Belangrijke juridische mededeling
Speciaal verslag vande Rekenkamer betreffende het scheppen of instandhouden van arbeidsplaatsen als resultaat van toekenning van investeringspremies in het kader van het
Publicatieblad Nr. C 345 van 31/12/1982 blz. 0001 - 0016
Speciaal verslag van de Rekenkamer
betreffende
het scheppen of instandhouden van arbeidsplaatsen als resultaat van toekenning van investeringspremies in het kader van het regionaal beleid
(Opmerkingen, Artikel 206 bis EEG)
Het onderhavige verslag werd door de Rekenkamer ingevolge artikel 206 bis (EEG) aangenomen op haar zitting van 30 juli 1982, nadat het op 18 februari 1982 aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor commentaar was toegezonden. De reacties van deze Instelling zijn afzonderlijk aan dit verslag toegevoegd
INHOUDSOVERZICHT
1. Eerste deel: Inleiding
1.1. Doel en algemene opzet van het verslag
1.2. De voorwaarden voor de steunverlening door het EFRO aan het bedrijfsleven
1.3. Samenhang tussen de EFRO-steun en de nationale regelingen tot steunverle ning in het kader van het regionaal beleid
2. Tweede deel: Moeilijkheden die inherent zijn aan de uitvoering van bepalingen die de premietoekenning relateren aan het werkgelegenheidseffect
2.1. De samenhang tussen premie, investering en werkgelegenheid
2.2. Methoden ter evaluatie en raming van het effect van de steunverlening op het scheppen van arbeidsplaatsen
2.3. De eis dat het gepremieerde project resulteert in het scheppen of instandhouden van een minimumaantal arbeidsplaatsen
3. Derde deel: Methoden tot vaststelling van de bereikte resultaten, vertaald in arbeids plaatsen
3.1. Geconstateerde verschillen in interpretatie van het begrip "arbeidsplaats"
3.2. Wat dient te worden verstaan onder "scheppen" of "instandhouden" van arbeidsplaatsen ?
3.3. Door wie en hoe worden de verklaringen omtrent het aantal arbeidsplaatsen afgegeven ?
3.4. Op welk moment wordt het aantal gecreëerde of in stand gehouden arbeids plaatsen geverifieerd ?
3.5. Sancties op de afwijkingen tussen de geraamde en de werkelijke resultaten op het stuk van de werkgelegenheid
4. Vierde deel: Conclusies
EERSTE DEEL
INLEIDING
1.1. Doel en algemene opzet van het verslag
1.1.1. Het voorliggende verslag handelt over het criterium van het scheppen of instandhouden van arbeidsplaatsen, zoals dat zowel in communautair als nationaal verband wordt gehanteerd bij de toe kenning van investeringspremies in het kader van het regionaal beleid.
Het doel van dit verslag is vanuit de controle-optiek na te gaan welke rol deze toets vervult en welke problemen daaraan zijn verbonden in het stadium van de behandeling van de aanvraag om een steuntoe-kenning en in dat van de uitvoering van de desbetreffende beschikkingen.
1.1.2. De communautaire reglementering voorziet in de vorm van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 724/75 van de Raad [1] in een instrumen tarium dat bestemd is om de voornaamste regionale onevenwichtigheden weg te werken, met name die welke voortvloeien uit een overheersende rol van de landbouw, veranderingen in het industriepatroon en structurele werkeloosheid in bepaalde regio's. In de voor het dienstjaar 1982 vastgestelde nomenclatuur van de algemene begroting zijn de desbetreffende uitgaven geraamd onder de hoofdstukken 50 en 51 van afdeling III-Commissie.
Naast de financiering van infrastructuurprojecten, die in dit verslag buiten beschouwing worden gelaten, maar waarvan evenzeer een niet te onderschatten stimulerende werking kan uitgaan op de ontwikkeling van de werkgelegenheid, voorziet het EFRO in financiering van in de nijverheidssector of dienstensector ter hand genomen investeringsprojecten die leiden tot het scheppen of instandhouden van arbeidsplaatsen.
Bij het ten aanzien van deze investeringsprojecten te voeren stimuleringsbeleid staat zowel het kwantitatieve als het kwalitatieve werkgelegenheidsaspect van deze projecten van meet af aan op de voorgrond; het is dus van wezenlijk belang dat de bepalingen die daarop betrekking hebben, eens onder de loep worden genomen om deze met name door te lichten op hun werking en draagwijdte.
1.1.3. In dit verslag zijn geen financiële overzichten of statistische opgaven opgenomen betreffende de door het EFRO verleende steun ter ontwikkeling van de werkgelegenheid in het bedrijfsleven en evenmin betreffende de behaalde of verwachte resultaten op het stuk van de werkgelegenheid. Dergelijke gegevens zijn namelijk van dien aard dat zij los staan van de in dit verslag behandelde problematiek.
Daarentegen zullen de hieronder volgende beschouwingen wellicht wél kunnen bijdragen tot een beter inzicht in en begrip van beschikbare gegevens, die in communautair of nationaal verband ter zake zijn geïnventariseerd.
1.1.4. In dit deel van het verslag wordt verder een kort overzicht gegeven van de voor de toekenning van EFRO-steun geldende algemene voorwaarden alsmede van de bestaande samenhang tussen het EFRO en de op nationaal niveau beschikbare instrumenten ten behoeve van het regionaal beleid.
In het tweede deel worden de investeringspremies waarin de behandelde regelingen voorzien, doorgelicht op hun effectiviteit voor de werkgelegenheidsontwikkeling. De belangrijkste obstakels die zich te dien aanzien voordoen, zijn te wijten aan moeilijkheden, verbonden aan het opstellen van prognoses inzake het scheppen van arbeidsplaatsen en het vaststellen van het verband tussen premie, investering en werkgelegenheid. Wat de eis betreft dat een minimumaantal arbeidsplaatsen gerealiseerd of in stand wordt gehouden, kan men stellen dat deze eis niet op goede gronden blijkt te steunen.
In het derde deel van dit verslag, dat voorafgaat aan een afsluitend deel met algemene conclusies, worden de resultaten van het werkgelegenheidsbeleid aan de orde gesteld. Hierin wordt een overzicht gegeven van de bij controles ter plaatse in de Lid-Staten ter zake gedane constateringen en wordt met name ingegaan op verschillen in interpretatie van de begrippen "arbeidsplaats" en "scheppen of instandhouden" van werkgelegenheid, waarvan sommige ook al in de jaarverslagen van de Rekenkamer zijn aangestipt — alsmede op de verschillende methoden die bij het afgeven van de verklaringen omtrent het aantal gecreëerde of instandgehouden arbeidsplaatsen en de keuze van referentieperiodes worden gehanteerd. Voorts handelt dit deel over de sancties die in sommige gevallen worden toegepast wanneer afwijkingen worden geconstateerd tussen het aantal geraamde en gerealiseerde arbeidsplaatsen.
1.1.5. De in dit verslag gepresenteerde uiteenzettingen gaan uit van de bevindingen inzake de EFRO-verordening zoals die ultimo 1981 van kracht was. Maar ook bezien vanuit het door de Commissie ingediende nieuwe wijzigingsvoorstel [2] blijft het grootste deel van dit verslag onverminderd zijn relevantie behouden.
1.2. Voorwaarden voor de steunverlening door het EFRO aan investeringsprojecten van het bedrijfsleven
1.2.1. Voor de steuntoekenning door het EFRO aan bedrijven van de nijverheids- en dienstensector gelden de volgende hoofdcriteria:
a) het betrokken investeringsproject wordt uitge voerd in gebieden die, met name wat de werkge legenheid betreft, als probleemgebieden kunnen worden aangemerkt en waarvoor ontwikkelings programma's zijn opgesteld;
b) met de realisatie van het betrokken project dient een investering van een bepaald minimumbe drag te zijn gemoeid en een bedrijfsvestiging, bedrijfsuitbreiding of bedrijfsreorganisatie in de industrie- of dienstensector te worden beoogd;
c) de te premieren investeringsprojecten moeten worden geselecteerd op grond van met name hun directe of indirecte gevolgen voor het werk gelegenheidsniveau en voorts dienen deze pro jecten te resulteren in het scheppen of instand houden van minstens tien arbeidsplaatsen;
d) aan het investeringsproject dient door de natio nale overheid in het kader van het regionaal beleid overheidssteun te worden verleend, in de vorm van hetzij premies, hetzij rentesubsidies (of het equivalent daarvan in het geval van met rentefaciliteiten verstrekte leningen) die uit hoofde van de investering of de gerealiseerde arbeidsplaatsen worden toegekend.
1.2.2. Het aandeel van het Fonds in de financie ring van de investeringsprojecten bedraagt 20 % van de totale kosten van het project. Dit financierings aandeel is echter gebonden aan een maximum van 50 % van het voor het betrokken project door de nationale overheid in het kader van haar regionaal beleid verleende steun; voorts is dit financierings aandeel gebonden aan een bepaald maximumbe drag per arbeidsplaats, waarvan de hoogte verschilt naargelang van de aard van het project.
Deze limitering beoogt te vermijden dat de steun aan zeer kapitaalintensieve investeringsprojecten wordt toegekend. Verder komt hierin het streven tot uitdrukking speciaal de werkgelegenheid te bevorderen. Aan ditzelfde streven beantwoorden de gunstigere toekenningsvoorwaarden die men laat gelden voor projecten welke nieuwe arbeidsplaatsen opleveren, dan wel betrekking hebben op de ambachtelijke nijverheid. Van dit laatste type projecten wordt namelijk a priori aangenomen dat deze relatief meer arbeidsplaatsen opleveren dan andere. De werkgelegenheid houdt dus zowel een voorwaarde als een verplichting in.
