Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2026/114
16.1.2026
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/114 VAN DE COMMISSIE
van 15 januari 2026
tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gesmolten aluminiumoxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
(1)
Op 21 november 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van gesmolten aluminiumoxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC” of “het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”).
(2)
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 9 oktober 2024 was ingediend door Imerys S.A. (“Imerys” of “de klager”). De klacht is ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor gesmolten aluminiumoxide in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen.
1.2. Registratie
(3)
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/260 (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen (3).
1.3. Voorlopige maatregelen
(4)
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op 26 juni 2025 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarges en de marges die toereikend zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht om binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken.
(5)
De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, Chongqing Saite Corundum Co., Ltd. (“Saite”) en Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd. (“Runbao”), wezen op het ontbreken van nadere gegevens over de berekening van de geen schade veroorzakende prijs, die in de documenten wel werd genoemd maar niet beschikbaar is gesteld. Verder wees Runbao erop dat de Commissie een en dezelfde benchmarkprijs had gebruikt voor twee verschillende basisproducten, te weten aluminiumhydroxide in verschillende zuiverheidsgraden, hetgeen naar zijn mening feitelijk en economisch onjuist was. Het verzocht de benchmark voor het basisproduct met de lagere zuiverheidsgraad dienovereenkomstig aan te passen.
(6)
Het verzoek om nadere gegevens over de berekening van de geen schade veroorzakende prijs kon niet worden gehonoreerd omdat deze informatie vertrouwelijk en zeer gevoelig is, en verstrekking ervan de betrokken partijen schade zou kunnen berokkenen. Daarnaast gaf de Commissie aan dat bij verstrekking van samengevoegde cijfers altijd het gevaar bestaat dat vertrouwelijke gegevens van een zeer beperkt aantal producenten in de Unie openbaar worden gemaakt. Ten aanzien van de vermeende administratieve fout met betrekking tot de benchmarks voor aluminiumhydroxide merkte de Commissie op dat dergelijke opmerkingen geen verband houden met de juistheid van de berekeningen en dat er in dat stadium van het onderzoek niet op in kon worden gegaan. Deze opmerking wordt behandeld in punt 3.2.3.1.
(7)
Gebruikers en importeurs in de Unie, waaronder Reckel GmbH (“Reckel”) en Tyrolit — Schleifmittelwerke Swarovski AG & Co. KG (“Tyrolit”), uitten ernstige zorgen op methodologisch gebied. Volgens hen richtte de analyse van de Commissie zich uitsluitend op bruin gesmolten aluminiumoxide en bleef het brede scala aan kwaliteitsgradaties van gesmolten aluminiumoxide, met verschillende toepassingen en kostenstructuren, buiten beschouwing, hetgeen de vergelijkingen van prijzen en kosten heeft verstoord. Daarnaast hadden zij kritiek op het gebruik van brede en heterogene op tarieflijnen gebaseerde handelsstatistieken voor belangrijke basisproducten, waaronder gecalcineerd bauxiet en aluminiumoxide, en wezen zij erop dat deze betrekking hadden op producten met sterk verschillende kwaliteiten en prijzen. In sommige gevallen bleek een en dezelfde grondstof (gecalcineerd bauxiet) tweemaal te zijn meegeteld in afzonderlijke rubrieken.
(8)
Deze opmerkingen hadden geen betrekking op de rekenkundige juistheid van de meegedeelde berekeningen. Daarom worden zij in punt 3.2.3.1 van deze verordening besproken.
(9)
Tyrolit en Reckel uitten ook zorgen over de selectie van de bronnen voor redelijke bedragen voor VAA-kosten en winst. De desbetreffende ondernemingen waarbij deze bedragen werden opgevraagd, zouden actief zijn in niet-gerelateerde sectoren en dus niet-representatieve gegevens hebben verstrekt. In combinatie met het gebruik van benchmarkprijzen uit Brazilië voor bepaalde productiefactoren, waaronder aluinaarde en bauxiet, heeft dit volgens Tyrolit te hoge kostenbenchmarks opgeleverd. Zowel Tyrolit als Reckel waarschuwden dat het instellen van voorlopige antidumpingrechten van wel 136 % op het onderzochte product terwijl downstreameindproducten voor schuur-, slijp- en polijsttoepassingen rechtenvrij blijven, kan leiden tot sluiting van fabrieken van downstreamgebruikers in de Unie, verlies van geschoolde werkgelegenheid, en een grotere afhankelijkheid van ingevoerde eindproducten.
(10)
Evenzo hebben de gemaakte opmerkingen over de selectie van ondernemingen voor het verkrijgen van financiële gegevens over VAA-kosten en winst, de vermeende verstoring van benchmarks voor basisproducten, en de bredere economische gevolgen van de maatregelen geen betrekking op de juistheid van de rekenkundige berekeningen uit de voorafgaande mededeling. Deze zaken vallen onder de door de Commissie gemaakte bredere methodologische beoordeling en analyse van het belang van de Unie en kwamen uitvoerig aan de orde in punt 3.2.3.2.
(11)
Op 17 juli 2025 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1456 (4) (“de voorlopige verordening”) voorlopige antidumpingrechten ingesteld op gesmolten aluminiumoxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
1.4. Vervolg van de procedure
(12)
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht werd ingesteld (de “mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben de volgende belanghebbenden binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening gestelde termijn schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen ingediend:
—
de producenten in de Unie Imerys en Alteo Fused Alumina (“AFA”);
—
de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs Saite en Runbao;
—
de importeurs TRAXYS Europe SA en Reckel;
—
de gebruikers Calderys Deutschland GMBH, Calderys France S.A.S., Calderys Magyarorszag K.F.T., Calderys Italia SRL, Calderys Nordic AB, Calderys The Netherlands B.V. (“Calderys”), Tyrolit, ABRANOVA s.r.o. (“Abranova”), ANDRE ABRASIVE ARTICLES SP. Z O.O. SP.K, Vesuvius Poland Sp. z o.o. (“Vesuvius”), August Rüggeberg GmbH & Co. KG, PFERD-Rüggeberg S.A., Smirdex, ABRASIENNE, ArcelorMittal Refractories Sp. z o.o. (“ArcelorMittal”), MOLITAL ABRASIVI SRL, Federchimica–Aispec–Gruppo abrasive, G.W.S. GRINDING WHEELS SYSTEM SRL, GRANDINETTI SRL, Industria Mole Abrasive S.r.l., Mabtools France, RHI Magnesita GmbH, SAINT-GOBAIN ABRASIFS (“Saint-Gobain”), Syndicat National des Abrasifs et Superabrasifs, Granit Grinding Wheel Ltd., Techniflex Sp. z o.o. en ZAI AD, en
—
de producenten-exporteurs Binzhou Qinai New Material Co., Ltd, Chongqing Saite Corundum Co., Ltd., Henan Ant Advanced Materials Co., Ltd., Henan Hengxin Industrial & Mineral Products Co., Ltd., Henan Tuorui Abrasive Material Co., Ltd., Jiygo Refractory & Abrasive Ltd., Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd., Qingdao Sisa Abrasives Co., Ltd., Shandong Bosheng New Materials Co., Ltd., Shanxi Lvliangshan Minerals Co., Ltd., Yichuan Abrasives Industry Union, Zhengzhou Sinabuddy Mineral Co., Ltd. en Zhengzhou Goohe Co., Ltd., vertegenwoordigd door de Chinese kamer van koophandel van importeurs en exporteurs van metalen, mineralen en chemicaliën (China Chamber of Commerce of Metals Minerals & Chemicals Importers & Exporters, CCCMC) (“de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs”);
—
de gebruikersverenigingen Deutsche Feuerfest-Industrie e.V. (“DFFI”), Verband Deutscher Schleifmittelwerke e.V. (“VDS”), de Federation of European Producers of Abrasives (“FEPA”) en de European Refractories Producers Federation (“PRE”).
(13)
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Na de bekendmaking van de voorlopige verordening heeft de Commissie de belanghebbenden om een nadere reactie verzocht, met name met het oog op de beoordeling van het belang van de Unie, gelet op de uiteenlopende belangen van de betrokken partijen. Er zijn hoorzittingen gehouden met AFA, Imerys, PRE, VDS, Tyrolit, Saint-Gobain, ArcelorMittal, de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs, Saite en Runbao.
(14)
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien.
(15)
De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op gesmolten aluminiumoxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de mededeling van de definitieve bevindingen”). Opmerkingen die door de partijen na de mededeling van de definitieve bevindingen zijn ingediend, werden in de desbetreffende punten hieronder behandeld.
(16)
Na de in overweging 15 bedoelde mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Commissie alle belanghebbenden vervolgens een aanvullende mededeling van definitieve bevindingen doen toekomen. Deze aanvullende mededeling bevatte geactualiseerde bevindingen en overwegingen. De partijen werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over deze aanvullende mededeling, en de ontvangen opmerkingen werden in de desbetreffende punten hieronder behandeld.
1.5. Argumenten inzake de procedure
(17)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerden Reckel, Tyrolit en VDS aan dat in artikel 19 bis, lid 1, van de basisverordening wordt voorgeschreven dat de mededeling van de voorlopige bevindingen drie weken voor de instelling van voorlopige maatregelen moet worden gedaan. Volgens de belanghebbenden heeft de Commissie de informatie over de voorgenomen instelling van voorlopige rechten op 26 juni 2025 aan de belanghebbenden ter beschikking gesteld en daarmee gehandeld in strijd met artikel 19 bis, lid 1, artikel 7, lid 1, en artikel 5, lid 10, van de basisverordening, alsook met haar bericht van inleiding.
(18)
De Commissie merkte op dat in artikel 7, lid 1, van de basisverordening wordt bepaald dat voorlopige rechten niet eerder worden ingesteld dan drie weken na toezending van de informatie aan de belanghebbenden overeenkomstig artikel 19 bis. In deze bepaling wordt dus de termijn vastgesteld die ten minste moet verstrijken tussen de verstrekking van die informatie en de vaststelling van voorlopige maatregelen. In dit geval heeft de Commissie de informatie op 26 juni 2025 verzonden en op 18 juli 2025 voorlopige maatregelen ingesteld. De termijn bedroeg drie weken. Aan de vereisten van artikel 7, lid 1, is derhalve voldaan.
(19)
Verder wees de Commissie erop dat artikel 19 bis, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1173 van de Commissie (5), de inhoud en het doel van de mededeling van de voorlopige bevindingen behelst, terwijl in artikel 7, lid 1, het procedurele kader wordt vastgesteld voor het tijdschema van de voorlopige maatregelen. De wijziging van artikel 19 bis had geen gevolgen voor de in artikel 7, lid 1, vastgestelde termijn. Derhalve heeft de Commissie geoordeeld dat het argument met betrekking tot een vermeende schending van de vereisten voor de mededeling van de voorlopige bevindingen ongegrond was, en heeft zij dit argument derhalve afgewezen.
1.6. Argumenten inzake de opening van het onderzoek
(20)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft geen enkele belanghebbende andere argumenten of opmerkingen over de opening van het onderzoek ingediend dan die bedoeld in punt 1.4 van de voorlopige verordening. De Commissie heeft derhalve haar bevindingen en conclusies uit de overwegingen 6 tot en met 11 van de voorlopige verordening bevestigd.
1.7. Samenstelling van de steekproef
(21)
Aangezien met betrekking tot de steekproef van producenten in de Unie, importeurs en producenten-exporteurs geen opmerkingen zijn ingediend, heeft de Commissie de overwegingen 12 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd.
1.8. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
(22)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft geen enkele belanghebbende argumenten of opmerkingen ingediend met betrekking tot antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken. De Commissie heeft derhalve haar bevindingen en conclusies uit de overwegingen 29 tot en met 32 van de voorlopige verordening bevestigd.
1.9. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
(23)
Zoals aangegeven in overweging 33 van de voorlopige verordening had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”).
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
(24)
De Commissie wees erop dat, zoals uiteengezet in overweging 34 van de voorlopige verordening, het onderzochte product kunstmatig korund is, al dan niet chemisch welbepaald, ook bekend als gesmolten aluminiumoxide (“het onderzochte product”).
(25)
Door zijn hardheid en warmtebestendigheid wordt gesmolten aluminiumoxide met name gebruikt in twee industriële sectoren, te weten die voor schuur-, slijp- en polijstmiddelen en voor vuurvaste materialen. In de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen wordt het voor vele uiteenlopende toepassingen gebruikt, waaronder schuren, polijsten, slijpen en stralen. In de sector vuurvaste materialen wordt het gebruikt als vuurvast materiaal op plaatsen waar hoge temperaturen heersen, bijvoorbeeld als bekleding in ovens of smeltovens, en als vuurvaste steen. Daarnaast wordt gesmolten aluminiumoxide ook gebruikt bij de vervaardiging van technisch keramiek en als slijtvaste toevoeging aan oppervlaktecoatings in de bedrijfstak van gelamineerde producten.
2.2. Onderzocht product
(26)
De Commissie herinnerde eraan dat het betrokken product, zoals uiteengezet in overweging 38 van de voorlopige verordening, het onderzochte product van oorsprong uit de VRC is, dat thans valt onder de GN-codes 2818 10 11 , 2818 10 19 , ex 2818 10 91 en 2818 10 99 (Taric-codes 2818 10 91 20, 2818 10 91 40, 2818 10 91 91, 2818 10 91 99) (“het betrokken product”).
2.3. Soortgelijk product
(27)
Aangezien in dit verband geen argumenten of opmerkingen werden ingediend, worden de conclusies uit de overwegingen 40 en 41 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
(28)
Volgens enkele gebruikers in de Unie uit de sector vuurvaste materialen zijn gesmolten aluminiumoxide voor schuur-, slijp- en polijsttoepassingen en gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen niet uitwisselbaar vanwege hun verschillende fysische en chemische kenmerken, deeltjesgrootteverdelingen, eigenschappen, toepassingen, en het beeld bij de consument. Met name zijn volgens ArcelorMittal daarnaast de productie en de productiecapaciteit van gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen onvoldoende. ArcelorMittal baseerde dit argument op een schatting van het totale gebruik van gesmolten aluminiumoxide in de Unie, dat 400 000 ton bedraagt, waaronder 170 000 ton aan gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen. Volgens de belanghebbenden moet gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen daarom van de productomschrijving van het onderzoek worden uitgesloten.
