht op retentie van de prestatie vóór of na de overdracht.
(49)
De lidstaten moeten ook een aanvullende waarborg voor de bescherming van de legitieme belangen van de tegenpartij kunnen invoeren, door de tegenpartij het recht te verlenen de overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal drie maanden indien de tegenpartij op oneerlijke wijze zou worden benadeeld door de verplichting om de uitvoering van de overeenkomst voort te zetten tot de vroegste datum waarop zij deze anders uit hoofde van het nationale recht zou kunnen beëindigen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bewijslastregels met betrekking tot oneerlijke benadeling uit hoofde van het nationale recht.
(50)
Om de aantrekkelijkheid van activaovereenkomsten voor potentiële kopers te vergroten en aldus hogere prijzen te bereiken bij een verkoop als going concern, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat kopers ondernemingen overnemen die vrij zijn van schulden en passiva. De vorderingen van schuldeisers moeten derhalve worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop en niet rechtstreeks bij de koper van een onderneming worden ingediend. Verplichtingen die voortvloeien uit nog uit te voeren overeenkomsten of arbeidsverhoudingen, bijvoorbeeld verplichtingen die verband houden met rechten op bedrijfspensioenen, die aan de overnemer worden overgedragen, blijven echter bij de overnemer berusten. Daarnaast moeten de lidstaten regels kunnen invoeren of handhaven die bepalen dat het gedrag van de schuldenaar in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de overnemer voor schade, indien dat gedrag uit hoofde van het toepasselijke insolventierecht aan de overnemer kan worden toegerekend. Dergelijke regels kunnen van toepassing zijn op schade die onder het milieurecht valt of op schade die verband houdt met de eigendom van of de zeggenschap over bepaalde activa.
(51)
De vrijgave van zekerheidsrechten of andere aan activa verbonden bezwaringen die tot de onderneming van de schuldenaar behoren, moet worden geregeld door het nationale recht. Indien de wetgeving van een lidstaat de uitdrukkelijke toestemming van de houder van een zekerheidsrecht vereist voor de vrijgave ervan, moet die lidstaat kunnen voorzien in een afwijking van dat vereiste, tenzij de houder bezwaar maakt tegen de vrijgave.
(52)
Het beste bod mag niet worden uitgesloten in de voorbereidingsfase enkel op grond van het feit dat het van een nauw met een schuldenaar verbonden partij komt. Nauw met de schuldenaar verbonden partijen moeten daarom een bod kunnen uitbrengen en, wanneer hun bod wordt gegund, de onderneming vrij van schulden en passiva kunnen overnemen. Nauw verbonden partijen moeten weliswaar een bod kunnen uitbrengen, maar moeten in het biedingsproces aan verscherpt toezicht worden onderworpen. Het bieden van gelijke kansen aan andere bieders, met name wat betreft de toegang tot informatie en het waarborgen van informatiesymmetrie, faciliteert een snelle en efficiënte pre-packprocedure en stelt andere bieders in staat hun bod voor te bereiden.
(53)
Wanneer het bod van een nauw met de schuldenaar verbonden partij als het beste bod wordt beschouwd, moeten de lidstaten aanvullende waarborgen kunnen invoeren voor de toestemming voor en de uitvoering van de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of een deel ervan. Bij die waarborgen kan het onder meer gaan om de verplichting voor de overnemer om de bedrijfscontinuïteit gedurende een minimumperiode te waarborgen of arbeidsovereenkomsten te handhaven.
(54)
De mogelijkheid om in de loop van het verkoopproces voorkeursrechten af te dwingen, zou de concurrentie in de pre-packprocedure verstoren. Potentiële bieders zouden van een bod kunnen afzien indien houders van rechten die biedingen naar hun goeddunken zouden kunnen verwerpen, ongeacht de geïnvesteerde tijd en middelen of de economische waarde van de betrokken biedingen. Om ervoor te zorgen dat winnende biedingen de beste prijs op de markt weerspiegelen, mogen aan bieders geen voorkeursrechten worden toegekend en mogen deze rechten in de loop van de vereffeningsfase ook niet worden afgedwongen. Houders van voorkeursrechten die vóór de inleiding van een pre-packprocedure zijn verleend, moeten, in plaats van hun voorkeursrechten in te roepen, worden uitgenodigd aan het biedingsproces deel te nemen. Niettemin moeten de lidstaten wettelijke voorkeursrechten kunnen afdwingen die niet door de insolventie van de schuldenaar worden beïnvloed.
(55)
De lidstaten moeten door een zekerheid gedekte schuldeisers toestaan deel te nemen aan het biedingsproces in de pre-packprocedure door het bedrag van hun door een zekerheid gedekte vorderingen aan te bieden als vergoeding voor de aankoop van de activa waarop zij een zekerheid hebben (“credit bidding”). “Credit bidding” mag echter niet op zodanige wijze worden gebruikt dat door een zekerheid gedekte schuldeisers een onrechtmatig voordeel krijgen in het biedingsproces, zoals wanneer het bedrag van hun door een zekerheid gedekte vordering op de activa van de schuldenaar hoger is dan de marktwaarde van de onderneming van de schuldenaar. Als zodanig mag het voor een door een zekerheid gedekte schuldeiser niet mogelijk zijn een bod uit te brengen op het volledige bedrag van hun vordering op de onderneming van de schuldenaar, wanneer de onderneming minder waard is dan dat bedrag, omdat dit potentiële concurrenten kan afschrikken om deel te nemen aan het biedingsproces. Daarom moet deze richtlijn het bedrag beperken dat een schuldeiser kan bieden in gevallen waarin er sprake is van gedeeltelijk of onvoldoende gedekte vorderingen. In deze gevallen mag een door een zekerheid gedekte schuldeiser alleen een bedrag bieden dat met de aankoopprijs moet worden verrekend, zonder de marktwaarde van de onderneming te overschrijden. De beperking van de mogelijkheid voor de schuldeiser om een bod uit te brengen op de volledige waarde van een door een zekerheid gedekte vordering betekent niet dat die vordering haar zekerheidsrecht verliest met betrekking tot het deel van de vordering dat niet in het kader van het biedingsproces kan worden gebruikt.
(56)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie, met name Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (13), en belet de lidstaten niet nationale stelsels van concentratiecontrole te handhaven. Bij de selectie van het beste bod moet de toezichthouder rekening kunnen houden met de risico’s op het gebied van regelgeving die voortvloeien uit biedingen waarvoor de toestemming van de mededingingsautoriteiten vereist is, en moet hij deze autoriteiten kunnen raadplegen overeenkomstig de toepasselijke regels. De openbaarmaking van informatie door de mededingingsautoriteit mag niet in strijd zijn met de nationale regels inzake de bescherming van bedrijfsgeheimen. Het moet de verantwoordelijkheid van de bieders blijven om alle informatie te verstrekken die nodig is om die risico’s te beoordelen en om tijdig met de bevoegde mededingingsautoriteiten contact op te nemen om die risico’s te beperken. Om de kans op succes van pre-packprocedures te vergroten, moet, in het geval van een bod dat die risico’s met zich meebrengt, van de toezichthouder of de schuldenaar worden verlangd dat hij zijn rol zo vervult dat de indiening van alternatieve biedingen wordt vergemakkelijkt.
(57)
Bestuurders overzien het beheer van de zaken van een vennootschap en hebben het beste zicht op de financiële situatie ervan. Bestuurders behoren dan ook tot de eersten die weten wanneer een vennootschap insolvent is. Een te late indiening van een insolventieverzoek door bestuurders kan leiden tot lagere recuperatiewaarden voor schuldeisers. De lidstaten moeten voor bestuurders derhalve de verplichting invoeren om binnen een bepaalde termijn een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen. De lidstaten moeten in het kader van die verplichting insolventie anders kunnen definiëren dan de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van een insolventieprocedure. Indien een lidstaat meer dan één insolventiedrempel heeft, staat het aan die lidstaat om te bepalen welke van die drempels de verplichting doet ontstaan om een verzoek tot opening van de insolventieprocedure in te dienen. Voor de toepassing van deze richtlijn moeten de lidstaten ook bepalen op wie de verplichtingen voor bestuurders van toepassing zijn, rekening houdend met de uiteenlopende verantwoordelijkheden die bepaalde personen of organen kunnen hebben met betrekking tot besluiten betreffende het bestuur van vennootschappen.
(58)
Een verzoek tot opening van een insolventieprocedure moet binnen een bepaalde termijn worden ingediend. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat die termijn niet langer is dan drie maanden vanaf het moment dat de bestuurders er kennis van hebben gekregen, of redelijkerwijs worden geacht er kennis van te hebben gekregen, dat de vennootschap insolvent is. Indien de vennootschap vóór het verstrijken van die termijn opnieuw solvent wordt, maar daarna weer insolvent wordt, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat vanaf dat tijdstip een nieuwe termijn ingaat.
(59)
Wanneer een vennootschap insolvent wordt, kan de bescherming van de gezamenlijke schuldeisers op verschillende wijzen worden bereikt. Daarom moeten de lidstaten kunnen bepalen dat de verplichting van de bestuurders om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen, kan worden nagekomen door het publiek over de insolventie van de vennootschap te informeren door middel van een kennisgeving in een openbaar register teneinde ervoor te zorgen dat de schuldeisers om een insolventieprocedure kunnen verzoeken. Bovendien moeten de lidstaten ook de verplichting van de bestuurders om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen, kunnen schorsen indien de bestuurders maatregelen nemen om de belangen van de gezamenlijke schuldeisers te beschermen en die maatregelen aan de gezamenlijke schuldeisers een beschermingsniveau bieden dat gelijkwaardig is aan het niveau dat wordt geboden bij een verzoek tot opening van een insolventieprocedure. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om maatregelen die door de eigenaren van de vennootschap worden genomen om de solvabiliteit van de vennootschap te herstellen.
(60)
Om ervoor te zorgen dat bestuurders niet tegen de belangen van de schuldeisers handelen door, ondanks tekenen van insolventie, de indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure uit te stellen, moeten de lidstaten bepalingen vaststellen op grond waarvan bestuurders civielrechtelijk aansprakelijk zijn voor een verzuim van indiening van een dergelijk verzoek. In deze gevallen moeten bestuurders de schuldeisers elke schade vergoeden die het gevolg is van de verslechtering van de recuperatiewaarde van de vennootschap in vergelijking met de situatie die zou hebben bestaan als het verzoek tijdig zou zijn ingediend. Voor zover deze richtlijn niet voorziet in specifieke regels, moeten alle andere aspecten van civielrechtelijke aansprakelijkheid, zoals de berekening van schade of de bewijslast, worden geregeld door het nationale recht. De lidstaten moeten ook nationale regels inzake de civielrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders in verband met de indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure kunnen vaststellen of handhaven die strenger zijn dan de regels van deze richtlijn.
(61)
Wanneer de lidstaten bestuurders toestaan andere maatregelen te nemen ter bescherming van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers dan zich te kwijten van hun verplichting om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen, moeten zij ook bepalingen vaststellen die ervoor zorgen dat bestuurders aansprakelijk zijn voor elke schade die de schuldeisers lijden als gevolg van de verslechtering van de recuperatiewaarde van de vennootschap in vergelijking met de situatie die bestaan zou hebben als een verzoek tot opening van een insolventieprocedure zou zijn ingediend. In deze gevallen moeten de schuldeisers in de positie worden gebracht waarin zij zich bevonden zouden hebben indien de bestuurders het verzoek tot opening van een insolventieprocedure binnen de door de lidstaten gestelde termijn zouden hebben ingediend. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat bestuurders van die aansprakelijkheid worden ontheven indien en voor zover die bestuurders op basis van objectieve omstandigheden en informatie die verifieerbaar was op het moment dat de betrokken maatregelen werden genomen, kunnen aantonen dat die maatregelen redelijkerwijs een gelijkwaardig of beter resultaat voor de schuldeisers konden opleveren dan het resultaat dat voortvloeit uit de indiening van een verzoek tot opening van een insolventieprocedure. In dergelijke gevallen moet het nationale recht inzake bewijslast gelden.
(62)
Om een efficiënt en inclusief insolventiekader te bevorderen dat ondernemerschap en economische vernieuwing ondersteunt, moeten de lidstaten vereenvoudigde vereffeningsprocedures voor micro-ondernemingen kunnen handhaven of invoeren.