1.2.3. Ten slotte is het vanzelfsprekend dat de gerealiseerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen van duurzame aard moeten zijn, zodat de steun dus slechts aan economisch gezonde bedrijven kan worden toegekend.
1.3. Samenhang tussen de EFRO-steun en de nationale regelingen tot verlening van steun in het kader van het regionale beleid
1.3.1. Eén van de kenmerken van de EFRO-steun is dat deze aan de Lid-Staten wordt toegekend als gedeeltelijke vergoeding van de kosten van hun stimuleringsmaatregelen in het kader van het regionaal beleid. De EFRO-regelingen zijn dus complementair aan de diverse door de Lid-Staten in het kader van hun eigen regionaal beleid ingevoerde instrumenten, welke laatste verschillende vormen kunnen aannemen en, met name wat betreft de vereisten inzake de werkgelegenheid, in sommige gevallen stringenter en in andere gevallen flexibeler kunnen blijken dan de communautaire reglementering.
Het is dus zaak hier de voornaamste nationale pre-miëringssystemen, voor zover deze voor medefinanciering uit het Fonds in aanmerking komen, de revue te laten passeren en daarbij speciale aandacht te besteden aan de wijze waarop de hantering daarvan op de werkgelegenheidsontwikkeling is afgestemd.
1.3.2. Op de investering gerichte premiëringssystemen
1.3.2.1. Sommige premiëringssystemen zijn uitslui tend op investering gericht. Dit geldt met name voor de "Regional Development Grants" in Groot-Brit- tannië, de bijzondere regionale toeslagen uit hoofde van de "Wet Investeringsrekening" en de "Investe ringspremieregeling" in Nederland, wat betreft de uit hoofde daarvan toegekende basispremies, de ver schillende vestigingspremies in Frankrijk en verder geldt dit ook voor sommige in Italië bestaande steunregelingen voor bepaalde bergstreken of gebie den die met ernstige problemen van structurele aard te kampen hebben.
1.3.2.2. Dit betekent echter niet dat bij het opzet ten van dit soort systemen overwegingen inzake zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de werkgele genheid volledig buiten beschouwing zijn gelaten.
In de eerste plaats valt hierbij te bedenken dat de voor de toepassing van deze systemen aangewezen gebieden geselecteerd en afgebakend worden aan de hand van een aantal criteria waarvan het werkgelegenheidsniveau één van de belangrijkste is. In de tweede plaats zij er op gewezen dat voor sommige soorten investeringsprojecten, vooral voor die welke nieuwe hoog gekwalificeerde arbeidsplaatsen doen ontstaan, vaak een voorkeursbehandeling wordt toegepast. Hetzelfde geldt voor de middelgrote en kleine ondernemingen, waarvan namelijk steeds wordt aangenomen dat zij arbeidsintensiever dan andere zijn.
In sommige gevallen geldt dat van het totale in het project geïnvesteerde bedrag, voor de premietoekenning slechts een bepaald bedrag per arbeidsplaats in aanmerking kan worden genomen.
Dit is in Duitsland het geval met de toekenning van de "Investitionszulage" en de "Zuschüsse nach der Gemeinschaftsaufgabe — Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur", die neerkomen op investeringspremies voor bedrijfsvestigingen of bedrijfs-reorganisatie.
1.3.2.3. Bepalend voor het werkgelegenheidseffect is ook of de door het uitvoerend orgaan bij de toe kenning van de steun gegeven beschikking alleen maar een automatische uitvoering van de steunrege ling behelst, dan wel tot stand is gekomen mede uit hoofde van een beleidsmarge waarover dit orgaan beschikt. De ter zake uitgevoerde controles hebben namelijk uitgewezen dat naarmate het steuninstru- ment meer automatisch werkt, er minder mogelijk heden zijn om in te spelen op de werkgelegenheids- problematiek.
Wanneer daarentegen het uitvoerend orgaan over een grotere beleidsmarge beschikt, dan blijkt vaak dat bij de beslissingen van dit orgaan het werkgelegenheidseffect zwaar heeft meegewogen.
Dit is het geval met de premietoekenningen in België, Denemarken, Luxemburg en Ierland, waar de bij de premieaanvraag ingediende stukken mede een beschrijving dienen te omvatten van de werkgelegenheidseffecten — ook in kwalitatief opzicht — van de investeringsplannen.
1.3.2.4. Concluderend zou men kunnen stellen dat de op de investering gerichte premiëringssystemen van zodanige opzet zijn dat zij impliciet ook steeds de werkgelegenheidssituatie in de betrokken regio in aanmerking nemen en dat het werkgelegenheidsas pect meer tot zijn recht komt, naarmate het bij de uitvoering van de regeling betrokken orgaan over een grotere eigen beslissingsbevoegdheid beschikt.
1.3.3. Op de werkgelegenheid gerichte premiëringssystemen
Premiëringssystemen die uitsluitend op de werkgelegenheid zijn gericht, behoren tot de uitzonderingen. In zuivere vorm is dit type premiëringssysteem slechts van toepassing in Frankrijk in de vorm van de speciale steun aan de plattelandsontwikkeling en/of in Nederland in het geval van de voor de groeikern Lelystad geldende bijzondere vorm van investeringsstimulering, genaamd "Premieregeling Stimulering Ontwikkeling Lelystad — PSOL". Dit type premiëringssysteem wordt ook aangetroffen in België, waar het uitsluitend voor het midden- en kleinbedrijf geldt (met zeer ruime toepassingsmogelijkheden echter, daar aan de projecten niet noodzakelijkerwijs een investering behoeft te zijn gekoppeld). Dit soort systemen, waarvoor geen beroep kan worden gedaan op EFRO-middelen, en die vanuit controlestandpunt weinig doorzichtig zijn, zijn in het algemeen vooral bedoeld voor het midden- en kleinbedrijf; in het algemeen is de toepassing ervan niet gebonden aan minimumvereisten inzake het aantal en de kwaliteit van de arbeidsplaatsen.
1.3.4. Premiëringssystemen die zowel op de investering als op de werkgelegenheid zijn gericht
1.3.4.1. Deze categorie van premiëringssystemen kan, wat betreft de arbeidsplaatsen die met het inge diende investeringsplan zijn gemoeid, in twee groe pen worden onderverdeeld. De eerste groep bestaat uit wettelijke regelingen die op dit punt alleen maar als eis stellen dat een aantal arbeidsplaatsen wordt gerealiseerd of in stand gehouden. Tot deze groep kunnen worden gerekend de regeling inzake de "Kredite aus dem ERP-Regionalprogramm" in Duitsland, de in Frankrijk voor herstructureringsge- bieden geldende regeling tot toekenning van werk- gelegenheidspremies en de in Italië bestaande rege ling inzake bijdragen ten laste van de "Cassa per il Mezzogiorno". Sommige toepassingsmogelijkheden van de "Investeringspremieregeling" in Nederland en, wat betreft de dienstverlenende bedrijven, de regeling inzake de "Selective Financial Assistance" in Groot-Brittannië zijn hiervan varianten, die hier door gekenmerkt zijn dat het werkgelegenheidsef fect ook bepalend is voor de hoogte van de premie.
1.3.4.2. De Tweede groep van deze categorie bestaat uit die regelingen welke de premietoeken ning afhankelijk stellen van de realisering van een minimum aantal nieuwe arbeidsplaatsen. Soms is deze eis minder streng dan die welke het EFRO-sys- teem ter zake stelt: dit is, wat Frankrijk betreft, het geval met de daar geldende regeling voor premietoe kenning ten behoeve van de ambachtelijke bedrij ven, waarbij de hoogte van de premie op basis van het werkgelegenheidseffect wordt vastgesteld, zij het dat deze een bepaald percentage van het met het betrokken project gemoeide investeringsbedrag niet mag overschrijden.
Ook zijn er regelingen van deze groep op grond waarvan strengere eisen aan het werkgelegenheidseffect kunnen worden gesteld dan die van de EFRO-regelingen. Dit geldt bij voorbeeld voor de premie die in het kader van de Duitse regelingen inzake de "Investitionszulage" of de "Zuschüsse nach der Gemeinschaftsaufgabe — Verbesserung der regionalen Wirtschaftsstruktur" ten behoeve van bedrijfsuitbreidingen kunnen worden toegekend. Verder geldt dit ook voor de in Frankrijk geldende regelingen inzake investeringspremies voor activiteiten in de tertiaire sector en voor de bijdragen uit het "Fonds spécial d'adaptation industrielle" alsmede voor de in Italië voor bepaalde soorten dienstverlenende bedrijven bestaande premieregelingen.
Ten slotte omvat deze groep ook regelingen die dezelfde minimumeis stellen aan het werkgelegenheidseffect als de EFRO-regelingen. Dit is bij voorbeeld het geval met de in Frankrijk geldende regeling inzake vestigingspremies ten behoeve van onderzoekactiviteiten en met de in Griekenland van kracht zijnde algemene bepalingen inzake het regionale beleid.
1.3.4.3. Ook in deze gevallen is de totale steun aan een bepaald maximum gebonden doordat dit totaal hetzij gelimiteerd is tot een bepaald percentage van de totale investeringskosten, hetzij gerelateerd is aan de kosten per gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaats.
Alleen voor de Duitse regelingen, genoemd in de tweede alinea van het voorafgaande punt, geldt dat de bepalingen betreffende de realisering van het minimum aantal nieuwe arbeidsplaatsen zijn aangevuld met bepalingen die aan de betrokken arbeidsplaatsen kwalitatieve eisen stellen.