(29)
De Commissie wees erop dat deze argumenten reeds zijn besproken in de overwegingen 42 tot en met 45, 307 en 308 van de voorlopige verordening. De Commissie wees er nogmaals op dat beide kwaliteitsgradaties dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken hebben, waaronder een vergelijkbaar aluminiumgehalte en smeltpunt, evenals een vergelijkbare hardheid en dichtheid. Variaties in deeltjesgrootteverdeling bleken veeleer een gevolg van processen die na afloop van het smelten plaatsvinden, en niet van intrinsieke productverschillen. De Commissie constateerde ook dat voor bepaalde toepassingen uitwisseling mogelijk is vanwege een aanzienlijke overlapping in deeltjesgroottes.
(30)
Bovendien merkte de Commissie op dat het argument over een beperkte productie en een beperkte productiecapaciteit in de Unie voor gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen geen verband houdt met de wezenlijke aard van het product. Zoals uiteengezet in de overwegingen 307 en 308 van de voorlopige verordening, constateerde de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie in staat is om de markt van de Unie de vereiste hoeveelheden te leveren, ook als het gaat om specifieke soorten van het betrokken product. Hoewel de productievolumes van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn afgenomen door invoer met dumping vanuit de VRC, merkte de Commissie op dat de bedrijfstak van de Unie zijn productiecapaciteit in deze periode sterk heeft onderbenut. Verder bevestigde de Commissie dat de beschikbare extra capaciteit ook de productie van gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen omvat, die onmiddellijk beschikbaar is of binnen zeer korte tijd in bedrijf kan worden genomen. Het argument over onvoldoende productiecapaciteit in de Unie komt nader aan de orde in punt 7.4.
(31)
Ten aanzien van het verbruik in de Unie wees de Commissie er verder op dat, zoals uiteengezet in de overwegingen 188 tot en met 190 van de voorlopige verordening, in het onderzoektijdvak in de Unie 305 360 ton is verbruikt. Het argument van ArcelorMittal over het geschatte verbruik van gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen en het totale verbruik van gesmolten aluminiumoxide is niet alleen in tegenspraak met de geverifieerde gegevens, maar komt ook niet overeen met de beoordeling van de European Refractories Producers Federation, de gebruikersvereniging die meerdere marktdeelnemers uit de Unie in de bedrijfstak vertegenwoordigt, die schatte dat het verbruik van gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen 80 000 ton bedroeg.
(32)
De Commissie blijft dan ook bij haar conclusie uit de overwegingen 42 tot en met 45 van de voorlopige verordening dat beide kwaliteitsgradaties een en hetzelfde product vormen, aangezien de door de belanghebbenden beschreven varianten geen materiële verschillen vertoonden die uitsluiting van gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen van de productomschrijving zouden rechtvaardigen.
(33)
Volgens Reckel verschilt sol-gel-korund van andere soorten gesmolten aluminiumoxide wat betreft zijn fysische, chemische en technische basiskenmerken, waaronder hardheid, breuktaaiheid, en thermische eigenschappen, en is het bij hoogwaardige precisietoepassingen niet zonder aanzienlijke operationele moeilijkheden uitwisselbaar. Daarom moet sol-gel-korund volgens Reckel dus van de productomschrijving van het onderzoek worden uitgesloten.
(34)
De Commissie wees erop dat deze argumenten reeds zijn besproken in de overwegingen 46 tot en met 48 van de voorlopige verordening. De Commissie herhaalde dat de fysische, chemische, en technische kenmerken van sol-gel-korund vergelijkbaar zijn met die van andere soorten gesmolten aluminiumoxide, en dat het onder andere een vergelijkbare hardheid, warmtebestendigheid en chemische stabiliteit heeft. Hoewel het in een ander proces en uit andere grondstoffen wordt geproduceerd, zijn deze verschillen niet van materiële invloed op de functionele eigenschappen van het product. Daarnaast zijn verschillen in kosten op zichzelf onvoldoende reden om sol-gel als een afzonderlijk product te behandelen. Uit het feit dat andere soorten gesmolten aluminiumoxide sol-gel kunnen vervangen, zij het met minder goede prestaties bij veeleisende toepassingen, blijkt dat zijn functionele overeenkomstigheid en uitwisselbaarheid toereikend zijn voor de meeste schuur-, slijp- en polijsttoepassingen.
(35)
De Commissie blijft dan ook bij haar conclusie uit de overwegingen 46 tot en met 48 van de voorlopige verordening dat sol-gel-korund onder de omschrijving van het onderzochte product valt.
(36)
Volgens een aantal belanghebbenden zou bruin gesmolten aluminiumoxide van het toepassingsgebied van de maatregelen moeten worden uitgesloten omdat het van wit gesmolten aluminiumoxide verschilt in zijn chemische samenstelling, onder meer door een lager Al2O3-gehalte en een grotere onzuiverheid. Volgens hen wordt bruin gesmolten aluminiumoxide bovendien niet in de Unie geproduceerd of is het slechts beschikbaar in hoeveelheden waarmee niet aan de vraag uit de Unie kan worden voldaan. Daarnaast is volgens de belanghebbenden de omschakeling van de productie tussen bruin gesmolten aluminiumoxide en wit gesmolten aluminiumoxide vanuit technisch oogpunt lastig, en blijkt uit marktgegevens dat de twee producten vanwege hun technische kenmerken of prijs niet gemakkelijk uitwisselbaar zijn.
(37)
De Commissie oordeelde dat bruin gesmolten aluminiumoxide weliswaar een iets lager Al2O3-gehalte heeft en meer onzuiverheden bevat dan wit gesmolten aluminiumoxide, maar dat deze verschillen geen materieel onderscheid in fysische, chemische of technische kenmerken vormen dat voldoende reden is om een afzonderlijk product te definiëren. Bovendien merkte de Commissie op dat het argument over een beperkte productie en een beperkte productiecapaciteit in de Unie voor bruin gesmolten aluminiumoxide geen verband houdt met de wezenlijke aard van het product. De Commissie merkte echter wel op dat bruin gesmolten aluminiumoxide momenteel door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd. Met betrekking tot de hoeveelheden constateerde de Commissie, zoals uiteengezet in de overwegingen 307 en 308 van de voorlopige verordening, dat de bedrijfstak van de Unie in staat is om, ook voor bruin gesmolten aluminiumoxide, de vereiste hoeveelheden aan de markt van de Unie te leveren. Verder bevestigde de Commissie dat een aanzienlijk deel van de beschikbare extra capaciteit, die onmiddellijk beschikbaar is of binnen zeer korte tijd in bedrijf kan worden genomen, verband houdt met de productie van bruin gesmolten aluminiumoxide. Het argument over onvoldoende productiecapaciteit in de Unie komt nader aan de orde in punt 7.4.
(38)
De Commissie heeft daarom geoordeeld dat bruin gesmolten aluminiumoxide onder de productomschrijving van het onderzoek valt en het argument voor uitsluiting ervan afgewezen.
(39)
Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat alle ontvangen opmerkingen over de productomschrijving onvoldoende grond voor productuitsluitingen vormen. Derhalve werden alle argumenten afgewezen.
3. DUMPING
3.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
(40)
Aangezien in dit verband geen argumenten of opmerkingen werden ingediend, worden de conclusies uit de overwegingen 49 tot en met 55 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.
3.2. Normale waarde
3.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
(41)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben Abranova, Tyrolit en VDS opmerkingen ingediend over het bestaan van verstoringen van betekenis.
(42)
Abranova was het niet eens met het gebruik door de Commissie van het begrip “verstoringen van betekenis” in de VRC. De onderneming voerde aan dat de kostenvoordelen van Chinese producenten hoofdzakelijk uit natuurlijke factoren voortvloeien: toegang tot grondstoffen, lagere energiekosten en jarenlange investeringen in technologie voor de beheersing van verontreiniging. De onderneming benadrukte dat de moeilijkheden die producenten in de Unie ondervinden daarentegen worden veroorzaakt door hoge elektriciteitsprijzen en de afhankelijkheid van ingevoerde grondstoffen. Abranova bestreed nadrukkelijk de zienswijze dat het politieke stelsel in de VRC of de doelen van het CPC-congres het bewijs zouden vormen voor systemische verstoringen van productiekosten. De onderneming benadrukte dat ook staatsondernemingen en particuliere ondernemingen in de VRC winstgevend moeten opereren en niet slechts op subsidies kunnen overleven. Voor het gebruik door de Commissie van staatsinvloed als bewijs voor verstoringen bestond daarom naar de mening van Abranova geen grond.
(43)
Zoals uiteengezet in de overwegingen 74 tot en met 110 van de voorlopige verordening verrichtte de Commissie een uitvoerige beoordeling op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening en constateerde zij het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC, die van invloed zijn op de vorming van productiekosten en prijzen. Uit het bewijsmateriaal bleek dat de staat een allesbepalende invloed op de economie heeft, onder andere op het gebied van energie, grondstoffen, arbeid, en de toegang tot financiering, hetgeen in de gehele sector van invloed is op kostenstructuren. De argumenten van Abranova deden aan deze bevindingen niets af. Het argument werd derhalve afgewezen.
(44)
Volgens Tyrolit ontbrak een deugdelijke onderbouwing voor het gebruik door de Commissie van algemene informatie om voor aluinaarde en bauxiet het bestaan van verstoringen van de grondstoffenmarkt vast te stellen. Het voerde aan dat aluinaarde en bauxiet op een geïntegreerde wereldmarkt worden verhandeld en dat de binnenlandse prijzen voor deze grondstoffen in de VRC nauw aansloten bij de internationale benchmarks. Naar de mening van Tyrolit was er geen grond voor het gebruik door de Commissie van algemene informatie, waarbij specifieke prijsstellingsgegevens van onder andere S&P Global Commodity Insights buiten beschouwing werden gelaten. Volgens Tyrolit kunnen voor sommige productiefactoren (bv. energie en arbeid) weliswaar verstoringen bestaan, maar gold dat niet in alle gevallen, en met name niet voor aluinaarde en bauxiet. VDS onderschreef deze zienswijze, en wees op informatie dat Chinese prijzen voor aluinaarde en bauxiet in grote lijnen aansloten bij de prijzen op de wereldmarkten, hetgeen in tegenspraak is met de bevindingen van de Commissie over verstoringen.
(45)
Zoals uiteengezet in de overwegingen 59 tot en met 110 van de voorlopige verordening blijkt uit het bewijsmateriaal in het dossier, waaronder het verslag van de Commissie over verstoringen van betekenis in de VRC, de klacht, en het eigen onderzoek van de Commissie, dat in de Chinese economie van aanzienlijke staatsinmenging sprake is, onder andere in de sectoren aluinaarde en bauxiet. Aan de Chinese overheid zijn vragenlijsten toegezonden over het bestaan van verstoringen van betekenis en verstoringen van de grondstoffenmarkt, maar hierop is geen reactie ontvangen. Ook heeft geen enkele Chinese producent-exporteur onderbouwde informatie verstrekt waaruit blijkt dat hun kosten voor basisproducten, waaronder aluinaarde en bauxiet, niet aan verstoring onderhevig zouden zijn. Tijdens het onderzoek werd daarentegen vastgesteld dat zowel staatsondernemingen als particuliere marktdeelnemers in deze sectoren eigendom zijn, of onder de zeggenschap of beleidstoezicht staan van de Chinese autoriteiten, waarbij planningsdocumenten en industriebeleid sterk op aluinaarde en bauxiet zijn gericht. In dit verband concludeerde de Commissie dat de prijzen en de kosten voor aluinaarde en bauxiet in de VRC niet als het resultaat van vrije marktwerking kunnen worden beschouwd.
(46)
Derhalve is de Commissie bij haar standpunt gebleven en worden de conclusies uit de overwegingen 56 tot en met 115 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.
3.2.2. Representatief land
(47)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen uitten Andre Abrasives Articles en VDS kritiek op de keuze voor Brazilië als representatief land.
(48)
Andre Abrasives Articles vroeg om een herbeoordeling omdat Brazilië niet geschikt zou zijn vanwege zijn sterk verschillende energiekostenstructuur en kleinere marktomvang, waardoor het land minder goed met de VRC vergelijkbaar is.
(49)
Het verzoek om de normalewaardemethode opnieuw te beoordelen en om Brazilië vanwege zijn kostenstructuur of marktomvang als representatief land af te wijzen, werd niet nader onderbouwd. De Commissie wees erop dat Brazilië overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening was geselecteerd op basis van de beschikbaarheid van betrouwbare en representatieve gegevens, zoals aangegeven in overweging 141 van de voorlopige verordening. Het argument werd derhalve afgewezen.
(50)
Daarnaast benadrukte VDS dat de Commissie aanvankelijk Mexico had afgewezen omdat in dat land productie zou ontbreken, maar vervolgens zonder duidelijke onderbouwing voor Brazilië had gekozen.
(51)
De Commissie wees erop dat Brazilië als representatief land is gekozen nadat was vastgesteld dat in Mexico, in tegenstelling tot Brazilië, daadwerkelijke productie van het onderzochte product ontbrak. Deze keuze werd ook ingegeven door opmerkingen van belanghebbenden, waaronder VDS, over het ontbreken van productie in Mexico. Het argument werd derhalve afgewezen.
(52)
De Commissie blijft derhalve bij haar standpunt en de conclusies uit de overwegingen 116 tot en met 143 van de voorlopige verordening worden hierbij bevestigd.
3.2.3. Bronnen voor de vaststelling van niet-verstoorde kosten
(53)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben diverse belanghebbenden opmerkingen ingediend over de benchmarks die zijn gebruikt voor bepaalde productiefactoren en over de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) die zijn gebruikt bij de berekening van de normale waarde.
3.2.3.1. Productiefactoren
(54)
Saite, Runbao, DFFI, PRE en Vesuvius uitten zorgen over het gebruik door de Commissie van Braziliaanse invoerprijzen voor bauxiet als bron voor niet-verstoorde prijzen. Volgens hen is Brazilië een belangrijke exporteur van bauxiet, en is invoer dus slechts een nichemarkt met dure producten, die niet representatief zijn voor de productiekosten van gesmolten aluminiumoxide. Bovendien is een aanzienlijk deel van de Braziliaanse invoer afkomstig uit de VRC, waardoor het risico van verstoringen ontstaat. De invoerstructuur van Mexico werd daarentegen diverser en economische relevanter geacht, en gezien als een betrouwbaardere grondslag voor het berekenen van de normale waarde.
(55)
De Commissie merkte op dat het gebruik van Braziliaanse invoerprijzen, als afspiegeling van de binnenlandse prijzen, in overeenstemming was met artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. Het feit dat Brazilië een grote exporteur van bauxiet is, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de invoerstatistieken van dat land, die betrekking hadden op een voldoende groot volume en voldoende diversiteit qua oorsprong. Zoals uiteengezet in de eerste mededeling over productiefactoren, was invoer van oorsprong uit de VRC uitgesloten van de berekening van de benchmark voor bauxiet. Ondanks zijn relatieve aandeel heeft invoer vanuit de VRC dan ook geen significante effecten op de prijzen van invoer uit de rest van de wereld, die aanzienlijk hoger zijn. Het argument werd derhalve afgewezen.