(63)
Indien een ondernemer volledig of gedeeltelijk eigenaar is van een vennootschap en persoonlijk aansprakelijk is voor alle schulden van de vennootschap, mag het feit dat de vennootschap niet over voldoende activa beschikt om de kosten van de insolventieprocedure te dekken, de ondernemer niet beletten kwijtschelding van schuld te verkrijgen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1023 en dus een tweede kans te krijgen. Hoewel de lidstaten niet verplicht zijn een nieuwe procedure inzake kwijtschelding van schuld in te voeren, moeten zij ervoor zorgen dat ondernemers die natuurlijke personen zijn toegang hebben tot procedures inzake kwijtschelding van schuld, maar vennootschappen niet. Deze richtlijn heeft betrekking op insolvente ondernemers die aansprakelijk zijn voor alle schulden van een vennootschap, maar niet op personen die slechts gedeeltelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van een vennootschap, zoals een borg voor de banklening van de vennootschap en andere soorten garanties aan een van de schuldeisers van de vennootschap. Deze richtlijn heeft alleen betrekking op de weigering van kwijtschelding van schuld op grond van het feit dat tegen de vennootschap geen insolventieprocedure kan worden geopend omdat de vennootschap niet over voldoende activa beschikt om de kosten ervan te dekken. Deze richtlijn regelt geen andere gronden voor weigering van kwijtschelding van schuld, zoals die waarin Richtlijn (EU) 2019/1023 voorziet. Wanneer een persoon aan de voorwaarden inzake kwijtschelding van schuld voldoet, kan de datum van de beslissing om al dan niet een insolventieprocedure tegen de vennootschap te openen, worden toegepast in plaats van de in artikel 21, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2019/1023 bedoelde datum.
(64)
Het is belangrijk ervoor te zorgen dat schuldeisers op passende wijze bij de insolventieprocedure worden betrokken, zodat hun belangen naar behoren in aanmerking kunnen worden genomen. Schuldeiserscomités maken het mogelijk om schuldeisers beter bij insolventieprocedures te betrekken, met name wanneer zij dit anders niet individueel zouden kunnen doen wegens beperkte middelen, het economisch belang van hun vorderingen of de geografische afstand. Schuldeiserscomités kunnen schuldeisers met grensoverschrijdende vorderingen helpen hun rechten beter uit te oefenen en ervoor zorgen dat zij eerlijk worden behandeld. De lidstaten moeten de oprichting van een schuldeiserscomité toestaan zodra de insolventieprocedure is geopend. De lidstaten moeten ook kunnen bepalen dat een schuldeiserscomité wordt opgericht voordat de insolventieprocedure wordt geopend. De lidstaten wordt niet belet de toepassing van de bepalingen over de oprichting van een schuldeiserscomité uit te breiden tot preventieve herstructureringsprocedures. Er moet een schuldeiserscomité worden opgericht wanneer de algemene vergadering van schuldeisers daartoe besluit of daar om verzoekt of, indien het nationale recht niet voorziet in een algemene vergadering van schuldeisers, wanneer schuldeisers daarom verzoeken overeenkomstig het nationale recht. De lidstaten moeten kunnen besluiten dat de gerechten, de bevoegde instanties of de insolventiefunctionarissen op eigen initiatief of op verzoek van een of meer schuldeisers, de insolventiefunctionaris of de schuldenaar een schuldeiserscomité kunnen oprichten.
(65)
De lasten van de oprichting en werking van een schuldeiserscomité moeten in verhouding staan tot de voordelen ervan. Daarom moeten de lidstaten kunnen bepalen dat er geen schuldeiserscomité opgericht wordt wanneer de lasten van de oprichting en werking ervan groter zouden zijn dan het economische belang van de besluiten die het zou kunnen nemen. Dit kan het geval zijn wanneer er te weinig schuldeisers zijn, wanneer de grote meerderheid van de schuldeisers een klein aandeel heeft in de vordering op de schuldenaar, wanneer mogelijke vertragingen als gevolg van de oprichting van een schuldeiserscomité zouden leiden tot een verslechtering van de financiële situatie van de schuldenaar of wanneer de waarde die naar verwachting uit de insolvente boedel kan worden teruggevorderd lager is dan de kosten van de oprichting en werking van het schuldeiserscomité. Deze situaties doen zich met name voor in insolventieprocedures betreffende schuldenaren die ondernemers of kleine ondernemingen zijn, en in kwijtingsprocedures. De lidstaten moeten alleen kunnen voorzien in de oprichting van het schuldeiserscomité voor grote ondernemingen in de zin van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (14). In het geval van kleinere ondernemingen is het mogelijk dat het nationale recht reeds op andere manieren voorziet in een adequate bescherming van de belangen van schuldeisers door middel van insolventieprocedures.
(66)
De bepalingen van deze richtlijn inzake de oprichting van schuldeiserscomités moeten van toepassing zijn op schuldenaren die rechtspersonen zijn. De lidstaten moeten de toepassing van die bepalingen kunnen uitbreiden tot natuurlijke personen die ondernemer zijn.
(67)
De lidstaten moeten de functies van de schuldeiserscomités en de vereisten, verplichtingen en procedures voor de benoeming van hun leden verduidelijken. Om onnodige vertraging bij de oprichting van het schuldeiserscomité te voorkomen, moeten de leden van het comité snel worden aangesteld om de efficiëntie van de insolventieprocedure te waarborgen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat schuldeisers eerlijk vertegenwoordigd zijn in de schuldeiserscomités en dat schuldeisers met grensoverschrijdende vorderingen die woonachtig zijn in een andere lidstaat dan die waar de insolventieprocedure wordt geopend, niet worden uitgesloten van aanstelling in de schuldeiserscomités. Wanneer werknemers tot de schuldeisers behoren, moeten die werknemers of hun vertegenwoordigers in aanmerking komen voor aanstelling in schuldeiserscomités, tenzij er een ander, ten minste gelijkwaardig, mechanisme is waarmee de belangen van werknemers in insolventieprocedures kunnen worden vertegenwoordigd. Dit kan het geval zijn wanneer rekening wordt gehouden met de belangen van werknemers in collectieve procedures door middel van verplichte raadplegingen met hun vertegenwoordigers over de richting van de procedure of voorafgaand aan belangrijke beslissingen, zoals over de verkoop van activa of de overdracht van de onderneming. Werknemers wier loonaanspraken volledig door een waarborgfonds worden betaald, zijn geen schuldeisers.
(68)
Een billijke vertegenwoordiging van de schuldeisers in schuldeiserscomités is bijzonder belangrijk voor niet door een zekerheid gedekte schuldeisers, onder meer schuldeisers met een geringe vordering. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat andere personen of entiteiten dan schuldeisers, zoals werknemersvertegenwoordigers, publieke instellingen of waarborgfondsen, ook in aanmerking komen voor aanstelling in schuldeiserscomités.
(69)
Schuldeiserscomités moeten bij insolventieprocedures worden betrokken en ervoor zorgen dat ze zodanig verlopen dat de belangen van de schuldeisers worden beschermd, onder meer door de activiteiten van de insolventiefunctionaris te volgen en daarvan regelmatig op de hoogte te worden gehouden, zonder dat de insolventiefunctionaris ondergeschikt moet zijn aan het comité. De rol van het schuldeiserscomité bij het toezicht op de eerlijkheid en integriteit van de insolventieprocedure kan alleen doeltreffend worden vervuld wanneer het comité en zijn leden onafhankelijk van de insolventiefunctionarissen optreden en alleen verantwoording afleggen aan de schuldeisers. De leden van schuldeiserscomités moeten te goeder trouw handelen bij het uitvoeren van de taken van het comité. Schuldeisers, leden van schuldeiserscomités en alle door schuldeiserscomités ingeschakelde deskundigen moeten alle vertrouwelijke informatie die zij in verband met de activiteiten van schuldeiserscomités verkrijgen, vertrouwelijk houden.
(70)
Hoewel een schuldeiserscomité groot genoeg moet zijn om de diversiteit van standpunten en belangen van de schuldeisers te waarborgen, moet het ook relatief beperkt van omvang zijn om zijn taken doeltreffend en tijdig te kunnen uitvoeren. De lidstaten moeten specificeren wanneer en hoe de samenstelling van een schuldeiserscomité moet worden gewijzigd, bijvoorbeeld in het geval dat vertegenwoordigers niet langer in staat zijn te handelen, ook niet in het belang van de schuldeisers, of zich willen terugtrekken. De lidstaten moeten ook de voorwaarden specificeren voor het ontslag van leden die een ernstige schending hebben begaan met betrekking tot hun plicht om in het belang van de gezamenlijke schuldeisers te handelen. Deze schendingen kunnen situaties zijn waarin sprake is van belangenconflicten.
(71)
De werkmethoden van schuldeiserscomités moeten transparant en doeltreffend zijn. De lidstaten moeten daarom voorschriften vaststellen met betrekking tot de werkmethoden van schuldeiserscomités, en daarbij een nadere omschrijving geven van de stemprocedure, waaronder de stemgerechtigdheid en het vereiste quorum, de regels voor het bijhouden van de genomen besluiten en de wijze waarop de onpartijdigheid en de vertrouwelijkheid van hun werkzaamheden worden gewaarborgd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de werkmethoden verder kunnen worden gespecificeerd door schuldeiserscomités door middel van protocollen.
(72)
Schuldeisers moeten elektronisch kunnen deelnemen en stemmen of hun stemrecht aan een naar behoren gemachtigde derde kunnen delegeren. De mogelijkheid om te delegeren zou met name gunstig zijn voor schuldeisers die in een andere lidstaat wonen dan de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend.
(73)
Schuldeiserscomités moeten voldoende rechten krijgen om hun taken efficiënt en doeltreffend te kunnen uitvoeren. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat schuldeiserscomités op transparante wijze handelen en kunnen communiceren met insolventiefunctionarissen, gerechten, de schuldenaar die zijn goederen in bezit houdt, en waar nodig met de schuldeisers die ze vertegenwoordigen, zodat de schuldeiserscomités zich een mening kunnen vormen over aangelegenheden die van rechtstreeks belang en relevant zijn voor de schuldeisers, en opdat met die mening in de procedure naar behoren rekening wordt gehouden. De lidstaten moeten voorzien in het recht van schuldeiserscomités om informatie op te vragen bij insolventiefunctionarissen en, in voorkomend geval, bij schuldenaren die hun goederen in bezit houden. De lidstaten moeten voorzien in het recht van schuldeiserscomités om te worden gehoord over belangrijke besluiten. De lidstaten moeten de algemene vergadering van schuldeisers kunnen toestaan besluiten aan het schuldeiserscomité te delegeren. De lidstaten moeten ook kunnen bepalen dat schuldeiserscomités het recht hebben een secretaris aan te stellen en extern advies in te winnen over zaken waarbij de door hen vertegenwoordigde schuldeisers belang hebben.
(74)
Aangezien de werking van schuldeiserscomités kosten met zich meebrengt, moeten de lidstaten duidelijke regels vaststellen met betrekking tot de vraag wie deze kosten draagt. De lidstaten moeten ook waarborgen vaststellen om te voorkomen dat de kosten van schuldeiserscomités de recuperatiewaarde van insolvente boedels op onevenredige wijze verminderen.
(75)
Om schuldeisers aan te moedigen lid te worden van schuldeiserscomités, moeten de lidstaten hun civielrechtelijke aansprakelijkheid beperken voor de functies die zij overeenkomstig deze richtlijn uitoefenen. Niettemin moet het mogelijk zijn dat leden van het schuldeiserscomité die hun verplichtingen opzettelijk of door grove nalatigheid hebben geschonden uit hun functie worden ontheven en voor die schending aansprakelijk worden gesteld. In die gevallen moeten de lidstaten bepalen dat die leden individueel aansprakelijk zijn voor de schade die door hun wangedrag is veroorzaakt. De lidstaten hoeven deze beperking van de civielrechtelijke aansprakelijkheid niet toe te passen wanneer de kosten voor een verzekering ter dekking van de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van het schuldeiserscomité door de insolvente boedel worden gedragen. Indien de lidstaten schuldeiserscomités meer bevoegdheden toevertrouwen dan die waarin deze richtlijn voorziet, zodat ze bijvoorbeeld beslissingen kunnen nemen over de activa van de schuldenaar of transacties kunnen aanvaarden, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat de leden van het schuldeiserscomité op dezelfde wijze aansprakelijk worden gesteld als een insolventiefunctionaris.
