Avis juridique important
Speciaal verslag over de toepassing van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden
Publicatieblad Nr. C 358 van 31/12/1980 blz. 0001 - 0030
SPECIAAL VERSLAG over de toepassing van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (Oorspronkelijke taal : Frans)
>PIC FILE= "T0035581"> >PIC FILE= "T0035583">
INLEIDING
SECTIE 1 ALGEMENE DOELSTELLINGEN - TECHNISCHE ASPECTEN VAN DE RICHTLIJN
1.1.1. De bepalingen van het Verdrag
In het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap zijn in titel II, gewijd aan de landbouw, de doelstellingen, methoden en instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgelegd.
Artikel 39 bepaalt dat het gemeenschappelijk beleid voornamelijk ten doel heeft: - de produktiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproduktie als een optimaal gebruik van de produktiefactoren, met name van de arbeidskrachten, te verzekeren;
- aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn.
In hetzelfde artikel wordt bepaald dat bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen, rekening zal worden gehouden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden.
Artikel 42 voegt daaraan toe dat de Raad machtiging kan geven tot het verlenen van steun ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden benadeelde bedrijven.
1.1.2. De doelstellingen van Richtlijn 75/268/EEG
Richtlijn 75/268/EEG beoogt de grote ongelijkheden in de inkomens, die zich voordoen bij de landbouw in bergstreken en probleemgebieden, te verminderen. Hierbij gaat het om het compenseren van de permanente natuurlijke handicaps van streken die 25 % vertegenwoordigen van het nuttige landbouwareaal van de Gemeenschap, 15 % van de geregistreerde bedrijven en 12 % van de gemeenschappelijke landbouwproduktie, en aldus waarborgen te scheppen voor het behoud en voor zover dit mogelijk is de modernisering van de landbouw in deze streken.
Een differentiatie van de financiële stimulansen binnen het structuurbeleid was bedoeld om te voorkomen dat de structurele verbeteringen vooral ten goede zouden komen aan de rijkere en meer dynamische streken. In de bergstreken heersen door de grote hoogte moeilijke klimatologische omstandigheden en is de groeiperiode korter ; vanwege de hellingen wordt de mechanisatie van de landbouw minder rendabel. In de probleemgebieden is de grond vaak minder vruchtbaar en de pogingen om de opbrengsten te verbeteren leveren mogelijk niet de verwachte resultaten op.
Het handhaven van de landbouwactiviteit in deze streken is dus uiteindelijk afhankelijk van het doorzettingsvermogen van het bedrijfshoofd. De steun die hem wordt toegekend, beoogt niet slechts het in stand houden van de landbouw, doch tevens het behoud van het landschap, de bescherming tegen erosie, een zinvolle vrijetijdsbesteding en het handhaven van een bevredigende bevolkingsdichtheid in de streken die met ontvolking worden bedreigd.
1.1.3. De technische aspecten van de richtlijn
Terwijl de verordening het instrument bij uitstek was van de gemeenschappelijke marktordeningen, is de richtlijn gekozen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de structuren.
De verordening als beleidskader en uitvoeringsinstrument laat de Lid-Staten slechts weinig vrijheid, terwijl de richtlijn veel soepeler kan worden gehanteerd.
De richtlijn biedt namelijk de mogelijkheid om rekening te houden met het feit dat de structurele problemen in de Gemeenschap qua aard en intensiteit van gebied tot gebied verschillen alsook met het bestaan van grote ongelijkheden binnen eenzelfde gebied tussen de situatie van de verschillende landbouwbedrijven onderling. Deze verschillen en grote ongelijkheden vragen om een nationale en regionale aanpak, die tevens inhoudt dat de overheid en met name de plaatselijke overheid een voldoende mate van beoordelingsvrijheid dient te hebben bij het bestuderen van alle afzonderlijke gevallen. Artikel 1 van Richtlijn 75/268/EEG bepaalt dat bij de toepassing van de beoogde maatregelen rekening moet worden gehouden met de situatie en de ontwikkelingsdoeleinden van elk gebied.
Aan deze vrijheid die de Lid-Staten genieten ten aanzien van de doelstellingen van de richtlijnen, is de communautaire financieringswijze aangepast. De Gemeenschap draagt namelijk niet bij in de investeringsuitgaven van elk bedrijfshoofd afzonderlijk, doch restitueert een bepaald percentage van de totale in aanmerking komende kosten die een Lid-Staat heeft gedurende een begrotingsjaar.
De vrijheid die de Lid-Staten wordt gelaten, is aan bepaalde voorwaarden gebonden : zij mag niet leiden tot een beperking of vervorming van de doelstellingen van de richtlijnen, doch moet integendeel steeds aan deze doelstellingen worden getoetst.
SECTIE 2 HET STELSEL VAN STEUN VOLGENS RICHTLIJN 75/268/EEG
1.2.1. De probleemgebieden
Artikel 2 van de richtlijn bepaalt dat de Lid-Staten de Commissie opgave doen van de gebieden die kunnen worden opgenomen in de communautaire lijst van agrarische probleemgebieden ; de Lid-Staten verstrekken tevens de nodige gegevens over de kenmerken van deze gebieden en over de tot de bijzondere steunregeling behorende maatregelen die ze voornemens zijn toe te passen.
De richtlijn is van toepassing op bergstreken (artikel 3, lid 3, van de richtlijn), op streken die bedreigd worden door ontvolking (artikel 3, lid 4) en op streken met specifieke handicaps (artikel 3, lid 5), die beschikken over voldoende collectieve voorzieningen.
Indien dergelijke voorzieningen ontbreken, dienen deze op korte termijn te worden opgenomen in de programma's van overheidsinvesteringen ; immers, de verruiming van het inkomen alleen is niet voldoende om de landbouwactiviteit te blijven uitoefenen en de Commissie wijst er op dat de socio-culturele aspecten van het leefklimaat niet mogen worden verwaarloosd.
1.2.2. De verschillende soorten steun
Richtlijn 75/268/EEG voorziet in vier verschillende soorten maatregelen, die de Lid-Staten slechts gedeeltelijk kunnen toepassen: - compenserende vergoeding : wordt jaarlijks betaald aan het bedrijfshoofd wiens bedrijf voldoet aan de voorwaarden die in de richtlijn zijn vermeld;
- steun aan de realisering van ontwikkelingsplannen : plannen in de geest van die waarvan sprake is in Richtlijn 72/159/EEG, doch met gunstiger voorwaarden voor steunverlening;
- bijzondere steun aan collectieve investeringen;
- nationale steun.
1.2.3. Compenserende vergoeding
Om voor deze vergoeding in aanmerking te komen, moet een bedrijfshoofd in probleemgebieden ten minste 3 ha cultuurgrond bebouwen en zich verbinden om gedurende ten minste 5 jaar een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijn.
Het bedrijfshoofd wordt van deze verplichting ontslagen in geval van overmacht en met name in geval van onteigening of aankoop om redenen van openbaar belang of indien hij een algemeen ouderdomspensioen ontvangt. Hij kan voorts van deze verplichting worden ontslagen indien hij zijn landbouwactiviteit beëindigt overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 72/160/EEG van de Raad (bevordering van de bedrijfsbeëindiging in de landbouw en van de aanwending van cultuurgrond tot verbetering van de structuur).
De toegekende compenserende vergoeding is zowel afhankelijk van het aantal runderen, schapen of geiten dat wordt gehouden, berekend op basis van grootvee-eenheden (GVE) volgens een herleidingstabel, als van de oppervlakte cultuurgrond. Koeien waarvan de melk wordt verhandeld, komen voor de vergoeding in aanmerking in bergstreken en eventueel in andere gebieden, indien de melkproduktie een belangrijk deel uitmaakt van de produktie der bedrijven. De richtlijn geeft een omschrijving van de oppervlakten grond die voor toekenning van de vergoeding niet in aanmerking komen.
1.2.4. Steun aan de realisering van ontwikkelingsplannen
Met Richtlijn 75/268/EEG werd uitbreiding gegeven aan het toepassingsgebied van de steun als bedoeld in Richtlijn 75/159/EEG van de Raad (betreffende de modernisering van landbouwbedrijven) en wel door versoepeling van de toekenningsvoorwaarden en door uitbreiding van de steun tot nieuwe soorten investeringen.
De steun wordt voornamelijk toegekend op grond van Richtlijn 72/159/EEG (prioritair ter beschikking stellen van vrijgekomen grond, borgstelling voor aangegane leningen en de daarop te betalen rente, toekenning van een premie in geval van oriëntatie van de bedrijven op de produktie van rund- en schapevlees, rentesubsidie of betaling van het equivalent van deze steun in de vorm van kapitaalsubsidies of uitgestelde aflossingen voor bepaalde investeringen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan) evenwel met hogere steunbedragen.
Volgens Richtlijn 72/159/EEG moest uit het ontwikkelingsplan blijken dat bij voltooiing ervan voor elke volwaardige arbeidskracht ten minste een arbeidsinkomen te bereiken was dat vergelijkbaar is met het arbeidsinkomen, verkregen uit niet-agrarische werkzaamheden in dat gebied. Richtlijn 75/268/EEG neemt de compenserende vergoeding op in het inkomen van het landbouwbedrijf, welk inkomen overigens in bergstreken nog slechts gelijk hoeft te zijn aan ten minste 70 % van het vergelijkbare arbeidsinkomen voor één volwaardige arbeidskracht. Voorts voorziet Richtlijn 75/268/EEG, ter ontwikkeling van bijkomende bronnen van inkomsten, in steun aan investeringen op toeristisch of ambachtelijk gebied, welke in het landbouwbedrijf worden gedaan op voorwaarde dat het totale bedrag van de investering ten hoogste 10 000 rekeneenheden per bedrijf bedraagt (dit bedrag is thans opgetrokken tot 13 158 rekeneenheden).
1.2.5. Collectieve investeringen
Er kan steun worden toegekend voor collectieve investeringen ten behoeve van de groenvoederproduktie, alsmede voor de verbetering en de uitrusting van gezamenlijk geëxploiteerde gewone weiden en bergweiden.
De bijdrage van de Gemeenschap voor dergelijke uitgaven kan ten hoogste 20 000 rekeneenheden bedragen per investering of 100 rekeneenheden per ha verbeterde of uitgeruste weide of bergweide.
1.2.6. Nationale steun
Indien steunverlening in het kader van het EOGFL niet in aanmerking komt, kan door de Lid-Staten steun worden verleend aan landbouwers in probleemgebieden, die niet voldoen aan de voorwaarden van de Richtlijnen 72/159/EEG en 75/268/EEG omdat ze niet in staat zijn het inkomen te bereiken dat in het kader van de ontwikkelingsplannen wordt vereist.
De nationale steunregeling kan nooit gunstiger zijn dan de communautaire regeling, welke met Richtlijn 72/159/EEG werd ingevoerd voor de probleemgebieden. Het selectieve karakter van de communautaire steun als aanmoediging tot modernisering van de landbouw in probleemgebieden moet evenwel verzekerd zijn.
Bij investeringen ten behoeve van werkzaamheden ter verbetering van de grond kunnen de voorwaarden voor steunverlening niet gunstiger zijn dan die welke in dezelfde streek en onder dezelfde omstandigheden gelden voor landbouwbedrijven die een ontwikkelingsplan indienen overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 75/268/EEG.
1.2.7. Uitgaven die voor steun in aanmerking komen en wijze van terugbetaling
De door de Lid-Staten genomen maatregelen komen slechts in aanmerking voor financiële steun van de Gemeenschap indien de voor deze maatregelen geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen door de Commissie gunstig zijn beoordeeld.
De financiële bijdrage van de Gemeenschap heeft betrekking op de in aanmerking komende uitgaven voortvloeiend uit de steun die voor de jaren 1975 en volgende is toegekend.
Het EOGFL, afdeling Oriëntatie, restitueert 25 % van de in aanmerking komende kosten aan de Lid-Staten onder voorbehoud van de hierboven vermelde bijzondere voorwaarden.
Het restitutiepercentage voor de compenserende vergoeding is met ingang van 1 januari 1976 vastgesteld op 35 % voor Ierland en Italië (Richtlijn 76/400/EEG van de Raad, PB nr. L 108 van 26.4.1976). De uitgaven die betrekking hebben op de compenserende vergoeding, komen echter niet voor restitutie in aanmerking wanneer het bedrijfshoofd een algemeen ouderdomspensioen ontvangt.
SECTIE 3 DE UITVOERING VAN RICHTLIJN 75/268/EEG
1.3.1. Uitvoering van de richtlijn door de Lid-Staten
Bijlage V van dit verslag bevat een lijst van de door de Commissie genomen conformiteitsbesluiten, welke in 1979 van kracht waren.
België heeft ongeveer 350 000 ha, dat is rond 11 % van het grondgebied, aangewezen als probleemgebied dat met ontvolking wordt bedreigd. Het land past de drie maatregelen van Richtlijn 75/268/EEG toe, met name de compenserende vergoeding voor de volgende bedragen (in 1978) : 40,5 RE/GVE voor de eerste tien GVE en 30,4 RE voor de tien volgende tot een maximum van 20 GVE per bedrijf.
Denemarken heeft geen probleemgebieden aangewezen. Voor deze Lid-Staat geldt de richtlijn dus niet.