(56)
Ook betwistte Tyrolit de benchmarks voor aluinaarde en bauxiet, en benadrukte het daarbij dat deze basisproducten wereldwijd verhandelde grondstoffen zijn, waarbij de Chinese prijzen nauw aansluiten bij de internationale marktprijzen, en dat benchmarkprijzen daarom onnodig waren. Tyrolit en Saite uitten ook kritiek op het gebruik van Braziliaanse invoergegevens waarin hoogwaardige Spaanse uitvoer was verwerkt van gecalcineerd bauxiet dat niet vergelijkbaar is met standaard industriële grondstoffen, en wezen op tegenstrijdigheden, waaronder wijzigingen van GS-codes die niet van invloed waren op dumpingmarges. Zij betoogden dat de normale waarden een afspiegeling hadden moeten zijn van de niet-verstoorde Braziliaanse binnenlandse prijzen of, waar nodig, uitvoerprijzen, maar meenden uiteindelijk dat voor verstoringen van de grondstoffenmarkt in de VRC geen bewijs was dat vervangende benchmarks kon rechtvaardigen.
(57)
De Commissie wees erop dat benchmarks moesten worden vastgesteld omdat binnenlandse Chinese prijzen en kosten niet konden worden gebruikt vanwege het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC, zoals uiteengezet in de overwegingen 74 tot en met 110 van de voorlopige verordening. Braziliaanse invoergegevens werden gebruikt als meest geschikte bron van niet-verstoorde benchmarkprijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a). Het feit dat in invoerstatistieken gegevens zijn opgenomen die met speciale soorten producten verband houden, wil niet zeggen dat de dataset met invoergegevens, die voldoende volumes van uiteenlopende oorsprong omvatte, als geheel onbruikbaar is. Daarnaast hebben deze belanghebbenden niet nader aangetoond dat de benchmarks geen afspiegeling waren van niet-verstoorde binnenlandse Braziliaanse prijzen. Het argument werd derhalve afgewezen.
(58)
Volgens FEPA en Smirdex s.a. kopen Braziliaanse producenten van gesmolten aluminiumoxide bauxiet in eigen land in, waardoor invoerstatistieken niet relevant zijn voor kostenbenchmarks. Beide belanghebbenden deden de aanbeveling om gebruik te maken van, wat zij noemden, transparante en internationaal erkende indexen, waaronder die van S&P Global Commodity Insights of CBIX, die volgens de belanghebbenden een beter beeld van de realiteit op de markt geven. Verder wees Smirdex op informatie dat Braziliaanse marktprijzen voor bauxiet en aluinaarde slechts circa 10 tot 15 % hoger waren dan Chinese, hetgeen niet in overeenstemming is met de zeer hoge dumpingmarges die in de voorlopige verordening zijn vastgesteld.
(59)
De Commissie heeft artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening toegepast door gebruik te maken van gegevens van een representatief land waar de desbetreffende gegevens onmiddellijk beschikbaar waren. De benchmark voor bauxiet dat wordt ingekocht in het representatieve land, d.w.z. Brazilië, werd passend geacht. Daarnaast werden de vermeende prijsverschillen tussen Brazilië en de VRC niet onderbouwd en kwamen zij slechts voort uit niet-geverifieerde beweringen. Bijgevolg hebben de belanghebbenden niet aangetoond dat de voor bauxiet geselecteerde benchmark niet passend was, en dat de Commissie een andere methode zou moeten toepassen om een niet-verstoorde benchmark voor deze productiefactor vast te stellen. Ook merkte de Commissie op dat de benchmarkprijs voor bauxiet in dezelfde orde van grootte lag als de Chinese uitvoerprijs voor bauxiet, voor vuurvaste toepassingen, 85 %/2,0/3,15–3,2 (0-6 mm), fob Xingang, zoals door Metal Bulletin onafhankelijk opgegeven als sectorbenchmarks voor de wereldwijde bedrijfstak metaal en mijnbouw (Fastmarkets-prijzen). Het argument werd derhalve afgewezen.
(60)
Volgens Vesuvius had de Commissie niet duidelijk meegedeeld welke GS-codes zijn gebruikt voor de berekening van benchmarks voor bauxiet en gecalcineerd bauxiet. Het merkte op dat in de documenten van de voorafgaande mededeling werd gesproken over GS 2508 30 , terwijl in de voorlopige verordening de GN-codes 2606 00 12 en 2606 00 90 zijn gebruikt. Naar de mening van Vesuvius ontstaat hierdoor onzekerheid over de daadwerkelijk gebruikte gegevens, hetgeen afbreuk doet aan de transparantie van de methode. Daarom verzocht Vesuvius de Commissie om opgave van de juiste GS-codes die zijn gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.
(61)
De Commissie merkte op dat voor gecalcineerd bauxiet aanvankelijk in de eerste mededeling over productiefactoren GS-code 2508 30 is gebruikt, overeenkomend met aluminiumertsen en concentraten daarvan. Naar aanleiding van nader onderzoek en nadere verificaties ter plaatse bij de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, bevestigde zij dat gecalcineerd bauxiet correct is ingedeeld onder de GN-codes 2606 00 12 en 2606 00 90 , die in de voorlopige verordening zijn gebruikt voor het berekenen van de benchmarks. Met deze verandering werd de juiste douane-indeling gewaarborgd van de daadwerkelijk door de producenten-exporteurs gebruikte productiefactor, en bleef de onderliggende methode ongewijzigd. De verwijzing naar GS 2508 30 in eerdere documenten was gebaseerd op eerste informatie die was verstrekt door de producenten-exporteurs. In tabel 1 van de voorlopige verordening was alleen gecalcineerd bauxiet als basisproduct opgenomen omdat de producenten-exporteurs gecalcineerd bauxiet en geen ruw bauxiet gebruikten. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de methode stelselmatig op dezelfde wijze en transparant is toegepast, en het argument afgewezen.
(62)
Volgens Vesuvius werd in de methode van de Commissie voor de vaststelling van de energiekosten na aftrek van belastingen voor Chinese exporteurs, op basis van Braziliaanse elektriciteits- en gasprijzen, ten onrechte een belastingaftrek voor de ICMS-belasting van 17,5 % gebruikt. Het meende verder dat de ICMS-percentages in Brazilië uiteenliepen van 17 % tot 20 % en dat vele bronnen erop wezen dat transacties binnen deelstaten, waaronder de levering van energie, gewoonlijk binnen dit bereik vallen. Daarom meende Vesuvius dat in plaats van 17,5 % een gemiddeld percentage van 18,5 % had moeten worden gebruikt.
(63)
De Commissie stelde vast dat de meeste Braziliaanse deelstaten in het onderzoektijdvak voor industrieel elektriciteitsverbruik ICMS-percentages van 17 tot 18 % toepasten. Hoewel enkele staten hogere percentages hebben vastgesteld, werden deze primair toegepast op huishoudelijk verbruik boven bepaalde drempelwaarden, en niet op industriële gebruikers. De Commissie heeft daarom geoordeeld dat de aftrek van 17,5 % die in de voorlopige berekeningen is toegepast, een juiste afspiegeling van de gemiddelde condities voor industriële gebruikers was, en een redelijke en representatieve grondslag vormde voor de vaststelling van de energiekosten na aftrek van belastingen. Het argument werd derhalve afgewezen.
(64)
Derhalve bleef de Commissie bij haar standpunt en worden de conclusies uit de overwegingen 144 tot en met 160 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.
(65)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte Vesuvius op dat de Commissie gegevens van de IAO had gebruikt voor het werkelijk per week gewerkte aantal uren in de algemene fabricagesector in Brazilië (40,4 uur), hetgeen naar de mening van Vesuvius geen afspiegeling is van de economische activiteit die relevant is voor het onderzochte product. Volgens Vesuvius waren sectorspecifieke IAO-gegevens voor economische sector 23 (“Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten”) beschikbaar, waaruit blijkt dat het werkelijke aantal gewerkte uren per week 41,3 uur bedraagt, en hadden deze gegevens moeten worden gebruikt.
(66)
De Commissie onderzocht dit argument en bevestigde dat de dataset van de IAO uitgesplitste informatie voor economische sector 23 bevat. Aangezien de productie van het betrokken product binnen deze sector valt, heeft de Commissie de opmerking aanvaard. De Commissie heeft de benchmark voor loonkosten dienovereenkomstig opnieuw berekend door het eerder gebruikte aantal werkelijk gewerkte uren per week (40,4 uur) te vervangen door het sectorspecifieke aantal van 41,3 uur. Alle overige stappen in de methode bleven ongewijzigd. Deze aanpassing had tot gevolg dat de loonkosten per uur werden verlaagd van 58,36 CNY/uur tot 57,09 CNY/uur.
3.2.3.2. VAA-kosten en winst
(67)
DFFI en PRE merkten op dat de geselecteerde Braziliaanse ondernemingen (Tecnosulfur, Bozel Brasil S.A., en Trevo Industrial) geen betrouwbare vervangers voor de sector gesmolten aluminiumoxide waren, omdat zij actief waren op niet-gerelateerde gebieden, met andere productieprocessen en markten. Volgens DFFI en PRE waren deze ondernemingen geen afspiegeling van de economische of technische kenmerken van de productie van gesmolten aluminiumoxide.
(68)
Volgens Tyrolit waren de geselecteerde Braziliaanse ondernemingen daarnaast in beperkte mate vergelijkbaar met de bedrijfstak gesmolten aluminiumoxide. Waar Bozel, als producent van ferrolegeringen uit boogovens, nog enige gelijkenis met producenten van gesmolten aluminiumoxide vertoonde, werden Trevo en Tecnosulfur ongeschikt geacht. Trevo was actief als fabrikant van gipsplaat (6), in een geheel andere sector, en het bedrijfsmodel van Tecnosulfur vereiste aanzienlijk hogere VAA-uitgaven voor marketing, O&O en verkoopondersteuning. Tyrolit riep de Commissie op om deze ondernemingen te vervangen door gegevens van passender Braziliaanse producenten in de sector ferrolegeringen, die boogovens gebruiken voor de verwerking van erts en daarom bijzonder energie-intensief zijn, waaronder Ferbasa, RIMA, Nova Era Silicon of Ferro Ligas, waarvan de gepubliceerde jaarverslagen een betere benchmark zouden vormen.
(69)
Vesuvius voegde daaraan toe dat twee van de drie geselecteerde ondernemingen (Trevo en Tecnosulfur) geen band hadden met de productie van gesmolten aluminiumoxide. De activiteiten van Trevo beperken zich tot de fabricage van gipsplaat, waarbij geen elektrofusie plaatsvindt, terwijl Tecnosulfur ontzwavelingsproducten voor vloeibaar metaal levert (7). Hoewel Bozel met elektrische smeltovens werkt, benadrukte Vesuvius dat de door de Commissie gekozen ondernemingen over het geheel bezien onvoldoende vergelijkbaar zijn met producenten van gesmolten aluminiumoxide, zodat zij ongeschikt zijn voor de vaststelling van een betrouwbaar, niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst.
(70)
Gezien deze nieuwe opmerkingen werd vastgesteld dat de aanvankelijk geselecteerde ondernemingen vanwege hun activiteiten onvoldoende binding met de industriële sector gesmolten aluminiumoxide hadden, of dat het voor Bozel geconstateerde niveau van VAA-kosten van 2 tot 3 % niet redelijk werd geacht in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening aangezien zij te laag waren in vergelijking met het niveau van VAA-kosten van meer dan 10 % dat tijdens de beoordelingsperiode gewoonlijk werd aangetroffen voor ondernemingen die in deze sector actief zijn (8). Derhalve werden zij niet representatief geacht voor de sector gesmolten aluminiumoxide. Bijgevolg heeft de Commissie haar selectie opnieuw beoordeeld en getracht om ondernemingen te vinden met activiteiten die vanuit technisch en economisch oogpunt beter vergelijkbaar waren met de productie van gesmolten aluminiumoxide, ook indien zij waren ingedeeld onder een andere maar aanverwante NACE-code 24.1 (Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen). De nieuw geselecteerde ondernemingen zijn FERBASA, RIMA Industrial, Aço Verde do Brasil, MINASLIGAS en Viena Siderúrgica.
(71)
De Commissie oordeelde dat deze ondernemingen geschiktere vervangers van producenten van gesmolten aluminiumoxide waren omdat bij hun activiteiten in de sector ferrolegeringen productieprocessen worden toegepast en kostenstructuren worden gehanteerd die nauw aansluiten bij die van de productie van gesmolten aluminiumoxide. Meer in het bijzonder hebben zij belangrijke technische en economische kenmerken gemeen: i) productie in elektrische boogovens of elektrische ovens; ii) reductie-/smeltprocessen bij hoge temperaturen; iii) energie- en kapitaalintensieve kostenstructuren; iv) op mineralen gebaseerde toeleveringsketens voor grondstoffen; v) nuttige toepassing van bijproducten en milieubeheer; en vi) sterke banden met staalproducerende industrieën, waar gesmolten aluminiumoxide ook een belangrijke rol speelt als vuurvast basisproduct.
(72)
De Commissie heeft derhalve aanvaard dat de aanvankelijk in de voorlopige fase geselecteerde ondernemingen onvoldoende representatief waren. De berekeningen werden opnieuw uitgevoerd op basis van de financiële gegevens van ondernemingen in de sectoren ferrolegeringen en staal, die worden geacht een nauwere band te hebben met de productie van het onderzochte product. Zo werd gewaarborgd dat de benchmarks voor VAA-kosten en winst die voor de berekening van de normale waarde werden gebruikt, een betere afspiegeling vormen van de realiteit van producenten in vergelijkbare energie-intensieve bedrijfstakken. Op basis hiervan bedroegen de percentages voor VAA-kosten en winst 11,41 % en 5,63 % van de kostprijs verkopen.