(76)
Om de belangrijkste kenmerken van nationale insolventieprocedures transparanter te maken en om met name schuldeisers met grensoverschrijdende vorderingen te helpen beoordelen wat er zou gebeuren als hun investeringen in een insolventieprocedure terechtkomen, moeten investeerders en potentiële investeerders gemakkelijk toegang krijgen tot die informatie in een vooraf bepaald, vergelijkbaar en gebruiksvriendelijk format. De lidstaten moeten een gestandaardiseerd blad met essentiële informatie opstellen en openbaar maken. De Commissie moet bladen met essentiële informatie in een meertalig formaat ter beschikking van het publiek stellen. Een blad met essentiële informatie zou voor potentiële beleggers een belangrijk instrument zijn om de regels inzake insolventieprocedures van een bepaalde lidstaat snel te beoordelen. Het moet voldoende uitleg bevatten om de lezer in staat te stellen de daarin vervatte informatie te begrijpen zonder naar andere informatiebronnen te hoeven verwijzen. De bladen met essentiële informatie moeten ook praktische informatie bevatten over de voorwaarden die leiden tot de opening van insolventieprocedures en over de stappen die moeten worden ondernomen om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen of een vordering in te stellen. Aangezien de lidstaten reeds verplicht zijn informatie te verstrekken over hun nationale regels inzake insolventieprocedures uit hoofde van Verordening (EU) 2015/848, is het belangrijk ervoor te zorgen dat de uit hoofde van deze richtlijn verstrekte informatie consistent is met de informatie die op grond van die verordening wordt verstrekt. Daartoe moeten de lidstaten de krachtens deze richtlijn vereiste informatie kunnen verstrekken via het bij Beschikking 2001/470/EG van de Raad (15) opgerichte Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.
(77)
In uitzonderlijke noodsituaties als gevolg van natuurrampen of andere rampzalige gebeurtenissen die de economische activiteiten op het niveau van een lidstaat of zijn regio’s ernstig verstoren, moeten de lidstaten snel kunnen optreden om de negatieve gevolgen van die situaties voor de economie tot een minimum te beperken. Dergelijke situaties hebben zich voorgedaan in de context van de COVID-19-pandemie en zouden zich kunnen voordoen in de context van een systeemcrisis als gedefinieerd in Richtlijn 2014/59/EU of in situaties waarin staatssteun op grond van artikel 107, lid 2, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verenigbaar is met de interne markt voor het herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen. In die situaties, die het risico van wijdverbreide insolventie met zich meebrengen, ook voor vennootschappen die onder normale omstandigheden levensvatbaar zouden zijn, moeten de lidstaten tijdelijk kunnen afwijken van sommige bepalingen van deze richtlijn. De afwijkingen moeten qua reikwijdte en tijd worden beperkt tot wat essentieel is om de uitzonderlijke situatie aan te pakken, bijvoorbeeld door geografisch beperkt te zijn tot de regio in de lidstaten die door een natuurramp is getroffen. De lidstaten moeten de Commissie kennisgeven van de maatregelen die van deze richtlijn afwijken, alsook van het territoriale toepassingsgebied en de duur ervan, en ten aanzien van de Commissie motiveren waarom die maatregelen moeten worden uitgevoerd. De verplichting van de lidstaten om kennis te geven van die maatregelen, moet de inwerkingtreding en de toepassing ervan onverlet laten. De kennisgeving, die het voor de Commissie gemakkelijker maakt na te gaan of de afwijkingen aan de desbetreffende vereisten voldoen, moet onverwijld onder de aandacht van de andere lidstaten worden gebracht. De maximumduur van de afwijking moet één jaar bedragen en het moet mogelijk zijn deze met perioden van zes maanden te verlengen, waarbij in een aanvullend controlemechanisme wordt voorzien. De lidstaten moeten uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de afwijking kennisgeven van het verzoek om verlenging, zodat de Commissie zo nodig daartegen bezwaar kan maken.
(78)
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (16).
(79)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bescherming, op grond van Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (17), van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie, ook wel bedrijfsgeheimen genoemd, tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan.
(80)
Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt aangezien de verschillen tussen nationale insolventiekaders het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging zouden blijven belemmeren, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU, neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(81)
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de bij het Handvest erkende beginselen in acht, in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van beroep en het recht om te werken, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op voorlichting en raadpleging van werknemers en het recht op een onpartijdig gerecht.
(82)
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (18) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze richtlijn. Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (19) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen en organen van de Unie voor de toepassing van deze richtlijn.
(83)
Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 6 februari 2023 heeft hij een advies uitgebracht (20),
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. Bij deze richtlijn worden gemeenschappelijke regels vastgesteld betreffende:
a)
vorderingen tot nietigverklaring;
b)
opsporing van activa die tot een insolvente boedel behoren;
c)
pre-packprocedures;
d)
de plicht van bestuurders om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen;
e)
schuldeiserscomités;
f)
bladen met essentiële informatie.
2. De titels II, III en VI van deze richtlijn zijn van toepassing op collectieve procedures als gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2015/848 die zijn gebaseerd op het recht inzake insolventie, met uitzondering van preventieve herstructureringsprocedures.
Titel II is niet van toepassing op voorlopige procedures.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing indien schuldenaren:
a)
verzekerings- of herverzekeringsondernemingen als gedefinieerd in artikel 13, punten 1 en 4, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (21) zijn;
b)
kredietinstellingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (22) zijn;
c)
beleggingsondernemingen of instellingen voor collectieve belegging als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punten 2) en 7), van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn;
d)
centrale tegenpartijen als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (23) zijn;
e)
centrale effectenbewaarinstellingen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (24) zijn;
f)
andere financiële instellingen en entiteiten zijn die zijn vermeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (25);
g)
publieke instellingen naar nationaal recht zijn;
h)
natuurlijke personen zijn die geen ondernemers zijn.
4. De lidstaten kunnen schuldenaren die andere dan de in lid 3 bedoelde financiële entiteiten zijn en die financiële diensten verlenen die onderworpen zijn aan bijzondere regelingen op grond waarvan de nationale toezichthoudende of afwikkelingsautoriteiten ruime interventiebevoegdheden hebben die vergelijkbaar zijn met de bevoegdheden met betrekking tot de in lid 3 bedoelde financiële entiteiten, van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitsluiten. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van die bijzondere regelingen.
5. De titels IV en VI zijn van toepassing op schuldenaren die rechtspersonen zijn.
6. De lidstaten kunnen besluiten titel VI van deze richtlijn alleen toe te passen op schuldenaren die grote ondernemingen zijn in de zin van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2013/34/EU.
Artikel 2
Definities
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a)
“insolventiefunctionaris”: een persoon of instantie die een of meer van de in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) 2015/848 en artikel 2, lid 1, punt 12, van Richtlijn (EU) 2019/1023 genoemde taken vervult;
b)
“gerecht”: een rechterlijke instantie van een lidstaat;
c)
“registers van bankrekeningen”: automatische gecentraliseerde mechanismen, zoals centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting, ingesteld overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Richtlijn (EU) 2024/1640;
d)
“centrale registers van uiteindelijke begunstigden”: de nationale centrale registers met informatie over uiteindelijke begunstigden en de systemen van gekoppelde registers, bedoeld in artikel 10 van Richtlijn (EU) 2024/1640;
e)
“bankrekeninginformatie”: de in artikel 16, lid 3, van Richtlijn (EU) 2024/1640 bedoelde informatie;
f)
“rechtshandeling”: voor de toepassing van titel II, elke gerichte menselijke gedraging die rechtsgevolgen heeft;
g)
“nog uit te voeren overeenkomst”: een overeenkomst tussen een schuldenaar en een of meer tegenpartijen krachtens welke de partijen nog verplichtingen moeten nakomen op het ogenblik dat de insolventieprocedure in de vereffeningsfase uit hoofde van titel IV wordt geopend, met uitzondering van salderingsovereenkomsten, waaronder salderingsovereenkomsten bij vroegtijdige beëindiging op financiële markten, energiemarkten en grondstoffenmarkten, indien deze overeenkomsten afdwingbaar zijn uit hoofde van het nationale insolventierecht, en met uitzondering van financiële overeenkomsten;
h)
“toets van het belang van de schuldeisers”: een toets waaraan is voldaan als geen enkele schuldeiser bij een vereffening in het kader van een pre-packprocedure slechter af zou zijn dan die schuldeiser zou zijn indien de normale rangorde van voorrang bij vereffening zou worden toegepast bij een geleidelijke vereffening of, indien de lidstaten daarin voorzien, in het geval van het beste alternatieve scenario;
i)
“tussentijdse financiering”: elke nieuwe financiële bijstand waarin wordt voorzien door een bestaande of een nieuwe schuldeiser, die ten minste financiële bijstand tijdens de pre-packprocedure omvat en die redelijk en onmiddellijk noodzakelijk is om de onderneming van de schuldenaar of een deel ervan voort te zetten, of om de waarde van die onderneming te behouden of te verhogen;
j)
“schuldeiserscomité”: een vertegenwoordigend orgaan van schuldeisers uit hoofde van titel VI;
k)
“pre-packprocedure”: een procedure, bestaande uit een voorbereidingsfase en een vereffeningsfase, die het mogelijk maakt de onderneming van de schuldenaar, geheel of gedeeltelijk, als going concern aan de hoogste bieder te verkopen in de loop van de insolventieprocedure;
l)
“voorbereidingsfase”: de fase van de pre-packprocedure die erop gericht is een geschikte koper voor de onderneming van de schuldenaar of voor een deel ervan te vinden;
m)
“vereffeningsfase”: de fase van de pre-packprocedure die erop gericht is de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel ervan goed te keuren en uit te voeren, en de opbrengst onder de schuldeisers te verdelen.
2. Voor de toepassing van deze richtlijn worden de begrippen “insolventie” en “bestuurder” begrepen zoals gedefinieerd in het nationale recht.
Artikel 3
Nauw met de schuldenaar verbonden partij
1. Voor de toepassing van titel II worden onder “nauw met de schuldenaar verbonden partijen” verstaan:
a)
indien de schuldenaar een natuurlijke persoon is:
i)
de echtgeno(o)t(e) of partner van de schuldenaar;
ii)
de bloedverwanten in opgaande en neergaande lijn en de broers en zussen van de schuldenaar of van de echtgeno(o)t(e) of partner van de schuldenaar, en de echtgenoten of partners van die personen;
iii)
personen die tot het huishouden van de schuldenaar behoren;
iv)
personen die toegang hebben tot niet-openbare informatie over de zaken van de schuldenaar en die de mogelijkheid hebben controle uit te oefenen over de activiteiten van de schuldenaar, ook indien zij uit hoofde van een arbeidsovereenkomst voor de schuldenaar werken dan wel een arbeidsverhouding met de schuldenaar hebben;
v)
juridische entiteiten waarin de schuldenaar of een van de in de punten i) tot en met iv) bedoelde personen lid is van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen, of
vi)
juridische entiteiten waarin de schuldenaar of een van de in de punten i) tot en met iv) bedoelde personen taken uitoefent welke toegang geven tot niet-openbare informatie over de zaken van de schuldenaar;
b)
indien de schuldenaar een juridische entiteit is:
i)
elk lid van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de schuldenaar;
ii)
houders van eigenvermogensinstrumenten met controlerend belang in de schuldenaar;
iii)
personen die soortgelijke functies uitoefenen als de in punt i) bedoelde personen;
iv)
personen die overeenkomstig punt a) nauw verbonden zijn met de in de punten i), ii) en iii) van dit punt bedoelde personen.
2. Voor de toepassing van titel IV omvatten nauw met de schuldenaar verbonden partijen de in lid 1 bedoelde personen en alle andere personen, met inbegrip van rechtspersonen, die preferentiële toegang hebben tot niet-openbare informatie over de zaken van de schuldenaar.