1.3.4.4. In sommige landen zijn termijnen, variërend van drie tot vijf jaar, voorgeschreven, waarbinnen de door de bedrijven in het vooruitzicht gestelde werkgelegenheidseffecten moeten zijn gerealiseerd. Maar er zij op geattendeerd dat in de meeste gevallen de in gebreke blijvende bedrijven zich in ruime mate kunnen beroepen op hardheidsclausules. Dit geldt echter zeker niet voor de Franse voorschriften ter zake en ook niet, zij het in mindere mate, voor die van Italië. In het algemeen bestaat de sanctie in een opschorting van de uitkering van de premie totdat het bedrijf zijn verplichtingen is nagekomen en slechts vrij zelden in een vermindering of zelfs de eis van terugbetaling van het premiebedrag.
TWEEDE DEEL
MOEILIJKHEDEN DIE INHERENT ZIJN AAN DE UITVOERING VAN DE BEPALINGEN DIE DE PREMIETOEKENNING RELATEREN AAN HET WERKGELEGENHEIDSEFFECT
2.1. Samenhang tussen premie, investering en werkgelegenheid
2.1.1. Zoals hiervoor al werd uiteengezet, houden alle Lid-Staten bij de toekenning van de premies rekening met het effect van de investering op de werkgelegenheidsontwikkeling. In bepaalde geval len vormt het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen het criterium voor de vaststelling van de grondslag van de premie, die dan wordt uitgedrukt in een bepaald bedrag per arbeidsplaats. Ditzelfde criterium kan ook dienen voor het indelen van de investering in een bepaalde categorie, terwijl de eigenlijke vaststel ling van de premie aan de hand van één of meer andere criteria geschiedt.
In werkelijkheid bestaat er een conglomeraat van stimuleringsmaatregelen, dat niet aan één maar aan een combinatie van diverse criteria schijnt te beantwoorden en varieert van een rechtstreeks effect op het investeringsniveau tot een rechtstreeks effect op het werkgelegenheidsniveau.
2.1.2. Ook al wordt algemeen aangenomen dat de ondernemers wegens de premietoekenning meer gemotiveerd en geneigd zijn om te investeren, toch is het moeilijk aan te tonen wat het werkelijke effect is van de premietoekenning zelf, dus los van de economische en financiële situatie waarin de betrokken onderneming zich bevindt of, kortom, los van het brede scala van de andere stimuleringsmaatregelen van de overheid.
De mate van beïnvloeding van het investeringsklimaat is zeker afhankelijk van de hoogte van het premiebedrag, maar ook van de mate waarin de ondernemer er staat op kan maken dat hij de subsidie krijgt. Wanneer de premie voor het grootste deel al in de aanloopfase van het investeringsproject wordt uitgekeerd, kan worden aangenomen dat hiervan een grotere stimulerende werking uitgaat dan van een premie die wordt uitgesmeerd over een aantal jaren na de start van het project.
2.1.3. De uitwerking van de premies op de ondernemingen varieert naargelang van de mate waarin deze economisch gezond zijn. In theorie hebben de premies de grootste stimulerende uitwerking op marginale bedrijven, maar de praktijk leert dat het zeer wel mogelijk is dat juist dit soort ondernemingen het hoogste percentage aan mislukte investeringsprogramma's scoren.
Het effect van de premie op de onderneming is in grote mate afhankelijk van de situatie waarin deze zich bevindt ten aanzien van wat haar levensstandaard zou kunnen worden genoemd, dat wil zeggen de spankracht waarover zij beschikt om zich normaal staande te houden bij veranderingen in het produktieproces.
Indien de onderneming over duidelijk meer span-kracht beschikt dan nodig is om te kunnen overleven, dan is het mogelijk dat zij het investeringsproject vroeg of laat ook zonder stimulans van buiten af ter hand zou hebben genomen. De premie zal in dat geval de onderneming een kostenbesparing en een versterking van haar economisch draagvlak opleveren.
Voor die ondernemingen welke of nog maar amper een overlevingskans hebben, of zich niet meer staande kunnen houden, kan de toekenning van de premie betekenen dat zij hierdoor daadwerkelijk nieuwe projecten kunnen aanvatten of zich, op zijn minst, kunnen handhaven. Maar dit gaat vooral op in een situatie van hoogconjunctuur. Er bestaat, wat dergelijke bedrijven betreft, het risico dat als gevolg van de premietoekenning bedrijfssluitingen worden opgeschoven naar een moment dat de conjunctuur is omgeslagen en dan dus plaatsvinden op een moment dat zij het minst gelegen komen.
2.1.4. Statistisch materiaal betreffende de presta ties die de gepremieerde bedrijven hebben geleverd of betreffende de kansen op overleving en rentabili teit die zij achteraf te bieden hebben, zijn niet beschikbaar. Het gebeurt echter wél vaak dat op de stimuleringsmaatregelen ten gunste van bepaalde ondernemingen na enige tijd nieuwe aanvragen van dezelfde ondernemingen om premietoekenning vol gen, terwijl dit toch in principe niet verenigbaar kan worden geacht met een doeltreffende steunverle ning.
2.1.5. Elk premiëringssysteem kan ook kansen op negatieve effecten in zich sluiten. Het subsidiëren van investeringsprojecten kan voor de betrokken ondernemingen betekenen dat zij er toe worden aangezet produktieprogramma's ter hand te nemen, die zij zonder premietoekenning niet zouden hebben gerealiseerd. Een dergelijk beleid houdt het gevaar in dat de keuze uitgaat naar investeringen met slechts een marginaal rendement en het is derhalve van belang dat voor de selectie van de te premiëren bedrijven en projecten criteria worden vastgesteld, die een afdoend antwoord geven op de vraag welke investeringen premiabel zijn.
2.1.6. Investeringspremies waarvan de toekenning gebonden is aan de voorwaarde dat een aantal arbeidsplaatsen wordt gecreëerd, worden doorgaans gunstig geacht voor de ontwikkeling van de werkge legenheidssituatie, ongeacht of zo'n maatregel bestaat in een werkgelegenheidspremie per in dienst genomen werknemer dan wel de vorm aanneemt van een bijdrage in de kosten van een investerings project, welke de onderneming aldus een kostenbe sparing oplevert.
Maar investeringen die rechtstreeks en op korte termijn resulteren in het grootste aantal nieuwe arbeidsplaatsen behoeven niet noodzakelijkerwijs te worden beschouwd als gunstiger voor de werkgelegenheidsontwikkeling dan investeringen waarvan de resultaten eerst op langere termijn merkbaar zijn, hetgeen vooral geldt voor de investeringen welke een stuwend effect hebben op andere activiteiten.
2.1.7. Om bij de aanwijzing van investeringspro jecten voor premietoekenning te kunnen komen tot een verantwoorde selectie, die dus gebaseerd is op alle daarbij in aanmerking te nemen beoordelings elementen, dient, ook waar het slechts het opstellen van een niet meer dan richtingaanduidende gedrags code betreft, op zodanige wijze een verband te wor den gelegd tussen de factoren werkgelegenheid, investering en premie dat daarbij ook de indirecte aspecten, zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve, en de indirecte effecten, zowel die op korte als die op langere termijn van het overwogen investerings project meegewogen kunnen worden.
Het aantal nieuwe arbeidsplaatsen dat de investering oplevert, is namelijk niet de enige graadmeter van het effect op de werkgelegenheidsontwikkeling. Daarnaast dienen deze arbeidsplaatsen ook te worden beoordeeld op hun duurzaamheid, dus hun con-currentieaspect, hun gevolgen voor concurrerende bedrijven, hun stuwend effect op het economisch proces, in het bijzonder de doorwerking ervan op afnemers en toeleveringsbedrijven.
2.1.8. Terecht is dus, ter zake van de hantering van het werkgelegenheidscriterium bij toekenning van financieringsbijdragen uit het EFRO, in artikel 5 van de EFRO-verordening de bepaling opgenomen dat de "directe en indirecte" gevolgen van de inves tering in aanmerking worden genomen.
Maar een juiste evaluatie van deze gevolgen stuit op zeer grote moeilijkheden, die in de volgende paragrafen nader worden belicht. Om zich een juist oordeel te kunnen vormen van de strekking en uitvoering van het vigerende systeem, is het zaak terdege acht te slaan op deze problematiek.
2.2. Methoden ter evaluatie en raming van het effect van de steunverlening op het scheppen van arbeidsplaatsen
2.2.1. Kan het aantal arbeidsplaatsen dat uit een investering resulteert, voldoende nauwkeurig worden geraamd? Van welke aard en kwaliteit zijn de ramingsmethoden? Zijn zij betrouwbaar?
Het antwoord op deze vragen is helaas teleurstellend. De belangrijkste verdienste van de methoden die worden gebezigd om zich een beeld te vormen van de ontwikkeling van de werkgelegenheid in een bepaalde onderneming is dat zij leiden tot rationeeldenken over de te verwachten potentiële ontwikkelingen, dat zij het mogelijk maken deze alternatieven te ordenen door de variabelen die daarvoor bepalend zijn, op te sommen en de waarschijnlijk-heidsgraad van hun gevolgen te schatten. Maar als deze methoden, om het even of zij nu bestaan in correlatie-analyses, extrapolaties of het uitwerken van wetenschappelijke modellen, worden toegepast om prognoses op te stellen omtrent de effecten van een investering op de werkgelegenheid, verkrijgt men uitkomsten die slechts in beperkte mate relevant zijn voor een verantwoorde raming.