(73)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte Imerys op dat de benchmark voor VAA-kosten en winst zou moeten worden herzien omdat hierin geen “niet-verstoorde en redelijke” niveaus tot uitdrukking zouden komen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. Het was van mening dat twee van de geselecteerde ondernemingen, te weten Aço Verde do Brasil en Viena Siderúrgica, vanuit technisch oogpunt niet met producenten van gesmolten aluminiumoxide vergelijkbaar zijn omdat zij niet in de sector ferrolegeringen actief zijn en hoogovens gebruiken in plaats van elektrische boogovens. Daarnaast waren volgens Imerys de VAA-kosten en winst van deze ondernemingen niet representatief, gezien de omvang en de winstgevendheid van Viena en de lagere VAA-kostenratio van Aço Verde do Brasil, op basis van de door Imerys gemaakte berekeningen van de VAA-kosten en winst. In dit verband moeten volgens Imerys de netto financiële lasten bij de vaststelling van de berekening van VAA-kosten niet van de teller worden afgetrokken. Ook verwees Imerys naar gepubliceerde onderzoeken op arbeidsrechtelijk gebied waarbij een aantal met Viena verbonden leveranciers betrokken waren, als bewijs van omstandigheden die niet in overeenstemming zouden zijn met normaal marktgedrag. Derhalve vroeg Imerys om deze twee ondernemingen uit te sluiten en om de benchmark opnieuw te berekenen, deze keer uitsluitend op basis van producenten die het daadwerkelijk vergelijkbaar acht.
(74)
De Commissie was van mening dat uit de aangevoerde argumenten niet bleek dat de hoogte van de VAA-kosten en de winst van de desbetreffende ondernemingen verstoord of niet-representatief waren. Hoewel misschien een andere soort oven wordt gebruikt, blijven de onderliggende productieprocessen vergelijkbaar voor de vaststelling van een redelijke vervanger op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a).
(75)
Verder merkte de Commissie op dat de beweringen met betrekking tot verschillen in de dynamiek van de toeleveringsketen of kosten structuren niet waren onderbouwd. De omvang van de onderneming is evenmin een relevante factor voor de vaststelling van de representativiteit. Met betrekking tot de VAA-kosten bevestigde de Commissie dat de VAA-kostenratio’s overeenkomstig de gangbare praktijk zijn berekend, waarbij relevante financiële opbrengsten en kosten in aanmerking werden genomen voor de vaststelling van het percentage VAA-kosten. Op basis van de eigen geverifieerde berekeningen van de Commissie vallen de VAA-ratio’s van beide ondernemingen binnen het bereik dat gewoonlijk voor vergelijkbare marktdeelnemers wordt vastgesteld.
(76)
Tot slot merkt de Commissie op dat de beweringen van Imerys over arbeidsrechtelijke aspecten betrekking hebben op lopende procedures waarbij bepaalde upstreamleveranciers betrokken zijn, en niet zozeer de ondernemingen zelf, en derhalve geen afbreuk doen aan de geschiktheid van hun financiële gegevens voor de vaststelling van de benchmark.
(77)
Derhalve bleef de Commissie bij haar standpunt dat de geselecteerde ondernemingen geschikt waren, en dat er geen grond was voor herziening van de benchmark.
(78)
Na de aanvullende mededeling van definitieve bevindingen herhaalde Imerys dezelfde opmerkingen die hij reeds na de mededeling van de definitieve bevindingen had ingediend, zonder nieuw feitelijk bewijsmateriaal of nieuwe informatie te verstrekken. De aanvullende mededeling van definitieve bevindingen had uitsluitend betrekking op de elementen die waren gewijzigd in het licht van de opmerkingen die waren ontvangen naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen, en de belanghebbenden werd verzocht alleen opmerkingen over die specifieke wijzigingen in te dienen. Aangezien de door Imerys herhaalde opmerkingen geen betrekking hadden op de elementen die waren gewijzigd, werd met deze opmerkingen geen rekening gehouden.
3.3. Uitvoerprijs
(79)
Aangezien in dit verband geen argumenten of opmerkingen werden ingediend, worden de conclusies uit de overwegingen 170 tot en met 172 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.
3.4. Vergelijking
(80)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen dienden Tyrolit en VDS opmerkingen in over de vergelijking.
(81)
Volgens VDS en Tyrolit heeft de Commissie niet meegedeeld welke specifieke kwaliteiten gesmolten aluminiumoxide zijn gebruikt bij de berekening van de normale waarde, en zij benadrukten daarbij dat het gezien de sterk uiteenlopende prijzen van verschillende kwaliteitsgradaties alleen zinvol is om zaken te vergelijken die ook echt vergelijkbaar zijn. Zij voerden aan dat de Braziliaanse prijzen voor het onderzochte product in het algemeen slechts 10 tot 15 % hoger zijn dan de Chinese, en wezen op prijsverschillen gaande van –18 % tot +16 % tussen Runbao en Elfusa, bekende producenten van het onderzochte product in Brazilië. Ook betoogden zij dat de in de voorlopige verordening gemelde buitensporige dumpingmarges voortvloeien uit methodologische fouten, waaronder een overmatig brede productdekking, het gebruik van niet-representatieve gegevens, en tekortkomingen in gebruikte Braziliaanse prijsstellingen, en merkten daarnaast op dat volgens Elfusa zelf een redelijke prijs voor bepaalde kwaliteiten aluinaarde 30 tot 35 % hoger dan de Chinese prijzen zou zijn.
(82)
De Commissie wijst erop dat alle relevante parameters die aan de berekeningen van de dumping ten grondslag liggen, zijn meegedeeld overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening, en dat de belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld om opmerkingen over de belangrijkste feiten te maken. De argumenten dat de Braziliaanse prijzen voor het onderzochte product slechts 10 tot 15 % hoger dan de Chinese zijn, dat uit verschillen tussen de prijzen van Runbao en Elfusa methodologische tekortkomingen blijken, of dat “redelijke” prijzen 30 tot 35 % hoger dan de Chinese zouden moeten zijn, werden niet nader onderbouwd. De bevindingen van de Commissie waren gebaseerd op geverifieerde gegevens van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en benchmarks zoals omschreven in punt 3.2.3.1 van de voorlopige verordening. De Commissie heeft derhalve geoordeeld dat haar methodiek in overeenstemming is met de toepasselijke wettelijke bepalingen uit de basisverordening, in overeenstemming was met de vaste praktijk, en dat de voorlopige dumpingmarges op een juiste wijze zijn vastgesteld.
3.5. Dumpingmarges
(83)
Zoals omschreven in overweging 72, heeft de Commissie de dumpingmarges herzien naar aanleiding van onderbouwde en aanvaarde argumenten van belanghebbenden.
(84)
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben August Riiggeberg GmbH & Co. KG, PFERD-Riiggeberg S.A. en VDS opmerkingen over de dumpingmarges ingediend.
(85)
Volgens August Riiggeberg GmbH & Co. KG en PFERD-Riiggeberg S.A. was de residuele dumpingmarge van 136,36 % onevenredig en vormde zij geen afspiegeling van de werkelijke marktomstandigheden. Zij voerden aan dat het residueel recht was afgeleid van een subset van de verkopen van de producent met de grootste marge, en om die reden niet representatief was. Ook verklaarden de belanghebbenden dat zij de berekening niet konden verifiëren vanwege een gebrek aan transparantie, maar meenden zij dat deze waarschijnlijk onjuist was, mogelijk omdat niet-verenigbare producten met elkaar worden vergeleken. Naar hun mening zijn de werkelijke prijsverschillen tussen Chinees en Braziliaans kunstmatig korund aanzienlijk kleiner dan door de Commissie aangegeven, zelfs tijdens recente marktschommelingen in verband met de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis.
(86)
De residuele dumpingmarge is vastgesteld op basis van geverifieerde bevindingen over een subset van de verkopen van Saite, de in de steekproef opgenomen exporteur met de hoogste dumpingmarge. Deze subset, die 7 % vertegenwoordigt van zijn uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het onderzoektijdvak (en [4,8] % van de uitvoer van het betrokken product door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs), werd als een passende en representatieve grondslag beschouwd voor de vaststelling van het residueel recht dat voor niet-meewerkende exporteurs van toepassing is, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. De Commissie deelde de belangrijkste feiten en overwegingen die de grondslag voor de berekening vormden mee, en droeg daarbij zorg voor een passend evenwicht tussen transparantie en de bescherming van vertrouwelijke informatie. Niet door bewijsmateriaal gestaafde beweringen over mogelijke fouten of onevenredigheid konden niet worden aanvaard. De productvergelijkingen en de vaststelling van de normale waarde hebben plaatsgevonden op basis van de toepasselijke wettelijke bepalingen en de vaste praktijk van de Commissie. Derhalve werden deze argumenten afgewezen.
(87)
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht) grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
Onderneming
Definitieve dumpingmarge (%)
Chongqing Saite Corundum Co., Ltd.
99,8
Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd.
88,7
Andere meewerkende ondernemingen
94,5
Alle overige invoer van oorsprong uit de VRC
110,6
4. SCHADE
4.1. Algemene opmerkingen
(88)
Een aantal belanghebbenden betoogde dat de voorlopige analyse van schade en oorzakelijk verband gebrekkig was omdat bepaalde delen van de markt niet afzonderlijk werden geanalyseerd. Volgens hen was een uitgesplitste schadeanalyse voor verschillende productsoorten gerechtvaardigd vanwege verschillen in fysische, chemische en technische kenmerken tussen de productsoorten. Meer specifiek waren ArcelorMittal, Saite en de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs van mening dat afzonderlijke analyses vereist waren voor gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen. De door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs bepleitten ook een aparte schadeanalyse voor sol-gel. Volgens Reckel en Tyrolit zijn de schadeberekeningen voor Runbao gebaseerd op een mismatch in de productmixen omdat Runbao hoofdzakelijk bruin gesmolten aluminiumoxide produceerde, terwijl de productie van de bedrijfstak van de Unie primair gericht is op wit gesmolten aluminiumoxide. Tyrolit betoogde dat de schadeberekeningen voor Saite zelfs nog minder representatief zijn omdat Saite alleen bruin gesmolten aluminiumoxide produceert.
(89)
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen uit de Unie bruin gesmolten aluminiumoxide produceren. De in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs bleken rechtstreeks te concurreren met de producten die worden gefabriceerd door de bedrijfstak van de Unie, waaronder bruin gesmolten aluminiumoxide. Derhalve is de schadeanalyse representatief en komt de werkelijke mededinging op de markt erin tot uitdrukking.
(90)
Daarnaast bevestigde de Commissie, om redenen die in de overwegingen 42 tot en met 48 van de voorlopige verordening zijn genoemd en hierboven in de overwegingen 28 tot en met 39 zijn herhaald, dat het onderzochte product als één enkel product moet worden behandeld. De Commissie merkte op dat het ontbreken van volledige onderlinge uitwisselbaarheid van de productsoorten en het feit dat de kwaliteitsgradaties van producten verschillen, niet volstaan om een beoordeling per segment noodzakelijk te maken. De opmerkingen die na de mededeling van de voorlopige bevindingen zijn ontvangen, doen aan deze bevindingen niets af. Daarnaast worden alle productsoorten via dezelfde kanalen gedistribueerd en aan dezelfde groepen afnemers verkocht. Hieruit blijkt dat de producten deel uitmaken van dezelfde concurrerende markt. De Commissie bevestigde dat de essentiële functionele kenmerken van de verschillende soorten gesmolten aluminiumoxide in voldoende mate overeenkomen, en dat de prijsverschillen tussen verschillende soorten producten reeds in aanmerking zijn genomen in de PCN-methode die wordt toegepast om prijsonderbieding te onderzoeken.
4.2. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
(91)
Aangezien er geen opmerkingen over de definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 186 en 187 van de voorlopige verordening bevestigd
4.3. Verbruik in de Unie
(92)
Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Unie zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 188 tot en met 190 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.4. Invoer uit het betrokken land
4.4.1. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
(93)
Volgens Saite en Runbao was de aanpassing in het PCN voor bruin gesmolten aluminiumoxide, zoals uiteengezet in de overwegingen 11 en 199 van de voorlopige verordening, onjuist gezien het technische onderscheid tussen de twee kwaliteitsgradaties. Daarom betoogden Saite en Runbao dat door de producenten-exporteurs geproduceerd bruin gesmolten aluminiumoxide van tweede kwaliteit, bij gebrek aan productie in de Unie van bruin gesmolten aluminiumoxide van tweede kwaliteit, uit de prijsvergelijking zou moeten worden verwijderd of dienovereenkomstig zou moeten worden aangepast.
(94)
Daarnaast wordt volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs afbreuk gedaan aan de analyse van prijsonderbieding omdat hiervoor een analytisch kader ontbreekt en gebruik wordt gemaakt van een vergelijking van gemiddelde prijzen waarin geen rekening wordt gehouden met het onderscheid tussen de verschillende productsoorten. Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs komen in de grote bandbreedte van invoerprijzen voor gesmolten aluminiumoxide, die niet alleen bij invoer uit de VRC maar ook uit derde landen te zien is, verschillen in de aard van de gefabriceerde producten tot uitdrukking, waardoor de vergelijking mank gaat.
(95)
Daarnaast betoogden de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs dat geen deugdelijk onderbouwde beoordeling van verhindering van prijsverhogingen had plaatsgevonden.
(96)
Met betrekking tot het argument over de aanpassing van het PCN merkte de Commissie op dat, zoals uiteengezet in overweging 11 van de voorlopige verordening, tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat het onderscheid tussen bruin gesmolten aluminiumoxide van eerste en van tweede kwaliteit in het PCN kunstmatig is, geen afspiegeling van in de industrie erkende normen vormt, en vatbaar is voor interpretatie. Daarom was voor bruin gesmolten aluminiumoxide een aanpassing van het PCN nodig. De Commissie oordeelde dat bij een vergelijking van producten de Al2O3- en Fe2O3-gehalten de kritische factoren zijn, die in het PCN tot uiting komen in de waarden A1/A2 en F1/F2. Het argument werd derhalve afgewezen.
(97)
Ten aanzien van het argument over de analyse van prijsonderbieding merkte de Commissie op dat in de bij het onderzoek gebruikte PCN-methodiek al rekening wordt gehouden met prijsverschillen tussen productsoorten. Zo wordt gewaarborgd dat producten met soortgelijke fysische en chemische kenmerken met elkaar worden vergeleken, en wordt de integriteit van de analyse van prijsonderbieding beschermd. Het argument werd derhalve afgewezen.
(98)
Ten aanzien van het argument dat geen deugdelijk onderbouwde beoordeling van verhindering van prijsverhogingen heeft plaatsgevonden, merkte de Commissie op dat, zoals uiteengezet in de punten 4.3.2 en 5.1 van de voorlopige verordening, de Commissie een grondige analyse heeft gemaakt van prijstrends, kostenontwikkelingen en winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie ondanks oplopende kosten zijn verkoopprijzen niet dienovereenkomstig kon verhogen, met verhindering van prijsverhogingen en een verslechtering van de winstgevendheid tot gevolg. Zoals door de Commissie opgemerkt in de overwegingen 196 en 278 van de voorlopige verordening bedroeg de gemiddelde geen schade veroorzakende prijs in de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak 1 880 EUR per ton, tegen een gemiddelde prijs van 878 EUR per ton voor invoer uit de VRC. Dit bevestigt het bestaan van aanmerkelijke schade als gevolg van invoer met dumping. Het argument werd daarom afgewezen.