De Bondsrepubliek Duitsland heeft ongeveer 4 miljoen ha of ongeveer 16 % van het grondgebied aangewezen als probleemgebieden, voornamelijk in de zin van artikel 3, lid 4, van de richtlijn. Er zijn echter berggebieden en een aantal gebieden in de zin van artikel 3, lid 5, waarvan de grootte vrij aanzienlijk is. In totaal vertegenwoordigen deze gebieden iets meer dan 30 % van het landbouwareaal van het land. De hoogte van de in 1978 betaalde compenserende vergoeding varieerde naar gelang van de streek van 26,4 RE/GVE tot 35,2 RE/GVE doch slechts in de bergstreken en in de "Kerngebiete" (centrale zones) van de probleemgebieden. De drie maatregelen van de richtlijn worden toegepast.
Frankrijk heeft probleemgebieden aangewezen, die in totaal een oppervlakte beslaan van ongeveer 10,6 miljoen ha, dat is 35 % van het totale landbouwareaal. Deze gebieden omvatten bergstreken, gebieden in de zin van artikel 3, lid 4, en gebieden met een specifieke handicap. Frankrijk kent de drie grote categorieën van steun toe als bedoeld in de richtlijn ; de hoogte van de compenserende vergoeding bedraagt 34,5 RE/GVE (1978).
In Ierland beslaan de probleemgebieden in de zin van artikel 3, lid 4, in totaal 3,5 miljoen ha en vertegenwoordigen 50 % van het totale landbouwareaal van het land. De drie maatregelen van de richtlijn worden toegepast ; voor 1978 varieerde de compenserende vergoeding van 18,7 tot 27,2 RE/GVE voor een maximum van 30 runderen en van 34,0 tot 45,4 RE/GVE voor schapen.
Italië heeft voornamelijk bergstreken en gebieden die met ontvolking worden bedreigd, aangewezen voor een totaal van ongeveer 16 miljoen ha ofwel 53 % van het nationale grondgebied, alsmede enkele kleine gebieden en eilanden die te kampen hebben met een specifieke handicap. De drie maatregelen van de richtlijn worden toegepast. De compenserende vergoeding (1978) varieert van 16 tot 52,5 RE/GVE met een maximum per ha, maar de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld door de regionale overheden.
In het geval van het Groothertogdom Luxemburg is, afgezien van de wijnbouwgebieden en van de agglomeratie Luxemburg, het gehele nationale grondgebied aangewezen als probleemgebied in de zin van de richtlijn, hetgeen neerkomt op iets meer dan 90 % van de totale oppervlakte van de Lid-Staat. De compenserende vergoeding werd vanaf 1976 gedurende een korte periode toegepast. De overige bepalingen zouden binnenkort van kracht worden.
Nederland heeft kortgeleden talrijke kleine gebieden met een specifieke handicap aangewezen, met een totale oppervlakte van 13 000 ha ofwel rond 0,4 % van het nationale grondgebied. De compenserende vergoeding zal slechts worden toegepast op grond van het besluit van de Commissie van 17 april 1979.
Voor het Verenigd Koninkrijk omvat de opgave vrijwel alle heuvelachtige gebieden die voor de toetreding van het land tot de Gemeenschap als probleemgebieden waren aangewezen, dat wil zeggen 7,6 miljoen ha of 40 % van het totale landbouwareaal. Momenteel zijn er geen gebieden met een specifieke handicap en de weinige bergstreken zijn reeds begrepen in die van artikel 3, lid 4. De drie maatregelen van de richtlijn worden toegepast ; als compenserende vergoeding werd in 1978 toegekend : 49,4 RE/GVE voor runderen, 40,9 RE/GVE - 32,4 RE/GVE voor schapen. Er bestaan eveneens maxima per ha voor runderen en schapen.
1.3.2. Toekenning van steun uit het EOGFL
De onderstaande tabel, welke werd opgesteld aan de hand van de restitutieaanvragen, ingediend door de Lid-Staten tot december 1979, geeft het aantal begunstigden van de compenserende vergoeding per land, evenals het totale aantal collectieve projecten die op 31 december 1979 waren goedgekeurd. >PIC FILE= "T0035585">
Het aantal ontwikkelingsplannen in bergstreken of andere probleemgebieden wordt door de Lid-Staten niet gespecificeerd, doch is begrepen in het totale aantal ontwikkelingsplannen welke zijn goedgekeurd ingevolge Richtlijn 72/159/EEG van de Raad betreffende de modernisering van landbouwbedrijven.
Voor de periode tussen 1972 en 1979 bedraagt het totale aantal goedgekeurde ontwikkelingsplannen, met inbegrip van die in niet-probleemgebieden : 54 149, waarvan 3 406 in België, 23 621 in Duitsland, 4 820 in Frankrijk, 9 092 in Ierland, 109 in Italië en 13 101 in het Verenigd Koninkrijk.
Per Lid-Staat en per soort steun zijn de restituties van het EOGFL (afdeling Oriëntatie) per 31 december 1979 voor de toepassing van Richtlijn 75/268/EEG als volgt verdeeld : >PIC FILE= "T0035586">
EERSTE GEDEELTE CONTROLE OP DE TOEPASSING VAN RICHTLIJN 75/268/EEG
SECTIE 1 CONTROLE OP DE COMPENSERENDE VERGOEDING
2.1.1. Het aantal grootvee-eenheden
Het verifiëren van het aantal GVE verschilt aanzienlijk van land tot land.
De Ierse autoriteiten passen een, uitgebreide en fysieke, jaarlijkse controle van het aantal opgegeven dieren toe. Voor het rundvee wordt bij ieder bedrijfshoofd dat een aanvraag heeft ingediend, een inspectie uitgevoerd. Bij een controlebezoek ter plaatse heeft men kunnen constateren dat de inspectie plaatsvindt aan de hand van de identiteitskaart van het dier, zijn nummer, dat staat aangegeven op een merkplaatje aan het oor, en de kwaliteit van de koe, die moet behoren tot een erkend ras. De kaarten worden ieder jaar op verschillende wijze afgestempeld.
Het controleren van de schapen is in handen van mobiele inspectiediensten, bestaande uit een equipe van vier man, die opdracht hebben alle dieren afzonderlijk te controleren om de schapen die niet aan de voorwaarden voldoen, van de vergoeding uit te sluiten. Tevens worden de snijtanden van de voorjarige ooien en de kwaliteit van de wol gecontroleerd. De schapen die aan de voorwaarden voldoen, krijgen een merkplaatje aan het oor om te vermijden dat ze bij een ander inspectiecentrum nogmaals worden gecontroleerd.
In het Verenigd Koninkrijk worden de runderen eenmaal per jaar en de schapen ongeveer eenmaal in de drie jaar gecontroleerd. De controles hebben primair betrekking op de kudde en secundair op het werkelijke aantal dieren, aangezien de controleurs zich gewoonlijk op de kudde als eenheid baseren.
Door sommige nationale autoriteiten is er op gewezen dat door deze handelwijze problemen kunnen ontstaan wanneer runderen zijn geslacht als gevolg van een epidemische ziekte en de geslachte dieren niet onmiddellijk worden vervangen. Het leggen van de beoordelingscriteria bij de plaatselijke ambtenaar houdt het gevaar in dat de compenserende vergoeding wordt betaald op grond van de zogenaamde "ghost cows". De in aanmerking te nemen schapen worden geschat aan de hand van de ontwikkeling van het schapenbestand (geboorten, verkopen, enz.).
Bij een controle ter plaatse werden 20 dossiers van begunstigden bestudeerd, waarbij bleek dat in drie gevallen dieren werden uitgesloten van de steun. Hierbij ging het in één geval om vaarzen ter vervanging, in een ander geval om schapen die niet hadden gegraasd op weidegrond die voor de steun in aanmerking komt, en in het derde geval om een koe die niet binnen twee maanden was vervangen. Met het oog op de kwaliteits- en gezondheidscriteria van de kudden hebben de diensten van de Lid-Staat voorts herhaaldelijk controles uitgevoerd bij een fokker die slechte resultaten boekte, met name een ontoereikend geboortepercentage van lammeren, en hebben zij het bedrag van de steun gekort.
De andere Lid-Staten werken met steekproeven, die voornamelijk zijn gebaseerd op de kaartsystemen van veeartsen, op landbouwtellingen en op belastingaangiften. Over het algemeen is de controle op schapen minder gemakkelijk dan die op rundvee, vanwege de grotere schommelingen in het aantal schapen en doordat zij niet worden ingeënt. De controles zijn dus niet volledig. Zij zijn in de meeste gevallen beperkt tot speciale gevallen, waarbij van jaar tot jaar sterke verschillen optreden. In dit verband heeft men kunnen constateren dat in Frankrijk het aantal GVE, met de naam van de begunstigden, niet steeds op het gemeentehuis wordt aangeslagen, zoals is bepaald in de interne voorschriften.
2.1.2. Areaal voor de verbouw van groenvoedergewassen
Dit omvat grond in eigendom, pachtgrond en voorts gezamenlijk geëxploiteerde berg- of zomerweiden.
Het recht van eigendom op de grond blijkt uit officiële akten ; de controle geschiedt aan de hand van de kadasters, eigendomsbewijzen en de belastingaangiften.
Pachtgrond is echter veel moeilijker te controleren vanwege het bestaan van een groot aantal mondelinge overeenkomsten.
In België heeft men de opgaven van de boeren kunnen toetsen aan de belastingaangiften. Aangezien deze twee verklaringen elk een tegengesteld doel hebben, moet het in principe mogelijk zijn het risico van valse opgaven te beperken.
Uitgaande van dezelfde gedachte hebben de "Directions départementales de l'agriculture" in Frankrijk de sociale ziekenfondsen voor de landbouw ingeschakeld, die, aan de hand van de opgaven van hun leden, een kaartsysteem van de oppervlakten cultuurgrond samenstellen. Het gaat hierbij uiteraard om een vrijwillige opgave, waarvan de bewijskracht slechts beperkt is.
Bij twee controlebezoeken in Duitsland werd geconstateerd dat de desbetreffende instanties van de deelstaten Hessen en Beieren de opgave van de ontvangers van de compenserende vergoeding vergelijken met hun subsidieaanvrage voor gasolie. Ook hier wordt de vrijwillige opgave van de begunstigde vergeleken met een andere, die hij op een eerder tijdstip heeft gedaan.
Men verklaarde dat met deze administratieve handelwijze kan worden volstaan om de risico's van fraude of vergissingen te beperken en dat de plaatselijke administratieve diensten zo nodig konden beschikken over aanvullende gegevens, met name over het aantal GVE, waar bij voorbeeld een controle van de vaccins en dus van het juister aantal der dieren mogelijk blijft. Hiermee wil echter niet worden gezegd dat deze lastige vergelijkende controles regelmatig worden uitgevoerd ; de methode wordt vooral toegepast in twijfelgevallen.
De pogingen van de administratieve diensten om gedocumenteerde gegevens te verkrijgen over de werkelijke hoeveelheid grond waarover de begunstigden beschikken, stuiten op moeilijkheden van verschillende aard. Door de aanzienlijke waardestijging van de grond, zelfs in de probleemgebieden, neigen de eigenaren er toe hun grond niet te verkopen, doch liever ter beschikking te stellen van hun buren zonder een officieel pachtcontract te tekenen. De begunstigde kan dan voor vrij lange tijd en min of meer continu beschikken over grond die hij voorgeeft te exploiteren, zonder echter formele bewijzen daarvan te kunnen overleggen en zonder dat de situatie op een gegeven moment steeds duidelijk is.
Deze gang van zaken heeft men kunnen constateren in Duitsland en Luxemburg. Er zijn praktische gevolgen aan verbonden en bij een controle bij het Luxemburgse Ministerie van Landbouw bleek dat de betrokkenen in 82 gevallen oppervlakten cultuurgrond hadden opgegeven variërend tussen 3 ha (minimum voor het verkrijgen van de subsidie) en 4 ha. Voor de voor iedere begunstigde in aanmerking komende oppervlakten kan geen voldoende mate van zekerheid worden verkregen omtrent de juistheid van de eigendomsbewijzen of pachtakten, alsmede van de duur van de pachtcontracten, en het Ministerie van Landbouw verklaart dat er tot dusver geen controle is uitgevoerd op de opgegeven oppervlakten. Dit probleem heeft men in het Verenigd Koninkrijk goed onder controle ; sinds ongeveer dertig jaar bestaan daar registers waarin de binnen elk landbouwbedrijf in aanmerking komende grond nauwkeurig is omschreven.
De tradities betreffende het gebruik van bergweiden of gemeenschappelijke weiden vormen een bijzonder probleem, dat verschilt van de ene Lid-Staat tot de andere en soms van de ene streek of zelfs van de ene vallei tot de andere. Er wordt gewoonlijk streng gewaakt tegen overbeweiding ; dit geldt vooral voor de heidestreken in Ierland en het Verenigd Koninkrijk, waar controles worden uitgevoerd op het voorhanden zijn van het vereiste minimum van 3 ha nuttig landbouwareaal en om overexploitatie of ongewenste handel in vee tegen te gaan.
2.1.3. De hoedanigheid van bedrijfshoofd
Volgens artikel 6 van Richtlijn 75/268/EEG is de compenserende vergoeding uitsluitend bedoeld voor personen die de hoedanigheid van bedrijfshoofd bezitten. Deze bepaling dient om personen die alleen maar op het platteland wonen of wier beroepsbezigheid niets met landbouw uitstaande heeft (neringdoenden bij voorbeeld) van de steun uit te sluiten. Anderzijds maakt deze bepaling het mogelijk dat de steun wél wordt toegekend aan landbouwers die hun beroep niet als voornaamste bezigheid uitoefenen (part-time-landbouwers). In Frankrijk echter mag overeenkomstig de nationale voorschriften de steun slechts worden toegekend aan personen die de landbouw als hoofdberoep uitoefenen.