2.2.2. Ramingen op wetenschappelijke grondslag zijn namelijk slechts mogelijk voor verschijnselen die worden bepaald door bekende grootheden. Zelfs wanneer de omstandigheden voor het opstellen van een raming van het werkgelegenheidseffect gunstig zijn, blijft onverminderd gelden dat deze weinig houvast bieden. De moeilijkheid schuilt niet zozeer in de ingewikkeldheid van de gebezigde methoden als wel in het grote aantal in aanmerking te nemen variabelen die voor een goed deel slechts bestaan in indicatoren van een waarschijnlijke ontwikkeling.
Ramingen kunnen betrekking hebben op ontwikkelingen op korte, middellange of lange termijn. Het is duidelijk dat in de onderneming de problemen inzake de dagelijkse bedrijfsvoering centraal staan bij het korte-termijnbeleid, terwijl de investerings-problematiek pas bij de besluitvorming inzake het beleid op middellange termijn de volle aandacht van de bedrijfsleiding krijgt.
Als een onderneming eenmaal tot de conclusie is gekomen dat de marktsituatie gunstige perspectieven biedt voor de fabricage van een bepaald pro-dukt en in een bepaalde hoeveelheid, is dit voor haar een aansporing daarop in te spelen door te besluiten tot een investering die mankracht en kapitaal in een zodanige onderlinge verhouding combineert dat daarvan een optimaal effect kan worden verwacht, dat vooral wordt bepaald door de prijs die voor elk van deze produktiefactoren moet worden betaald.
2.2.3. Het aantal arbeidsplaatsen dat met een investeringsproject is gemoeid, is aldus de resultante van de door de onderneming opgestelde berekeningen en aan de hand daarvan genomen beleidsbeslissingen over een aantal deelaspecten van de investering, namelijk een marktanalyse die ten grondslag ligt aan het besluit om een bepaald type produkten en een bepaalde hoeveelheid daarvan per tijdseenheid te gaan produceren, een keuze van bepaalde produktiemethodes, die op haar beurt leidt tot een bepaalde dosering van de produktiefactoren kapi taal en arbeid en een besluit omtrent de taken die naast de eigenlijke produktietaken moeten worden uitgevoerd (onderhoud, bewaking, verkoop en administratieve taken), welke zich vertakken tot bij de afnemer.
In dit verband zij er ook op gewezen dat de kosten van verwerving van de technologie die door de nieuw aangeworven arbeidskrachten moet worden toegepast, per tak van bedrijvigheid verschillen en in de tijd aan fluctuaties onderhevig zijn. Voorts kan bij de ontwikkeling van het beleid ter zake ook het feit dat eenzelfde produktieniveau kan worden bereikt door combinaties van technologie en arbeid in een andere onderlinge verhouding een punt van overweging uitmaken.
2.2.4. De raming krijgt aldus een minder solide karakter naarmate zij ruimer van opzet is, en dus niet alleen stoelt op enkele variabelen betreffende de positie van de onderneming in haar aanvangsstadium, maar ook op een vrij groot aantal indicatoren betreffende de te verwachten ontwikkeling van de werkgelegenheid en waar het dus gaat om factoren die van wezenlijk belang zijn voor significante ramingen.
Bij het uitwerken van een beleidsplanning, ook als die niet verder reikt dan de interne organisatie van een bepaald bedrijf, ziet men zich geconfronteerd met heel wat onzekerheidsfactoren zodra het er om gaat een prognose omtrent het werkgelegenheidseffect van een bepaalde investering op te stellen, waarbij met name wordt uitgegaan van de wending die de ontwikkeling van de bedrijfsresultaten zal nemen zodra een nieuw aangeschafte installatie operationeel is geworden. Hierbij komen vragen aan bod zoals: zal de afzetontwikkeling de mogelijkheid scheppen tot instandhouding van de nieuwe arbeidsplaatsen? Zal nog meer personeel moeten worden aangetrokken? Of zullen er integendeel ontslagen moeten vallen?
2.2.5. Zo bij deze ramingen betreffende micro-economische ontwikkelingen al zo veel ongewisheden om de hoek komen kijken, behoeft het geen betoog dat gelijksoortige gedachtenconstructies die betrek king hebben op de toekomstige ontwikkeling van hele beroepsgroepen en bedrijfssectoren of zelfs op die van de staatshuishouding en de internationale economische constellatie, nog onbetrouwbaarder zijn.
De moeilijkheden zijn niet alleen toe te schrijven aan de toenemende ingewikkeldheid van het bedrijfsleven en de economische processen, maar ook aan nieuwe ontwikkelingen die zich aandienen door steeds veranderde omstandigheden, zoals het opkomen van nieuwe en verdwijnen van andere technologie, veranderingen in de gedragscode en in de waardenhiërarchie, en ook de onbestendigheid van de algemene politieke en sociale situatie.
2.2.6. Derhalve kan men stellen dat een raming, die aan de hand van een voldoende aantal variabe len is opgesteld, onbetrouwbaar is en dat daarente gen een raming waarin maar weinig variabelen zijn verwerkt, niet significant is.
Zowel in het ene als in het andere geval levert de raming een beeld op dat niet voldoende representatief is voor het integrale effect van de investering op de werkgelegenheid, vooral wanneer de raming, zoals in het geval van de aanvragen tot steun uit EFRO-middelen, wordt voorgelegd in de vorm van een aantal te scheppen of in stand te houden arbeidsplaatsen.
Het op de markt verschijnen van een nieuwe onderneming kan negatieve gevolgen hebben voor concurrerende bedrijven: voor hoeveel ondernemingen vormt dit een aantasting van hun essentiële bestaansvoorwaarden? Hoeveel bedrijven moeten als gevolg daarvan hun personeelssterkte inkrimpen? Maar het nieuwe bedrijf kan ook een stuwend effect hebben op andere bedrijven, zodat die zich in zijn buurt komen vestigen om mee te profiteren van de gunstiger economische omstandigheden die het nieuwe bedrijf door zijn aantrekkingskracht op afnemers en leveranciers heeft gecreëerd.
2.2.7. Een ruimer opgezette raming zou de bij de toekenning van de steun betrokken uitvoeringsorganen de mogelijkheid bieden het betrokken project, zowel in het stadium van de behandeling van de steunaanvragen, als daarna, bij de controle op de realisering met meer kennis van zaken op hun merites te beoordelen.
In elk geval lijkt het onbetwistbaar dat het voor de goede werking van een op bevordering van de werkgelegenheid gericht premiëringssysteem vereist is dat bij de steunverlening het besluitvormingsproces mede een stadium omvat waarin de op het stuk van de werkgelegenheid verkregen resultaten, zowel de directe effecten op de onderneming zelf als het uitstralingseffect ervan, getoetst worden aan de daaromtrent opgestelde ramingen.
2.3. De eis van het scheppen of in stand houden van een minimumaantal arbeidsplaatsen
2.3.1. Voor de in het kader van het regionaal beleid ingevoerde premiëringssystemen, zowel de nationale als de communautaire, geldt dat sommige daarvan de steun aan investeringsprojecten van industriële, ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven afhankelijk stellen van het minimumaantal te scheppen of in stand te houden arbeidsplaatsen.
Voor een project dat deze drempel niet haalt, kan op deze premiëringssystemen geen beroep worden gedaan, wat ook overigens de verdienste van zo'n project moge zijn.
2.3.2. Het is duidelijk dat door een dergelijke bepaling kleine projecten van de premietoekenning worden uitgesloten, omdat die van weinig betekenis worden geacht en om aldus de steunverlening te kunnen concentreren op grotere projecten.
2.3.3. In de eerste plaats zij hierbij opgemerkt dat de praktische consequentie van deze drempel is dat deze vooral voor het midden- en kleinbedrijf moeilijk haalbaar is. Voor deze bedrijven kan deze drempel verder in een bepaald opzicht discriminerend werken, daar hierbij de omvang die de onderneming vooraf heeft, niet in aanmerking wordt genomen. Een grote onderneming immers die al over een grote personeelssterkte beschikt, kan immers veel gemak kelijker aan die eis voldoen dan een kleine onderne ming, voor wie een personeelsuitbreiding met het minimum aantal arbeidsplaatsen dat voor de pre mietoekenning is vereist, onevenredig groot is.
Zo'n beleid waarbij kleine projecten worden uitgesloten van steunverlening, lijkt niet opportuun, te meer daar kleine projecten, zowel wat de behandeling van de desbetreffende steunaanvragen als wat de controle op hun resultaten betreft, beter op hun doeltreffendheid en mate van realisering kunnen worden onderzocht dan grote projecten.
Voorts druist zo'n beleid in tegen de zowel in nationale als communautaire kringen van deskundigen steeds meer veld winnende opinie dat juist bij het midden- en kleinbedrijf de werkgelegenheid in bijzondere mate gestimuleerd dient te worden.
2.3.4. Daarenboven kan de eis van een minimumaantal te realiseren arbeidsplaatsen het gevaar inhouden, dat maatregelen die pas op lange termijn vruchten afwerpen, worden achtergesteld bij de kortetermijnplanning. Tevens schuilt in deze eis het gevaar dat het kwalitatieve aspect van de arbeidsplaatsen op de achtergrond raakt, terwijl toch vaak blijkt dat van sommige arbeidsplaatsen, ook al maken die slechts een klein aantal uit, maar bezet door mensen die nieuwe produkten gaan produceren, een stuwende werking kan uitgaan, die de stoot geeft tot een ontwikkeling welke op haar beurt bijdraagt tot het op gang brengen van nieuwe economische processen.
2.3.5. Ten slotte zij er nog op gewezen dat het feit dat de verordening voorziet in deze minimumeis, soms de consequentie inhoudt dat bij de beleidsuitvoering in een zekere zin geen mogelijkheden aanwezig zijn om een eerlijk oordeel te vellen over de vraag of de gepremieerde ondernemingen hebben laten blijken dat zij de verplichtingen die zij op grond van deze steun ten aanzien van de werkgelegenheid zijn aangegaan, naar behoren zijn nagekomen.