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Macro-economische indicatoren
4.5.1.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
(99)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs bestaat er geen oorzakelijk verband tussen de afname van de productie in de bedrijfstak van de Unie met 37 % en de groei van de invoer uit de VRC. Met betrekking tot de bezettingsgraad voerden de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs aan dat de capaciteit ook vóór de toename van de invoer uit de VRC en vóór het begin van de beoordelingsperiode al werd onderbenut, zoals blijkt uit het feit dat de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Unie al aan het begin van de beoordelingsperiode 69 % bedroeg. Verder was volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs de afname van de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie geen gevolg van de door Chinese producenten-exporteurs uitgeoefende druk.
(100)
Naar het oordeel van de Commissie hadden de argumenten betrekking op een oorzakelijk verband en niet zozeer op de macro-economische indicatoren als zodanig, en zij gaat in punt 5 nader op de argumenten in. De Commissie merkte echter op dat de benutting, ook los gezien van de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Unie aan het begin van de beoordelingsperiode, sterk afnam, van 69 % in 2021 tot 43 % tijdens het onderzoektijdvak, zoals aangegeven in de overwegingen 206 tot en met 208 van de voorlopige verordening, waaruit blijkt dat de benutting van de productiecapaciteit van de bedrijfstak tijdens het onderzoektijdvak sterk verslechterde.
(101)
Aangezien geen andere opmerkingen over de productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 206 tot en met 208 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.1.2. Verkoopvolume en marktaandeel
(102)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs oefenden de toename van de invoer uit de VRC en de Chinese prijzen in 2022 geen neerwaartse druk uit op de prijzen of het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, aangezien de bedrijfstak van de Unie de prijzen kon verhogen en de verkopen tegelijkertijd slechts in beperkte mate afnamen. Verder merkten de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs op dat invoer uit de VRC slechts een klein gedeelte van de markt bemachtigde dat daarvoor in handen van derde landen was, en dat het daaropvolgende verlies van marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zich in 2023 voordeed ondanks een afname van het uit de VRC ingevoerde volume, hetgeen een afspiegeling was van een algehele krimp van de markt van de Unie, en niet zozeer een gevolg was van invoer uit de VRC.
(103)
De Commissie merkte op dat voor de gehele beoordelingsperiode is gezocht naar trends in invoervolumes, marktaandeel, schade-indicatoren en verhindering van prijsverhogingen. Bovendien merkte de Commissie op dat het argument voorbijgaat aan de schommelingen in de omvang van de markt van de Unie in 2022 en 2023. Zoals uiteengezet in de overwegingen 189 en 190 van de voorlopige verordening kromp het verbruik in de Unie van 367 672 ton in 2022 tot 294 891 ton in 2023. Bij een beoordeling van ontwikkelingen in het marktaandeel en het verband daarvan met invoervolumes moet altijd rekening worden gehouden met de algehele krimp van de markt. De Commissie stelde vast dat het marktaandeel van de VRC, ondanks een afname van de uit dat land ingevoerde volumes tussen 2022 en 2023, van 48 % tot 51 % groeide, terwijl het aandeel van de bedrijfstak van de Unie van 38 % tot 35 % daalde. De Commissie merkte ook op dat de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen in 2022 in lijn met de Chinese prijsstijgingen verhoogde, maar niettemin zijn verkopen met 11 % zag teruglopen, en zijn marktaandeel met 8 %. De Commissie heeft dit argument derhalve in zijn geheel afgewezen.
(104)
Aangezien geen andere opmerkingen over het verkoopvolume en het marktaandeel zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 209 en 210 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.1.3. Groei
(105)
Aangezien geen opmerkingen over de groei zijn ontvangen, werden de conclusies uit overweging 211 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.1.4. Werkgelegenheid en productiviteit
(106)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs waren de effecten op de werkgelegenheid verwaarloosbaar, en deden duidelijke veranderingen zich alleen tijdens het onderzoektijdvak voor, en niet tijdens de beoordelingsperiode.
(107)
Zoals uiteengezet in de overwegingen 212 tot en met 214 van de voorlopige verordening daalde het aantal werknemers dat het betrokken product fabriceerde met 8 % in de periode 2021-2023 en met 16 % tijdens de beoordelingsperiode. Het feit dat de afname tijdens het onderzoektijdvak het grootst was, deed niets af aan de conclusies over de trend die tijdens de beoordelingsperiode werd gezien. Aangezien geen verdere opmerkingen over werkgelegenheid en productiviteit zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 212 tot en met 214 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.1.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
(108)
Aangezien er geen opmerkingen over de hoogte van de dumpingmarge en het herstel van eerdere dumping zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 215 en 216 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.2. Micro-economische indicatoren
4.5.2.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
(109)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs oefenden de toename van de invoer uit de VRC en de Chinese prijzen in 2022 geen neerwaartse druk uit op de prijzen of het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, aangezien de bedrijfstak van de Unie de prijzen kon verhogen en de verkopen tegelijkertijd slechts in beperkte mate afnamen.
(110)
De Commissie heeft het argument in overweging 103 besproken.
(111)
Aangezien geen andere opmerkingen over prijzen en prijsbeïnvloedende factoren zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 217 tot en met 219 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.2.2. Loonkosten
(112)
Aangezien geen opmerkingen over de loonkosten zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 220 en 221 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.2.3. Voorraden
(113)
Aangezien er geen opmerkingen over de voorraden zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 222 tot en met 225 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.5.2.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
(114)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs was de beoordeling door de Commissie van de afnemende winstgevendheid gebrekkig omdat winstgevendheid en investeringen in 2022 stegen ondanks 25 % meer invoer uit de VRC. De door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs stelden dat de daaropvolgende afname van de winstgevendheid een gevolg was van sterk oplopende investeringen en stijgende productiekosten, onder meer voor energie, grondstoffen en productieprocessen, die ook bleven stijgen toen de elektriciteitsprijzen in 2023 daalden, waaruit blijkt dat de vermeende schade niet door invoer uit de VRC werd veroorzaakt.
(115)
De Commissie oordeelde dat de argumenten betrekking hadden op een oorzakelijk verband en niet zozeer op de micro-economische indicatoren als zodanig, en gaat in punt 5 nader op de argumenten in.
(116)
Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen over de winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen, het rendement van investeringen en het vermogen om kapitaal aan te trekken, werden de conclusies uit de overwegingen 226 tot en met 231 van de voorlopige verordening bevestigd.
4.6. Conclusie over schade
(117)
Aangezien er geen andere opmerkingen over de schade zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies uit de overwegingen 232 tot en met 237 van de voorlopige verordening bevestigd.
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
(118)
In overweging 270 van de voorlopige verordening concludeerde de Commissie dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade was veroorzaakt door de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land.
(119)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs bestaat er geen oorzakelijk verband tussen de afname van de productie in de bedrijfstak van de Unie met 37 % en de groei van de invoer uit de VRC. De door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs stelden dat het productievolume van de bedrijfstak van de Unie afnam van 187 988 ton in 2022 tot 139 354 ton in 2023, in een periode waarin de invoer uit de VRC van 175 343 ton in 2022 terugliep tot 151 650 ton in 2023.
(120)
De Commissie merkte op dat het argument voorbijgaat aan de schommelingen in de omvang van de markt van de Unie tussen 2022 en 2023. Zoals uiteengezet in de overwegingen 189 en 190 van de voorlopige verordening kromp het verbruik in de Unie van 367 672 ton in 2022 tot 294 891 ton in 2023. Met betrekking tot deze afname van de marktomvang stelde de Commissie vast dat het marktaandeel van de VRC, ondanks een afname van de uit dat land ingevoerde volumes tussen 2022 en 2023, toch van 48 % opliep tot 51 %, terwijl het aandeel van de bedrijfstak van de Unie van 38 % tot 35 % afnam. De Commissie heeft dit argument derhalve in zijn geheel afgewezen.
(121)
Ook was er volgens Abranova geen oorzakelijk verband tussen de schommelingen in de Chinese invoervolumes tijdens de beoordelingsperiode en de invoer met dumping, maar waren deze schommelingen veeleer het gevolg van buitengewone externe factoren. Volgens Abranova daalde de invoer met name tijdens de COVID-19-pandemie, toen de kosten voor containervervoer per schip vier tot vijf keer hoger waren dan gebruikelijk. Omgekeerd nam de invoer na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne duidelijk toe door het EU-verbod op de invoer van gesmolten aluminiumoxide uit Rusland, lagere vrachtkosten, en onvoldoende productiecapaciteit in de bedrijfstak van de Unie. Volgens Abranova waren de schommelingen in de invoervolumes tussen 2020 en 2024 dan ook een gevolg van ongekende externe ontwikkelingen, en zou uit een goede vergelijking met de niveaus van vóór de COVID-pandemie blijken dat de geconstateerde trends op invoergebied niet kunnen worden toegeschreven aan de effecten van invoer met dumping.
(122)
De Commissie erkende dat externe factoren, waaronder de COVID-19-pandemie en de oorlog in Oekraïne, van invloed waren op de totale handelsstromen. Deze ontwikkelingen doen echter niets af aan het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. Los van de bredere verstoringen van de markt is tijdens het onderzoek gebleken dat invoer uit de VRC in grote volumes de Unie binnenkwam, marktaandeel won, en stelselmatig lager was geprijsd dan de verkoopprijzen en de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. De Commissie bevestigde dat uit deze aspecten duidelijk bleek dat er een oorzakelijk verband bestond tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, aangezien de bedrijfstak in de Unie zijn verkoopprijzen niet kon verhogen om de gestegen productiekosten te compenseren, met verhindering van prijsverhogingen en verslechtering van de winstgevendheid tot gevolg.
(123)
Aangezien er geen opmerkingen over de gevolgen van de invoer met dumping zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 239 tot en met 242 van de voorlopige verordening bevestigd.
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. Invoer uit derde landen
(124)
De door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs voerden aan dat invoer uit derde landen afbreuk doet aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Volgens de CCCMC behield de invoer uit derde landen een aanzienlijk marktaandeel van circa 15 % gedurende de beoordelingsperiode en waren de prijzen van deze invoer stelselmatig duidelijk lager dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie.
(125)
De Commissie merkte op dat andere derde landen in vergelijking met de VRC tijdens de beoordelingsperiode een beperkte aanwezigheid op de markt van de Unie hadden. Zoals uiteengezet in overweging 244 van de voorlopige verordening nam het gecombineerde marktaandeel van invoer uit alle derde landen behalve de VRC tijdens het onderzoektijdvak af van 22 % in 2021 tot –15 % in het onderzoektijdvak. De belangrijkste uitvoerende derde landen, te weten Oekraïne, de Verenigde Staten, en Brazilië en Bahrein, vertegenwoordigden elk tussen 2 % en 5 % van de markt van de Unie, en hun respectieve marktaandelen bleven tijdens de beoordelingsperiode in grote lijnen stabiel.
(126)
Verder merkte de Commissie op dat de verkoopprijzen van Oekraïne en Bahrein tijdens het onderzoektijdvak weliswaar lager waren dan die van de VRC, maar dat door hun kleine marktaandelen het totale effect daarvan op de markt van de Unie minimaal was. Invoer uit andere derde landen was in het algemeen duurder dan uit de VRC. De Commissie concludeerde dat het effect van de invoer uit derde landen geen afbreuk doet aan het oorzakelijk verband tussen invoer uit de VRC met dumping en de door producenten uit de Unie geleden aanmerkelijke schade, en bevestigde de conclusies uit de overwegingen 243 tot en met 246 van de voorlopige verordening.
5.2.2. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
(127)
De door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs, PRE, DFFI en Reckel betoogden dat de verslechtering van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie afbreuk doet aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Volgens hen kon de verslechtering van de uitvoerprestaties verder niet zijn veroorzaakt door Chinese uitvoer naar derde markten en is er geen oorzakelijk verband tussen het onvermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn uitvoervolume op zijn minst op hetzelfde niveau te handhaven en de prijsdruk van Chinese uitvoer.
(128)
De Commissie bevestigde dat zij de verslechtering van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie niet toeschreef aan Chinese uitvoer naar derde markten. De Commissie merkte op dat uitvoer slechts circa 14 % vertegenwoordigde van de totale verkopen van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode. Daarom oordeelde de Commissie dat de uitvoer naar derde landen slechts een marginaal effect kon hebben gehad op de schadeveroorzakende situatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en daardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer uit de VRC met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet kon wegnemen.
(129)
De Commissie concludeerde dat het effect van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie geen afbreuk doet aan het oorzakelijk verband tussen invoer uit de VRC met dumping en de door producenten uit de Unie geleden aanmerkelijke schade en bevestigde de conclusies uit de overwegingen 247 tot en met 250 van de voorlopige verordening.
5.2.3. Verbruik in de Unie
(130)
Volgens de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs, PRE, DFFI en Reckel nemen de krimpende vraag en het afnemende verbruik in de Unie het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade weg, of doen zij er sterk afbreuk aan. Volgens PRE en DFFI was de aanzienlijke daling in de vraag naar gesmolten aluminiumoxide op de markt van de Unie primair toe te schrijven aan ongunstige macro-economische omstandigheden sinds 2021. Met name wezen PRE en DFFI op de gecombineerde effecten van een kortstondig herstel na de pandemie, hoge energiekosten, geringe groei, inflatie en geopolitieke spanningen, die de vraag in downstreamsectoren als staal, de bouw en de automobielsector aanzienlijk deden afnemen.
(131)
De Commissie merkte in overweging 252 van de voorlopige verordening op dat het verbruik in de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 20 % afnam en de verkopen in de Unie met 37 %, met een verlies van marktaandeel van 9 % tot gevolg. Ook de invoer uit alle andere derde landen nam aanzienlijk af. Het marktaandeel van de invoer uit de VRC steeg in dezelfde periode daarentegen met 16 %.
(132)
De Commissie wees erop dat het bestaan van andere nadelige factoren voor de bedrijfstak van de Unie het oorzakelijk verband niet wegneemt wanneer invoer met dumping, afzonderlijk bezien, aanmerkelijke schade blijkt te hebben veroorzaakt. Hoewel in dit geval het krimpende verbruik wellicht enig effect heeft gehad, kon het slechts een beperkte rol hebben gespeeld en geen verklaring vormen voor de omvang van de geconstateerde verslechtering.