3. Of een partij nauw verbonden is met de schuldenaar, wordt bepaald ten aanzien van:
a)
voor de toepassing van titel II: de dag waarop de rechtshandeling waarop een vordering tot nietigverklaring betrekking heeft, is voltooid, of een periode van drie maanden vóór de voltooiing van de rechtshandeling;
b)
voor de toepassing van titel IV: de dag waarop de vereffeningsfase van de pre-packprocedure begint of een periode van ten minste zes maanden vóór de aanvang van de vereffeningsfase.
Lid 1 en lid 3, punt a), van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op personen die nauw verbonden zijn met partijen die voordeel hebben gehad bij een in artikel 12, lid 2, tweede alinea, bedoelde nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling.
Artikel 4
Nationaal recht en minimale harmonisatie
1. Onverminderd artikel 10, lid 3, kunnen de lidstaten wetgeving vaststellen of handhaven die de gezamenlijke schuldeisers een hoger niveau van bescherming biedt dan dat waarin de titels II en V voorzien.
2. De lidstaten kunnen met betrekking tot de oprichting, werking, taken en leden van schuldeiserscomités wetgeving vaststellen of handhaven die voorziet in een grotere deelneming van schuldeisers aan insolventieprocedures dan die waarin titel VI voorziet.
3. De lidstaten kunnen wetgeving vaststellen of handhaven die de toegang van insolventiefunctionarissen tot bankrekeninginformatie in hun registers van bankrekeningen, informatie over uiteindelijke begunstigden en nationale registers en databanken in grotere mate vergemakkelijkt dan de regels van titel III.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat insolvente ondernemers of andere natuurlijke personen die als houders van eigenvermogensinstrumenten persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van een vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid, toegang hebben tot volledige kwijtschelding van schuld overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1023, zelfs in gevallen waarin overeenkomstig het nationale recht geen insolventieprocedure jegens de schuldenaar kan worden geopend omdat de schuldenaar geen activa heeft of omdat zijn activa niet volstaan om de procedurekosten of de kosten in verband met de werkzaamheden van de insolventiefunctionaris te dekken.
5. De lidstaten mogen wetgeving vaststellen of handhaven die voorziet in vereenvoudigde vereffeningsprocedures voor micro-ondernemingen.
Artikel 5
Bescherming van werknemers
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het Unierecht en het nationale recht inzake de rechten van werknemers met betrekking tot de aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen, met inbegrip van het Unierecht en het nationale recht inzake de betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers en passende maatregelen om werknemersvertegenwoordigers te informeren en te raadplegen, met name:
a)
de bij de Richtlijnen 98/59/EG, 2001/23/EG en 2008/94/EG gegarandeerde rechten;
b)
het recht op informatie en raadpleging overeenkomstig de Richtlijnen 2002/14/EG en 2009/38/EG.
TITEL II
VORDERINGEN TOT NIETIGVERKLARING
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 6
Algemene voorwaarden voor vorderingen tot nietigverklaring
De lidstaten zorgen ervoor dat rechtshandelingen die vóór de opening van de insolventieprocedure ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers zijn voltooid, nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar zijn onder de voorwaarden van hoofdstuk 2.
De lidstaten kunnen bepalen dat een rechtshandeling waarvan de rechtsgevolgen afhankelijk zijn van de inschrijving ervan in een openbaar register, wordt beschouwd als voltooid zodra is voldaan aan alle andere voorwaarden voor de werking daarvan.
HOOFDSTUK 2
Specifieke voorwaarden
Artikel 7
Preferenties
1. De lidstaten zorgen ervoor dat nadelige rechtshandelingen die een schuldeiser of een groep schuldeisers begunstigen door voldoening of zekerheidsstelling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar zijn indien zij zijn voltooid:
a)
binnen de drie maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek dat heeft geleid tot de opening van de insolventieprocedure, of, bij gebreke van een dergelijk verzoek, binnen de drie maanden voorafgaand aan de datum van het besluit tot inleiding van een insolventieprocedure, op voorwaarde dat de schuldenaar niet in staat was zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar werden overeenkomstig het nationale recht, of
b)
na de indiening van het verzoek of de datum van het in punt a) bedoelde besluit en vóór de opening van de insolventieprocedure.
2. Indien een opeisbare vordering van een schuldeiser zoals verschuldigd is voldaan of gewaarborgd, zorgen de lidstaten ervoor dat nadelige rechtshandelingen ten minste nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar zijn indien:
a)
aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, en
b)
die schuldeiser wist dat de schuldenaar niet in staat was zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar werden overeenkomstig het nationale recht, dat een verzoek tot opening van een insolventieprocedure was ingediend of dat, bij gebreke van een dergelijk verzoek, een besluit tot inleiding van een insolventieprocedure was genomen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), wordt deze kennis vermoed indien de schuldeiser een nauw met de schuldenaar verbonden partij was. Dat vermoeden is weerlegbaar.
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de volgende rechtshandelingen:
a)
rechtshandelingen die rechtstreeks in ruil voor een redelijke vergoeding ten gunste van de activa van de schuldenaar zijn verricht;
b)
betalingen op wissels of cheques indien het op wissels of cheques toepasselijke recht de uit de wissel of cheque voortvloeiende vorderingen van de ontvanger op een andere schuldenaar van de wissel of cheque, zoals de endossant, de trekker of de betrokkene, uitsluit indien de ontvanger de betaling van de schuldenaar weigert;
c)
rechtshandelingen die niet onderworpen zijn aan vorderingen tot nietigverklaring overeenkomstig de Richtlijnen 98/26/EG en 2002/47/EG;
d)
in voorkomend geval, in overeenstemming met het nationale recht, rechtshandelingen die dienen als voldoening of zekerheidsstelling van vorderingen van socialezekerheidsinstanties;
e)
het aangaan van salderingsovereenkomsten, met inbegrip van salderingovereenkomsten bij vroegtijdige beëindiging, op financiële markten, energiemarkten of andere grondstoffenmarkten, alsmede rechtshandelingen ter ondersteuning van de werking van deze overeenkomsten.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), zorgen de lidstaten ervoor dat het op de wissel of cheque betaalde bedrag wordt terugbetaald door de laatste endossant of, indien de laatste endossant de wissel voor rekening van een derde heeft geëndosseerd, door die derde, indien de laatste endossant of de derde wist dat de schuldenaar niet in staat was zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar werden overeenkomstig het nationale recht, of dat op het moment van het endosseren of laten endosseren van de wissel een verzoek tot opening van een insolventieprocedure was ingediend. Deze kennis wordt vermoed indien de laatste endossant of de derde een nauw met de schuldenaar verbonden partij was. Dat vermoeden is weerlegbaar.
Artikel 8
Rechtshandelingen zonder vergoeding of in ruil voor een kennelijk ontoereikende vergoeding
1. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtshandelingen van de schuldenaar die zonder vergoeding of in ruil voor een kennelijk ontoereikende vergoeding worden verricht, nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar zijn indien zij zijn voltooid:
a)
binnen de twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek dat heeft geleid tot de opening van een insolventieprocedure of, bij gebreke van een dergelijk verzoek, binnen de twaalf maanden voorafgaand aan de datum van het besluit tot inleiding van een insolventieprocedure, of
b)
na de indiening van het verzoek of de datum van het in punt a) bedoelde besluit en vóór de opening van de insolventieprocedure.
2. Lid 1 is niet van toepassing op giften en schenkingen met een symbolische waarde.
Artikel 9
Rechtshandelingen die schuldeisers opzettelijk benadelen
De lidstaten zorgen ervoor dat rechtshandelingen waardoor de schuldenaar de gezamenlijke schuldeisers opzettelijk heeft benadeeld, nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar zijn indien aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:
a)
die handelingen zijn voltooid binnen de twee jaar vóór de indiening van het verzoek dat heeft geleid tot de opening van de insolventieprocedure of, bij gebreke van een dergelijk verzoek, binnen de twee jaar voorafgaand aan de datum van het besluit tot inleiding van een insolventieprocedure, of na de datum van de indiening van dat verzoek of de datum van dat besluit en vóór de opening van de insolventieprocedure;
b)
de wederpartij van de rechtshandeling wist dat de schuldenaar de intentie had de gezamenlijke schuldeisers te benadelen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), wordt deze kennis vermoed indien de wederpartij van de rechtshandeling een nauw met de schuldenaar verbonden partij was. Dat vermoeden is weerlegbaar.
HOOFDSTUK 3
Gevolgen van vorderingen tot nietigverklaring
Artikel 10
Algemene gevolgen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de vorderingen, rechten of verplichtingen die voortvloeien uit rechtshandelingen die op grond van hoofdstuk 2 nietig of niet-tegenwerpbaar zijn of vernietigd zijn, niet kunnen worden ingeroepen om uit de betrokken insolvente boedel te worden voldaan.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de partij die voordeel heeft gehad bij de nietige, vernietigde of niet-tegenwerpbare rechtshandeling, verplicht is de werkelijke voordelen zelf terug te geven of het geldelijke equivalent ervan te betalen.
Het feit dat de uit de nietige, vernietigde of niet-tegenwerpbare rechtshandeling voortvloeiende verrijking niet meer beschikbaar is in het vermogen van de partij die bij die rechtshandeling voordeel heeft gehad, kan alleen worden ingeroepen indien die partij niet op de hoogte was van de omstandigheden waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de verjaringstermijn voor alle vorderingen die voortvloeien uit een nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling jegens de wederpartij, niet meer dan drie jaar bedraagt vanaf de datum waarop de insolventieprocedure is geopend. De lidstaten kunnen bepalen dat de verjaringstermijn wordt berekend vanaf de datum waarop de insolventiefunctionaris kennis heeft gekregen van de feiten die ten grondslag liggen aan de vordering tegen de wederpartij.
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het nationale recht inzake de schorsing of stuiting van de in de eerste alinea bedoelde verjaringstermijn.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat een vordering tot teruggave van de werkelijke voordelen zelf of tot betaling van het geldelijke equivalent ervan op grond van lid 2 aan een schuldeiser of een derde kan worden overgedragen.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat de partij die verplicht is de werkelijke voordelen zelf terug te geven of het geldelijke equivalent ervan te betalen op grond van lid 2, die verplichting niet kan verrekenen met enige vordering die zij anders in de insolventieprocedure zou moeten instellen.
6. Dit artikel doet geen afbreuk aan vorderingen op grond van het burgerlijk en handelsrecht tot vergoeding van schade die schuldeisers hebben geleden als gevolg van een nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling.
Artikel 11
Gevolgen voor de partij die voordeel heeft gehad bij een nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling
1. Indien en voor zover de partij die voordeel heeft gehad bij de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling, overeenkomstig artikel 10 de werkelijke voordelen zelf teruggeeft of het geldelijke equivalent ervan betaalt, zorgen de lidstaten ervoor dat elke met die rechtshandeling voldane vordering van die partij als onvoldaan wordt beschouwd overeenkomstig het nationale recht.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat een tegenprestatie die door de partij die voordeel heeft gehad bij de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling, is verricht na of rechtstreeks in ruil voor de prestatie van de schuldenaar uit hoofde van die rechtshandeling, uit de insolvente boedel wordt terugbetaald voor zover de als tegenprestatie verleende voordelen nog in de insolvente boedel aanwezig zijn in een van de rest van de insolvente boedel te onderscheiden vorm of voor zover de insolvente boedel nog door de waarde van de tegenprestatie is verrijkt.
In gevallen die niet onder de eerste alinea vallen, kan de partij die voordeel heeft gehad bij de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling, een vordering tot vergoeding van de tegenprestatie indienen.
Artikel 12
Aansprakelijkheid van derden
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de artikelen 10 en 11 van toepassing zijn op elke erfgenaam of een andere rechtsopvolger onder algemene titel van de partij die voordeel heeft gehad bij de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling.
De omvang van de aansprakelijkheid van erfgenamen wordt geregeld door het nationale recht.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat artikel 10 van toepassing is op rechtsopvolgers onder bijzondere titel van de wederpartij van de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling indien de rechtsopvolger de omstandigheden kende waarop de vordering tot nietigverklaring is gebaseerd.
De in de eerste alinea bedoelde kennis wordt vermoed indien de rechtsopvolger onder bijzondere titel een partij is die nauw verbonden is met de partij die voordeel heeft gehad bij de nietige, vernietigbare of niet-tegenwerpbare rechtshandeling. Dat vermoeden is weerlegbaar.