Immers, de onderneming die niet meer dan het minimumaantal vereiste arbeidsplaatsen heeft gerealiseerd, terwijl de ramingen een hoger peil uitwezen, behoudt haar aanspraken op steunverlening en wordt vaak geacht in voldoende mate aan haar verplichtingen te hebben voldaan, ook dan indien de gerealiseerde werkgelegenheid maar schraal afsteekt bij de gewekte verwachtingen.
DERDE DEEL
METHODEN TER VASTSTELLING VAN DE BEREIKTE RESULTATEN, VERTAALD IN ARBEIDSPLAATSEN
3.1. Verschillende interpretaties van het begrip "arbeidsplaats"
3.1.1. Ofschoon de verordening van het EFRO geen definitie geeft van het begrip "arbeidsplaats", kan dit worden omschreven als het geheel der taken die voorzien in een sociale behoefte en de gebruike lijke beroepsbezigheid van een persoon vormen.
Zo gezien betekent het creëren van een arbeidsplaats niet alleen het scheppen van de mogelijkheid om gedurende een bepaald aantal uren en tegen een regelingsloon werktaken uit te voeren, die een bepaalde vakbekwaamheid vooropstellen, doch tevens het daadwerkelijk belasten van een bepaald persoon met deze taken.
3.1.2. Onderzoek heeft aangetoond dat deze opvatting overeenkomt met de officiële normen in de verschillende Lid-Staten, die het aantal gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen bepalen aan de hand van het aantal personen dat daadwerkelijk in het arbeidsproces is ingeschakeld.
Deze onderzoeken hebben echter, voornamelijk in de Bondsrepubliek, eveneens aangetoond dat het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald aan de hand van de bestaande organigrammen zonder dat men zich afvraagt of de desbetreffende posten ook inderdaad bezet zijn. Dit is een fundamenteel verschillende benadering, waardoor het begrip "arbeidsplaats" veel ruimer wordt en moeilijker te controleren is. Uit onderzoeken in Beieren en Neder-Saksen is gebleken dat ondernemingen voor het scheppen van arbeidsplaatsen steun genoten op grond van organigrammen die berekend waren op uitbreiding, terwijl het personeelsbestand juist was ingekrompen.
3.1.3. De structuur van de arbeidsplaatsen kan in bepaalde gevallen of bij bepaalde soorten bedrijven bijzondere kenmerken vertonen, zoals korter werken of thuiswerk, zonder dat er nationale of communau taire bepalingen bestaan voor de omzetting van deze arbeidsplaatsen in standaard-arbeidsplaatsen.
In het Verenigd Koninkrijk werden seizoenbanen in het toerisme soms gelijkgesteld met arbeidsplaatsen op basis van een volledige dagtaak. In Frankrijk is, althans in bepaalde gevallen, een minimale arbeidsduur van vier maanden per jaar vereist.
Duitsland kent een systeem — dat echter volgens de EFRO-verordening niet in aanmerking komt voor communautaire steun — waarbij gecreëerde arbeidsplaatsen dubbel tellen, wanneer zij worden bezet met arbeidskrachten die in de leer of in opleiding zijn.
De EFRO-verordening maakt dit onderscheid niet en kent geen voorkeur voor bepaalde soorten arbeidsplaatsen op grond van hun specifiek economisch of sociaal belang. Men zou dit onderscheid kunnen maken in het stadium van het onderzoek en de selectie van de subsidiabele investeringen, dus bij de beoordeling van het effect daarvan op de werkgelegenheid, maar in de projectdossiers is hiervan geen sprake.
3.1.4. Ook de juridische definitie van de arbeidsplaatsen is in de verschillende landen niet uniform. Over het algemeen is het personeel dat de gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen bezet, met de gesubsidieerde onderneming verbonden door middel van een arbeidsovereenkomst. Het komt echter ook wel voor dat personen een dienstverleningsovereenkomst hebben, die minder zekerheden biedt, bij voorbeeld handelsvertegenwoordigers.
Sommige bedrijven verklaren de dienstverlening van schoonmaak-, bewakings- of onderhoudspersoneel — welke werkzaamheden contractueel kunnen worden toevertrouwd aan gespecialiseerde firma's en waarvan de omvang dus nauwelijks te controleren valt — als nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen. Ook komt het wel voor dat gebruik wordt gemaakt van vermenigvuldigingscoëfficiënten met behulp waarvan men, uitgaand van het aantal arbeidsplaatsen in de produktie, komt tot het totale in aanmerking te nemen personeelsbestand, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met afwezigen en verschillende gevallen van vervanging.
Maar deze coëfficiënten verschillen sterk van bedrijf tot bedrijf, met name naargelang van structuur en soort bedrijvigheid. Op een enkele uitzondering na maakt het werken met deze coëfficiënten het aantonen van het aantal arbeidsplaatsen er niet gemakkelijker op en zelfs als van de coëfficiënten op veel grotere schaal gebruik wordt gemaakt, kan de administratie in verband met de uitvoering van de bepalingen inzake het registreren van het aantal arbeidsplaatsen momenteel niet worden vereenvoudigd of verbeterd.
3.2. Wat dient men te verstaan onder het "creëren" of "instandhouden" van arbeidsplaatsen?
3.2.1. De steun van het Fonds wordt toegekend voor die investeringen waardoor arbeidsplaatsen worden gecreëerd of in stand gehouden. De geldende bepalingen geven echter geen definitie van wat dient te worden verstaan onder "creëren" of "instandhouden" van arbeidsplaatsen en een onderzoek naar de hierbij geldende normen in de Lid-Sta-ten toont aan dat de moeilijkheden op dit gebied verschillen naargelang het gaat om vestiging, uitbreiding of herstructurering van een bedrijf.
3.2.2. De meest eenvoudige situatie hierbij is de vestiging van een nieuw bedrijf. Dit heeft personeel nodig om te kunnen draaien en het totale perso neelsbestand is dan gelijk aan het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen.
Voor de toepassing van de verordening speelt het geen rol of het nieuwe bedrijf de plaats inneemt van een ander in dezelfde of in een andere streek gevestigd bedrijf, dat is of zal worden stilgelegd. Indien zo'n vervanging plaatsvindt ten koste van een economisch hoog ontwikkelde streek en ten gunste van een zwak ontwikkelde streek, wordt zij zelfs geacht te beantwoorden aan één der fundamentele doelstellingen van het regionale ontwikkelingsbeleid en de ruimtelijke ordening, waarvoor in sommige landen speciale zogenaamde "decentralisatiepremies" worden toegekend, maar waarvoor geen aanvraag voor restitutie uit het EFRO is ingediend.
3.2.3. Bij de uitbreiding van een onderneming doen zich soortgelijke problemen voor. Met uitbrei ding wordt gewoonlijk een verhoging van het produktiepotentieel nagestreefd, ten einde de bedrijvig heid op te voeren of te diversifiëren. Maar het doel van uitbreiding kan ook zijn werkzaamheden die voorheen gespreid waren, tot één geheel samen te voegen of zelfs produktiefasen die voorheen waren toevertrouwd aan toeleveranciers in eigen hand te nemen. Dergelijke veranderingen kunnen uiteraard van invloed zijn op het werkgelegenheidsniveau van de toeleveranciers.
3.2.4. In het onderzoekstadium van de steunaan vragen trachten de Lid-Staten de negatieve effecten die de verwezenlijking van een project door een onderneming en de daardoor gecreëerde arbeids plaatsen kunnen hebben op het reeds in dienst zijnde personeel, op te sporen, te analyseren en zoveel mogelijk tegen te gaan en in de nationale besluiten voor toekenning van steun zijn te dien einde vaak speciale voorwaarden opgenomen.
Dergelijke analyses zijn evenwel moeilijk uitvoerbaar en weinig gedocumenteerd en de te nemen maatregelen kunnen moeilijk verder reiken dan de gezamenlijke bedrijven van eenzelfde onderneming of concern, waardoor de draagwijdte ervan aanzienlijk wordt beperkt.
De aanpak op dit punt geeft overigens van land tot land grote verschillen te zien. De controles hebben uitgewezen dat er in Frankrijk een tendens bestaat om zo veel mogelijk uit te gaan van het totale personeelsbestand van de gesubsidieerde ondernemingen, terwijl in andere landen, zoals de Bondsrepubliek, Italië en het Verenigd Koninkrijk veel meer de nadruk wordt gelegd op het personeel dat werkzaam is in het kader van de gesubsidieerde investering.
3.2.5. De door het EFRO toegekende steun betreft voor een groot deel herstructureringen van ondernemingen, welke veelvuldig voorkomen in tijden van economische crisis en waarbij gewoonlijk de kwestie van het behoud van de werkgelegenheid om de hoek komt kijken.
Het precaire karakter van de in stand te houden arbeidsplaatsen houdt gewoonlijk verband met de rechtspositie van de te reorganiseren onderneming die failliet is gegaan of surséance van betaling heeft aangevraagd. Hieraan gelijkgesteld worden echter aanzienlijke financiële moeilijkheden van de onderneming, gebrek aan rentabiliteit of de noodzaak van aanpassing aan de concurrenten, hetgeen leidt tot een soepeler, maar ook moeilijker te controleren opvatting van het begrip "instandhouding" van werkgelegenheid.