(133)
De Commissie concludeerde dat het teruglopende verbruik in de Unie geen afbreuk doet aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door producenten in de Unie geleden aanmerkelijke schade, en bevestigde de conclusies uit de overwegingen 252 en 253 van de voorlopige verordening.
5.2.4. Stijging van de productiekosten
(134)
Reckel, Abranova, PRE, DFFI en de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs voerden aan dat de stijging van de productiekosten in de bedrijfstak van de Unie, met name als gevolg van hogere elektriciteitsprijzen, inflatie, en de stijgende kosten van ingevoerde grondstoffen, het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade wegneemt of daaraan in ieder geval sterk afbreuk doet.
(135)
De Commissie had dit argument reeds in de voorlopige verordening besproken en geconcludeerd dat de stijgende energie- en grondstofkosten geen verklaring vormen voor de geconstateerde verslechtering. Met name bleek uit het onderzoek dat de bedrijfstak van de Unie in 2022, toen de energieprijzen op hun hoogst waren, toch winstgevend bleef. Dit was mogelijk omdat een deel van de hogere energiekosten kon worden doorberekend aan de gebruikers. De bedrijfstak van de Unie kon de gestegen energiekosten in 2022 doorberekenen omdat de prijzen van invoer uit de VRC sterk waren gestegen (met 44 % sinds 2021, zie tabel 4 van de voorlopige verordening), hetgeen het ondersteunende effect van deze invoer aanzienlijk temperde. In 2023 daalden de prijzen van invoer uit de VRC echter sterk, tot bijna het niveau van 2021, waarmee de prijsonderdrukkende invloed op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk groter werd. In deze omstandigheden kon de bedrijfstak van de Unie de energiekosten niet langer doorberekenen, hoewel deze kosten daalden ten opzichte van 2022. De Commissie merkte op dat in 2023 en tijdens het onderzoektijdvak, toen de energieprijzen waren gedaald, de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet meer dienovereenkomstig kon aanpassen als gevolg van verhindering van prijsverhogingen door laaggeprijsde invoer uit de VRC, waardoor de winstgevendheid instortte. Ook werd geen stelselmatig nadeel met betrekking tot prijzen van grondstoffen geconstateerd.
(136)
Aangezien in het definitieve stadium geen nieuw bewijs werd geleverd dat een andere conclusie zou rechtvaardigen, bevestigt de Commissie haar beoordeling uit de overwegingen 254 tot en met 259 van de voorlopige verordening dat gestegen productiekosten het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet kunnen wegnemen.
5.2.5. Cumulatieve effecten van andere factoren
(137)
Volgens PRE en DFFI moeten alle factoren die tot de schade bijdragen cumulatief worden beoordeeld, waaronder de afname van het verbruik in de Unie, slechte uitvoerprestaties van de Unie, stijgende energie-en grondstofkosten, en invoer uit de VRC en andere derde landen. Zij stellen dat deze factoren, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, afbreuk doen aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de naar verluidt door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade.
(138)
Zoals uiteengezet in overweging 132, wees de Commissie erop dat het bestaan van andere nadelige factoren voor de bedrijfstak van de Unie het oorzakelijk verband niet wegnemen wanneer de invoer met dumping, afzonderlijk bezien, aanmerkelijke schade blijkt te hebben veroorzaakt. Tijdens het onderzoek is gebleken dat invoer uit de VRC, andere afzonderlijke of gecumuleerde factoren buiten beschouwing gelaten, in grote volumes de Unie binnenkwam, marktaandeel won, en stelselmatig lager was geprijsd dan de verkoopprijzen en de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. Verder bevestigde de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie, ondanks oplopende productiekosten, zijn prijzen niet dienovereenkomstig kon aanpassen, met verhindering van prijsverhogingen en verslechtering van de winstgevendheid tot gevolg. Hieruit blijkt dat er een oorzakelijk verband bestond tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade en de invoer met dumping.
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
(139)
Aangezien er geen andere opmerkingen over het oorzakelijk verband zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies uit de overwegingen 267 tot en met 270 van de voorlopige verordening bevestigd.
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
6.1. Schademarge
(140)
Zoals uiteengezet in de overwegingen 88 tot en met 90 heeft de Commissie bevestigd dat de schadeanalyse representatief is en een afspiegeling vormt van de werkelijke mededinging op de markt. Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 280 van de voorlopige verordening bevestigd. Derhalve gelden voor de meewerkende producenten-exporteurs en alle andere ondernemingen de volgende definitieve schademarges:
Land
Onderneming
Definitieve schademarge (%)
VRC
Chongqing Saite Corundum Co., Ltd.
233,9
VRC
Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd.
116,9
VRC
Andere meewerkende ondernemingen
178,4
VRC
Alle overige invoer van oorsprong uit de VRC
259
6.2. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
(141)
Na de bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
Land
Onderneming
Definitief antidumpingrecht (%)
VRC
Chongqing Saite Corundum Co., Ltd.
99,8
VRC
Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd.
88,7
VRC
Andere meewerkende ondernemingen
94,5
VRC
Alle overige invoer van oorsprong uit de VRC
110,6
7. BELANG VAN DE UNIE
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
(142)
Zoals uiteengezet in de overwegingen 285 tot en met 288 van de voorlopige verordening bestaat de bedrijfstak van de Unie uit negen producenten in verschillende lidstaten, met ongeveer 962 werknemers. Een meerderheid van deze producenten steunde de klacht en heeft geen bezwaar gemaakt tegen het openen van het onderzoek.
(143)
De bedrijfstak van de Unie opereert op dit moment onder economisch niet-houdbare omstandigheden die de handhaving van de winstgevendheid onmogelijk maken. De in punt 3.5 vastgestelde dumpingmarges zijn uitzonderlijk hoog. Zoals ook blijkt uit punt 4.6, is de bedrijfstak van de Unie door deze invoer met dumping aanzienlijke schade toegebracht, die een bedreiging vormt voor zijn levensvatbaarheid en zijn vermogen om onder normale marktomstandigheden te opereren.
(144)
Wanneer maatregelen uitblijven, zal dat waarschijnlijk aanzienlijke negatieve gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie hebben, in de vorm van een verdere verhindering van prijsverhogingen en een verdere daling van de verkopen, wat zal leiden tot verdere verliezen en waarschijnlijk tot sluiting van productievestigingen, ontslagen en, uiteindelijk, tot het verdwijnen van hele ondernemingen.
(145)
Dergelijke gevolgen kunnen de continuïteit van de Europese productie van gesmolten aluminiumoxide verstoren en voor de lange termijn een risico vormen voor de industriële veerkracht en de strategische autonomie van de Unie. Gesmolten aluminiumoxide is een belangrijk basisproduct voor de productie van een breed scala aan downstreamgoederen, waaronder vuurvaste materialen, schuur-, slijp- en polijstmaterialen en geavanceerdere keramische materialen, die op hun beurt onmisbaar zijn voor vitale sectoren, waaronder de productie van staal, andere metalen, glas, en aanverwante materialen. Het wordt als een gevoelig product beschouwd vanwege zijn strategische belang, onder meer voor militaire toepassingen en tweeërlei gebruik (9). Vanwege zijn unieke eigenschappen, waaronder een uitzonderlijke hardheid en thermische stabiliteit, kan gesmolten aluminiumoxide door weinig andere materialen worden vervangen. Door het strategische belang en de strategische gevoeligheid van dit product is het des te noodzakelijker om in de Unie een stabiele en veilige toeleveringsketen in stand te houden. Verstoringen kunnen rechtstreeks van invloed zijn op de economische veiligheid van de Unie wanneer kritieke industriële, defensie- en energie-infrastructuur wordt getroffen die gebruikmaakt van op gesmolten aluminiumoxide gebaseerde componenten en toeleveringsketens minder goed bestand zijn tegen externe schokken, dwang of andere risico’s.
(146)
De Commissie concludeerde derhalve dat het in het belang van de Unie is om maatregelen te nemen die de bedrijfstak van de Unie in staat stellen om een deel van zijn verloren marktaandelen terug te winnen en een eerlijke mededinging te herstellen.
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs en handelaren
(147)
Volgens importeur Traxys zou de instelling van antidumpingmaatregelen de mededinging op de markt van de Unie sterk beperken. Daarnaast stelde Traxys dat hogere kosten niet aan producenten van vuurvaste materialen kunnen worden doorberekend en dat de instelling van maatregelen zou leiden tot sluiting van fabrieken van producenten van vuurvaste materialen, het verdwijnen van geschoolde werkgelegenheid, en een toename van de invoer van eindproducten voor vuurvaste toepassingen. Ook stelde het dat maatregelen voor bruin gesmolten aluminiumoxide met name ernstige en onevenredige gevolgen zouden hebben voor de Europese staalsector.
(148)
De Commissie constateerde dat de argumenten van Traxys een algemene beoordeling van de markt inhielden, waaronder het effect op gebruikers en de staalsector, maar over de belangen van niet-verbonden importeurs en handelaren geen andere informatie gaven dan reeds is opgenomen en behandeld in de overwegingen 290 tot en met 294 van de voorlopige verordening. De Commissie merkte op dat de argumenten over hogere kosten voor gebruikers, waaronder producenten van vuurvaste materialen, in punt 7.3 aan de orde komen. Daarnaast gaat de Commissie in punt 7.4 in op de argumenten over marktconcentratie.
(149)
Aangezien geen andere opmerkingen over dit punt zijn ontvangen, werden de conclusies uit de overwegingen 289 tot en met 294 van de voorlopige verordening bevestigd.
7.3. Belang van gebruikers, consumenten of leveranciers
(150)
Naar aanleiding van de voorlopige verordening dienden diverse gebruikers informatie in waarin de negatieve effecten werden benadrukt die zij reeds ondervonden na de instelling van voorlopige maatregelen, waaronder met name de onmogelijkheid om prijsstijgingen aan afnemers door te berekenen. Deze zorgen waren ook al naar voren gebracht en toegelicht in de voorlopige fase, toen gebruikers betoogden dat de instelling van antidumpingrechten hun kosten aanzienlijk zou verhogen en dat die kosten moeilijk aan afnemers zouden kunnen worden doorberekend. Volgens gebruikers kon hierdoor hun winstgevendheid en concurrentievermogen in het gedrang komen. Sommige gebruikers waarschuwden daarnaast dat de kostenstijgingen in verband met de instelling van rechten hun bedrijfsvoering in gevaar zouden kunnen brengen en de levensvatbaarheid van bepaalde productieactiviteiten binnen de Unie zouden kunnen bedreigen. Volgens hen zou dit kunnen leiden tot inkrimping, verplaatsing naar buiten de Unie en bedrijfssluitingen
(151)
De Commissie merkte op dat de bij het onderzoek verzamelde informatie uitgebreid gedocumenteerd was, zoals ook is aangegeven in overweging 295 van de voorlopige verordening. Ongeveer vijftig gebruikers en gebruikersverenigingen reageerden en namen actief deel aan de procedure. Vele van deze gebruikers hebben de vragenlijst volledig ingevuld en de Commissie zo in staat gesteld om een grondige en representatieve beoordeling van de situatie te maken. Brancheorganisaties uit de sectoren vuurvaste toepassingen en schuur-, slijp- en polijsttoepassingen waren bijzonder actief en dienden inhoudelijke en uitvoerige informatie in. Deze organisaties vertegenwoordigen een breed scala van marktdeelnemers, waaronder een aanzienlijk aantal kleine en middelgrote ondernemingen, maar ook grotere gebruikers. Hierdoor zijn de gegevens een afspiegeling van de diversiteit en de omvang van de downstreamsectoren in de Unie.
(152)
Vanuit sociaal-economisch perspectief, en op basis van gegevens van brancheorganisaties, wordt geschat dat de sector vuurvaste materialen in de Unie aan circa 20 000 mensen werk biedt, en een jaarlijkse omzet van circa 4 miljard EUR genereert. De sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen is alleen in Duitsland en Italië al goed voor ongeveer 8 400 banen en genereert in deze twee lidstaten samen een jaaromzet van circa 2,3 miljard EUR. Uitgaande van de gegevens die zijn verstrekt door gebruikersverenigingen uit beide sectoren, zijn de sector vuurvaste materialen en de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen in de Unie goed voor een jaarlijkse omzet van circa 6,6 miljard EUR en 39 000 rechtstreekse banen, waarvan meer dan 22 600 een aanzienlijk en onmiddellijk risico loopt.
(153)
Deze sectoren leveren dus in economisch opzicht en vanuit een oogpunt van werkgelegenheid een aanzienlijke bijdrage in de landen waar zij gevestigd zijn. Daarnaast spelen de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen en de sector vuurvaste materialen een cruciale rol als het gaat om de productie van staal, metalen en glas, en van snij-, schuur-, polijst- en afwerkingsgereedschappen die van essentieel belang zijn voor fabricageprocessen in onder meer de automobiel-, lucht- en ruimtevaart- en bouwsector.
(154)
De Commissie merkte op dat volgens de reacties op de vragenlijst voor gebruikers ongeveer 50 % van het gesmolten aluminiumoxide dat in de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen wordt gebruikt en ongeveer 65 % dat in de sector vuurvaste materialen wordt gebruikt, uit de VRC afkomstig is. Uit deze gegevens blijkt de grote afhankelijkheid van verwerkende industrieën van gesmolten aluminiumoxide uit de VRC. Hoewel een aanzienlijk deel van het aanbod elders wordt betrokken, hetgeen de totale kosteneffecten van de rechten voor sommige ondernemingen zou kunnen beperken, constateerde de Commissie ook dat de afhankelijkheid van goedkope invoer met dumping uit de VRC groot blijft. Voor gebruikers die sterk van Chinese materialen afhankelijk zijn, heeft elke prijsstijging door de instelling van rechten effect op de productiekosten.
(155)
Bij haar beoordeling van de mogelijke effecten op productiekosten heeft de Commissie, zoals uiteengezet in overweging 300 van de voorlopige verordening, geschat dat de instelling van rechten voor verwerkende ondernemingen kostenstijgingen van 10 % tot 30 % tot gevolg zou kunnen hebben, afhankelijk van de specifieke onderneming en sector, en ervan uitgaand dat het gesmolten aluminiumoxide voor 100 % uit de VRC afkomstig is. Meer specifiek zouden de kostenstijgingen voor de sector vuurvaste materialen kunnen variëren van 10 % tot 30 %, terwijl die voor de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen uiteen zouden kunnen lopen van 10 % tot 23 %. De Commissie concludeerde derhalve dat de productiekosten van gebruikers sterk zijn blootgesteld aan schommelingen in de prijs van gesmolten aluminiumoxide.