Artikel 13
Verhouding tot andere instrumenten
Deze titel doet geen afbreuk aan de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/47/EG en (EU) 2019/1023.
Indien de schuldenaar tijdens een preventieve herstructureringsprocedure uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/1023 niet langer in staat is zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden en het voordeel van een schorsing wordt gehandhaafd overeenkomstig artikel 7, lid 3, van die richtlijn, kunnen de lidstaten met betrekking tot rechtshandelingen die tijdens de schorsing zijn verricht, bepalen dat de kennis van een partij dat de schuldenaar niet in staat was zijn schulden te betalen wanneer deze opeisbaar werden overeenkomstig het nationale recht, geen aanleiding geeft tot vorderingen tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 7, lid 2, van deze richtlijn.
TITEL III
OPSPORING VAN ACTIVA DIE TOT EEN INSOLVENTE BOEDEL BEHOREN
HOOFDSTUK 1
Toegang tot bankrekeninginformatie door aangewezen gerechten en administratieve autoriteiten
Artikel 14
Aangewezen gerechten en administratieve autoriteiten
1. Elke lidstaat wijst de gerechten of administratieve autoriteiten aan die bevoegd zijn om toegang te krijgen tot zijn nationale registers van bankrekeningen en deze te raadplegen, alsook de gerechten of administratieve autoriteiten die bevoegd zijn om grensoverschrijdend toegang te krijgen tot bankrekeninginformatie en deze grensoverschrijdend te raadplegen overeenkomstig artikel 15, lid 2 (“aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten”).
2. Elke lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 22 april 2029 in kennis van zijn aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten, en stelt de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging daarvan. De Commissie maakt deze kennisgevingen bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en op het Europees e-justitieportaal.
Artikel 15
Toegang tot en raadpleging van bankrekeninginformatie door aangewezen gerechten en administratieve autoriteiten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten bevoegd zijn om rechtstreeks en onmiddellijk toegang te krijgen tot bankrekeninginformatie en deze te raadplegen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de insolventiefunctionaris die is aangesteld in een lopende insolventieprocedure, met inbegrip van voorlopige procedures, verzoekt om bankrekeninginformatie, en
b)
de bankrekeninginformatie is noodzakelijk voor de identificatie en opsporing van activa die tot de insolvente boedel behoren in de in punt a) bedoelde procedures en van activa die het voorwerp uitmaken van een vordering tot nietigverklaring.
2. Bij het faciliteren van grensoverschrijdende toegang zorgen de lidstaten ervoor dat de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten bevoegd zijn om rechtstreeks en onmiddellijk toegang te krijgen tot bankrekeninginformatie in andere lidstaten die beschikbaar is via het in artikel 16, lid 6, van Richtlijn (EU) 2024/1640 bedoelde koppelingssysteem voor registers van bankrekeningen (bank account registers interconnection system — Baris), en deze te raadplegen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de insolventiefunctionaris die is aangesteld in een lopende insolventieprocedure, met inbegrip van voorlopige procedures, verzoekt om bankrekeninginformatie in andere lidstaten, en
b)
de bankrekeninginformatie is noodzakelijk voor de identificatie en opsporing van activa die tot de insolvente boedel van de schuldenaar behoren in de in punt a) bedoelde procedures en van activa die het voorwerp uitmaken van een vordering tot nietigverklaring.
3. Andere dan de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde informatie die de lidstaten als essentieel beschouwen en op grond van artikel 16, lid 5, van Richtlijn (EU) 2024/1640 in de registers van bankrekeningen opnemen, is niet toegankelijk voor en kan niet worden geraadpleegd door aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten of andere bevoegde gerechten of autoriteiten nagaan of aan de in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden is voldaan. Indien aan die voorwaarden is voldaan, zorgen de lidstaten ervoor dat de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten de relevante bankrekeninginformatie die is verkregen via de toegang tot en de raadpleging van bankrekeninginformatie op grond van de leden 1 en 2, doorgeven aan de insolventiefunctionaris die daarom heeft verzocht.
5. De toegang en de raadpleging op grond van de leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan de nationale procedurele waarborgen en de Unie- en nationale voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens. De lidstaten zorgen ervoor dat op grond van de leden 1 en 2 verkregen bankrekeninginformatie alleen wordt verwerkt voor de doeleinden waarvoor deze is verkregen, ook wanneer deze door insolventiefunctionarissen wordt verwerkt.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat insolventiefunctionarissen bij de verwerking van op grond van de leden 1 en 2 verkregen bankrekeninginformatie beschikken over interne procedures voor een passend beheer van vertrouwelijke informatie.
7. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden de toegang tot en de raadpleging van bankrekeninginformatie als rechtstreeks en onmiddellijk beschouwd onder meer wanneer de nationale autoriteiten die de […] registers van bankrekeningen beheren, de bankrekeninginformatie onverwijld door middel van een geautomatiseerd mechanisme doorgeven aan de aangewezen gerechten of administratieve autoriteiten, op voorwaarde dat geen intermediaire instelling de gevraagde gegevens of de te verstrekken informatie kan behandelen.
Artikel 16
Voorwaarden voor de toegang tot en de raadpleging van bankrekeninginformatie door aangewezen gerechten en administratieve autoriteiten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de toegang tot en de raadpleging van bankrekeninginformatie overeenkomstig artikel 15 alleen per geval wordt verricht door het personeel van elk gerecht dat of elke administratieve autoriteit die specifiek is aangesteld en gemachtigd om die taken uit te voeren.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat:
a)
het in lid 1 bedoelde personeel hoge professionele normen inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming in acht neemt, zeer integer is en over de nodige vaardigheden beschikt;
b)
technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen om de gegevens volgens hoge technologische normen te beveiligen met het oog op de uitoefening door de aangewezen gerechten en administratieve autoriteiten van de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 15 toegang te krijgen tot bankrekeninginformatie en deze te raadplegen.
Artikel 17
Toezicht op de toegang tot en de raadpleging van bankrekeninginformatie door aangewezen gerechten en administratieve autoriteiten
1. De lidstaten bepalen dat de autoriteiten die de registers van bankrekeningen beheren, erop toezien dat er logbestanden worden bijgehouden van elke keer dat een aangewezen gerecht of administratieve autoriteit toegang krijgt tot bankrekeninginformatie en deze raadpleegt. De logbestanden bevatten met name het volgende:
a)
het referentienummer van de zaak;
b)
de datum en het tijdstip van de zoekopdracht;
c)
het soort gegevens dat is gebruikt om de zoekopdracht te starten;
d)
de unieke identificatienummers van de resultaten;
e)
de naam van het aangewezen gerecht dat of de aangewezen administratieve autoriteit die toegang krijgt tot het register of het raadpleegt;
f)
de unieke gebruikersidentificatie van het personeelslid van het aangewezen gerecht of van de administratieve autoriteit dat de zoekopdracht heeft verricht en, indien van toepassing, van de rechter of ambtenaar die de zoekopdracht of raadpleging heeft gelast en, indien beschikbaar, van de verzoekende insolventiefunctionaris.
2. De autoriteiten die de registers van bankrekeningen beheren, controleren regelmatig de in lid 1 bedoelde logbestanden.
3. De in lid 1 bedoelde logbestanden worden uitsluitend gebruikt voor het toezicht op de naleving van deze richtlijn en van het toepasselijke Unierecht inzake gegevensbescherming. Die logbestanden worden met passende maatregelen tegen ongeoorloofde toegang beschermd en vijf jaar na het aanleggen ervan gewist, tenzij zij nodig zijn voor lopende toezichtprocedures.
HOOFDSTUK 2
Toegang van insolventiefunctionarissen tot informatie over uiteindelijke begunstigden
Artikel 18
Toegang van insolventiefunctionarissen tot informatie over uiteindelijke begunstigden
De lidstaten zorgen ervoor dat insolventiefunctionarissen voor de identificatie en opsporing van activa die relevant zijn voor de insolventieprocedure waarvoor zij zijn aangesteld, tijdig toegang hebben tot de volgende informatie over de uiteindelijke begunstigden van juridische entiteiten en van juridische constructies die is opgeslagen in gekoppelde centrale registers van uiteindelijke begunstigden, en dat die toegang wordt verleend zonder de betrokken entiteit, constructie of uiteindelijke begunstigde te waarschuwen:
a)
de naam van de uiteindelijke begunstigde;
b)
de geboortemaand en het geboortejaar van de uiteindelijke begunstigde;
c)
het land van verblijf en de nationaliteit of nationaliteiten van de uiteindelijke begunstigde;
d)
voor uiteindelijke begunstigden van juridische entiteiten, de aard en de omvang van het gehouden economische belang;
e)
voor uiteindelijke begunstigden van express trusts of soortgelijke juridische constructies, de aard van hun uiteindelijke belang.
HOOFDSTUK 3
Toegang van insolventiefunctionarissen tot nationale registers en databanken
Artikel 19
Toegang van insolventiefunctionarissen tot nationale registers en databanken
1. De lidstaten zorgen ervoor dat insolventiefunctionarissen, ongeacht de lidstaat waarin zij zijn aangesteld, rechtstreekse en snelle toegang hebben tot informatie die noodzakelijk is voor de identificatie en opsporing van activa die tot de insolvente boedel behoren, alsook van activa die het voorwerp uitmaken van een vordering tot nietigverklaring, en die is opgeslagen in bestaande nationale registers en databanken waarvan de lijsten in de bijlage zijn opgenomen, in overeenstemming met de voorwaarden waarin het nationale recht voorziet.
2. Wat de toegang tot de in de bijlage vermelde nationale registers en databanken betreft, ziet elke lidstaat erop toe dat de in andere lidstaten aangestelde insolventiefunctionarissen niet onderworpen zijn aan materiële toegangsvoorwaarden die rechtens of feitelijk minder gunstig zijn dan de voorwaarden die gelden voor de in die lidstaat aangestelde insolventiefunctionarissen.
3. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 22 april 2029 in kennis van de in de bijlage opgesomde bestaande nationale registers en databanken, en delen eventuele wijzigingen daarvan mee.
De Commissie maakt de informatie waarvan de lidstaten op grond van de eerste alinea kennis hebben gegeven, bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en op het Europees e-justitieportaal.
HOOFDSTUK 4
Toegang van de insolventiefunctionarissen van een andere lidstaat tot gerechten
Artikel 20
Toegang van de insolventiefunctionarissen van een andere lidstaat tot gerechten
Met betrekking tot het recht om een procedure in te leiden of voor gerechten of autoriteiten te verschijnen teneinde activa te vorderen ten behoeve van een insolvente boedel, zorgt elke lidstaat ervoor dat in andere lidstaten aangestelde insolventiefunctionarissen niet onderworpen zijn aan voorwaarden die minder gunstig zijn dan de voorwaarden die gelden voor in die lidstaat aangestelde insolventiefunctionarissen.
TITEL IV
PRE-PACKPROCEDURE
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 21
Pre-packprocedure
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de pre-packprocedure ten minste beschikbaar is voor schuldenaren die overeenkomstig het nationale recht waarschijnlijk insolvent zullen worden.
De lidstaten kunnen bepalen dat de voorbereidingsfase niet kan worden ingeleid wanneer de schuldenaar overeenkomstig het nationale recht niet bij machte is zijn schulden te vereffenen wanneer deze opeisbaar worden.
2. De pre-packprocedure kan uit hoofde van het nationale recht een afzonderlijke procedure zijn of deel uitmaken van een bestaande insolventieprocedure.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren die een pre-packprocedure aanvatten, in de voorbereidingsfase volledig of ten minste gedeeltelijk de controle behouden over hun activa en over de dagelijkse bedrijfsvoering van hun onderneming.
4. Het nationale recht is van toepassing op aangelegenheden die niet door deze titel worden geregeld, met inbegrip van de rangorde van vorderingen, de verdeling van de opbrengst, de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van de schuldenaar en de bestuurders van de schuldenaar, de beloning van de insolventiefunctionaris en de aard, reikwijdte en vorm van de deelname van de schuldeisers, behalve, in voorkomend geval, wat betreft de goedkeuring van de verkoop.