De hoedanigheid van bedrijfshoofd kan over het algemeen worden gecontroleerd door vergelijking met de belastingopgaven of met de kaartsystemen van de sociale verzekeringsstelsels voor de landbouw.
De Franse overzeese gebieden vormen een speciaal probleem vanwege hun geografische, demografische en economische situatie. De toekenningsvoorwaarden voor de compenserende vergoeding zijn niet afgestemd op het type landbouwbedrijf in deze gebieden. De bedrijfshoofden in eenzelfde gemeente zijn van het ene jaar op het andere bijna nooit dezelfde. De vaststelling van het aantal dieren en van de oppervlakte voor de verbouw van groenvoeder blijkt moeilijk te zijn.
2.1.4. De verbintenis om gedurende ten minste 5 jaar een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen
Bij het verifiëren van de verbintenis stuit men in de eerste plaats op het probleem van de juiste interpretatie van artikel 6 van Richtlijn 75/268/EEG. Bepaalde Lid-Staten (België, Duitsland) gaan er van uit dat de verplichting steeds geldt vanaf het eerste jaar dat de vergoeding wordt ontvangen, terwijl andere landen (Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) daarentegen van mening zijn dat de verplichting ieder jaar moet worden verlengd voor een nieuwe periode van vijf jaar, hetgeen een aanzienlijk verschil in de toepassing der bepalingen van de richtlijn betekent.
De verplichting kan ook anders worden uitgelegd. Zo werd bij de bestudering van de afzonderlijke dossiers van begunstigden een geval geregistreerd van verhuur van landbouwgronden of overdracht van rechten tot gebruik van de grond of gevallen waarin alleen de veeteelt, maar niet het landbouwbedrijf was opgegeven. In sommige gevallen was de verplichting om gedurende ten minste 5 jaar een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen, overgenomen door rechtverkrijgenden (erfgenamen, bloedverwanten in opgaande lijn).
De verplichting wordt door de Lid-Staten regelmatig gecontroleerd. De administratieve diensten, die beschikken over computerlijsten, controleren over het algemeen systematisch begunstigden die hun aanvraag niet hebben vernieuwd. In dit verband zij vermeld dat Ierland een formulier heeft ingevoerd voor het registreren van 4 gevallen voor het niet-vernieuwen van de steunaanvrage (overlijden, pensionering, overdracht van het grondbezit, overdracht van het bedrijf).
Uiteraard is het belang van de voorwaarde om gedurende 5 jaar een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen niet voor alle gebieden even groot ; de bevolking van probleemgebieden is hier en daar minder geneigd het platteland te verlaten, gezien het huidige gebrek aan werkgelegenheid in de niet-agrarische sectoren.
Overigens zal de controle op de naleving van deze voorwaarde vooral in de loop van de komende jaren, na de eventuele stopzetting van de betaling van de compenserende vergoeding, tot moeilijkheden leiden als gevolg van veranderingen in de situatie van de bedrijfshoofden, maar ook wegens de eventuele niet-nakoming van de verplichting om gedurende 5 jaar een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen, aangezien Richtlijn 75/268/EEG op dit punt geen bepalingen bevat.
2.1.5. Het eventueel genieten van een ouderdomspensioen
Artikel 15 van de richtlijn bepaalt "... aanvragen voor een compenserende vergoeding komen niet voor financiering in aanmerking wanneer het bedrijfshoofd een algemeen ouderdomspensioen ontvangt". Tijdens een controlebezoek in Ierland werd geconstateerd dat deze Lid-Staat restitutieaanvragen indiende bij het EOGFL voor steun, toegekend aan bedrijfshoofden die een pensioen ontvingen, welke steun werd betaald door particuliere of semi-overheidswerkgevers (Aer Lingus, County councils...).
Uit nadere inlichtingen hierover blijkt dat de Ierse pensioenregeling "old age pensions" "occupational pensions" en "service pensions" omvat. De eerste categorie vormt in feite een aanvulling op het inkomen en wordt toegekend aan personen die onder het bestaansminimum blijven. Bij de tweede categorie gaat het om een algemeen bedrijfspensioen, terwijl de derde categorie, bedoeld voor het personeel van het leger, de marine, de douane en de politie en afgestemd op de bijzondere kenmerken van deze beroepen, door de Lid-Staat niet wordt beschouwd als pensioenregeling. De Commissie heeft nog geen standpunt bepaald ten aanzien van deze kwestie, die zich trouwens even goed in andere Lid-Staten kan voordoen.
SECTIE 2 CONTROLE OP DE ONTWIKKELINGSPLANNEN
2.2.1. Berekening van het aantal volwaardige arbeidskrachten
De berekening van het aantal volwaardige arbeidskrachten per bedrijf geschiedt op grond van twee elementen : het aantal personeel in vaste dienst en het opgegeven aantal gewerkte uren in een bepaald jaar. Artikel 4, lid 5, van Richtlijn 72/159/EEG bepaalt dat bij de voltooiing van het plan het inkomen moet kunnen worden bereikt zonder dat de jaarlijkse werktijd 2 300 uur overschrijdt.
Het maximum van 2 300 uur wordt echter ook bij het begin van het plan gebruikt om het aantal volwaardige arbeidskrachten te berekenen. De gemiddelde arbeidsduur in de landbouw ligt echter in het algemeen ver boven 2 300 uur per jaar. Overal wordt het aantal werkuren bepaald aan de hand van een ruwe schatting, die toch vrij nauwkeurig kan zijn. De ervaring heeft uitgewezen dat de reële werktijd waarvan bij het begin van het plan moet worden uitgegaan, over het algemeen meer dan 2 300 uur bedraagt.
Bij de opstelling van het plan geldt dus voor een persoon die in de landbouw werkzaam is, een volwaardige arbeidskrachtcoëfficiënt van meer dan 1. Door de beoordelingsmarge, die kan schommelen tussen 1 en 2, zullen hierin nog geringe aanpassingen komen. Het vergelijkbare inkomensniveau per volwaardige arbeidskracht, dat dus moet worden gedeeld door 1,2 of 1,5 of 1,8, zal evenredig worden verlaagd, zodat de landbouwers die het vergelijkbare inkomen overschrijden, in aanmerking kunnen komen voor de ontwikkelingsplannen. Het paradoxale is nu dat deze bepaling van de richtlijn zonder verdere aanpassingen het risico inhoudt dat plannen van bedrijfshoofden die het vergelijkbare inkomen niet halen met een arbeidsduur van 2 300 uur per jaar, doch die wél bereid zijn veel langer te werken, niet voor de steun in aanmerking komen.
De combinatie personen-werkuren is moeilijk te controleren ; dit maakt een soepel gebruik van het aantal volwaardige arbeidskrachten mogelijk, hetgeen op zijn beurt een voldoende verlaging van het inkomen per volwaardige arbeidskracht bij begin van het plan en een overeenkomstige verhoging aan het einde daarvan mogelijk maakt. Een dergelijke situatie treft men in vrijwel alle Lid-Staten aan.
Ten einde de bedrijven met veel arbeidskrachten uit te sluiten, bepaalt artikel 4, lid 1, van Richtlijn 72/159/EEG dat het inkomen bij de voltooiing van het ontwikkelingsplan "in beginsel voor één of twee volwaardige arbeidskrachten moet worden bereikt". Frankrijk heeft het maximum aantal volwaardige arbeidskrachten op drie vastgesteld. De andere Lid-Staten aanvaarden over het algemeen de tuinbouwbedrijven, welke sterk arbeidsintensief zijn, aangezien de redactie van de richtlijn geen dwingende beperkingen aan het aantal arbeidskrachten oplegt
2.2.2. Het vergelijkbaar inkomen
Het vergelijkbaar inkomen wordt in artikel 4 van Richtlijn 72/159/EEG omschreven als het gemiddelde brutoloon van niet-agrarische werknemers. Dat is het inkomensniveau dat bij de voltooiing van het ontwikkelingsplan per volwaardige arbeidskracht moet worden bereikt om voor de steun in aanmerking te komen. Het vergelijkbaar inkomen wordt vastgesteld aan de hand van statistische gegevens ; daarnaast wordt tevens een jaarlijks stijgingspercentage van dit inkomen vastgesteld opdat de juiste hoogte daarvan bij de voltooiing van het ontwikkelingsplan kan worden bepaald.
Richtlijn 72/159/EEG bevat geen bepalingen betreffende de wijze waarop het vergelijkbaar inkomen wordt berekend. De vergelijkingen zijn gebaseerd hetzij op bruto-, hetzij op netto-inkomens.
Het vergelijkbaar inkomen en het vermoedelijke jaarlijkse stijgingspercentage daarvan worden voor iedere Lid-Staat verschillend vastgesteld.
In België bepaalt het "Institut économique agricole" de twee cijfers aan de hand van gegevens van het "Institut national de statistique", die eveneens te vinden zijn in de conjunctuurverslagen van de Centrale Bank, welke periodiek worden bijgewerkt. Deze cijfers zijn niet uitgesplitst naar gebied.
In Ierland stelt het Ministerie van Financiën aan de hand van de laatste reële cijfers waarover het beschikt (registratie van het aantal arbeidsplaatsen in 1977 in het kader van de Nationale Rekeningen) prognoses en ramingen op van deze twee cijfers, die worden bijgewerkt en uitgesplitst naar gebied.
In het Verenigd Koninkrijk verzamelt de Dienst Werkgelegenheid statistische gegevens die door het Ministerie van Landbouw worden verwerkt, rekening houdend met het moment waarop zij zijn vastgesteld ; op de gegevens wordt daarom een actualiseringscoëfficiënt toegepast. Er bestaan twee bedragen : één voor Groot-Brittannië en één voor Noord-Ierland.
In Frankrijk gaat men op analoge wijze te werk : de gemiddelde brutolonen worden per departement berekend door het "Institut national de la statistique et des études économiques". Ook hier wordt gebruik gemaakt van cijfers van 1974, die zijn geactualiseerd door toepassing van een ontwikkelingscoëfficiënt. Men verkrijgt dan drie verschillende bedragen : departementale, regionale en nationale, waartussen de departementale instanties die verantwoordelijk zijn voor de goedkeuring van het plan kunnen kiezen.
Het stijgingspercentage van het vergelijkbaar inkomen wordt per departement bepaald na advies van de "Commission mixte". De uitsplitsing naar gebied is dus vrij ver doorgevoerd.
In Duitsland is het vergelijkbaar inkomen gelijk aan het regionaal gemiddelde van de lonen, bepaald in het kader van de arbeidsplaatsentelling van 1969 en geactualiseerd door toepassing van een uniforme coëfficiënt voor het federale grondgebied in het kader van een samenwerking tussen de "Länder" en de Bondsstaat.
In Italië wordt het vergelijkbaar inkomen per gebied bepaald door het Instituut voor de statistiek op basis van de gemiddelde lonen.
De inkomens en de stijgingscoëfficiënten worden jaarlijks door de Lid-Staten ter kennis gebracht van de Commissie die deze op dezelfde wijze goedkeurt als de andere nationale uitvoeringsbepalingen betreffende de richtlijnen. De Commissie kan overigens tot op zekere hoogte waken over de betrouwbaarheid van de cijfers met behulp van de statistische gegevens waarover zij beschikt. Zij ziet er voorts op toe dat de nationale berekeningsmethoden niet te ver uiteenlopen.
De vergelijkbare inkomens per Lid-Staat zijn: >PIC FILE= "T0035587"> >PIC FILE= "T0035588">
Er zij gewezen op de vele keuzemogelijkheden voor het vaststellen van het vergelijkbaar inkomen en de stijgingscoëfficiënten ; de keuze van een hoog niveau voor het vergelijkbaar inkomen vergroot de mogelijkheden voor welgestelde bedrijfshoofden om een ontwikkelingsplan in te dienen ; de keuze van een lager niveau daarentegen stelt de landbouwers met een meer bescheiden inkomen in staat eveneens een ontwikkelingsplan in te dienen.
2.2.3. Het arbeidsinkomen
Het arbeidsinkomen bij het begin van het plan kan gemakkelijk worden berekend wanneer het bedrijfshoofd reeds een boekhouding bijhoudt. Doch uit de gegevens die de Rekenkamer heeft verzameld, blijkt dat 80 à 90 % van de bedrijfshoofden die een ontwikkelingsplan indienen, geen enkele vorm van boekhouding bijhouden of slechts beschikken over een onvolledig overzicht van hun aan- en verkopen.
Om hierin te voorzien hebben de Lid-Staten normen uitgewerkt, die het ontbreken van ook maar een summiere boekhouding compenseren. Aangezien deze normen de technische ontwikkeling van nabij volgen en, dank zij een breed gamma van mogelijkheden, rekening houden met de bijzondere situatie van ieder bedrijf (afgelegen ligging, ongunstige plaatsing van de verschillende gebouwen) blijkt het gebruik van deze normen betrekkelijk nuttig te zijn.