Een juiste toepassing van de EFRO-verordening impliceert dat wordt voorkomen dat subsidies worden verleend voor de "instandhouding" van arbeidsplaatsen die eigenlijk niet in gevaar zijn. Voorts is het uiteraard van belang dat de stabiliteit van de "in stand gehouden" arbeidsplaatsen voldoende verzekerd is.
3.3. Door wie en hoe wordt de verklaring omtrent het creëren of het behoud van de arbeidsplaatsen afgegeven?
3.3.1. Er bestaan tussen de Lid-Staten fundamentele verschillen over de instantie die de verklaring omtrent het creëren of instandhouden van arbeidsplaatsen moet afgeven.
In Frankrijk zijn het verklaringen van een overheidsinstantie, in casu de arbeidsinspectie, opgesteld aan de hand van de loonlijsten van de betrokken onderneming, waarop gewoonlijk het aantal arbeidsplaatsen bij begin en einde van de uitvoering van het project is vermeld.
In Italië wordt het aantal arbeidsplaatsen dat de gesubsidieerde onderneming verklaart te hebben gecreëerd of in stand te hebben gehouden — rekening houdend met de voorwaarden om voor communautaire steun in aanmerking te komen — vastgelegd in het proces-verbaal van oplevering van de projecten, contradictoir opgesteld tussen de overheidsinstantie en de begunstigde van de investering.
In de meeste andere landen worden de verklaringen afgegeven door de ondernemingen zelf, die tevens vorm en inhoud ervan bepalen. In de Bondsrepubliek is het gebruikelijk dat de ondernemingen, vooral de grootste, accountantsbureaus of particuliere instanties inschakelen, die gespecialiseerd zijn in het certifiëren van financiële, administratieve of commerciële documenten.
3.3.2. In principe kunnen al deze verklaringen, voor zover ze niet door een overheidsinstantie zijn opgesteld, worden gecontroleerd door de diensten van de economische inspectie of door die van de arbeidsinspectie en van de sociale zekerheid. Verificaties in de Lid-Staten hebben aangetoond dat deze controles, mede gezien de praktische moeilijkheden van uitvoering, zelden worden verricht en volgens de ervaring van de Rekenkamer verlaten de overheidsinstanties, belast met de betaling van de premies, zich maar al te vaak op de hun voorgelegde verklaringen.
Deze controlemoeilijkheden, gevoegd bij het ontbreken van voorschriften betreffende de inhoud van de documenten en betreffende de instanties, belast met de afgifte ervan, doen uiteraard afbreuk aan de waarde van deze verklaringen.
3.4. Waaneer vindt er controle plaats op het aantal arbeidsplaatsen?
3.4.1. Om het aantal gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen te bepalen, dient de personeels sterkte niet alleen bij voltooiing van het investe ringsprogramma, maar ook bij de aanvang van het project te worden vastgesteld, althans bij uitbreiding of herstructurering van een onderneming.
3.4.2. Onder oorspronkelijke personeelssterkte dient te worden verstaan de sterkte bij het begin van de uitvoering van het investeringsprogramma, maar noch de communautaire, noch de nationale bepalin gen geven een nauwkeurige referentiedatum of -periode aan. Alleen in de Bondsrepubliek bestaan, in geval van uitbreiding van een onderneming, nauwkeurige voorschriften waarin de wijze van berekening van het desbetreffende aantal arbeids plaatsen is vastgelegd, gebaseerd op het gemiddelde over de twee aan het project voorafgaande jaren. De onderneming kan echter uitgaan van een lager cijfer, mits zij kan aantonen dat de geconstateerde daling structureel is.
In de meeste Lid-Staten gaan de ondernemingen gewoonlijk uit van de kleinste personeelssterkte die tijdens de aanvangsperiode van de investering is vastgesteld.
Dit is niet zonder belang omdat in de weken of maanden voorafgaand aan de uitvoering van de investering het aantal arbeidsplaatsen veranderingen kan hebben ondergaan die, ook al is daarbij geen opzet in het spel, tot gevolg kunnen hebben dat de personeelssterkte bij het begin van het project verschilt van het gemiddeld aantal personeelsleden van de onderneming.
3.4.3. Een soortgelijk probleem doet zich voor bij het bepalen van de personeelssterkte bij voltooiing van het project. Weliswaar wordt in dat geval in de besluiten tot toekenning van de steun vaker het tijdstip vastgelegd waarop het creëren of instand houden van de arbeidsplaatsen zijn beslag moet hebben, doch de meeste Lid-Staten laten, wat deze termijn betreft, een ruime marge toe.
De ondernemingen krijgen dan ook meestal een verlenging van de termijn, van rechtswege (door een aanvulling op het aanvankelijke besluit tot toekenning van de steun) of de facto (door het opschorten van de afhandeling van de dossiers), in de hoop op een later optredende verbetering waardoor de nagestreefde doeleinden alsnog kunnen worden bereikt. Niet zelden worden er dossiers aangetroffen, waarvan de afsluiting aldus is vertraagd, soms zelfs meer dan twee jaar.
In die gevallen waarin het gehoopte aantal arbeidsplaatsen niet geheel is bereikt, komt het ook vaker voor dat een nieuwe berekening wordt gemaakt van de aanvankelijke personeelssterkte. Het resultaat daarvan is dan gewoonlijk dat deze met enige eenheden wordt teruggebracht, waardoor het aantal nieuwe arbeidsplaatsen natuurlijk groter wordt.
3.4.4. In sommige Lid-Staten bepalen de van kracht zijnde voorschriften dat de gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen permanent moeten zijn om voor premiëring in aanmerking te komen, een voorwaarde die in de reglementering van het EFRO alleen impliciet wordt gesteld.
Er zijn herhaaldelijk gevallen geconstateerd van ondernemingen die, bij afsluiting van het gesubsidieerde investeringsprogramma, hun verplichtingen op het stuk van arbeidsplaatsen waren nagekomen, doch waar dan later het personeel vaak aanzienlijk werd ingekrompen, waardoor de bereikte resultaten weer gedeeltelijk te niet werden gedaan.
In Frankrijk schrijven recente bepalingen voor dat de gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen ten minste twee jaar moeten blijven bestaan, hetgeen twee jaar na de voltooiing van de projecten wordt gecontroleerd. In Italië moet de voor een normaal functioneren van het bedrijf vereiste personeelssterkte, als vermeld in het subsidiebesluit, gedurende ten minste vijf jaar worden gehandhaafd.
In de Bondsrepubliek heeft de overheidsinstantie het recht om gedurende vijf jaar na de voltooiing van de werkzaamheden controles uit te oefenen, doch het feit dat in dat land zowel een bezette als een onbezette arbeidsplaats als arbeidsplaats wordt beschouwd, vermindert het effect van dergelijke controles, althans voor zover het het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen betreft.
3.5. Sanctie op afwijkingen tussen de geraamde en de werkelijke resultaten op het stuk van de werkgelegenheid
3.5.1. De controles ter plaatse die de Rekenkamer in de Lid-Staten heeft uitgevoerd, zijn nog beperkt in aantal, en de bevindingen waartoe deze controles leiden, zijn niet representatief voor het totaalbeeld van de afwijkingen tussen prognoses en praktische resultaten.
Ook met dit voorbehoud blijkt toch dat ongeveer de helft van het aantal arbeidsplaatsen dat men verwachtte te creëren of in stand te houden, niet binnen de gestelde termijn werd gerealiseerd. In ieder geval is het aantal gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaatsen vaak kleiner dan volgens de in de steunaanvragen gegeven prognoses, die zowel op nationaal als op communautair niveau als basis dienen voor de onderzoekprocedures voor toekenning van de steun.
Desgevraagd geven de nationale diensten als verklaring voor deze afwijkingen de invloed van de recessie alsook de moeilijkheid om op het gebied van de werkgelegenheid enigszins betrouwbare prognoses op te stellen. Volgens deze diensten zou echter bij een gunstige ontwikkeling van de conjunctuur het beoogde doel later wel kunnen worden bereikt; voorts stellen zij dat het opvoeren van de investeringen, het rendement en de produktiviteit in de betrokken gebieden minstens even belangrijk is als onmiddellijke resultaten in termen van arbeidsplaatsen, daar iedere lange-termijnverbetering van de werkgelegenheid in deze gebieden slechts mogelijk is via uitbreiding en modernisering van de industriële basis.
3.5.2. Deze opvatting is al meteen strijdig met bepalingen in het EFRO-reglement, die de toekenning van steun uitdrukkelijk binden aan het tot stand brengen van industriële investeringen en aan een minimumaantal te creëren of in stand te houden arbeidsplaatsen. Het is duidelijk dat het project niet langer geheel of, in sommige gevallen, gedeeltelijk voor steun in aanmerking komt wanneer aan de reglementaire voorwaarden niet is voldaan.
Maar los van de reglementaire voorwaarden vormen de werkgelegenheidsprognoses een essentieel element voor de beoordeling en selectie van de voor subsidie in aanmerking komende investeringen, daar sommige projecten voorkeur hebben boven andere wegens de verwachte effecten op de werkgelegenheid.
Aanzienlijke afwijkingen tussen prognoses en praktische resultaten betekenen dan ook dat het verwachte effect van de gerealiseerde investering op de werkgelegenheid, dat één der voornaamste redenen voor de toekenning van de steun vormde, slechts ten dele is bereikt, en dan doet zich de vraag voor of de steun voor dergelijke projecten geheel of gedeeltelijk gehandhaafd moet blijven.
3.5.3. Deze vraag zou pas bevestigend kunnen worden beantwoord na een hernieuwd onderzoek van het project, ten einde te komen tot een nieuwe beslissing in plaats van de oorspronkelijke.