(156)
De Commissie erkende daarom dat verwerkende ondernemingen economisch kwetsbaar zijn. De verwerkende industrieën zijn sterk versnipperd en omvatten een breed scala van marktdeelnemers die kostenstijgingen niet in alle gevallen even goed kunnen opvangen. De kostenstijgingen die uit antidumpingrechten voortvloeien, zouden de bedrijfsvoering van sommige gebruikers in gevaar kunnen brengen. Dat kan dan inkrimping, verplaatsing van bedrijfsactiviteiten naar buiten de EU, of bedrijfssluitingen tot gevolg hebben.
(157)
Gezien de samenstelling van de verwerkende industrieën, die zowel grote mondiale ondernemingen als talloze kleine en middelgrote ondernemingen omvatten, kunnen marktdeelnemers met een kleinere omvang of een grotere kostengevoeligheid bijzonder zwaar worden getroffen. De Commissie erkende dat kleinere ondernemingen wellicht niet in staat zullen zijn om de extra kosten op te vangen en daardoor gedwongen zullen worden om te sluiten. Anderzijds brengen grotere ondernemingen hun productie waarschijnlijk sneller over naar bestaande fabrieken buiten de Unie.
(158)
Daarom erkende de Commissie dat er een grote kans op de-industrialisatie in downstreamsectoren bestaat. Veel ondernemingen in de sectoren vuurvaste materialen en schuur-, slijp- en polijstmiddelen zijn al verliesgevend, en hun zwakke financiële positie vormt een rechtstreekse bedreiging voor de houdbaarheid van industriële activiteiten op gebieden die van strategisch belang voor de Unie zijn.
7.4. Andere factoren: beschikbaarheid van aanbod en marktconcentratie
(159)
Volgens sommige belanghebbenden binnen de sector vuurvaste materialen zou vervanging van de invoer uit de VRC de voorzieningszekerheid voor de sector vuurvaste materialen in de Unie in gevaar brengen, gezien de beperkte productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie voor de productsoorten die voor deze sector het meest relevant zijn, waaronder met name gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen en bruin gesmolten aluminiumoxide. Zij stellen dat de bedrijfstak van de Unie van oudsher is gericht op de productie van gesmolten aluminiumoxide voor schuur-, slijp- en polijsttoepassingen, dat een groter deel van de totale vraag uitmaakt, tegen hogere prijzen wordt verhandeld, en profiteert van schaalvoordelen die efficiëntere kostenbesparing mogelijk maakt. Daarnaast werd aangevoerd dat invoer uit derde landen geen levensvatbaar alternatief kan zijn, omdat het marktaandeel daarvan beperkt blijft.
(160)
Verder kan volgens VDS niet met een beoordeling van de totale productiecapaciteit worden volstaan omdat er onvoldoende capaciteit is voor de productie van gesmolten aluminiumoxide dat aan specifieke eisen moet voldoen qua kwaliteit, korrelgrootte en behandeling. Daarnaast betoogde VDS dat het ook in derde landen vaak niet mogelijk is om producten van dezelfde kwaliteit als die uit de VRC te verkrijgen.
(161)
De Commissie was van mening dat de bedrijfstak van de Unie in staat is om de markt van de Unie in de vereiste hoeveelheden te beleveren, ook wanneer kwaliteit, behandeling en korrelgrootte van het betrokken product aan specifieke eisen moeten voldoen. Hoewel de productievolumes van de bedrijfstak van de Unie in de loop van de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn afgenomen als gevolg van de invoer met dumping uit de VRC, constateerde de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie zijn productiecapaciteit gedurende deze periode sterk heeft onderbenut, zoals uiteengezet in de overwegingen 206 tot en met 208 en 308 van de voorlopige verordening. De Commissie bevestigde dat de beschikbare extra capaciteit ook de productie omvat van gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen en bruin gesmolten aluminiumoxide. Met name bevestigde de Commissie verder dat een aanzienlijk deel van de beschikbare extra capaciteit bestemd is voor de productie van bruin gesmolten aluminiumoxide, en onmiddellijk beschikbaar is of binnen zeer korte tijd in bedrijf kan worden genomen.
(162)
Daarnaast herhaalde de Commissie dat, naast de productie van de bedrijfstak van de Unie, invoer uit derde landen een betrouwbare bron van gesmolten aluminiumoxide blijft, zoals uiteengezet in de overwegingen 304 en 305 van de voorlopige verordening. Hoewel de aanwezigheid van derde landen op de markt van de Unie in vergelijking met de VRC tijdens het onderzoektijdvak beperkt was, merkte de Commissie op dat, na de instelling van de voorlopige maatregelen, volgens de meest recente beschikbare gegevens reeds een bescheiden toename van de invoer uit derde landen te zien viel. Deze ontwikkeling bevestigt dat het aanpassingsproces volgens verwachting verloopt en, gezien de geleidelijke aard ervan, een verdere toename van de invoer uit derde landen redelijkerwijs kan worden verwacht omdat marktdeelnemers de markt van de Unie betreden of hun aanwezigheid op die markt uitbreiden. Bovendien vond de Commissie geen bewijs voor het argument dat producten uit derde landen in vergelijking met die uit de VRC van mindere kwaliteit zijn. De informatie waarover de Commissie beschikt, wijst erop dat producenten in derde landen in staat zijn gesmolten aluminiumoxide met vergelijkbare specificaties en prestatiekenmerken te leveren.
(163)
Verder stelden sommige belanghebbenden dat de Chinese uitvoer van gesmolten aluminiumoxide naar de Unie cruciaal is geweest voor instandhouding van de mededinging op de markt van de Unie, met name gelet op de beperkte beschikbaarheid van alternatieve bronnen. Volgens de belanghebbenden is het weliswaar niet de bedoeling van de Commissie om Chinese producenten uit te sluiten, maar zouden de voorgestelde antidumpingrechten dat in de praktijk wel doen door hun prijzen tot boven die in de Unie te verhogen, met marktconcentratie, minder mededinging, en mogelijke schade voor downstreamgebruikers tot gevolg.
(164)
De Commissie wees erop dat antidumpingmaatregelen bedoeld zijn om in geval van verstoringen door invoer met dumping eerlijke voorwaarden voor het handelsverkeer te herstellen, en niet om Chinese producenten-exporteurs van de markt van de Unie uit te sluiten. Zoals uiteengezet in overweging 311 van de voorlopige verordening, bevestigde de Commissie dat geen deugdelijk onderbouwde informatie is verstrekt waaruit blijkt dat de instelling van maatregelen ernstige nadelige effecten op de marktstructuur zou hebben, waaronder concurrentieverstorend gedrag van de bedrijfstak van de Unie met nadelige gevolgen voor downstreammarktdeelnemers.
7.5. Conclusie betreffende het belang van de Unie
(165)
Uit het onderzoek is gebleken dat bij bevestiging van de beoogde voorlopige maatregelen een groot risico van de-industrialisatie in downstreamsectoren zou ontstaan. Veel ondernemingen in de sectoren vuurvaste materialen en schuur-, slijp- en polijstmiddelen zijn al verliesgevend, en hun zwakke financiële positie vormt een rechtstreekse bedreiging voor de houdbaarheid van industriële activiteiten op gebieden die van strategisch belang voor de Unie zijn.
(166)
Wanneer maatregelen zouden uitblijven, zou dat anderzijds nadelige en onomkeerbare gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie hebben, omdat aanhoudende verhindering van prijsverhogingen en dalende verkopen de financiële verliezen zouden versnellen en tot de sluiting van fabrieken zouden leiden. Dit kan een bedreiging vormen voor de continuïteit van de Europese productie van gesmolten aluminiumoxide, dat een essentieel materiaal is voor strategische sectoren als de staal- en defensiesector, maar ook voor andere gevoelige toepassingen. Dat zou de industriële veerkracht en de strategische autonomie van de Unie ondermijnen.
(167)
Derhalve achtte de Commissie het, ook om het verdwijnen van de bedrijfstak van de Unie of de downstreamindustrie te voorkomen, passend om de vorm van de maatregelen op de in punt 8 omschreven wijze aan te passen.
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
8.1. Definitieve maatregelen
(168)
Na de bekendmaking van de voorlopige maatregelen is de Commissie doorgegaan met het verzamelen van informatie en heeft zij uitvoerig overleg gevoerd. Daarbij was er op uitgebreide schaal contact met belanghebbenden, onder andere in de vorm van hoorzittingen, schriftelijke opmerkingen, presentaties, en uitvoerige uitwisselingen van informatie met zowel producenten als gebruikers in de Unie.
(169)
Saint Gobain stelde voor om ook antidumpingrechten in te stellen voor downstreamproducten waarin het betrokken product is verwerkt. Volgens Saint Gobain zou dat een gelijk speelveld en eerlijke mededinging op de downstreammarkten opleveren omdat het zou voorkomen dat producenten uit derde landen die oneerlijk geprijsd gesmolten aluminiumoxide uit de VRC gebruiken, een concurrentievoordeel zouden krijgen op producenten in de Unie die op die markten actief zijn.
(170)
De Commissie was van mening dat een dergelijke aanpak binnen het kader van het huidige onderzoek onmogelijk zou zijn. De Commissie merkte op dat het antidumpingonderzoek naar de invoer van gesmolten aluminiumoxide betrekking had op een beperkte productomschrijving, en alleen het betrokken product omvatte. Bijgevolg is het juridisch alleen mogelijk om de bevindingen over dumping en schade op downstreamproducten toe te passen als een afzonderlijk onderzoek wordt geopend. Daarnaast oordeelde de Commissie dat de uitvoering van een dergelijk voorstel op aanzienlijke praktische bezwaren zou stuiten omdat het bijzonder moeilijk zou zijn om het gehalte aan gesmolten aluminiumoxide in downstream-eindproducten te verifiëren. Het voorstel werd derhalve afgewezen.
8.2. Vorm en niveau van de maatregelen
(171)
Gezien de betrokken belangen, zoals uiteengezet in punt 7, is de Commissie van mening dat een rechtenvrij tariefcontingent de beste vorm is voor een maatregel die een evenwicht biedt tussen de uiteenlopende betrokken belangen, omdat op deze manier enerzijds de positie van producenten in de Unie wordt beschermd en anderzijds voor gebruikers kostenschokken worden voorkomen, kosteneffecten worden beperkt, voldoende tijd voor aanpassingen wordt gewaarborgd, en tegelijkertijd de afhankelijkheid van de VRC wordt verminderd.
(172)
Ter bescherming van producenten in de Unie die door invoer met dumping schade lijden, maar ook om kosten voor gebruikers te beperken en de afhankelijkheid van de VRC te verminderen, moet de definitieve antidumpingmaatregel worden ingesteld in de vorm van een rechtenvrij tariefcontingent. Invoer van het betrokken product binnen dit contingent wordt vrijgesteld van het antidumpingrecht. Voor invoer boven het contingent geldt echter het volledige antidumpingrecht, zoals vastgesteld in deze verordening.
(173)
De Commissie heeft vervolgens een passende omvang voor dit contingent vastgesteld. In eerste instantie werd daarbij beoordeeld wat producenten in de Unie nodig hebben om levensvatbaar te blijven. Daarbij werd in kaart gebracht welk verkoopvolume noodzakelijk is om een stabiele aanwezigheid op de markt in stand te houden, op basis van historische gegevens uit perioden waarin de bedrijfstak concurrerend en winstgevend was.
(174)
Vervolgens werd onderzocht op welke wijze de invoer uit derde landen zich zou kunnen ontwikkelen. Tot slot werd rekening gehouden met de omvang van de markt van de Unie. Op basis van de leveringen uit de Unie en de verwachte invoer uit derde landen, werd bepaald welk resterend volume onder het rechtenvrije contingent kan vallen.
(175)
Op basis van deze beoordeling heeft de Commissie voor 2026 een aanvankelijk rechtenvrij tariefcontingent vastgesteld van 60 000 ton. Het is de bedoeling dat dit contingent in een tijdsbestek van vijf jaar geleidelijk met 7 500 ton per jaar wordt verkleind, om aan het eind van die periode, in 2030, uit te komen op 30 000 ton.
(176)
Het rechtenvrije tariefcontingent werkt volgens het principe “wie het eerst komt, het eerst maalt”. Om een brede en eerlijke toegang te waarborgen, werd het contingent onderverdeeld 1) naar product, met afzonderlijke toewijzingen voor bruin gesmolten aluminiumoxide en wit gesmolten aluminiumoxide; 2) naar korrelgrootte, om een eerlijke verdeling over diverse toepassingen te waarborgen; 3) naar tijd, met driemaandelijkse verdelingen om de beschikbaarheid voor het hele jaar in stand te houden. Zo wordt gewaarborgd dat de maatregel evenredige toegang voor de verschillende sectoren ondersteunt en kan inspelen op specifieke behoeften van de bedrijfstak.
(177)
Met betrekking tot de verwachte effecten van de omvang van het rechtenvrije tariefcontingent op belanghebbende partijen merkte de Commissie het volgende op:
(178)
Voor de bedrijfstak van de Unie was de rechtenvrije omvang gebaseerd op een referentiemoment waarop de bedrijfstak al redelijke winstmarges realiseerde. Deze winstgevendheid moest in stand worden gehouden, maar tegelijkertijd moesten de verkopen, het marktaandeel en de productie worden gestimuleerd. Door vermindering van de omvang van oneerlijk geprijsde invoer uit de VRC zou de bedrijfstak van de Unie naar verwachting in een stabieler klimaat kunnen opereren, waardoor een beter prijsbeheer en houdbare winstgevendheid mogelijk zouden worden.
(179)
Meer specifiek zou de verkoop van de bedrijfstak van de Unie volgens de prognose in 2026 met 84 % toenemen en tegen 2031 met 95 % zijn gegroeid, waarmee de in het onderzoektijdvak geconstateerde verkopen nagenoeg zouden verdubbelen. De bezettingsgraad zou naar verwachting toenemen van 43 % tijdens het onderzoektijdvak tot 67 % in 2026 en 71 % in 2031, wat neerkomt op een verbetering van 65 %. Het marktaandeel zou volgens de prognose toenemen van 32 % tijdens het onderzoektijdvak tot 59 % in 2026 en 63 % in 2031 en daarmee met 96 % groeien, bijna een verdubbeling ten opzichte van het onderzoektijdvak. Met betrekking tot prijzen waren exacte prognoses onzeker vanwege beperkte gegevens. Diverse factoren, waaronder trends in het verbruik, internationale prijsvergelijkingen, de Chinese productmix en veranderingen in productiekosten zouden op toekomstige prijsniveaus van invloed kunnen zijn.