Hetzelfde kan evenwel niet worden gezegd van andere factoren, zoals het gemiddelde rendement per ha, de gemiddeld gemaakte prijs per gewas of per fokdier. Het enige element dat gemakkelijk kan worden vastgesteld, zijn de inkomsten uit de verkoop van melk, dank zij de staten die door de melkfabrieken worden bewaard of aan de bedrijfshoofden worden toegezonden. De overige elementen zijn min of meer "gereconstrueerd".
In dit verband werd tijdens een controle in het Verenigd Koninkrijk geconstateerd dat de begunstigden de keuze hadden tussen het voorleggen van hun gewaarmerkte rekeningen, die echter tot 18 maanden terug kunnen gaan (indien binnen deze 18 maanden twee boekjaren worden afgesloten, kan de begunstigde, aangezien de boekhouding van een landbouwbedrijf niet altijd gelijk loopt met het kalenderjaar, gebruik maken van cijfers die tot twee en een half jaar teruggaan) en het gebruik van de methode van de gemiddelde normen (standaarddata).
Deze laatste methode heeft de voorkeur van de bedrijfshoofden die aangifte doen van hun cultuurgrond en van het aantal dieren waaruit hun veestapel bestaat. Deze cijfers worden vermenigvuldigd met een gemiddelde, waarna op het totaal van de verschillende produkten een gemiddelde reductiefactor wordt toegepast. Gemiddelden en reductiefactoren zijn gebaseerd op de gemiddelden van de drie voorgaande jaren.
Op deze manier komt het berekenen van het landbouwinkomen neer op het gebruik van cijfers die niet zijn bijgewerkt en onder de werkelijke cijfers liggen, vooral in tijden van inflatie. De cijfers die in het Verenigd Koninkrijk worden gehanteerd, zijn afkomstig van een respresentatieve steekproef bij 2 300 landbouwbedrijven (Farm Management Survey), welke overigens niet voldoende ver is onderverdeeld en uitgesplitst naar gebied. Er is opgemerkt dat het gebruik van gewaarmerkte rekeningen in het Verenigd Koninkrijk, zoals die soms in de dossiers worden aangetroffen, het aantal begunstigden aanzienlijk zou beperken, aangezien uit deze rekeningen blijkt dat hun inkomen te hoog is om voor deelneming aan het ontwikkelingsplan in aanmerking te komen. Het gebruik van reductiefactoren per grote produktencategorie was in 1979 een eerste stap naar een beoordeling die dichter bij de werkelijkheid ligt.
Het komt nog steeds voor dat de bedrijfshoofden een slecht oogstjaar uitkiezen (droogte in 1976, grote vochtigheid in 1978) voor het vaststellen van hun begininkomen, hoewel enkele Lid-Staten daartegen de nodige maatregelen hebben getroffen.
Het enige wat men daartegen kan doen, is ook hier verlangen dat gegevens over een aantal verschillende afgesloten boekjaren worden overgelegd. Aangezien deze verplichting niet is neergelegd in de communautaire bepalingen, wordt het vaak aan de adviseurs van het ontwikkelingsplan overgelaten om redelijke vergelijkingen te maken tussen de resultaten van de verschillende "geëvalueerde" of "gereconstrueerde" boekjaren.
In artikel 2, lid 2, van Richtlijn 72/159/EEG is sprake van landbouwbedrijven "waarvan de structuur van dien aard is dat zij de handhaving van het inkomen op een vergelijkbaar niveau in gevaar brengt", zoals dit niveau bekend is bij de indiening van het ontwikkelingsplan. De "gevaren"-drempel, waarboven de zogenaamde risicobedrijven tot de ontwikkelingsplannen kunnen worden toegelaten, verschilt van Lid-Staat tot Lid-Staat ; in Frankrijk ligt hij bij voorbeeld 10 % boven het vergelijkbaar nationaal inkomen en in Duitsland 20 %. In Duitsland komt in de meeste bestudeerde ontwikkelingsplannen van deze categorie de motivering van de indeling als "risicobedrijf", waardoor dit kan worden vrijgesteld van de voorwaarde van artikel 2, lid 2, eerste zin, (arbeidsinkomen dat lager is dan het vastgestelde moderniseringsdoel...) van Richtlijn 72/159/EEG niet in het dossier voor ; in enkele plannen van oudere datum is voorts sprake van een begininkomen dat ver boven het vergelijkbaar inkomen ligt.
In Beieren heeft men verschillende gevallen van ontwikkelingsplannen aangetroffen, waarbij het begininkomen 45 % of zelfs 60 % boven het vergelijkbaar inkomen lag.
Sinds 2 jaar echter heeft Duitsland de deelneming aan de ontwikkelingsplannen voor deze categorie van bedrijven minder gemakkelijk gemaakt door een maximumgrens vast te stellen van 30 %, welke later werd verlaagd tot 20 %.
Men heeft ook weinig inzicht in de inkomsten van de begunstigden uit andere bronnen dan de landbouw. Tijdens een bezoek aan de autonome provincie Bolzano bleek dat de provinciale overheid de inkomsten uit het toerisme ook rekende tot inkomsten uit de landbouw, terwijl Beschikking 78/867/EEG van de Commissie er geen twijfel over laat dat de inkomsten bedoeld in artikel 10, lid 5, (agro-toeristische inkomsten) niet als arbeidsinkomen in de zin van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 72/159/EEG worden beschouwd. Deze niet-belastbare inkomsten zijn trouwens niet nauwkeurig bekend. In feite blijft de overheid de soepeler voorwaarden van het oude "groene" plan toepassen.
2.2.4. De financiering van het ontwikkelingsplan
De voorbereiding en de ervaring van de adviseur van het ontwikkelingsplan of van de instantie, belast met de uitvoering daarvan, zijn vanzelfsprekend van essentieel belang, met name wat betreft de bestudering van de financieringsmogelijkheden van het plan. In het algemeen hebben de nationale overheidsinstanties hun controlesysteem vóór het aanlopen van het plan voornamelijk gebaseerd op het feit dat de adviseur de hem toevertrouwde en de door hem bezochte landbouwbedrijven goed kent. Er zijn echter enkele factoren van fundamenteel belang, waarvan de overheidsinstantie zeer vaak niet op de hoogte is, bij voorbeeld de schuldenlast van het betrokken bedrijf.
Voor het gebiedsdeel Alto-Adige mag volgens artikel 8, tweede alinea, van de wet van 23 december 1976 de rentesubsidie worden vervangen door een "halfjaarlijkse steun", namelijk in die gevallen waarin de begunstigde verklaart geld te hebben geleend van een familielid. Op die basis ontvangt hij dan een steun die equivalent is aan een rentesubsidie van 12 %. Aan de Italiaanse autoriteiten is gevraagd nadere gegevens te verstrekken over de genomen maatregelen ten einde zich te kunnen vergewissen van de gegrondheid van dergelijke leningen en van de daaraan verbonden lasten.
Gewoonlijk draagt de overheid van leningen die vóór de indiening van het ontwikkelingsplan zijn opgenomen, alleen kennis indien ze zijn aangegaan bij een landbouwkredietbank, die in het kader van het ontwikkelingsplan een nieuwe financiële deelneming kan goedkeuren of weigeren.
Zo stellen in Frankrijk de gewestelijke kantoren van "Crédit Agricole" tegelijkertijd met het administratieve dossier een financieel dossier samen met het onderzoek naar de voorgenomen investeringen en de financiering daarvan. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de financiële kengetallen ; het verschil tussen het vaste kapitaal en de vaste activa moet gedurende de hele looptijd van het plan positief zijn en gestreefd wordt naar een bevredigend evenwicht tussen het eigen vermogen en de schulden, om te bereiken dat bij de voltooiing van het plan het eigen vermogen ten minste 50 % van het vaste kapitaal vertegenwoordigt. De reeds vóór het plan bestaande schulden worden eveneens in aanmerking genomen. De diensten van de "directions départementales de l'Agriculture" onderzoeken eveneens de niet-agrarische inkomsten en schulden, aangezien deze aanvullende gegevens een nauwkeuriger beoordeling van de kans op welslagen van het ontwikkelingsplan mogelijk maken.
2.2.5. De geraamde inkomensstijging
De prognoses (oppervlakte, opbrengsten, prijzen, enz.) geschieden automatisch en de geraamde produktiviteitsstijging ligt ver boven de lastenverhogingen over dezelfde periode, hetgeen het theoretisch mogelijk maakt het doel van de inkomensgelijkheid te bereiken. De ramingen worden opgesteld aan de hand van constante cijfers zowel wat uitgaven als ontvangsten betreft, aangezien de prijzen van kunstmest en veevoeder vast blijven, evenals die van de diverse produkten
De meeste plannen gaan uit van een intensivering van het bedrijf, hetgeen een goede kennis vereist van de grond en de mogelijkheden daarvan. De geschatte opbrengsten moeten redelijk zijn, rekening houdend met de bebouwingsmethoden van het bedrijfshoofd of met een wisselbouw van groenvoedergewassen, die in overeenstemming is met de gebruiksmogelijkheden van de grond. Deze factoren worden in de Lid-Staten niet altijd zorgvuldig onderzocht en in vele plannen bleken de geschatte opbrengsten zeer optimistisch te zijn.
Indien de in de ontwikkelingsplannen genoemde toeneming het gevolg is van uitbreiding van de bebouwde grond, moet de betrokken boer in principe kunnen aantonen dat hij de beschikking zal krijgen over meer grond. In sommige gebieden van de Gemeenschap is dit bewijs moeilijk te leveren om de redenen die reeds zijn genoemd bij de bespreking van de compenserende vergoeding. Zoals bleek bij een controlebezoek in de Duitse deelstaat Hessen, stelt de overheid zich soms garant voor deze feitelijke situatie door te vermelden dat zij kennis heeft genomen van de huurcontracten, waarvan zij overigens niet de looptijd kan aangeven.
2.2.6. Uitvoering van de ontwikkelingsplannen
De landbouwer wiens ontwikkelingsplan is goedgekeurd, moet een boekhouding bijhouden en jaarlijkse resultaten overleggen, waaruit de doelmatigheid van het beheer en de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen blijken.
Er moet dus worden nagegaan of inderdaad boek wordt gehouden, door wie, of de boeken worden gecontroleerd en of er eventueel aanleiding is tot een grondige herziening of althans aanpassing van de plannen.
In het gebiedsdeel Trentino-Alto-Adige is ondanks het bestaan van ontwikkelingsplannen geen financiële stimulans gegeven voor het bijhouden van een boekhouding. Door de centrale overheid zijn geen mededelingen gedaan over de maatregelen die zijn genomen om deze vorm van steun in te voeren en om te zorgen dat de begunstigden hun verplichting op dit punt nakomen.
De boekhouding wordt zelden verzorgd door de begunstigde zelf, doch wordt in handen gegeven van verschillende overheids- of particuliere bureaus die informatieverwerkende systemen toepassen, waarin de kosten variëren van nihil door verrekening met de toegekende premie (België) tot vrij hoge bedragen (Frankrijk en Duitsland).
De inschakeling van derden, ook al blijkt zij onvermijdelijk, houdt het risico in dat afbreuk wordt gedaan aan de fundamentele doelstellingen van artikel 11 van Richtlijn 72/159/EEG, namelijk de landbouwers te brengen op een niveau van rationele kennis van hun bedrijf, dat voldoende hoog is om hen in staat te stellen verdere initiatieven te ontplooien, daarbij steunend op gegevens uit hun boekhouding.
Richtlijn 72/159/EEG (artikel 11) bevat wél bepalingen over het geregeld bijhouden van een boekhouding, doch zegt niets over de mate waarin deze door de Lid-Staten moet worden gecontroleerd, noch over de consequenties van het eventuele constateren van resultaten die niet in overeenstemming zijn met de doelstellingen. De controle op de boekhouding en op de uitvoering van de ontwikkelingsplannen is dus overgelaten aan de Lid-Staten, met alle vrijheid die de richtlijn op dit punt laat, en hierbij moet dan nog onderscheid worden gemaakt tussen de officiële procedure en de feitelijke toepassing ervan.
In Frankrijk wordt het toezicht momenteel uitgeoefend door de "directions départementales de l'Agriculture". Deze zijn, afhankelijk van tijd en middelen, begonnen met het organiseren van een regelmatige controle op het verloop van de ontwikkelingsplannen ; de centrale overheid is thans doende met het opstellen van een werkdocument over dit onderwerp.
De voorbeelden van regelmatig volgen van de ontwikkelingsplannen, welke bij de controle nader zijn onderzocht, tonen aan dat de genomen maatregelen gaan in de richting van een periodieke discussie met de begunstigde.
In het Verenigd Koninkrijk is de "Agricultural Advisory Officer", de eigenlijke opsteller van het plan, belast met het controleren van de jaarlijkse resultaten aan de hand van uniforme documenten die door de centrale overheid zijn voorgeschreven ; deze landbouwconsulent brengt vervolgens rapport uit aan de "Divisional Officer" wegens betaling van de premie.
In de andere Lid-Staten bestaan nog geen duidelijke voorschriften voor een geregelde controle op de boekhouding van agrarische bedrijven. België is wel van plan een dergelijke controle in te voeren.
In de regel is de controle op de boekhouding voorgeschreven in officiële circulaires, doch tijdens haar controlebezoeken ter plaatse heeft de Rekenkamer opgemerkt dat de overheid zelden in contact blijft met die bedrijven die de verwachte ontwikkeling volgens het plan niet realiseren en die zij heeft moeten adviseren om tot betere resultaten te komen.