Artikel 22
Verband met andere rechtshandelingen van de Unie
1. De vereffeningsfase wordt uitgevoerd door middel van een andere insolventieprocedure dan een preventieve herstructureringsprocedure.
In de lidstaten waar Verordening (EU) 2015/848 van toepassing is, wordt de vereffeningsfase uitgevoerd door middel van een insolventieprocedure zoals uiteengezet in bijlage A bij Verordening (EU) 2015/848 die geen preventieve herstructureringsprocedure is.
2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan Richtlijn 2001/23/EG en de nationale regels tot omzetting daarvan.
Voor de toepassing van artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2001/23/EG wordt de vereffeningsfase, wanneer deze plaatsvindt in een procedure die zou kunnen eindigen in de vereffening van de schuldenaar, beschouwd als een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie.
HOOFDSTUK 2
Voorbereidingsfase
Artikel 23
Benoeming van de toezichthouder
1. De lidstaten zorgen ervoor dat, op initiatief van de schuldenaar, de voorbereidingsfase begint zodra de toezichthouder is aangesteld. De procedure voor de aanstelling van een toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig het nationale recht.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouder onafhankelijk is van de schuldenaar en van nauw met de schuldenaar verbonden partijen. De lidstaten kunnen voorzien in aanvullende vereisten met betrekking tot de onafhankelijkheid van de toezichthouder ten aanzien van houders van eigenvermogensinstrumenten of schuldeisers.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat alleen personen die voldoen aan de criteria die gelden voor insolventiefunctionarissen in de lidstaat waar de pre-packprocedure plaatsvindt, kunnen worden aangewezen als toezichthouder.
Artikel 24
Beginselen die van toepassing zijn op de voorbereidingsfase
1. De lidstaten zorgen ervoor dat het verkoopproces dat tijdens de voorbereidingsfase wordt uitgevoerd concurrerend, transparant en eerlijk is en aan de marktnormen voldoet.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouder, zo nodig met bijstand van de schuldenaar:
a)
motiveert waarom hij van oordeel is dat aan de vereisten in lid 1 is voldaan;
b)
de hoogste bieder aanbeveelt als pre-packovernemer van de onderneming van de schuldenaar, of van een deel daarvan, overeenkomstig artikel 33;
c)
een verklaring verstrekt waarin wordt gesteld dat, op basis van zijn beoordeling, het beste bod niet indruist tegen de toets van het belang van de schuldeisers.
De toezichthouder moet elke stap van het verkoopproces documenteren en daarover schriftelijk rapporteren. Die documenten en rapporten moeten tijdig in digitaal formaat beschikbaar worden gesteld. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat voor de toezichthouder dezelfde vertrouwelijkheidsvereisten gelden als voor een insolventiefunctionaris.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat er overeenkomstig artikel 29, lid 3, een openbare veiling wordt gehouden om de verwezenlijking van een billijke marktprijs te waarborgen. De lidstaten kunnen bepalen dat een dergelijke openbare veiling met name wordt gehouden in situaties waarin een of meer schuldeisers aantonen dat er redelijke twijfel bestaat over de vraag of het door de toezichthouder aanbevolen beste bod de billijke marktprijs wel weerspiegelt. Indien die openbare veiling wordt gehouden, kunnen de lidstaten bepalen dat de in lid 1 en lid 2, punt a), vastgelegde verplichtingen niet van toepassing zijn op de toezichthouder.
4. De lidstaten kunnen bepalen dat, indien de in lid 2, punt b), bedoelde aanbeveling overeenkomstig het nationale recht door de schuldeisers wordt goedgekeurd, lid 1, en lid 2, punt a), niet van toepassing zijn.
5. De lidstaten zorgen ervoor dat:
a)
indien er daarna geen vereffeningsfase volgt, de toezichthouder door de schuldenaar wordt vergoed;
b)
indien daarna de vereffeningsfase volgt, de toezichthouder uit de insolvente boedel wordt vergoed.
Artikel 25
Schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen
De lidstaten zorgen er tijdens de voorbereidingsfase voor dat indien de schuldenaar zich in een situatie van dreigende insolventie bevindt of overeenkomstig het nationale recht insolvent is, hij in aanmerking komt voor een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Richtlijn (EU) 2019/1023, hetzij in de voorbereidingsfase, hetzij in het kader van een ander soort insolventieprocedure waarin de schuldenaar geheel of ten minste gedeeltelijk de zeggenschap over zijn activa en de dagelijkse bedrijfsvoering van zijn onderneming behoudt en waarin de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan als going concern kan worden voortgezet en afgerond.
Artikel 26
Opschorting van de opening van de vereffeningsfase
De lidstaten kunnen bepalen dat wanneer een schuldeiser tijdens de voorbereidingsfase een insolventieverzoek indient, de opening van de vereffeningsfase kan worden opgeschort indien, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, het niet in het algemeen belang van de schuldeisers zou zijn om de vereffeningsfase te openen.
Artikel 27
Beëindiging van de voorbereidingsfase
1. De lidstaten bepalen dat de voorbereidingsfase beperkt is in de tijd.
2. De lidstaten kunnen bepalen dat de voorbereidingsfase kan worden beëindigd indien:
a)
de schuldenaar verzuimt de nodige bijstand te verlenen overeenkomstig artikel 24, lid 2;
b)
de schuldenaar tijdens de voorbereidingsfase niet de nodige due diligence aan de dag legt, of
c)
de voorbereidingsfase geen redelijke kans van slagen heeft.
HOOFDSTUK 3
Vereffeningsfase
Artikel 28
Vereffeningsfase
De lidstaten zorgen ervoor dat de vereffeningsfase begint wanneer er overeenkomstig het nationale recht een besluit over de opening van de in artikel 22, lid 1, bedoelde insolventieprocedure is genomen.
Artikel 29
Beginselen die van toepassing zijn op de vereffeningsfase
1. De lidstaten zorgen ervoor dat het gerecht of de bevoegde autoriteit bij de opening van de vereffeningsfase ten minste in een van de volgende gevallen toestemming verleent voor de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan:
a)
de overnemer wordt voorgesteld door de toezichthouder, mits de toezichthouder een advies heeft uitgebracht waarin hij bevestigt dat het verkoopproces dat tijdens de voorbereidingsfase plaatsvond, voldeed aan de vereisten van artikel 24, lid 1, en het gerecht of de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is dat aan de vereisten van artikel 24, leden 1 en 2, is voldaan;
b)
de overnemer wordt geselecteerd op een openbare veiling, indien de lidstaten overeenkomstig lid 3 van dit artikel in een dergelijke veiling hebben voorzien, of
c)
de verkoop aan de overnemer wordt goedgekeurd door de schuldeisers, zoals bedoeld in artikel 24, lid 4.
2. De lidstaten kunnen bepalen dat de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel ervan op grond van lid 1, punt c), door de schuldeisers wordt goedgekeurd zonder toestemming van het gerecht of de bevoegde autoriteit indien de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel ervan volgens het nationale recht de instemming van de schuldeisers vereist.
3. De in artikel 24, lid 3, bedoelde openbare veiling duurt niet langer dan drie maanden.
Het door de toezichthouder gekozen bod wordt gebruikt als eerste bod in de openbare veiling.
De lidstaten zorgen ervoor dat de aan de eerste bieder in de voorbereidingsfase verleende bescherming evenredig en proportioneel is.
4. De lidstaten bepalen dat het gerecht of de bevoegde autoriteit kan besluiten dat een waardering van de onderneming van de schuldenaar als going concern wordt verricht op grond van het feit dat het beste bod mogelijk niet voldoet aan de toets van het belang van de schuldeisers.
Indien het nationale recht vereist dat de schuldeisers instemmen met de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel ervan, kunnen de lidstaten bepalen dat het in de eerste alinea bedoelde besluit door de schuldeisers kan worden genomen zonder tussenkomst van het gerecht of de bevoegde autoriteit.
Artikel 30
Overdracht of beëindiging van nog uit te voeren overeenkomsten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat aan de overnemer van de onderneming van de schuldenaar of van een deel ervan de nog uit te voeren overeenkomsten worden overgedragen die nodig zijn voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteit en waarvan de schorsing tot stilstand van de onderneming zou leiden. De overdracht behoeft geen toestemming van de tegenpartij(en) van de schuldenaar.
De eerste alinea is niet van toepassing indien de overnemer van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan een concurrent is van de tegenpartij(en) van de schuldenaar.
2. De lidstaten kunnen bepalen dat de toestemming van de tegenpartij(en) van de schuldenaar vereist is, afhankelijk van het soort overeenkomst, de hoedanigheid van de partijen of de belangen van de onderneming.
3. Onverminderd andere beëindigingsrechten kunnen de lidstaten bepalen dat de tegenpartij(en) nog uit te voeren overeenkomsten die uit hoofde van lid 1 zijn overgedragen, kan (kunnen) beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden na de overdracht, mits de overdracht van de overeenkomst de tegenpartij(en) op oneerlijke wijze zou benadelen.
4. De lidstaten kunnen bepalen dat nog uit te voeren overeenkomsten betreffende licenties op intellectuele- en industriële-eigendomsrechten, waarvan de schuldenaar de licentiegever is, niet worden beëindigd zonder toestemming van de licentienemer.
Artikel 31
Schulden en verplichtingen van de via een pre-packprocedure overgenomen onderneming
1. Onverminderd artikel 30 en artikel 38, leden 1 en 2, en onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsverhoudingen waarop de verkoop van een onderneming of van een deel ervan betrekking heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat de overnemer de onderneming van de schuldenaar of een deel ervan vrij van schulden en passiva overneemt, tenzij de overnemer er uitdrukkelijk mee instemt de schulden en passiva van de onderneming of van een deel ervan te dragen.
2. Lid 1 doet geen afbreuk aan nationale wetgeving waarin is bepaald dat het gedrag van de schuldenaar in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de overnemer voor schade, indien dat gedrag uit hoofde van het toepasselijke recht aan de overnemer kan worden toegerekend.
Artikel 32
Schorsende werking van beroepen
De lidstaten kunnen bepalen dat, indien het nationale recht toelaat dat beroepen worden ingesteld tegen beslissingen van het gerecht of de bevoegde autoriteit betreffende de toestemming voor of de uitvoering van de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel daarvan, die beroepen geen schorsende werking hebben tenzij passende maatregelen worden genomen om de schade te dekken die zou kunnen worden berokkend door een ongerechtvaardigde schorsing van de uitvoering van de verkoop, zoals het vereiste dat een zekerheid wordt gesteld door de appellant of dat de appellant aansprakelijk is voor deze schade.
HOOFDSTUK 4
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 33
Criteria voor de selectie van het beste bod
De lidstaten leggen de criteria vast voor de selectie van het beste bod in de pre-packprocedure. De lidstaten zorgen ervoor dat die criteria dezelfde zijn als die voor de selectie van concurrerende biedingen in een insolventieprocedure.
De lidstaten kunnen het behoud van de werkgelegenheid opnemen in de in de eerste alinea bedoelde criteria.
Artikel 34
Civielrechtelijke aansprakelijkheid van toezichthouders en insolventiefunctionarissen
De lidstaten zorgen ervoor dat toezichthouders en insolventiefunctionarissen aansprakelijk zijn voor schade die de opzettelijke of door nalatigheid ontstane niet-nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van deze titel heeft veroorzaakt bij schuldeisers.
Artikel 35
Nauw met de schuldenaar verbonden partijen in het verkoopproces
1. De lidstaten zorgen ervoor dat nauw met de schuldenaar verbonden partijen in aanmerking komen om de onderneming van de schuldenaar of een deel ervan over te nemen, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a)
de nauw met de schuldenaar verbonden partijen stellen de toezichthouder in hun bod in kennis van hun relatie tot de schuldenaar;
b)
andere dan de in punt a) bedoelde partijen ontvangen adequate informatie over het bestaan van nauw met de schuldenaar verbonden partijen en over hun relatie tot de schuldenaar;
c)
in het in artikel 29, lid 1, punt a), bedoelde geval wordt een waardering van de onderneming als going concern uitgevoerd ten behoeve van de in artikel 24, lid 2, punt c), bedoelde verklaring van de toezichthouder;
d)
partijen die niet nauw verbonden zijn met de schuldenaar krijgen voldoende tijd om een bod te doen.