Een dergelijke gang van zaken wordt soms in de Lid-Staten gevolgd, echter nooit op communautair niveau, waar, mits het minimumaantal reglementair vereiste arbeidsplaatsen en het steunplafond per gecreëerde of in stand gehouden arbeidsplaats in acht worden genomen, de vastgestelde steun in zijn geheel wordt toegekend, tot 50 % van de nationale steun, zelfs indien het beoogde doel, in casu het scheppen van werkgelegenheid, slechts zeer ten dele is bereikt.
3.5.4. Het lijkt niet twijfelachtig dat iedere afwij king van betekenis tussen prognoses en praktische resultaten op het stuk van de werkgelegenheid behoort te worden gesanctioneerd bij de toekenning van de steun, daar anders één van de belangrijkste motieven hiervoor komt te vervallen.
Het ontbreken van werkelijke sancties op dit punt is voorts een aanmoediging voor het indienen van weinig zorgvuldige, en zelfs geflatteerde, prognoses, bedoeld om bij het onderzoek van de steunaanvragen een gunstige indruk te maken, zonder dat serieus wordt gepoogd de prognoses te doen overeenstemmen met de werkelijkheid.
VIERDE DEEL
CONCLUSIES
4.1. De van kracht zijnde communautaire bepalingen leveren nauwelijks aanwijzingen aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden vastgesteld wie of wat men wil steunen (economisch zwakke, noodlijdende sectoren, die dringend rationalisatie en herstructurering behoeven ten einde op lange termijn arbeidsplaatsen te redden, dan wel op de toekomst gerichte sectoren). Op grond van bedoelde bepalingen is het evenmin mogelijk te bepalen in welke mate elk der betrokken sectoren steun verdient, hetgeen de doorzichtigheid van het geheel niet ten goede komt.
Door vermindering van de kapitaalkosten kan de investeringssteun leiden tot een versterking van de tendens kapitaal in de plaats te stellen van arbeid. Zelfs wanneer de investeringssteun mede afhankelijk wordt gesteld van de te scheppen werkgelegenheid, kan de doeltreffendheid van deze steun toch moeilijk worden bepaald, vooral als men het effect ervan zowel kwantitatief als kwalitatief wil beoordelen.
De moeilijkheden die een gevolg zijn van de onvolkomenheid van de bij de prognoses gehanteerde methoden, worden nog vergroot door de problemen die ontstaan door de grote verscheidenheid van de nationale bepalingen en de verschillende wijze van toepassing daarvan in een systeem waar de bijdrage van het EFRO een niet-overwegend deel uitmaakt van de overheidspremie die wordt toegekend voor investeringen met een regionaal karakter.
Het valt niet te ontkennen dat controle op de mate waarin de door het EFRO gefinancierde investeringen de werkgelegenheid beïnvloeden moeilijk uitvoerbaar is. Maar deze controle is zeker gebaat bij een betere doorzichtigheid van het systeem.
4.2. In plaats van een raming te geven van het aantal te creëren arbeidsplaatsen zou het overigens juister zijn het aantal personen dat aan werk kan worden geholpen dank zij het tot stand komen van een bepaald project, in aanmerking te nemen, dan wel het zuivere aantal gecreëerde arbeidsplaatsen na investering. Het kan namelijk voorkomen dat een aantal arbeidsplaatsen verloren gaat parallel met die welke men verklaart te creëren of te willen creëren; voorts komt een aantal nieuwe arbeidsplaatsen ten goede aan werknemers uit andere bedrijven.
De investeringen kunnen leiden tot arbeidsplaatsen met een min of meer duurzaam karakter en met een gevarieerd aantal mogelijkheden wat de vakbekwaamheid van het personeel betreft. De arbeidsvoorwaarden in het bedrijf en de taakverdeling kunnen door het project aanzienlijk zijn gewijzigd.
Voorts moet in een aantal gevallen de wens tot het scheppen of in stand houden van arbeidsplaatsen wijken voor de eis tot instandhouding van het bedrijf zelf; immers, de technologische en economische ontwikkeling kan ertoe leiden dat de concurrentiepositie van een bedrijf of een sector van bedrijvigheid slechts kan worden verkregen of hersteld door inkrimping van het aantal arbeidsplaatsen.
De praktische gevolgen van een dergelijk complex van moeilijkheden dienen terdege te worden beseft door alle instanties die zich bezighouden met het versterken en verdiepen van de controle op de in het belang van de werkgelegenheid verkregen resultaten dank zij subsidiëring van investeringen. Wat deze controle betreft, is er weinig reden om fundamentele verbeteringen te verwachten.
4.3. Een verbetering zou evenwel kunnen worden verkregen door vermindering van het aantal onvolkomenheden en onderlinge verschillen in de geldende bepalingen die betrekking hebben op de arbeidsplaats alsmede op de mate van de ontwikke ling en het permanente karakter daarvan. Voorts is het van belang een nauwkeurige omschrijving te geven van de omvang van de verplichting tot het scheppen respectievelijk in stand houden van werk gelegenheid als voorwaarde voor toekenning van steun.
In de meeste landen zouden de methoden voor het vaststellen van de bereikte resultaten in termen van arbeidsplaatsen aanzienlijk kunnen worden verbeterd, waardoor de werkelijke omvang en de redenen van de afwijkingen tussen prognoses en werkelijke resultaten alsmede de invloed daarvan op de toekenning van de steun duidelijk zouden blijken.
4.4. Het lijkt van het grootste belang dat er van Gemeenschapswege in ruimere mate initiatieven worden ontwikkeld om de Lid-Staten aan te zetten tot een geleidelijke verbetering van hun aanpak der werkgelegenheidsproblematiek.
Een dergelijke verbetering in de beoordeling van de prognoses en de werkelijk verkregen resultaten op het stuk van de werkgelegenheid mag overigens niet worden beperkt tot iedere investering afzonderlijk, maar moet ook betrekking hebben op het totale effect op het niveau van de programma's of de programmaonderdelen.
Dit verslag werd door de Rekenkamer vastgesteld op haar zitting van 30 juli 1982.
Gedaan te Luxemburg, 4 augustus 1982.
Voor de Rekenkamer
Pierre Lelong
President
[1] Verordening (EEG) nr. 724/75 van de Raad van 18 maart 1975 (PB nr. L 73 van 21. 3. 1975, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 214/79 van de Raad van 6 februari 1979 (PB nr. L 35 van 9. 2. 1979, blz. 1) en Verordening (EEG) nr. 3325/80 van de Raad van 16 december 1980 (PB nr. L 349 van 23. 12. 1980, blz. 10).
[2] PB nr. C 336 van 23. 12. 1981, blz. 60.
--------------------------------------------------
Antwoorden van de Commissie
op het "speciale verslag" van de Rekenkamer betreffende het scheppen of in stand houden van arbeidsplaatsen als resultaat van de toekenning van investeringspremies in het kader van het regionaal beleid
1. De Commissie constateert dat de door de Rekenkamer in haar speciaal verslag neergelegde beschouwingen waarop commentaar wordt geleverd in het onderhavige document, hoofdzakelijk betrekking hebben op de consequenties van de uiteenlopende wijze waarop de nationale regelingen voor de toekenning van steun voor het scheppen van werkgelegenheid worden toegepast. Voor zover deze beschouwingen eveneens betrekking hebben op sommige van de bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de werking van het EFRO gelden, zal de Commissie in het hierna volgende teruggrijpen op de desbetreffende wijzigingen, die zij op 26 oktober 1981 bij de Raad heeft ingediend.
De samenhang tussen de EFRO-steun en de nationale regelingen tot steunverlening in het kader van het regionaal beleid (punt 1.3.)
2. Een van de kenmerken van de EFRO-maatregelen is dat deze — althans wat de quota-afdeling betreft — acties zijn ter ondersteuning van de op nationaal niveau vastgestelde maatregelen van regionaal beleid. De wijze van toepassing van de nationale stelsels van regionale steunverlening, welke ondergeschikt zijn aan de EFRO-voorschriften, wordt dus per definitie door iedere Lid-Staat zelf vastgesteld (punt 1.3.1.).
3. Het is waar dat de werkgelegenheid niet altijd dezelfde rol speelt bij deze wijze van toepassing, daar sommige van de nationale steunstelsels gericht zijn op investeringen (punt 1.3.2.), andere op de werkgelegenheid (punt 1.3.3.) en nog andere zowel op investeringen als op het scheppen van werkgelegenheid (punt 1.3.4.). Zelfs bij de uitsluitend op investeringen gebaseerdesteunstelsels wordt altijd impliciet rekening gehouden met de problematiek van de werkgelegen heid in de betrokken regio's.
Derhalve lijkt het dus niet absoluut noodzakelijk om op Gemeenschapsniveau over te gaan tot een harmonisering van de toepassingsmethodes van de nationale stelsels. Aangezien de belangrijkste verantwoordelijkheid voor het regionaal beleid in eerste instantie bij de Lid-Staten berust, bestaat de rol van de Commissie op dit gebied in het leveren van een bijdrage tot de richtingge-ving aan het regionaal beleid.
4. De versterking van deze actie tot coördinering van de doelstellingen van de verschillende vormen van regionaal beleid, welke absoluut noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat de economische beleidslijnen van de Lid-Staten op den duur met elkander samenvallen, is overigens terugte vinden in het voorstel tot wijziging van de EFRO-verordening, dat de Commissie op 26 oktober 1981 bij de Raad heeft ingediend en dat bovendien voorziet in een meer uitgesproken richtinggeving aan de diverse vormen van nationaal regionaal beleid, met name door middel van de financiering van overheidssteunregelingen in de sectoren industrie, ambacht en dienstverlening. De versterking van deze acties houdt evenwel niet in dat de nationale methodes voor de tenuit voerlegging van de maatregelen van regionaal beleid dienen te worden geharmoniseerd (punt 4.3.).