Uit controle in Groot-Brittannië en in Duitsland is gebleken dat de circulaires en voorschriften van de Lid-Staten de overheidsinstanties niet verplichten zich te vergewissen van de realiteit van de investeringen door een officiële controle ter plaatse.
In feite is het zo dat vooral bij belangrijke constructies de bedrijfshoofden op een gegeven moment bezoek ontvangen van consulenten of ambtenaren. Maar van de 40 bestudeerde dossiers in Groot-Brittannië bevatte er slechts één een rapport van een geheel naar behoren uitgevoerde controle ter plaatse ; de controles vonden in de meeste gevallen op niet-officiële wijze plaats.
SECTIE 3 CONTROLE OP DE COLLECTIEVE INVESTERINGEN
2.3.1. Financierbaarheid
Richtlijn 75/268/EEG, artikel 11, geeft geen algemene richtlijnen voor het toekennen van steun voor collectieve investeringen ten behoeve van de groenvoederproduktie, alsmede voor de verbetering en de uitrusting van gezamenlijk geëxploiteerde gewone weiden en bergweiden ; volgens artikel 15 geldt voor de financiële deelneming van de Gemeenschap slechts een maximum van 20 000 rekeneenheden per collectieve investering en van 100 rekeneenheden per hectare verbeterde of uitgeruste gewone weide of bergweide.
In alle Lid-Staten die een steunprogramma hebben opgesteld voor dergelijke investeringen, wordt van de begunstigden een associatiecontract verlangd waarin het collectieve karakter van de investering wordt vastgelegd. Het minimum aantal deelnemers moet in de regel 3 zijn en de looptijd van het contract moet minimaal 5 jaar bedragen.
De communautaire bepalingen voorzien niet in een controle van het agrarische en collectieve karakter van deze projecten en zeggen evenmin iets over het minimum aantal deelnemers, noch over een minimum looptijd van de associatie, of over een lijst van investeringen die in aanmerking komen voor steun uit het EOGFL. Het ontbreken van dergelijke algemene richtlijnen maakt het mogelijk steun toe te kennen aan associaties met een korte looptijd, aan investeringen die gemakkelijk kunnen worden versnipperd of verdeeld over verschillende bedrijven en aan investeringen die slechts weinig bijdragen tot verbetering van de groenvoederproduktie. De controle is dus bedoeld om na te gaan of het gebruik van de investeringen collectief is of zal zijn, of zij een voldoende lange looptijd hebben en of zij inderdaad betrekking hebben op de groenvoederproduktie.
Bij de gedane investeringen gaat het voornamelijk om uitbreiding van de verbouw van groenvoedergewassen, de bouw of verbetering van de installaties, nodig voor de oogst en de opslag van groenvoedergewassen, de aankoop van verschillend materiaal voor de verbouwing en het gebruik respectievelijk transport en opslag van groenvoedergewassen, alsmede de uitrusting of verbetering van de gezamenlijk geëxploiteerde weiden.
2.3.2. Toepassingsvoorwaarden
Tijdens het controlebezoek ter plaatse in Italië werd geconstateerd dat wet nr. 62 van de autonome provincie Bolzano van 23 december 1976, die door de Commissie was goedgekeurd ingevolge Richtlijn 75/268/EEG, niet voorziet in steun in de zin van artikel 11 van Richtlijn 75/268/EEG. De verklaring hiervoor was dat er voorheen een provinciale wet bestond die wel voorzag in bedoelde steun, doch die niet ter goedkeuring aan de Commissie was voorgelegd. Voor de steun die op grond van deze wet is toegekend, is echter wel restitutie gevraagd van het EOGFL, dat een voorschot (75 % van het vermoedelijke steunbedrag) heeft betaald voor maatregelen die niet vielen onder de door het EOGFL goedgekeurde reglementering.
De Belgische reglementering is goedgekeurd bij een beschikking van de Commissie ; deze was echter terecht van mening dat de bouw van afzonderlijke silo's in elk agrarisch bedrijf, ook al betreft het een collectieve maatregel, niet kan worden beschouwd als een collectieve investering in de zin van artikel 11 van Richtlijn 75/268/EEG.
Bepaalde investeringen op het gebied van het toerisme, zoals bij voorbeeld graanschuren die zijn omgebouwd tot chalets voor excursies, houden eveneens grote risico's in. Bij andere investeringen blijkt het meer te gaan om gewone bouwprojecten dan om objecten als omschreven in artikel 11 van Richtlijn 75/268/EEG.
Bij een controlebezoek in Ierland heeft men kunnen constateren dat de geregelde controle van de groenvoederproducenten enigszins veronachtzaamd was.
In Ierland zijn de voorschriften verscherpt om te voorkomen dat steun wordt toegekend voor investeringen waarvan het collectieve karakter niet vaststaat. Sinds 1978 zijn er ten minste drie deelnemers nodig voor het vormen van een producentengroepering. Voorts werd opgemerkt dat de subsidie werd uitbetaald aan de secretarissen van groeperingen zonder dat een bewijs werd verlangd dat de gelden onder de bij de groepering aangesloten leden waren verdeeld. In Ierland zijn de collectieve investeringen zeer talrijk (2 140 op een communautair totaal van 2 407).
TWEEDE GEDEELTE CONTROLE OP DE RESULTATEN VAN DE STEUN
SECTIE 1 ANALYSE DER DOELSTELLINGEN
3.1.1. Doelstellingen van de steun als omschreven in Richtlijn 75/268/EEG
a) Afzonderlijke beschouwing van de doelstellingen
Het gemeenschappelijk landbouwbeleid ter zake van de structuurverbetering is er voornamelijk op gericht het proces van structurele aanpassing van de landbouw te bevorderen en in goede banen te leiden. Het wenst actief mee te werken aan de herstructurering van de landbouw, aangezien de natuurlijke aanpassing van de produktiefactoren niet vlot genoeg verloopt om grote inkomensverschillen te vermijden of te beperken.
Derhalve heeft men maatregelen genomen tot bevordering van bedrijfsbeëindiging in de landbouw (Richtlijn 72/160/EEG : saneringsvergoeding), terwijl andere maatregelen tegelijkertijd beogen de hoeveelheid of de kwaliteit van de factoren die, al of niet terecht, ontoereikend lijken, te vergroten (Richtlijn 72/160/EEG : ter beschikking stellen van vrijgekomen grond, Richtlijn 72/159/EEG : bedrijfskapitaal, Richtlijn 72/161/EEG : beroepsopleiding).
Deze algemene doelstellingen bevorderen een verdere ontwikkeling van rendabele landbouwbedrijven (ontwikkelingsplannen : Richtlijnen 72/159/EEG en 75/268/EEG). Als selectieve maatregel wordt aan bedrijven met ontwikkelingsmogelijkheden een "groeipremie" toegekend.
Voorts is het de bedoeling de inkomens in de agrarische sector op te trekken tot het niveau van de inkomens in de andere sectoren. In de probleemgebieden worden de agrarische bedrijven die mogelijkheden hebben tot modernisering extra gesubsidieerd, aangezien hier de achterstand in de inkomens zowel ten opzichte van de werknemers in de niet-agrarische sectoren als ten opzichte van de landbouwers in de probleemgebieden moet worden ingelopen.
De vergoeding ter compensatie van natuurlijke handicaps, welke gebaseerd is op de oppervlakte cultuurgrond en het aantal dieren, is bedoeld om door middel van een aanvulling op het inkomen de uittocht uit de landbouw en de trek naar de steden tegen te gaan.
De maatregelen, omschreven in artikel 11 van Richtlijn 75/268/EEG completeren dit stelsel en vormen een krachtige stimulans voor de verbouw van groenvoedergewassen, het voornaamste middel van bestaan in de probleemgebieden. De richtlijn beoogt tevens de landschapsverzorging te bevorderen. Op dit aspect is de Raad niet verder ingegaan en eigenlijk komt dit aspect meer tot uiting in de considerans dan in de bepalingen van de richtlijn zelf. Behalve in geval van erosie en lawines behoeft verwaarlozing van het landschap geen rampzalige gevolgen te hebben. Overigens worden boeren die in landschapsparken zijn gevestigd, verplicht een bedrijfsvorm uit te oefenen, die het landschap niet aantast. Een voorbeeld hiervan werd geconstateerd tijdens een controlebezoek ter plaatse in het Verenigd Koninkrijk, waar de autoriteiten belast met landschapsverzorging een jaarlijkse financiële vergoeding toekenden aan een landbouwer die ongeveer 100 ha grond niet mocht bewerken.
Het begrip "landschapsverzorging" (en de gedachte dat de natuur niet aan zichzelf mag worden overgelaten en dat aan braakliggend land verschillende nadelen zijn verbonden) dekt in principe een aantal niet-agrarische gebruiksmogelijkheden van de grond, met name bosbouw, ter verwezenlijking waarvan een pakket maatregelen vereist is op het gebied van de ruimtelijke ordening, landinrichting, landbouwtechnische voorzieningen, de milieubescherming en dus bescherming van flora en fauna.
De enige maatregelen in die zin, die voorkomen in Richtlijn 75/268/EEG, zijn die ter bevordering van het toerisme en het ambacht (artikel 10), welke maatregelen indirect voor dit doel ten nutte kunnen worden gemaakt.
b) Onderlinge relatie tussen de doelstellingen
De in het voorgaande uiteengezette doelstellingen moeten in een harmonieuze relatie staan tot elkaar evenals tot de andere doelstellingen van het gemeenschappelijk structuurbeleid en van andere Gemeenschapsmaatregelen. 1. Zo leidt steunverlening aan agrarische bedrijven die willen uitbreiden, gewoonlijk tot een verdere toekenning van bepaalde produkten waarvan de Gemeenschap soms nu al te veel heeft. Dit gevaar bestaat voor de melkproduktie, aangezien de probleemgebieden, vooral op het vasteland, van oudsher gericht zijn op deze produktie, die plaatsvindt onder moeilijke omstandigheden en tegen hogere kosten dan elders. Voorts worden in sommige bergstreken de melkprodukten verwerkt tot kaas van hoge kwaliteit, die betrekkelijk duur is en het moet opnemen tegen de concurrentie van soortgelijke produkten uit streken die profiteren van subsidieregelingen voor hun melkprodukten.
Hier zij opgemerkt dat de medeverantwoordelijkheidsheffing voor melk niet wordt toegepast in de probleemgebieden, hetgeen illustreert dat de doelstellingen kunnen worden gevarieerd naar gelang van de specifieke prioriteiten.
2. Ook moet worden onderzocht of het doel dat met de compenserende vergoeding wordt beoogd, namelijk het streven om in bepaalde streken een minimum bevolkingsniveau te handhaven, niet tegenstrijdig is met dat van Richtlijn 72/160/EEG, welke ten doel heeft de bedrijfsbeëindiging in de landbouw te bevorderen en cultuurgrond vrij te maken. In vele gevallen zal een bedrijf in een probleemgebied extra grond nodig hebben, met name om schaalvergroting mogelijk te maken.
3. Analoge problemen doen zich voor bij de harmonisatie van de doelstellingen met die van het sociaal of regionaal beleid. Van de compenserende vergoeding zou bij voorbeeld een intensiever gebruik kunnen worden gemaakt in streken waar geen uitwijkmogelijkheden bestaan in niet-agrarische bedrijfstakken.
De bestaande verschillen in situatie vereisen uiteraard een benadering waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke regionale, plaatselijke en zelfs persoonlijke aspecten van het bedrijf. Doch helaas moet worden geconstateerd dat de huidige bepalingen niet altijd een optimaal kader vormen voor het verwezenlijken van de beoogde doeleinden.
3.1.2. Aanpassing van de maatregelen aan de doelstellingen
a) Compenserende vergoeding
De compenserende vergoeding bestaat in een jaarlijkse betaling, gebaseerd op de bewerkte oppervlakte cultuurgrond en het aantal gehouden dieren (runderen, schapen, geiten). Kan deze subsidie bijdragen tot verwezenlijking van voormelde doelstellingen? 1. Allereerst : als de landschapsverzorging wordt overgelaten aan de boeren, dan zouden dezen zich toch slechts kunnen beperken tot een aantal zaken, zoals het maaien van bepaalde weiden, het snoeien van heggen, het uitbaggeren en schoonmaken van sloten en het korthouden van kreupelbossen. Ze kunnen desnoods verhinderen dat hun akkers worden overwoekerd door bossen, kreupelhout en struikgewas. De compenserende vergoeding heeft echter het tweevoudige nadeel dat ze niet is gekoppeld aan een bepaalde prestatie tegen bepaalde kosten en dat de uiteindelijke financiële lasten onevenredig hoog zijn.
2. De compenserende vergoeding beoogt eveneens het opgeven van het boerenbedrijf en de trek naar de steden tegen te gaan. Op dit punt kan de vergoeding in sommige gebieden van de Gemeenschap een aanzienlijk effect hebben, dat vooral zal afhangen van de leeftijd van de betrokkenen en van de mogelijkheden die hun worden geboden in niet-agrarische beroepen.
Zo heeft de betaling van de compenserende vergoeding aan ouderen waarschijnlijk geen invloed op hun besluit het boerenbedrijf al dan niet op te geven, noch op dat van hun familieleden. Uit controles in de Lid-Staten is gebleken dat de vergoeding vaak werd betaald aan begunstigden die vlak voor hun pensioen stonden of de pensioenleeftijd reeds hadden bereikt en het valt te betreuren dat er over dit onderwerp geen cijfermateriaal, zelfs onvolledig, beschikbaar is.