De lidstaten bepalen dat indien is bewezen dat een nauw met de schuldenaar verbonden partij niet heeft voldaan aan de in de eerste alinea, punt a), vastgelegde voorwaarden, het gerecht of de bevoegde autoriteit de in artikel 31, lid 1, bedoelde voordelen kan intrekken.
2. Indien het bod van een nauw met de schuldenaar verbonden partij als het beste bod wordt beschouwd, kunnen de lidstaten aanvullende waarborgen invoeren voor de toestemming voor en uitvoering van de verkoop van de onderneming van de schuldenaar of van een deel ervan.
Artikel 36
Tussentijdse financiering
1. Indien tussentijdse financiering nodig is, zorgen de lidstaten ervoor dat:
a)
de tussentijdse financiering niet nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar wordt verklaard, en
b)
de verstrekkers van de tussentijdse financiering niet civielrechtelijk, administratief of strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld omdat die financiering nadelig is voor de gezamenlijke schuldeisers, tenzij het nationale recht voorziet in andere gronden voor deze aansprakelijkheid.
2. De lidstaten kunnen bepalen dat verstrekkers van nieuwe of tussentijdse financiering het recht hebben om met voorrang terugbetaald te worden in het kader van een daaropvolgende insolventieprocedure ten opzichte van andere schuldenaren die anders bevoorrechte of gelijkwaardige vorderingen zouden hebben.
3. Afhankelijk van de rangorde van voorrang van de vorderingen die voortkomen uit een insolventieprocedure, kunnen lidstaten bepalen dat:
a)
zekerheidsrechten op de verkoopopbrengsten kunnen worden verleend aan de verstrekkers van tussentijdse financiering, om te waarborgen dat deze worden terugbetaald, en
b)
de tussentijdse financiering in aanmerking komt om te worden verrekend met de prijs die moet worden betaald in het kader van het toegewezen bod, indien deze door geïnteresseerde bieders wordt verstrekt.
4. De lidstaten kunnen bepalen dat lid 1 alleen van toepassing is op tussentijdse financiering die aan een controle vooraf is onderworpen.
Artikel 37
Voorkeursrechten en credit bidding
1. Onverminderd artikel 38, lid 1, zorgen de lidstaten ervoor dat aan bieders geen voorkeursrechten worden verleend. De lidstaten kunnen bepalen dat wettelijke voorkeursrechten die niet door de insolventie van de schuldenaar worden beïnvloed, in stand worden gehouden en afdwingbaar zijn.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat, indien zekerheidsrechten de onderneming bezwaren waarop de pre-packprocedure betrekking heeft, schuldeisers die de begunstigden van die zekerheidsrechten zijn, hun vorderingen op de aankoopprijs alleen mogen verrekenen tot een bedrag dat de marktwaarde van de onderneming niet overschrijdt.
Artikel 38
Bescherming van de belangen van de schuldeisers
1. De lidstaten zorgen ervoor dat zekerheidsrechten of andere bezwaringen in de loop van de pre-packprocedure worden vrijgegeven onder dezelfde voorwaarden als die welke in een insolventieprocedure van toepassing zouden zijn overeenkomstig het nationale recht.
2. Lidstaten waar de vrijgave van zekerheidsrechten overeenkomstig hun recht afhankelijk is van de toestemming van de houders van door een zekerheid gedekte vorderingen in de insolventieprocedure, kunnen bepalen dat deze toestemming niet vereist is in de loop van de pre-packprocedure.
Artikel 39
Invloed van mededingingsrechtelijke procedures op de timing of het welslagen van het bod
1. De lidstaten zorgen ervoor dat indien er een aanzienlijk risico bestaat dat een mededingingsrechtelijke procedure of een negatief besluit van een mededingingsautoriteit ten aanzien van een tijdens de voorbereidingsfase ingediend bod tot vertraging leidt, de toezichthouder of de schuldenaar de nodige stappen zet opdat alternatieve biedingen worden ingediend.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthouder informatie kan ontvangen over de toepasselijke mededingingsrechtelijke procedures en over uitkomsten van deze procedures die van invloed kunnen zijn op het tijdschema of het welslagen van het bod, mits de bekendmaking van informatie door de mededingingsautoriteit niet in strijd is met nationale regels inzake de bescherming van bedrijfsgeheimen. In dat verband is de toezichthouder aan de geheimhoudingsplicht onderworpen overeenkomstig het nationale recht.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat een bod buiten beschouwing mag worden gelaten indien het een aanzienlijk risico op vertraging als bedoeld in lid 1 inhoudt, mits aan beide onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
a)
dit bod is niet het enige bod, en
b)
de vertraging bij de afronding van de verkoop aan de betrokken bieder zou leiden tot schade aan de onderneming van de schuldenaar of een deel ervan.
TITEL V
PLICHT VAN BESTUURDERS OM EEN VERZOEK TOT OPENING VAN EEN INSOLVENTIEPROCEDURE IN TE DIENEN EN CIVIELRECHTELIJKE AANSPRAKELIJKHEID
Artikel 40
Plichten van bestuurders
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bestuurders van een vennootschap die overeenkomstig het nationale recht insolvent wordt, de plicht hebben een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen, met uitzondering van preventieve herstructureringsprocedures.
In lidstaten waar Verordening (EU) 2015/848 van toepassing is, heeft de verplichting om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen betrekking op de in bijlage A bij die verordening vastgelegde procedures, met uitzondering van preventieve herstructureringsprocedures.
2. Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt bij het gerecht dat of de autoriteit die bevoegd is voor insolventieprocedures, ingediend binnen drie maanden nadat de bestuurders er kennis van hebben gekregen of redelijkerwijs worden geacht er kennis van te hebben gekregen dat de vennootschap overeenkomstig het nationale recht insolvent is.
Artikel 41
Niet-toepassing of schorsing van de verplichting om een verzoek tot opening van een insolventieprocedure in te dienen
1. De lidstaten kunnen bepalen dat de in artikel 40, lid 1, bedoelde plicht niet van toepassing is op bestuurders die natuurlijke personen zijn en persoonlijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de schulden van de vennootschap.
2. De lidstaten kunnen bepalen dat de in artikel 40, lid 1, bedoelde plicht kan worden nagekomen door het publiek in kennis te stellen van de insolventie van de vennootschap door middel van een kennisgeving in een openbaar register, vóór het verstrijken van de in artikel 40, lid 2, bedoelde termijn, teneinde ervoor te zorgen dat de schuldeisers om de opening van een insolventieprocedure kunnen verzoeken.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat de in artikel 40, lid 1, bedoelde plicht wordt geschorst indien de bestuurders maatregelen nemen die bedoeld zijn om schade aan de schuldeisers van de insolvente vennootschap te voorkomen en die een niveau van bescherming van de gezamenlijke schuldeisers waarborgen dat gelijkwaardig is aan de bescherming die wordt geboden door de in artikel 40, lid 1, bedoelde plicht.
Artikel 42
Civielrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bestuurders van een insolvente vennootschap aansprakelijk zijn, overeenkomstig het nationale recht, voor de schade die schuldeisers is berokkend doordat de bestuurders de in artikel 40 bedoelde plicht niet hebben vervuld.
2. Indien de lidstaten gebruik hebben gemaakt van de in artikel 41, lid 3, geboden mogelijkheid, zorgen zij ervoor dat bestuurders die daarin bedoelde maatregelen nemen, overeenkomstig het nationale recht aansprakelijk zijn voor aan de schuldeisers berokkende schade die niet zou zijn veroorzaakt indien overeenkomstig artikel 40, lid 1, om de opening van een insolventieprocedure was verzocht.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat aansprakelijkheid als bedoeld in lid 2 van dit artikel, is uitgesloten indien en voor zover de bestuurders, op basis van objectieve omstandigheden, kunnen aantonen dat redelijkerwijs kon worden verwacht dat de genomen maatregelen voor de schuldeisers een gelijkwaardig of beter resultaat zouden opleveren dan door de vervulling van de in artikel 40, lid 1, bedoelde plicht.
Artikel 43
Verhouding tot andere instrumenten
Deze titel doet geen afbreuk aan artikel 7 van Richtlijn (EU) 2019/1023.
TITEL VI
SCHULDEISERSCOMITÉS
HOOFDSTUK 1
Oprichting en leden van schuldeiserscomités
Artikel 44
Oprichting van schuldeiserscomités
1. De lidstaten zorgen ervoor dat er na de opening van een insolventieprocedure een schuldeiserscomité wordt opgericht indien de algemene vergadering van schuldeisers daartoe besluit of daarom verzoekt of, indien het nationale recht niet voorziet in een algemene vergadering van schuldeisers, indien schuldeisers daarom verzoeken overeenkomstig het nationale recht.
2. De lidstaten kunnen bepalen dat een schuldeiserscomité vóór de opening van een insolventieprocedure wordt opgericht overeenkomstig het nationale recht.
De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer het schuldeiserscomité wordt opgericht, over de samenstelling van het schuldeiserscomité wordt beslist.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat er geen schuldeiserscomité wordt opgericht indien zij vaststellen dat, door omstandigheden in verband met de aard en de reikwijdte van de onderneming van de schuldenaar, de lasten van het oprichten ervan groter zouden zijn dan de voordelen ervan. De lidstaten zorgen ervoor dat die omstandigheden, waaronder bijvoorbeeld het geringe economische belang van de insolvente boedel, het geringe aantal schuldeisers, de kleine omvang van de schuldenaar of de negatieve gevolgen van mogelijke vertragingen bij de oprichting van een schuldeiserscomité voor de financiële situatie van de schuldenaar, duidelijk in het nationale recht worden vastgelegd.
Artikel 45
Aanstelling en samenstelling van schuldeiserscomités
1. Indien op grond van artikel 44 een schuldeiserscomité wordt opgericht, zorgen de lidstaten ervoor dat de leden van het schuldeiserscomité onverwijld worden aangesteld, hetzij op de algemene vergadering van schuldeisers, hetzij bij beslissing van het gerecht.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de samenstelling van schuldeiserscomités zo veel mogelijk een billijke afspiegeling vormt van de verschillende belangen van de schuldeisers.
Indien werknemers tot de schuldeisers behoren, zorgen de lidstaten ervoor dat die werknemers of hun vertegenwoordigers in aanmerking komen voor aanstelling in het schuldeiserscomité, tenzij er ten minste een ander gelijkwaardig mechanisme bestaat om de belangen van werknemers in insolventieprocedures te vertegenwoordigen.
De lidstaten kunnen bepalen dat personen en entiteiten die geen schuldeiser zijn, ook in aanmerking komen voor aanstelling in schuldeiserscomités.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeisers met grensoverschrijdende vorderingen in aanmerking komen voor aanstelling in schuldeiserscomités.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat indien het nationale recht in beroepsprocedures voorziet, elke in overeenstemming met het nationale recht bepaalde belanghebbende de aanstelling van een of meer leden van een schuldeiserscomité voor het gerecht kan aanvechten op grond van het feit dat de aanstelling niet overeenkomstig het toepasselijke recht is geschied.
Artikel 46
Ontslag van leden en vervanging
1. De lidstaten stellen regels vast waarin de gronden en procedures voor ontslag en vervanging van leden van schuldeiserscomités nader worden omschreven. Deze regels voorzien ook in de situatie waarin leden van een schuldeiserscomité ontslag nemen of niet in staat zijn hun plichten te vervullen.
2. Gronden voor ontslag als bedoeld in lid 1 omvatten in elk geval opzettelijke of uit grove nalatigheid ontstane ernstige schendingen van verplichtingen ten aanzien van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, zoals bij belangenconflicten.
HOOFDSTUK 2
Werkwijze en functie van schuldeiserscomités
Artikel 47
Werkwijze van schuldeiserscomités
1. De lidstaten stellen regels vast voor de volgende aspecten van de werkwijze van schuldeiserscomités:
a)
de stemprocedure, met inbegrip van de stemgerechtigdheid en het vereiste quorum;
b)
belangenconflicten;
c)
de vertrouwelijkheid van informatie;
d)
het bijhouden van de genomen besluiten.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeiserscomités hun werkwijze nader kunnen specificeren door middel van protocollen, mits die protocollen voldoen aan de regels in lid 1. Die protocollen worden in elk geval ter beschikking gesteld van het gerecht en de insolventiefunctionaris.