De doeltreffendheid van de bestuursrechtelijke voorschriften vanuit de invalshoek van hun invloed op de werkgelegenheid (punten 2.1., 2.2. en 2.3.)
5. De Commissie deelt de mening van de Rekenkamer dat de eigenlijke invloed van de investeringssteun afhankelijk is van de economische en financiële positie van het betrokken bedrijf en van de door de overheid getroffen stimuleringsmaatregelen (punt 2.1.2.) en dat de invloed van de investeringen op de werkgelegenheid niet alleen bepaald wordt door het aantal rechtstreeks in het leven geroepen arbeidsplaatsen, doch ook en met name door het duurzame karakter van deze arbeidsplaatsen en door het stuwende effect van de gesteunde investeringen (punt 2.1.7.).
Het stelsel voor de financiering van de programma's, zoals dat wordt ontvouwd in het voorstel tot wijziging van de EFRO-verordening, dat de Commissie op 26 oktober 1981 bij de Raad heeft ingediend en dat allengs het systeem van financiering van afzonderlijke projecten moet vervangen, is bedoeld om een beter algemeen overzicht van de EFRO-maatregelen en derhalve ook van hun algemene uitwerking op de werkgelegenheid te krijgen (punt 4.4.).
6. Voorts lijdt het geen twijfel — zoals de Rekenkamer trouwens aangeeft (punt 2.2. en, meer in het bijzonder, de punten 2.2.4. t/m 2.2.6.) — dat iedere prognose op het gebied van de instandhouding of het scheppen van werkgelegenheid niet alleen op micro-economisch niveau, d. w. z. op de bedrijfsvloer zelf, doch ook in een meer algemeen vlak (sector of regio) een hachelijke zaak is, daar er zoveel onzekerheden aan verbonden zijn. In dit verband zij erop gewezen dat het in de huidige economische omstandigheden geen verbazing behoeft te wekken dat de bedrijven slechts moeizaam op gang komen en dat, derhalve, het daadwerkelijk beschikbaar komen van arbeidsplaatsen langzamer verloopt dan voorzien was en dat het aantal van deze nieuw bezette arbeidsplaatsen beneden de oorspronkelijke ramingen blijft.
7. Wat de eis in verband met het scheppen of instandhouden van een minimum aan arbeidsplaatsen (punt 2.3.) betreft, waaromtrent de Rekenkamer met name betoogt dat deze tegen het streven naar bevordering van het werkgelegenheidspotentieel bij het klein- en middelgroot bedrijf indruist (punt 2.3.3.), zij erop gewezen dat de drempel van 10 arbeidsplaatsen per investering, zoals vastgesteld bij artikel 4, lid 1 a), van de huidige EFRO-verordening, in het bovenvermelde wijzigingsvoorstel niet meer voorkomt. Dit laatste behelst trouwens een aantal nieuwe maatregelen ten behoeve van het middelgroot en kleinbedrijf, in het kader van bepalingen ter financiering van maatregelen om profijt te trekken van het endogene ontwikkelingspotentieel van de verschillende regio's.
Methodes tot vaststelling van de bereikte resultaten, vertaald in arbeidsplaatsen (punten 3.1. t/m 3.5.)
8. In het zesde jaarverslag van het EFRO wees de Commissie er zelf op dat de in de nationale wetgevingen geconstateerde verschillen (punten 3.1. t/m 3.3.) — welke met name betrekking hebben op de overheidsdienst die op nationaal niveau beslist over het scheppen of in stand houden van de werkgelegenheid (punt 3.3.) — het bij de uitoefening van de controle ter plaatse niet altijdgemakkelijker maken te constateren of de desbetreffende bepalingen van de EFRO-verordeningal dan niet worden nageleefd. Toch heeft zij terzelfder tijd ook verklaard dat dit op zichzelf geenal te groot nadeel voor uitoefening van de controle was. Het authentieke karakter van de genoemde attesten, of die nu door een overheidsinstantie of door het bedrijf zelf worden opgesteld, is te verifiëren tijdens bedrijfsbezoeken, met behulp van, met name, de personeelsregisters, aan de hand waarvan trouwens ook het nettosaldo van de werkgelegenheid na de uitvoering van de door het EFRO gesteunde investering kan worden geconstateerd en, derhalve op het bedrijf zelf, in hoeverre er daar sprake is van instandhouding of schepping van werkgelegenheid (punten 3.4. en 4.2.).
9. Wat de sancties betreft die de Rekenkamer voor eventuele verschillen tussen de prognoses en de werkelijkheid op het gebied van de werkgelegenheid wenst op te leggen, met name in de vorm van een vermindering van de EFRO-steun (punt 3.5.), is de Commissie van oordeel dat een der gelijke sanctie niet gerechtvaardigd is, gezien het onbetrouwbare karakter van iedere werkgelegenheidsprognose, hetgeen trouwens door de Rekenkamer zelf wordt erkend (punt 2.2.). Ook alworden de voor de werkgelegenheid verwachte resultaten niet volledig bereikt, dan zal de Commissie toch niet tot een vermindering van haar steun overgaan, mits evenwel de investering waarvoor EFRO-steun werd verleend is uitgevoerd als voorzien was en mits alle in de EFRO-verordening gestelde voorwaarden en met name de in artikel 4, leden 1 a) en 2 a) voorgeschreven beperkingen worden nageleefd (zie eveneens punt 7).
10. Ten einde evenwel zorg te dragen voor de duurzaamheid van de geschapen werkgelegenheid — welke voorwaarde in de huidige EFRO-voorschriften slechts indirect gesteld wordt (punt 3.4.4.) — legt de Commissie in het voorstel tot wijziging van de EFRO-verordening, dat zijop 26 oktober 1981 bij de Raad heeft ingediend, de Lid-Staten de verplichting op om haar aan tegeven hoeveel arbeidsplaatsen er daadwerkelijk ontstaan zijn, binnen een termijn van drie jaar nade volledige uitvoering van de door het EFRO gefinancierde maatregelen op het gebied van de industriële, de ambachtelijke of de dienstverlenende bedrijvigheid.
Conclusies
11. De door de Rekenkamer in haar speciaal verslag neergelegde beschouwingen, welke betrekking hebben op het scheppen of instandhouden van werkgelegenheid via de toekenning van investeringssubsidies voor regionale stimuleringsdoeleinden, gelden per definitie voor een stelsel van financiering van afzonderlijke projecten en, derhalve, voor de rol die het criterium van het scheppen of instandhouden van werkgelegenheid in het kader van een dergelijk stelsel speelt.
In het voorstel tot wijziging van de EFRO-verordening, dat zij op 26 oktober 1981 bij de Raad heeft ingediend, heeft de Commissie echter niet alleen eeen nieuwe omschrijving gegeven van de doelstellingen van het regionaal beleid van de Gemeenschap, doch ook fundamentele wijzigingen in de methoden van steunverleningen van het EFRO aangebracht, ten einde het effect daarvan — met name op het scheppen van werkgelegenheid — te versterken en de daarvoor vereiste doeltreffendheid te vergroten. In dit verband heeft de Commissie, zoals hierboven reeds vermeld, voorgesteld om de regeling voor de financiering van afzonderlijke projecten — behalve wat de investeringsprojecten voor een hoger bedrag dan 40 miljoen Ecu betreft — allengs te vervangen door een stelsel van financiering van programma's voor met name overheidssteunregelingen in de sectoren industriële, ambachtelijke en dienstverlenende bedrijvigheid, aangezien deze regelingen met een dergelijk stelsel beter op de prioritaire behoeften van de regio's kunnen worden afgestemd.
Ofschoon sommige van de door de Rekenkamer ontvouwde denkbeelden, met name wat de onbetrouwbaarheid van iedere werkgelegenheidsscheppingsprognose betreft, vanzelfsprekend ook — ten opzichte van deze door de Commissie voorgestelde meer algemene benadering — steekhoudend blijven, is het daarom toch niet minder duidelijk dat deze ruimere benadering — welke trouwens tegen de achtergrond van een betere coördinering van de verschillende vormen van nationaal beleid moet worden gezien — de Commissie in staat moet stellen om niet alleen beter richting te geven aan de EFRO-maatregelen, doch ook om een beter algemeen overzicht te krijgen van het effect van deze maatregelen, inzonderheid op de werkgelegenheid.
Aangezien het leveren van een bijdrage tot het scheppen van werkgelegenheid het hoofddoel van het EFRO blijft, blijkt uit verscheidene van de, in het bovenvermelde wijzigingsvoorstel opgenomen nieuwe bepalingen, dat de Commissie ernaar streeft dat de EFRO-maatregelen van duurzame invloed op de werkgelegenheid zullen zijn. Dit geldt voor de nieuwe bepalingen met betrekking tot het verslag over de uitvoering van het programma voor regionale ontwikkeling, dat iedere Lid-Staat elk jaar aan de Commissie moet toezenden en dat met name cijfergegevens dient te behelzen inzake het resultaat van de regionale acties, zoals dat tot uiting komt in investeringen en werkgelegenheid. Hetzelfde geldt voor de reeds genoemde bepalingen (zie punt 10), die de Lid-Staten de verplichting opleggen om de Commissie binnen een termijn van drie jaar na de volledige uitvoering van de door het EFRO gefinancierde maatregelen mede te delen hoeveel arbeidsplaatsen er daadwerkelijk in het leven geroepen zijn dank zij investeringen in de door het EFRO gesteunde sectoren van industriële ambachtelijke of dienstverlenende bedrijvigheid.
--------------------------------------------------
Top