Afhankelijk van de spanning op de arbeidsmarkt zal het effect van de vergoeding uiteraard meer of minder sterk zijn. Zo is sinds de economische crisis en de stijging van de werkloosheid in de Lid-Staten de kans op welslagen van de richtlijn toegenomen. De boeren zijn zelfs vaak de laatsten die de probleemgebieden verlaten.
3. De compenserende vergoeding heeft het duidelijkste en gunstigste effect op het onmiddellijke inkomen van het bedrijfshoofd, dat hierdoor vaak aanzienlijk stijgt. Gezien vanuit dit laatste oogpunt is het economische effect van de subsidie belangrijk. Uit gesprekken met begunstigden in Ierland en Beieren is gebleken dat de subsidie aanzienlijk had bijgedragen tot verbetering van de levensomstandigheden of in bepaalde gevallen de bereidheid van de boeren om te investeren had vergroot.
4. Artikel 7 van Richtlijn 75/268/EEG bepaalt dat de Lid-Staten het bedrag van de compenserende vergoeding kunnen vaststellen op een bedrag dat momenteel ligt tussen 16,5 RE en 53,5 RE per GVE, met een maximum van 53,5 RE per ha van de totale oppervlakte groenvoedergewassen (Verordening (EEG) nr. 937/77, houdende wijziging van de bedragen van Richtlijn 75/268/EEG voor 1978). Door de vermelding van de oppervlakte groenvoedergewassen kan worden voorkomen dat de vergoeding wordt betaald aan bepaalde categorieën van boeren die intensieve veeteelt beoefenen of in vee handelen.
Door de vergoeding te laten variëren naar gelang van de situatie in iedere Lid-Staat kan de rentabiliteit van de budgettaire middelen, die nu eenmaal beperkt zijn, worden verhoogd. Deze variatie kan betrekking hebben op: - de bedragen,
- de grootvee-eenheden (GVE) te zamen met de oppervlakten groenvoedergewassen.
De bedragen van de compenserende vergoeding geven van Lid-Staat tot Lid-Staat en zelfs binnen eenzelfde Lid-Staat aanzienlijke verschillen te zien. In de regel wordt het maximumbedrag niet toegepast en schommelt het gemiddelde tussen 30 en 40 RE per GVE of per ha.
Om redenen van budgettaire aard en om te voorkomen dat aan boeren met een intensieve veeteelt een hoge vergoeding wordt uitbetaald, hebben sommige Lid-Staten een maximum vastgesteld voor het aantal GVE of de oppervlakte groenvoedergewassen, die voor subsidie in aanmerking komen. Met uitzondering van België (maximum 20 GVE) en Luxemburg, welke landen de boeren met kleine kudden vee begunstigen, mag in de andere Lid-Staten de subsidie ook worden toegekend voor grote kudden. Het Verenigd Koninkijk heeft geen enkele beperking gesteld aan het aantal dieren per begunstigde ; hetzelfde geldt voor Ierland wat de schapen betreft. De in Duitsland vastgestelde beperking (tussen 112 en 84 GVE per begunstigde) laat een vrij ruime marge toe ; Frankrijk heeft de toekenning van de vergoeding voor het hele land gebonden aan een maximum van 40 GVE per begunstigde.
Twee Lid-Staten hebben de toe te kennen vergoedingen gedifferentieerd naar veesoort, te weten "cattle headage payments", "Beef Cow grants" en "sheep grants" in Ierland en "Hill Livestock compensatory allowances" (runderen en schapen) in het Verenigd Koninkrijk. Dit gaat in Ierland gepaard met een verlaging van de bedragen naar gelang van het aantal dieren, waarbij de vergoeding per GVE hoger is voor de eerste tranche van acht GVE ("cattle") of van 10 GVE ("beef cow").
Zowel Ierland als het Verenigd Koninkrijk heeft de vergoedingen gedifferentieerd naar gelang van de kwaliteit van de kudden schapen.
Voorts wordt gestreefd naar verhoging van de doeltreffendheid door de steun op meer beperkte gebieden te concentreren. Binnen de door de Commissie als zodanig erkende probleemgebieden hebben sommige Lid-Staten kleinere zones afgebakend voor het toekennen van de compenserende vergoeding aan de hand van de volgende criteria: - de kwaliteit van de grond in het Verenigd Koninkrijk, waar de bedrijven bestaan uit financierbare grond (hill land) en niet-financierbare grond;
- de veesoort in Ierland, waarvoor twee afzonderlijke zones "cattle headage payments" (noodlijdend gebied) en "Beef Cow grants" (probleemgebied) worden toegekend;
- de mate van de handicap in Duitsland : bergstreken en centrale zones in de probleemgebieden (Berg- und Kerngebiete).
De handicap-criteria voor de agrarische bedrijven in de provincie Bolzano (Italië) zijn zodanig vastgelegd dat maximale differentiatie mogelijk is. Zo heeft men een puntenstelsel ingevoerd voor de criteria hoogte, helling, klimatologische omstandigheden, toegangswegen enz., waarbij de puntenwaarde stijgt met de mate van de handicap. Een verdere selectie wordt verkregen door de toekenning van de vergoeding afhankelijk te stellen van een maximum aantal GVE of ha grond. Een dergelijke oplossing wordt momenteel in Frankrijk bestudeerd, waarbij gebruik zal worden gemaakt van een kaartsysteem van de landbouwbedrijven.
b) De ontwikkelingsplannen
Het resultaat dat met deze plannen wordt beoogd, is in feite vastgelegd in de richtlijn zelf : bij de voltooiing van het ontwikkelingsplan zal het bedrijf in staat moeten zijn om ten minste een inkomen te bereiken, dat vergelijkbaar is met het inkomen, verkregen uit niet-agrarische werkzaamheden in dat gebied.
De verwezenlijking van dit doel betekent dus in tweeërlei opzicht een succes:
Het bedrijfshoofd heeft hetzelfde inkomensniveau bereikt als de andere beroepsklassen, zijn bedrijf is levensvatbaar geworden (micro-economisch succes) en de aanwezigheid van verscheidene levensvatbare bedrijven verhoogt het bedrijvigheidsniveau van de streek (macro-economisch succes).
De vakbekwaamheid, die een voorwaarde is voor het welslagen van de ontwikkelingsplannen, wordt slechts verlangd van het bedrijfshoofd. Het is echter duidelijk dat de vakbekwaamheid van zijn gezinsleden en zijn personeel evenveel aan het welslagen van het plan bijdragen als die van het bedrijfshoofd zelf.
Het criterium "vakbekwaamheid", dat de specifieke beroepsopleiding, de ervaring, de persoonlijke inzet en de belangstelling voor het bedrijf omvat, is door de Lid-Staten verschillend geïnterpreteerd, doch zij hebben allen de beroepsopleiding of de ervaring als voorwaarden gesteld, zonder deze altijd te combineren, hoewel dit volgens die richtlijn wel toelaatbaar was.
De vakbekwaamheid als voorwaarde voor goedkeuring van de ontwikkelingsplannen is samen met 15 andere voorwaarden vermeld in de verklaring die de Lid-Staat opstelt voor honderden begunstigden tegelijk en die bij de subsidieaanvraag wordt gevoegd. Bij de controlebezoeken ter plaatse is men geen enkel ontwikkelingsplan tegengekomen dat werd geweigerd wegens gebrek aan vakbekwaamheid van het bedrijfshoofd.
Het begrip vakbekwaamheid is uiteraard moeilijk meetbaar. Maar er bestaat een veel betere, zij het indirecte, meetmethode. Daarbij wordt gekeken naar de bedrijfsresultaten van degene die een ontwikkelingsplan indient. Het bewijs van een succesvolle bedrijfsvoering moet dan worden geleverd op grond van een gedetailleerde boekhouding, die zich uitstrekt over een periode die lang genoeg is om goed gefundeerde conclusies te wettigen. Bij ontbreken van een dergelijke boekhouding zou het bewijs van de vakbekwaamheid toch in ieder geval kunnen worden geleverd door het overleggen van verklaringen van verenigingen van veefokkers, graantelers of melkproducenten. Ten slotte is het moeilijk de gemiddelde vakbekwaamheid van landbouwers en "niet-agrarische werknemers" met elkaar te vergelijken (artikel 4, lid 2, van Richtlijn 72/159/EEG).
Het vergelijkbaar inkomen (zelfs regionaal gedifferentieerd, waardoor het begrip aan bruikbaarheid wint) is geen ideale vergelijkingsnorm. Enerzijds lopen leeftijd en opleiding van de werknemers in de niet-agrarische beroepen te veel uiteen, anderzijds is de beroepsbevolking in de landbouw gemiddeld ouder en heeft langere werktijden.
Het vergelijkbaar inkomen is geen ideaal criterium ter beoordeling van de ontwikkelingsmogelijkheden van een landbouwbedrijf. Zoals uiteengezet in het eerste gedeelte van het onderhavige verslag, bevatten de ontwikkelingsplannen veel te veel mogelijkheden voor een globale beoordeling van de verschillende bedrijfsonderdelen en van de rentabiliteit van investeringen in het bedrijf.
De in vorige jaren gemaakte bedrijfswinsten en het reeds gevormde eigen vermogen zouden een veel betrouwbaarder beoordelingscriterium vormen voor het toekennen van subsidies aan landbouwbedrijven. Hieruit blijkt eens te meer dat, wil het landbouwbedrijf zich bevredigend blijven ontwikkelen zonder fundamentele wijziging van de opzet, het wenselijk is te beschikken over de resultaten van een aantal afgesloten boekjaren.
c) Collectieve maatregelen
Dit zijn maatregelen als bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 75/268/EEG, ten behoeve van de groenvoederproduktie, alsmede voor de verbetering en de uitrusting van gezamenlijk geëxploiteerde gewone weiden en bergweiden.
Deze maatregelen beantwoorden volledig aan de behoeften van de bedrijven in probleemgebieden, die voor de melk- en vleesproduktie goede weidegronden nodig hebben. Zij vormen een nuttige aanvulling op de compenserende vergoeding en de ontwikkelingsplannen, die van primair belang zijn.
3.1.3. Begeleidingsmaatregelen van de Lid-Staten
a) Termijnen van tenuitvoerlegging
Sommige Lid-Staten waren in staat de richtlijn sneller toe te passen dan andere. Deze spoed houdt zeer vaak verband met de structuur van hun administratief apparaat en met het feit dat het nationale steunbeleid door de toepassing van Richtlijn 75/268/EEG niet ingrijpend behoefde te worden gewijzigd.
b) Ondersteunende maatregelen
Zelfs rekening houdend met het feit dat in zeven Lid-Staten grote regionale verschillen bestaan, zowel op bestuurlijk als op sociaal-economisch en agrarisch gebied, blijft het een feit dat de nationale overheidsinstanties dank zij bepaalde initiatieven er in geslaagd zijn de werking van de richtlijnen voor te bereiden of te verlengen.
In België is op regionaal niveau een gespecialiseerd orgaan met adviserende bevoegdheid in het leven geroepen ter coördinering van de verschillende ontwikkelingsmogelijkheden in de probleemgebieden. Voorts is agronomisch onderzoek verricht ter verkrijging van betere groenvoedergewassen en om te komen tot een optimaal gebruik daarvan (spelt), terwijl bekendheid werd gegeven aan nieuwe verbouwtechnieken en nieuwe grassoorten (ray-grass).
België is voornemens twee projecten te realiseren als aanvulling op de verleende subsidie. Eén ervan betreft een onderzoek naar de groenvoedergewassen in het zuidoosten en het andere, waarmee naar verwachting uitgaven tot een bedrag van 1 370 miljoen Bfr. gemoeid zullen zijn, gespreid over een periode van 5 jaar, beoogt subsidiëring van jonge boeren, ten behoeve van hun huis, assistentie bij het verzorgen van de boekhouding, voor onderhoud en vervanging.
Vermelding verdiende in dit verband de inspanningen van het Franse Ministerie van Landbouw, dat tijdens verscheidene bezoeken aan de departementen de "Chambres d'agriculture" en de boeren het mechanisme van de ontwikkelingsplannen heeft uitgelegd en daar nog steeds mee bezig is. Sommige departementale instanties hebben voorts veel tijd en moeite besteed om door middel van lezingen en zelfs langer durende stages de bedrijfshoofden de nodige voorlichting te geven en hun belangstelling te wekken voor de geboden mogelijkheden.
Daarnaast zijn stages of studiedagen georganiseerd ten behoeve van de betrokken overheidsinstanties op het niveau van de departementen in Frankrijk en van de Länder in de Bondsrepubliek Diutsland.
Op dit punt heeft de deelstaat Beieren zich grote inspanningen getroost om te komen tot een betere kennis van de boekhouding van een agrarisch bedrijf en om de boeren voor te lichten en van advies te dienen. De Beierse "Landesanstalt für Betriebswirtschaft und Agrarstruktur" heeft een nieuw centraal systeem voor het uitwerken van de plannen opgesteld. Het is gebaseerd op gedetailleerde boekhoudgegevens en houdt rekening met de kwaliteit van de bodem, de omvang van het bedrijf, de aard van de veeteelt en de verbouw van gewassen. Deze cijfers zijn bestemd ter oriëntering van de opstellers van het plan. De matrix of het simulatiemodel voorziet voor ieder bedrijf in vier verschillende mogelijke wijzen van bedrijfsvoering (oriëntaties), welke uitgaande van de regionale situatie en afhankelijk van de persoonlijke, gezins- en financiële omstandigheden van de begunstigde afzonderlijk worden uitgewerkt. Tegelijkertijd streeft deze instantie naar een beter inzicht in bepaalde produktiekosten en -factoren.