3. De lidstaten bepalen dat de leden van schuldeiserscomités persoonlijk of langs elektronische weg mogen deelnemen en stemmen. De lidstaten kunnen bepalen dat de leden van schuldeiserscomités de mogelijkheid krijgen om schriftelijk te stemmen.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat leden van schuldeiserscomités zich kunnen laten vertegenwoordigen door een naar behoren gemachtigde persoon.
Artikel 48
Functie, rechten en plichten van schuldeiserscomités
1. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeiserscomités over rechten beschikken die hun betrokkenheid bij insolventieprocedures waarborgen en uit hoofde waarvan zij de activiteiten van insolventiefunctionarissen of, indien een schuldenaar in bezit blijft, van de schuldenaar, kunnen onderzoeken, met inbegrip van:
a)
het recht om insolventiefunctionarissen te horen en door hen te worden gehoord over zaken die van belang zijn voor de gezamenlijke schuldeisers, met inbegrip van belangrijke besluiten zoals de verkoop van activa buiten de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten om;
b)
het recht om in een insolventieprocedure te worden gehoord;
c)
het recht om aan vertegenwoordigde schuldeisers en aan insolventiefunctionarissen of, indien een schuldenaar in bezit blijft, aan de schuldenaar relevante en noodzakelijke informatie te vragen en die van hen te ontvangen.
De lidstaten kunnen bepalen dat schuldeiserscomités het recht hebben een secretaris aan te stellen en extern advies in te winnen over zaken waarbij de door hen vertegenwoordigde schuldeisers belang hebben.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeiserscomités gedurende hun activiteiten de belangen van de gezamenlijke schuldeisers vertegenwoordigen en onafhankelijk van insolventiefunctionarissen optreden.
De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van schuldeiserscomités de belangen van de gezamenlijke schuldeisers vertegenwoordigen en te goeder trouw handelen bij het uitvoeren van de taken van het comité.
3. De lidstaten kunnen schuldeiserscomités de bevoegdheid verlenen om bepaalde besluiten of rechtshandelingen goed te keuren. In dat geval geven de lidstaten duidelijk aan voor welke zaken deze goedkeuring vereist is; het kan daarbij gaan om alle besluiten van bijzonder belang voor de procedure.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeisers, leden van schuldeiserscomités en beroepsbeoefenaars die schuldeiserscomités bijstaan, de vertrouwelijkheid van in verband met de activiteiten van de comités verkregen vertrouwelijke informatie in acht nemen.
Artikel 49
Kosten en vergoedingen
1. De lidstaten bepalen wie de kosten draagt die schuldeiserscomités of de individuele leden daarvan maken bij de uitoefening van de in artikel 48 bedoelde functie.
2. Indien de in lid 1 bedoelde kosten door een insolvente boedel worden gedragen, zien de lidstaten erop toe dat de schuldeiserscomités of de individuele leden daarvan deze kosten registreren en dat het gerecht, de bevoegde autoriteit of de insolventiefunctionaris de bevoegdheid heeft om ongerechtvaardigde of onevenredige kosten te beperken.
3. Indien de lidstaten toestaan dat leden van een schuldeiserscomité een vergoeding ontvangen en deze ten laste komt van een insolvente boedel, zien zij erop toe dat deze vergoeding in verhouding staat tot de door de leden uitgeoefende functie.
Artikel 50
Aansprakelijkheid
1. De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste een van de volgende regels van toepassing is:
a)
leden van schuldeiserscomités zijn vrijgesteld van persoonlijke aansprakelijkheid voor hun handelingen in hun hoedanigheid van comitélid, tenzij is vastgesteld dat zij hun plichten met betrekking tot de belangen van de schuldeisers opzettelijk of door grove nalatigheid hebben geschonden;
b)
de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van schuldeiserscomités voor hun handelingen in hun hoedanigheid van comitélid wordt gedekt door een verzekering die overeenkomstig artikel 49, lid 2, ten laste komt van de insolvente boedel.
2. Indien de lidstaten schuldeiserscomités de bevoegdheid verlenen om bepaalde besluiten of transacties goed te keuren, kunnen zij bepalen dat de leden van schuldeiserscomités dezelfde aansprakelijkheid hebben als een insolventiefunctionaris.
TITEL VII
MAATREGELEN OM NATIONALE INSOLVENTIEWETGEVINGEN TRANSPARANTER TE MAKEN
Artikel 51
Blad met essentiële informatie
1. Onverminderd lid 10 stelt elke lidstaat uiterlijk op 22 juli 2029 een blad op met informatie over essentiële elementen van het nationale recht inzake insolventieprocedures (het “blad met essentiële informatie”) en dient hij het bij de Commissie in via het Europees e-justitieportaal.
2. Het blad met essentiële informatie wordt opgesteld in een officiële taal van de instellingen van de Unie.
3. De inhoud van het blad met essentiële informatie is beknopt, nauwkeurig, duidelijk en niet-technisch, en geeft de informatie op een feitelijke manier weer.
4. Het blad met essentiële informatie bevat de volgende delen in de onderstaande volgorde:
a)
de voorwaarden voor de opening van een insolventieprocedure;
b)
de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen;
c)
de regels betreffende de rangorde van de vorderingen van de schuldeisers en de verdeling van de opbrengst van de afwikkeling van de boedel in het kader van de insolventieprocedure;
d)
de gemiddelde gemelde duur van insolventieprocedures, zoals bedoeld in artikel 29, lid 1, punt b), van Richtlijn (EU) 2019/1023.
5. Het in lid 4, punt a), bedoelde deel bevat:
a)
de lijst van personen die om de opening van een insolventieprocedure kunnen verzoeken;
b)
de lijst van voorwaarden die aanleiding geven tot de opening van een insolventieprocedure;
c)
de wijze waarop en de plaats waar een verzoek tot opening van een insolventieprocedure kan worden ingediend;
d)
de wijze en het tijdstip waarop de schuldenaar in kennis wordt gesteld van het besluit om al dan niet een insolventieprocedure te openen.
6. Het in lid 4, punt b), bedoelde deel bevat:
a)
de lijst van personen die een vordering kunnen indienen;
b)
de lijst van voorwaarden voor het indienen van een vordering;
c)
de termijn voor het indienen van een vordering;
d)
de wijze waarop het formulier voor het indienen van een vordering kan worden verkregen, indien van toepassing;
e)
de wijze waarop en de plaats waar een vordering kan worden ingediend;
f)
de wijze waarop de vordering wordt geverifieerd en gevalideerd.
7. De lidstaten actualiseren de in lid 4 bedoelde informatie binnen één maand na de inwerkingtreding van elke relevante wijziging van het nationale recht. De bladen met essentiële informatie bevatten de volgende verklaring: “Dit blad met essentiële informatie is correct op … [de datum van indiening van de informatie bij de Commissie of de datum van de actualisering]”.
8. De Commissie zorgt ervoor dat de bladen met essentiële informatie in het Engels, het Frans en het Duits, en in de oorspronkelijke taal indien deze niet een van de drie voornoemde is, beschikbaar zijn voor het publiek op het Europees e-justitieportaal in het deel over insolventie/faillissement voor elke lidstaat.
9. De Commissie is bevoegd om door middel van uitvoeringshandelingen het format van het blad met essentiële informatie te wijzigen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 53, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
10. De lidstaten waar Verordening (EU) 2015/848 van toepassing is, verstrekken het in lid 1 van dit artikel bedoelde blad met essentiële informatie via het bij Beschikking 2001/470/EG opgerichte Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, op een wijze die strookt met artikel 86 van die verordening.
TITEL VIII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 52
Noodmaatregelen
1. De lidstaten kunnen afwijken van de toepassing van nationale bepalingen tot omzetting van de titels II, V en VI in geval van buitengewone situaties die de economische activiteiten op het niveau van de lidstaten of hun regio’s ernstig verstoren, indien en voor zover de toepassing van de nationale bepalingen tot omzetting van die titels een risico op wijdverbreide insolventie met zich mee zou brengen, onder meer voor vennootschappen die onder normale omstandigheden rendabel zouden zijn.
2. De in lid 1 bedoelde afwijking en de duur ervan zijn evenredig en beperkt tot wat essentieel is om de in dat lid bedoelde ernstige verstoring op te vangen, te beperken, op te lossen of te voorkomen.
3. De lidstaten stellen de Commissie binnen één maand na de inwerkingtreding ervan in kennis van een afwijking als bedoeld in lid 1.
Wanneer de lidstaten de Commissie overeenkomstig de eerste alinea in kennis stellen, vermelden zij de bepalingen van deze richtlijn waarvan zij hebben afgeweken, de aard en de omvang van de uitzonderlijke omstandigheden waarop de afwijking is gebaseerd, de duur van de afwijking en de redenen waarom de afwijking van essentieel belang wordt geacht om een ernstige verstoring van de economische activiteiten als bedoeld in lid 1, op te vangen, te beperken, op te lossen of te voorkomen. De Commissie stelt de andere lidstaten hier onverwijld van in kennis.
4. Een afwijking als bedoeld in lid 1 mag maximaal één jaar duren.
Indien en voor zover de buitengewone situatie die de economische activiteiten ernstig verstoort, voortduurt, kan de afwijking met perioden van maximaal zes maanden worden verlengd, op voorwaarde dat de lidstaat de Commissie daar uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de vorige afwijkingsperiode van in kennis stelt. De verlenging wordt van kracht tenzij de Commissie uiterlijk één maand voor het verstrijken van de eerdere afwijkingsperiode bezwaar maakt omdat de verlenging niet aan de in de leden 1 en 2 vastgelegde vereisten voldoet.
Artikel 53
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor herstructurering en insolventie, ingesteld bij artikel 30 van Richtlijn (EU) 2019/1023. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 54
Evaluatie
Uiterlijk op 22 januari 2034 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in waarin de toepassing en het effect van deze richtlijn worden beoordeeld. Op basis van die beoordeling dient de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel in.
Artikel 55
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 22 januari 2029 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op de in de eerste alinea van dit lid genoemde datum of op 10 juli 2029, indien dat later is, aan de artikelen 15, 16 en 17 van deze richtlijn te voldoen, voor zover zij betrekking hebben op Baris.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. Titel II is alleen van toepassing op rechtshandelingen die zijn uitgevoerd vanaf de datum van inwerkingtreding van de in de eerste alinea van lid 1 bedoelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.
3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 56
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 57
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 30 maart 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. PANAYIOTOU
(1) PB C 184 van 25.5.2023, blz. 34.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 10 maart 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 30 maart 2026.
(3) Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/848/oj).
(4) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1998/59/oj).
(5) Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2001/23/oj).
(6) Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29. ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/14/oj).
(7) Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/94/oj).
(8) Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/38/oj).
(9) Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 18, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2019/1023/oj).
(10) Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1132/oj).
(11) Richtlijn (EU) 2024/1640 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn (EU) 2015/849 (PB L, 2024/1640, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1640/oj).
(12) Arrest van het Hof van Justitie van 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging, C-237/20, ECLI:EU:C:2022:321.
(13) Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/139/oj).
(14) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/34/oj).
(15) Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2001/470/oj).
(16) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(17) Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/943/oj).
(18) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
(19) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(20) PB C 89 van 10.3.2023, blz. 10.
(21) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/138/oj).
(22) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/575/oj).
(23) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/648/oj).
(24) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/909/oj).
(25) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/59/oj).
BIJLAGE
Nationale registers en databanken als bedoeld in artikel 19
1.
Kadastrale registers
2.
Grondregisters
3.
Registers van roerende goederen, met inbegrip van registers van voertuigen, schepen en vliegtuigen, indien eigendomsrechten in dergelijke registers zijn ingeschreven
4.
Schenkingsregisters
5.
Hypotheekregisters
6.
Registers of databanken met informatie over de eigendom van effecten, waaronder centrale effectenbewaarinstellingen, zoals gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 909/2014
7.
Registers van pandrechten, met inbegrip van leaseovereenkomsten, en van koop-verkoopovereenkomsten met eigendomsvoorbehoud
8.
Registers van eigendomsbeslag
9.
Registers van intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van octrooi- en merkenregisters
ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2026/799/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top