De overheidsbemoeiingen zijn er op gericht de begunstigden voor te lichten en van advies te dienen (studie van de boekhouding in het algemeen en van problemen die eigen zijn aan de boekhouding van een agrarisch bedrijf ; het organiseren van studiebijeenkomsten).
Van deze begeleiding van overheidswege wordt een stimulerend effect verwacht, omdat namelijk het te voeren beleid wordt toegelicht en nader tot de mensen wordt gebracht.
SECTIE 2 BEOORDELING VAN DE RESULTATEN VAN DE STEUN
3.2.1. Het werk van de Lid-Staten
Aangezien het dienstig is de uitwerking van Richtlijn 75/268/EEG te kennen, werd de Lid-Staten gevraagd inlichtingen te verstrekken over eventueel verrichte werkzaamheden op dit gebied, de daarbij gebruikte methoden en de verkregen resultaten.
Na het houden van gedachtenwisselingen met de betrokken autoriteiten in de landen en na bestudering van een aantal documenten kon slechts een summier beeld worden verkregen van wat er op dit terrein wordt gedaan. Dit is in het algemeen het analyseren, aan de hand van enquêtes, van de mate waarin de steun van invloed is op het structuurverloop van de landbouwbedrijven, eventueel ingedeeld naar grootte, ernst van de handicap of andere criteria.
Er zij echter op gewezen dat het onderzoek naar het effect van Richtlijn 75/268/EEG wordt belemmerd door drie methodologische moeilijkheden: - ten eerste : het nog te korte tijdsverloop ; de richtlijn werd van kracht in april 1975 en de toepassing ervan werd door de Lid-Staten gespreid over de daaropvolgende jaren. De uitwerking van een subsidiebeleid ter verbetering van de landbouwstructuren wordt echter pas na 5 à 10 jaar werkelijk voelbaar;
- ten tweede : de moeilijkheid scherp te onderscheiden tussen oorzaak en gevolg en het verband daartussen duidelijk aan te tonen, aangezien verschillende ontwikkelingen en veranderingen gelijktijdig plaatsvinden;
- ten slotte : het gebrekkige en vaak onvolledige statistisch materiaal, dat over het algemeen niet voldoende nauwkeurig en betrouwbaar is om verantwoorde conclusies toe te laten.
3.2.2. Ontwikkelingsplannen en boekhouding
Artikel 11 van Richtlijn 72/159/EEG bepaalt dat een bedrijfshoofd dat steun ontvangt in het kader van een ontwikkelingsplan, een boekhouding moet bijhouden, als omschreven in lid 2 van genoemd artikel.
Deze boekhouding vormt het voornaamste instrument ter beoordeling van de resultaten van een bepaald ontwikkelingsplan en dus in het algemeen voor het meten van het effect van dit aspect van de richtlijn.
Het bijhouden van een boekhouding is van belang voor de overheid omdat deze op grond daarvan het rendement van de algehele bedrijfsvoering kan beoordelen, met name het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht en het inkomen van het bedrijfshoofd alsmede de rentabiliteit van de voornaamste bedrijfsonderdelen.
Dank zij de speciale computerprogramma's kan men de gegevens ook klasseren naar type akkerbouw of veefokkerij, bedrijfsvorm, bedrijfsgrootte of streek (met name de probleemgebieden) en zodoende gegevens verzamelen over de haalbaarheid van de ontwikkelingplannen en over het effect van de subsidies.
De begunstigde van een ontwikkelingsplan heeft er overigens als eerste belang bij de resultaten van zijn bedrijf te kunnen aflezen uit de bedrijfsadministratie. Deze moet dan wel meer zijn dan een fiscale boekhouding, en door de overheidsinstanties van de Lid-Staten wordt dan ook, overeenkomstig de aanwijzingen van de Commissie, het gebruik van bepaalde formulieren voorgeschreven of voorgesteld, waarmee een minimumkwaliteit van de gegevens wordt gegarandeerd en een eerste stap wordt gezet in de richting van een management accounting.
Desondanks treft men zeer uiteenlopende situaties aan. In sommige gevallen bij voorbeeld worden deze documenten de begunstigden per post toegestuurd, maar ze kunnen ook tijdens het bezoek van een consulent door deze worden toegelicht, waarbij hij tevens van advies dient. Ten slotte kan de consulent in de loop van het jaar het bedrijfshoofd meermalen bezoeken. De systemen verschillen binnen eenzelfde Lid-Staat.
Tijdens een controlebezoek in Duitsland verklaarde de plaatselijke directeur van een rekencentrum dat hij de begunstigden maandelijks bezoekt en dat zij tevens aan het einde van het boekjaar een balans en een aantal andere documenten ontvangen alsmede een analyse van hun bedrijf ; hierin zijn de belangrijkste gegevens van het bedrijf in een honderdtal rubrieken samengevat, terwijl voorts de gemiddelden van de regionale statistische groep waartoe het bedrijf behoort, de gemiddelden van de vijftig beste bedrijven en de resultaten van de afgelopen drie boekjaren van het bedrijf zijn vermeld. Deze resultaten worden voorzien van een kort commentaar en ten slotte worden de factoren genoemd, die rechtstreeks van invloed kunnen zijn op het bedrijfsinkomen.
De geregelde controle van de boekhouding door de overheidsinstanties is van geval tot geval zeer verschillend.
Sommige werkwijzen van de overheid zijn niet bevorderlijk voor het bereiken van één van de doeleinden van de richtlijn, die de boekhouding beschouwt als een onontbeerlijk instrument voor een juiste beoorderling van de financiële en economische situatie van het bedrijf (1).
Overigens kan de betrokkene pas belangstelling aan de dag leggen voor een minder wisselvallig beheer van zijn bedrijf wanneer hij daartoe van te voren is aangespoord (cf. de vakbekwaamheid in het kader van titel I van Richtlijn 72/159/EEG) en hij daarin een zekere bekwaamheid heeft verkregen (artikel 3, lid 2, van Richtlijn 72/159/EEG).
Is dit niet het geval, dan vermag de boer ook niet door het bijhouden van een boekhouding in te zien of zijn bedrijf al dan niet gezond is, evenmin als het ontwikkelingsplan hem inzicht geeft in de mogelijkheden waaruit hij moet kiezen.
De deelstaat Neder-Saksen heeft een aantal landbouwbedrijven doorgelicht die steun hadden ontvangen in het kader van de modernisering van de bedrijven. Hierbij gaat het dus niet alleen om ontwikkelingsplannen in probleemgebieden, doch in alle landbouwgebieden in deze deelstaat. Men heeft de plannen bestudeerd van 1971 (dus van vóór het van kracht worden van Richtlijn 72/159/EEG) tot en met 1975, alsmede de afgesloten dienstjaren in het kader van de sinds 1973 verplicht gestelde boekhouding.
In Neder-Saksen ontving ongeveer één op de vijf landbouwbedrijven met meer dan 25 ha cultuurgrond subsidie in het kader van een ontwikkelingsplan. De in 1974 goedgekeurde plannen bij voorbeeld waren vooral ingediend door veeteeltbedrijven (35,9 %). Voorts waren de investeringen voor ongeveer 50 % besteed aan de bedrijfsgebouwen.
Een onderzoek van de bedrijven met de laagste inkomens wijst uit dat niet zozeer de produktiefactoren doorslaggevend zijn, als wel de tekortkomingen in de bedrijfsvoering. Dit komt vooral tot uiting in het onvoldoende rendement van de verschillende produktieprocessen, de onvoldoende rationalisatie en daardoor te hoge produktiekosten en ten slotte in de betrekkelijk lage prijzen per produkt als gevolg van slechte kwaliteit.
Voorts zijn veel ontwikkelingsplannen gebaseerd op een onrealistische beoordeling van de zelffinanciering en doordat de gezinsuitgaven niet werden aangepast aan de bedrijfsresultaten, bleek uit de boekhouding in 30 % van de gevallen een teruggang van het eigen vermogen ; het inkomen van de landbouwbedrijven was overigens onvoldoende. (1) Zo verklaarde een overheidsinstantie in Groot-Brittannië dat "om te beoordelen in hoeverre het bedrijfsinkomen toegroeit naar het vergelijkbaar inkomen, wordt geen gebruik gemaakt van de jaarresultaten van de boekhouding. Deze inkomensstijging kan namelijk worden beïnvloed door factoren die niet in het plan zijn verdisconteerd, door het klimaat of door epidemische ziekten".
CONCLUSIES
Bijna 5 jaar na de goedkeuring van Richtlijn 75/268/EEG zijn de maatregelen voor de tenuitvoerlegging ervan nog niet in alle Lid-Staten goedgekeurd. Dat is het eerste feit dat moet worden geconstateerd, en dit verklaart de onvolledigheid en het in sommige opzichten voorlopige karakter van de opmerkingen die momenteel kunnen worden gemaakt.
De tot dusver verleende subsidies worden vrijwel uitsluitend gevormd door de compenserende vergoeding, die overigens tot op heden het grootste deel vertegenwoordigt van de uitgaven in het kader van de vier communautaire richtlijnen op landbouwgebied.
Uit hoofde van deze vergoeding werden door de Gemeenschap subsidies betaald aan ongeveer 350 000 boeren ; dit is een aanzienlijk aantal, terwijl van de subsidies voor ontwikkelingsplannen in veel mindere mate gebruik is gemaakt.
Ook de collectieve investeringen voor de produktie van groenvoedergewassen en voor de verbetering en uitrusting van gezamenlijk geëxploiteerde weiden en bergweiden zijn in de meeste Lid-Staten beperkt in aantal gebleven, ondanks de hoge verwachtingen die de beoogde maatregelen konden wekken, aangezien zij zowel bevorderlijk waren voor de exploitatie van onvruchtbare of hoog gelegen gronden als voor de ontwikkeling van de mechanisatie.
Tijdens het eerste jaar van toepassing van de compenserende vergoeding hebben verscheidene Lid-Staten gepoogd een min of meer strikte controle in te voeren op de elementen die als grondslag dienen voor het berekenen van de subsidie.
In de daaropvolgende jaren bleven de controles maar al te vaak beperkt tot een vergelijking met de eerder ontvangen opgaven van de begunstigden en tot een met de computer uitgevoerde controle op de geloofwaardigheid van de subsidieaanvraag, welke werd opgevat als de rekenkundige concordantie tussen de verschillende elementen waaruit zij bestond.
De Lid-Staten maken dus gebruik van de mogelijkheid om opeenvolgende vrijwillige verklaringen van de begunstigden, opgesteld voor verschillende en vaak zelfs tegenstrijdige doeleinden met elkaar te vergelijken. Een dergelijke methode is echter maar ten dele bevredigend, zowel wat betreft de betrouwbaarheid van de opgaven als de lering die er uit kan worden getrokken.
Als verklaring voor het feit dat de controles zijn gebaseerd op ontoereikende gegevens, voeren de overheidsorganen van de Lid-Staten aan dat de controleurs de streken en de bedrijven die zij om verschillende redenen bezoeken, persoonlijk kennen.
Deze verklaring is weinig overtuigend. Zij wordt overigens meestal aangedragen als een controlemogelijkheid waarover de overheidsinstanties wel beschikken, maar waarvan geen systematisch gebruik wordt gemaakt. Gezien het aantal, de verscheidenheid en de ingewikkeldheid van de taken waarmee de ambtenaren van de plaatselijke landbouwdiensten zijn belast, kunnen zij slechts een beperkte tijd besteden aan de controle van de elementen die als grondslag dienen voor de berekening van de subsidie.
Overigens mag men niet vergeten dat het bij de compenserende vergoeding gaat om een socio-structurele maatregel.
De geest van de richtlijn en bepaalde sociale overwegingen die er aan ten grondslag liggen, maken het theoretisch en vooral praktisch moeilijk de boeren die de steun het meeste nodig hebben, er van verstoken te laten, zelfs indien zij niet aan alle voorwaarden voldoen.
Een vermindering van de oppervlakte cultuurgrond die als grondslag dient voor de berekening van de subsidie, van 3 tot 2 ha zou overigens slechts tot een verschuiving van het probleem leiden. In de meeste noodlijdende gebieden of in streken waar de landbouw als deeltijdarbeid wordt beoefend, is er stellig wel een aantal bewoners die een kleinere oppervlakte exploiteren en er zullen zich dan zeker opnieuw problemen voordoen met de controle, terwijl het meest behoeftige deel van de plattelandsbevolking van de subsidie verstoken blijft. De eigenlijke vraag is of bedrijven van zo'n geringe omvang dienen te worden gesubsidieerd. Zou het niet beter zijn om, ten einde het fokken van slachtvee te stimuleren, de subsidieverlening te concentreren op bedrijven die gezien hun grote groenvoederoppervlakte de enige zijn waarvan vaststaat dat ze niet zullen uitwijken naar de melkproduktie, die in stand wordt gehouden dank zij grote aankopen van industrieel groenvoeder?
Hier doet zich opnieuw de vraag voor in hoeverre een subsidie van het type "compenserende vergoeding" is aangepast aan het beoogde doel.
Een optimale aanpassing zou kunnen worden verkregen door scherper te selecteren op aanvragen, werkelijke probleemgebieden, in aanmerking komende landbouwgronden en verder op aantal, kwaliteit en samenstelling van de kudden.
Maatregelen in het sociale vlak of op het gebied van de ruimtelijke ordening zouden zich moeten richten op een ruimer gedefinieerde boerenbevolking en tegelijkertijd duidelijker moeten worden onderscheiden van de specifieke steunmaatregelen voor structuurverbetering.
De ontwikkelingsplannen vormen een technisch instrument dat een hoog niveau van theoretische en praktische kennis vereist van degenen die belast zijn met de uitvoering. Zelfs indien deze kennis niet aanwezig is, blijft het ontwikkelingsplan toch een middel om te weten hoe een bedrijf er voor staat, en bij een juiste opstelling van het plan stelt het de landbouwer in staat zich te bezinnen op de toekomst. De waarde van het plan hangt af van het belang en de kwaliteit van de betrokken overheidsorganen en landbouwconsulenten ten dienste van de belanghebbenden.
Er zij echter aan herinnerd dat dit systeem is opgezet om die bedrijven te selecteren, die ontwikkelingsmogelijkheden hebben, en om te vermijden dat maar aan iedereen en zonder enig onderscheid subsidie wordt verleend. Sommige door de overheid getolereerde handelwijzen van de instanties die de plannen uitwerken, stroken niet of nauwelijks met deze doelstelling.
Het voorleggen van een boekhouding die zich uitstrekt over een aantal jaren, dient het basiselement te vormen voor de goedkeuring van ieder ontwikkelingsplan. Artikel 11 van Richtlijn 72/159/EEG voorziet overigens in maatregelen, bedoeld om het bijhouden van een boekhouding te stimuleren, doch in feite worden deze maatregelen momenteel vooral toegepast in het kader van de ontwikkelingsplannen.
De richtlijn stelt het verlenen van subsidie afhankelijk van de officiële goedkeuring van het ontwikkelingsplan ; zij bepaalt voorts dat ten minste gedurende de hele looptijd van het plan een boekhouding moet worden bijgehouden. Het is aan de Lid-Staten deze twee bepalingen logisch met elkaar te verbinden en het nodige te doen om te bereiken dat de bedrijven dank zij de ontwikkelingsplannen economische vooruitgang boeken.
Dit behoort uiteraard te gebeuren door de bedrijfsresultaten zoals deze uit de boekhouding blijken, te toetsen aan de voorzieningen in het kader van het ontwikkelingsplan, hetgeen zou kunnen leiden tot een beter inzicht in de ontwikkelingsmechanismen van de bedrijven en eventueel tot verbetering van de subsidieregelingen.
In de meeste Lid-Staten is dit doel nog lang niet bereikt!
Het ontwikkelingsprobleem blijft echter bestaan voor de boeren met een zeer laag inkomen, voor wie grotere investeringen nodig zijn dan in niet-probleemgebieden en voor wie de formule van het ontwikkelingsplan te ambitieus blijkt te zijn.
De Lid-Staten zijn dan ook gebruik blijven maken van de eigen overbruggingsregeling als bedoeld in artikel 14, lid 2, sub a), van Richtlijn 72/159/EEG ; deze regeling werd oorspronkelijk goedgekeurd voor een periode van vijf jaar en werd later verlengd tot 31 december 1979. Over een verdere verlenging tot 31 december 1980 is overleg gaande.
Uit het feit dat deze bepalingen op steeds grotere schaal worden toegepast, blijkt dat een groot - en in tijden van economische recessie een te groot - aantal landbouwers zelfs niet voldoet aan de toch vrij gunstige voorwaarden van Richtlijn 75/268/EEG en dringend behoefte heeft aan een financieringsstelsel dat soepeler van opzet is dan dat waarop de subsidie uit het EOGFL is gebaseerd.
Het onderzoek naar de resultaten van de steun geschiedt niet in alle Lid-Staten met de nodige bestendigheid, ofschoon dit toch absoluut noodzakelijk is om een beter inzicht te krijgen in de resultaten van de richtlijn en om met kennis van zaken het beleid van de communautaire en nationale instanties te kunnen ombuigen.
In dit verband valt het te betreuren dat er bij voorbeeld over de verdeling van de begunstigden van de compenserende vergoeding naar leeftijd of naar grootte van het bedrijf zo weinig statistische gegevens beschikaar zijn. Hetzelfde geldt voor het effect van de subsidie op de inkomensstijging of op de verbouw van de verschillende produkten.
Het zou derhalve wenselijk zijn het onderzoek naar de resultaten van de steun systematisch aan te pakken en te verdiepen ten einde de maatregelen ter verbetering van de landbouwstructuur steviger te kunnen funderen.
Opmerkingen van de Commissie over het speciaal verslag van de Rekenkamer inzake de toepassing van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden
I. Algemene opmerkingen
Het speciaal verslag van de Rekenkamer handelt over de bepalingen van Richtlijn 75/268/EEG en, in verband met titel III daarvan, over die van Richtlijn 72/159/EEG, alsmede over de wijze waarop deze bepalingen in de Lid-Staten worden toegepast en gecontroleerd.
Zoals de Commissie reeds had gedaan in haar verslag van 27 juli 1979 betreffende de toepassing van de socio-structurele richtlijnen, constateert de Rekenkamer terecht dat deze toepassing in de Lid-Staten helaas is vertraagd.
Zij is tevens van mening dat de bepalingen van deze richtlijnen scherper moeten worden geformuleerd, wil men een meer homogene toepassing en een strengere controle mogelijk maken. Hierover zegt de Commissie echter dat sommige bepalingen van Richtlijn 75/268/EEG met opzet zodanig zijn geformuleerd dat een soepele toepassing mogelijk is, en wel om twee redenen: - de opzet van deze actie, namelijk het geven van financiële compensatie voor de permanente natuurlijke handicaps waarmee sommige landbouwbedrijven hebben te kampen, is, behalve in het Verenigd Koninkrijk, nieuw voor de Lid-Staten,
- het is noodzakelijk dat de aanpassing aan de omstandigheden in elke Lid-Staat zo goed mogelijk verloopt.
II. Bijzondere opmerkingen
1. Het verband tussen de compenserende vergoeding en de toekenning van grotere investeringssteun dan in andere gebieden
De Rekenkamer betreurt dat van de speciale investeringssteun onvoldoende gebruik wordt gemaakt.
De Commissie is van mening dat de boeren veel meer gebaat zijn bij een compenserende vergoeding voor alle bedrijfshoofden met ten minste 3 ha cultuurgrond dan bij een speciale investeringssteun, aangezien hiervoor slechts een deel van de boeren in aanmerking komt en er uitvoeringstermijnen voor nodig zijn.
Naast de mogelijkheden die door de ontwikkelingsplannen worden geboden, kunnen de betrokken gebieden nog een nationale steun voor een hoger bedrag ontvangen, dank zij de bepalingen van artikel 12, welke een verzachting inhouden van de beperkingen voor de andere gebieden, ingevoerd bij artikel 14, lid 2, van Richtlijn 72/159/EEG.
Het ligt dus voor de hand dat van de speciale investeringssteun aanzienlijk minder gebruik wordt gemaakt dan van de compenserende vergoeding, waarvoor alle bedrijfshoofden in de probleemgebieden in aanmerking komen.
De steun aan collectieve investeringen, als bedoeld in artikel 11, vormt slechts een aanvullende stimulans, waarvan de grootte varieert naar het in de verschillende gebieden gevolgde beleid.
2. Controles
De Rekenkamer is van mening dat de nationale controlesystemen niet altijd toereikend zijn (zie bij voorbeeld blz. 3, 12 en 13) omdat de controles vaak beperkt blijven tot steekproeven dan wel steunen op gegevens over voorgaande jaren.
Men bedenke echter dat een systematische controle van honderdduizenden gegadigden met als doel ieder geval afzonderlijk te bestuderen, nauwelijks mogelijk is. Controles ter plaatse worden vaak alleen uitgevoerd in gevallen waarin wegens tegenstrijdige gegevens aanleiding is tot twijfel. Het volgen van deze controlemethode sluit echter niet uit dat de Lid-Staten, die, gezien de slechts gedeeltelijke restitutie van de Gemeenschap overigens toch het leeuwedeel van deze uitgaven voor hun rekening nemen, naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer streven naar verbetering van de methode.
3. Relatie van de nagestreefde doeleinden tot andere structurele doelstellingen
De compenserende vergoeding is bedoeld als schadeloosstelling voor bedrijven die te kampen hebben met permanente natuurlijke handicaps in de betrokken streek. Door de toekenning van deze vergoeding worden de gebieden, vallend onder de bepalingen van Richtlijn 75/268/EEG niet uitgesloten van de overige maatregelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De richtlijnen en verordeningen met andere structurele doelstellingen zijn eveneens op deze gebieden van toepassing.
De compenserende vergoeding is niet bedoeld ter oriëntering van de produktie. Daarvoor bestaan andere bepalingen. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke ordening.
4. Ontwikkelingsplannen
De bestudering van de problemen die verband houden met het opstellen van een ontwikkelingsplan en de goedkeuring daarvan, past beter in het kader van Richtlijn 72/159/EEG, die voor de hele Gemeenschap geldt, dan in dat van de onderhavige richtlijn.
Het voorstel een boekhouding voor te leggen, die een aantal jaren bestrijkt, komt neer op een voorwaarde vooraf voor de goedkeuring van een plan. Dit voorstel zou tot gevolg hebben dat de goedkeuring van de ontwikkelingsplannen met verscheidene jaren wordt vertraagd en dat de toepassing van Richtlijn 72/159/EEG wordt belemmerd of onmogelijk wordt gemaakt ; immers, een aantal bedrijven, vooral in de gebieden met de grootste problemen, zouden van steun worden uitgesloten. De Commissie heeft dan ook voorgesteld sommige bepalingen van deze richtlijn zodanig te verruimen dat een groter aantal agrarische bedrijven van de geboden mogelijkheden tot modernisering gebruik kan maken ; dit voorstel wordt momenteel door de Raad bestudeerd.
Het is een feit dat het met het ontwikkelingsplan beoogde doel, te weten het vergelijkbaar inkomen, in de probleemgebieden over het algemeen lager ligt dan in de andere gebieden. Overigens zij er nogmaals op gewezen dat de compenserende vergoeding slechts een aanvulling op het inkomen van het bedrijfshoofd vormt en dat met de investeringssteun veel grotere bedragen zijn gemoeid.
De resultaten van Richtlijn 72/159/EEG tonen volgens de Commissie aan dat in de meeste landen het aantal ontwikkelingsplannen in de probleemgebieden niet veel lager is dan in de "gewone" gebieden.
6. Statistieken
Aangezien de compenserende vergoeding in de betrokken gebieden wordt toegekend aan alle bedrijfshoofden met meer dan 3 ha cultuurgrond, behouden de bestaande statistieken betreffende de leeftijd van het bedrijfshoofd, de grootte van de bedrijven en de wisselwerking tussen deze beide factoren hun geldigheid.
6. Resultaten van de steun
Zelfs na voldoende ervaring te hebben opgedaan, zal het zeker niet gemakkelijk zijn het effect van de compenserende vergoeding te onderscheiden van dat van de talrijke andere factoren die van invloed zijn op de situatie in de landbouw en dus op de ontwikkeling van de agrarische structuren.
7. Voorafgaande inachtneming van nationale voorschriften door de Commissie
Op bladzijde 13 van haar verslag uit de Rekenkamer kritiek op de betalingen die worden verricht uit hoofde van artikel 11 van Richtlijn 75/268/EEG zonder dat vooraf de nationale voorschriften in acht worden genomen. Door bedoeld artikel worden slechts enkele specifieke gevallen geregeld, die voor restitutie uit het EOGFL in aanmerking komen, maar niet het bedrag noch de voorwaarden voor de toekenning van de desbetreffende nationale subsidie. Er is dan ook geen sprake geweest van goedkeuring van de nationale bepalingen in de zin van artikel 11. Alvorens over te gaan tot restitutie van deze uitgaven, heeft de Commissie zich er van vergewist of aan de criteria van de betrokken richtlijn is voldaan.
BIJLAGEN
Bijlage I : Lijst van richtlijnen ter bepaling van de gebieden bedoeld in Richtlijn 75/268/EEG
Bijlage II : Bedrag van de compenserende vergoeding per GVE in de Lid-Staten
Bijlage III : Restituties uit het EOGFL per boekjaar uit hoofde van de titels II en IV van Richtlijn 75/268/EEG
Bijlage IV : Uitgaven van de Lid-Staten van 1975 t/m 1978 in het kader van Richtlijn 75/268/EEG
Bijlage V : Per 31 december 1979 van kracht zijnde conformiteitsbeschikkingen
BIJLAGE I Lijst van richtlijnen ter bepaling van de gebieden bedoeld in Richtlijn 75/268/EEG
>PIC FILE= "T0035589">
BIJLAGE II Bedrag van de compenserende vergoeding per GVE in de Lid-Staten
>PIC FILE= "T0035590">
BIJLAGE III
>PIC FILE= "T0035591">
BIJLAGE IV Uitgaven van de Lid-Staten van 1975 t/m 1978 in het kader van Richtlijn 75/268/EEG
>PIC FILE= "T0035592">
BIJLAGE V Per 31 december 1979 van kracht zijnde conformiteitsbeschikkingen
>PIC FILE= "T0035593">
Top