(180)
Gezien deze verwachte verbeteringen op het gebied van verkoop, bezettingsgraad en marktaandeel was het rechtenvrije tariefcontingent bedoeld om blijvende levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie te waarborgen. Door te voorzien in een voorspelbaar kader voor invoer, stelt de maatregel producenten in staat om van de verwachte groei te profiteren, hun productie- en investeringsplannen aan te passen en hun positie op de markt te handhaven.
(181)
Voor de verwerkende industrieën was het lastig om de exacte effecten van de voorgestelde maatregel te beoordelen, gezien het brede scala aan betrokken ondernemingen. Aan het rechtenvrije tariefcontingent is echter een overgangsperiode verbonden om de aanvankelijke kosteneffecten te beperken en gebruikers de tijd te geven om aanpassingen door te voeren en andere leveranciers te vinden, de noodzakelijke productcertificeringen te verkrijgen, en zich aan te passen aan de vereisten van afnemers. Daarnaast blijft de maatregel voorzien in een aanzienlijk rechtenvrij volume en wordt een voorspelbaar en transparant kader ingevoerd dat strategische planning moet ondersteunen en een minder verstorende overgang bevordert.
(182)
Meer specifiek zou, als we het onderzoektijdvak als uitgangspunt nemen, met de maatregel worden toegestaan dat in het eerste jaar (2026) 37 % van de invoer uit de VRC rechtenvrij de Unie binnenkomt. Het rechtenvrije contingent zou geleidelijk moeten worden teruggebracht tot 19 % in 2030. Toegang tot deze rechtenvrije volumes moest zorgen voor een onmiddellijke sterke vermindering van de kosteneffecten voor ondernemingen, afhankelijk van hun productmix en toeleveranciers, in vergelijking met de gewone instelling van rechten.
(183)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen en de aanvullende mededeling van definitieve bevindingen heeft een aantal belanghebbenden de vastgestelde omvang van het rechtenvrije contingent aangevochten. Enerzijds stelden belanghebbenden namens de bedrijfstak van de Unie dat zij onder economisch onhoudbare omstandigheden opereerden en dat hun levensvatbaarheid rechtstreeks werd bedreigd door verhindering van prijsverhogingen. Naar hun mening waren maatregelen daarom cruciaal voor een herstel van de eerlijke mededinging en de terugwinning van verloren marktaandeel. Verder betoogden zij dat bij de vaststelling van de omvang van het rechtenvrije contingent de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Unie zou moeten toenemen en dat dus geen rechtenvrij contingent zou moeten worden toegekend, of dat die contingenten aanzienlijk zouden moeten worden verkleind. Daarnaast betoogden zij dat een periode van drie jaar in plaats van vijf jaar voor het rechtenvrije contingent passender zou zijn, omdat gebruikers in dat geval voldoende tijd hebben om hun afhankelijkheid te verminderen en hun leveranciersbestand diverser te maken.
(184)
Anderzijds betoogden verwerkende industrieën dat contingenten met de huidige omvang niet volstonden om de zorgen van downstreammarktdeelnemers weg te nemen, en vroegen zij om verdere vermindering van rechten, in combinatie met aanzienlijke vergroting van de contingenten. Zij betwistten de methode die de Commissie had toegepast om de bezettingsgraad te beoordelen en meenden dat de contingenten te snel werden verkleind. Daarnaast voerden zij aan dat een grotere aanvankelijke omvang van vrije contingenten nodig is om verwerkende industrieën voldoende gelegenheid te geven om hun bedrijfsvoering aan te passen en hun leveranciersbestand diverser te maken, en dat de geleidelijke verkleining van de rechtenvrije contingenten in de eerste drie jaar niet zou moeten plaatsvinden.
(185)
De Commissie bevestigde dat haar methode deugdelijk was, en gebaseerd op historische gegevens en feitelijk bewijsmateriaal dat tijdens het onderzoek was verzameld, waaronder informatie over kosten, bezettingsgraad, verkoopvolumes, afhankelijkheid van de invoer uit de VRC, en totale omvang van de invoer. Ook merkte de Commissie op dat in haar methode rekening wordt gehouden met wat producenten in de Unie nodig hebben om levensvatbaar te blijven. Daarbij werd vastgesteld welk verkoopvolume noodzakelijk is om een stabiele aanwezigheid op de markt in stand te houden. Tegelijkertijd heeft de Commissie ook de belangen van gebruikers meegewogen bij de bepaling van de rechtenvrije contingenten, voorziet de maatregel nog steeds in een aanzienlijk rechtenvrij volume en bevordert hij een minder verstorende overgang. Met name kan in het kader van de maatregel meer dan 37 % van de tijdens het onderzoektijdvak geregistreerde invoer uit de VRC de Unie in het eerste jaar (2026) rechtenvrij binnenkomen. Daarna wordt het contingent geleidelijk verminderd tot 19 % in 2030. Zo worden de effecten op de kosten van gebruikers aanzienlijk beperkt, is er een overgangsperiode om de aanvankelijke effecten te beperken, en ontstaat er tijd voor aanpassingen om andere leveranciers te vinden en de noodzakelijke productcertificeringen te verkrijgen. De argumenten werden daarom afgewezen.
(186)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte een aantal belanghebbenden het gebruik door de Commissie van de invoer uit derde landen, voerde een aantal gebruikers aan dat deze landen realistisch gezien niet in staat zouden zijn om de weggevallen leveringen over te nemen, en dat de aannames van de Commissie te optimistisch waren. Daarom meenden zij dat de rechtenvrije contingenten zouden moeten worden vergroot. Met name wezen zij erop dat Brazilië zich uit de markt van de Unie had teruggetrokken vanwege de invoerheffingen van de Verenigde Staten, dat de productie in Oekraïne verstoord was door de aanhoudende oorlog, en dat India zelf afhankelijk was van invoer uit de VRC. Volgens de bedrijfstak van de Unie waren er echter goede redenen om te verwachten dat invoer uit derde landen de markt van de Unie sneller zou binnenkomen zodra antidumpingrechten zijn ingevoerd. Daarom meenden zij dat de rechtenvrije contingenten aanzienlijk zou moeten worden verkleind. Zij verwezen met name naar Oekraïne, dat zijn productiecapaciteit heeft opgevoerd en openlijk heeft aangeboden om de uitvoer naar de Unie te vergroten.
(187)
De Commissie merkte op dat haar schatting van de toename van invoer uit derde landen was gebaseerd op historische invoergegevens. Enerzijds wordt er bij deze methode rekening mee gehouden dat toenames zich niet plotseling voordoen, maar veeleer geleidelijk, tot de maximale omvang van de invoer die in 2021 te zien viel. Anderzijds heeft de Commissie ook gekeken naar de huidige invoerstromen uit derde landen na de instelling van de voorlopige maatregelen. Uit deze gegevens blijkt dat de invoer toenam, in tegenstelling tot hetgeen gebruikers aangaven, maar niet in de mate die door de bedrijfstak van de Unie wordt genoemd. Met betrekking tot de tegenstrijdige tegenargumenten van de verschillende belanghebbenden merkte de Commissie op dat in haar methode gebruik wordt gemaakt van zowel vastgestelde historische invoergegevens als van de geconstateerde invoeractiviteiten van derde landen in de maanden na de instelling van de voorlopige maatregelen. De Commissie was daarom van mening dat haar aanpak deugdelijk, robuust, en met feiten onderbouwd was. De argumenten werden daarom afgewezen.
8.3. Beheer van de contingenten
(188)
Zoals uiteengezet in het voorgaande punt, geldt voor het rechtenvrije tariefcontingent het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt”.
(189)
Om een brede en eerlijke toegang te waarborgen, is het contingent als volgt onderverdeeld: naar product, met afzonderlijke toewijzingen voor bruin gesmolten aluminiumoxide en wit gesmolten aluminiumoxide; en naar korrelgrootte, om evenwichtige toegang voor de belangrijkste verwerkende sectoren te waarborgen. Daarnaast moeten de contingenten per kwartaal worden verdeeld om beschikbaarheid gedurende het gehele jaar te waarborgen.
(190)
Deze opzet moet waarborgen dat het rechtenvrije tariefcontingent eerlijk wordt verdeeld en aanpassingen aan de specifieke behoeften van de verschillende bedrijfstakken mogelijk maakt.
8.3.1. Contingenten van productsoorten
(191)
Voor de scheiding tussen productsoorten richtte de Commissie zich op de belangrijkste categorieën die worden onderscheiden: bruin gesmolten aluminiumoxide en wit gesmolten aluminiumoxide, rekening houdend met de haalbaarheid van de bestaande nomenclatuur en de verschillen in Taric-codes.
(192)
Op basis van historische invoergegevens, informatie die door middel van vragenlijsten werd verzameld, en opmerkingen van belanghebbenden, beoordeelde de Commissie de omvang van het verbruik van bruin gesmolten aluminiumoxide en wit gesmolten aluminiumoxide binnen de Unie, de verkopen en de productie van de bedrijfstak van de Unie, de productiecapaciteit in die bedrijfstak, en de mate waarin gebruikers afhankelijk zijn van invoer uit de VRC. In die beoordeling werd ook rekening gehouden met de haalbaarheid van toelevering door andere leveranciers, uit de Unie of derde landen, tegen kosten die gebruikers zouden vrijwaren van verstorende prijsschokken.
(193)
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie 70 % van het rechtenvrije tariefcontingent toegewezen aan bruin gesmolten aluminiumoxide en 30 % aan wit gesmolten aluminiumoxide. Gezien de specifieke aard van sol-gel-korund zou de opname daarvan in het aan wit gesmolten aluminiumoxide toegekende volume tot onjuist gebruik van het contingent leiden. Daarom wordt een afzonderlijk contingent voor sol-gel-korund vastgesteld.
8.3.2. Vereisten van gebruikers ten aanzien van korrelgrootte
(194)
Met het oog op een evenwichtige verdeling van volumes over de belangrijkste verwerkende industrieën, te weten de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen en de sector vuurvaste toepassingen, heeft de Commissie de contingenten zodanig toegewezen dat beide sectoren zich kunnen verzekeren van toegang tot passende delen van de rechtenvrije contingenten.
(195)
Daartoe heeft de Commissie per sector de relatieve behoeften en de afhankelijkheid van toelevering beoordeeld op basis van de tijdens het onderzoek verzamelde informatie, waaronder historische invoergegevens en aandelen in het marktverbruik voor beide sectoren.
(196)
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie 60 % van het contingent toegewezen aan de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen en 40 % aan de sector vuurvaste toepassingen.
(197)
Op basis van de korrelgrootte en de technische omschrijving van het product zijn specifieke Taric-codes in het leven geroepen. Hoewel er overlapping bestaat, wordt met deze codes een doeltreffend onderscheid gemaakt tussen toepassingen in de sector schuur-, slijp- en polijstmiddelen en de sector vuurvaste toepassingen, terwijl de indeling gebaseerd blijft op de fysische kenmerken van het product
8.3.3. Verdeling van het rechtenvrije contingent in de loop der tijd
(198)
Het rechtenvrije contingent moet elk kwartaal worden verdeeld om ervoor te zorgen dat de invoer gelijkmatig over het jaar wordt gespreid en om te voorkomen dat grote ingevoerde hoeveelheden producten aan het begin van de periode worden opgeslagen om mogelijke rechten te ontlopen. Ongebruikte op kwartaalbasis toegewezen tariefcontingenten moeten automatisch worden overgedragen naar de volgende periode.
8.3.4. Duur en ontwikkeling van rechtenvrije contingenten
(199)
De omvang van de rechtenvrije tariefcontingenten moet geleidelijk worden verminderd. Uitgaande van een aanvankelijke omvang van 60 000 ton vindt deze vermindering na de inwerkingtreding van deze verordening jaarlijks plaats met 7 500 ton per jaar, tot een uiteindelijke omvang van 30 000 ton is bereikt.
(200)
Deze jaarlijkse vermindering van de omvang van het contingent zou naar verwachting de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade geleidelijk beperken, zodat producenten in de Unie na verloop van tijd kunnen herstellen en weer levensvatbaar kunnen worden.
(201)
Deze aanpak is bedoeld om het kostenmanagement van gebruikers te ondersteunen door plotselinge prijseffecten op essentiële basisproducten te voorkomen. De aanpak moet gebruikers de tijd geven om hun afhankelijkheid van de VRC te verkleinen, hun leveranciersbestand diverser te maken en te voldoen aan certificeringseisen en vereisten van afnemers. Het voorgestelde tijdschema waarborgde voorspelbaarheid en stelde gebruikers in staat om hun bedrijfsvoering dienovereenkomstig te plannen en aan te passen.
8.3.5. Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen
(202)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde een aantal belanghebbenden aan dat het stelsel met rechtenvrije contingenten, en met name de toepassing van het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt”, niet passend was. Zij stellen dat een dergelijk stelsel onevenredig gunstig voor grote inkopers is, kleine en middelgrote ondernemingen benadeelt, en speculatief gedrag en hamsteren stimuleert. Volgens deze partijen zouden kmo’s schade lijden omdat zij in tegenstelling tot grote handelaren geen voorraden kunnen aanleggen of snel kunnen inklaren, en daardoor afhankelijk blijven van tussenpersonen. Om eerlijke toegang te waarborgen, vroegen zij om bij de toewijzing beschermingsregelingen toe te passen, waaronder dagelijkse invoerlimieten en specifieke contingenten voor kmo’s.
(203)
De Commissie merkte op dat het stelsel van rechtenvrije tariefcontingenten is opgezet om brede en eerlijke toegang te waarborgen. Het maakt onderscheid op basis van product (verschillende toewijzingen voor bruin en wit gesmolten aluminiumoxide), tijd (verdeling per kwartaal), en korrelgrootte, en maakt daardoor feitelijk al een onderscheid tussen verschillende soorten gebruikers. Deze versnippering van het contingent moet concentratie voorkomen en zorgen dat een breed scala van marktdeelnemers van het stelsel kan profiteren. Met betrekking tot het voorstel voor dagelijkse invoerlimieten per onderneming wees de Commissie erop dat een dergelijke regeling moeilijk uitvoerbaar zou zijn, en tot onevenredig grote administratieve lasten voor nationale douaneautoriteiten zou leiden. Daarnaast merkte de Commissie op dat kmo’s zelfstandig binnen het stelsel kunnen opereren maar ook een beroep zouden kunnen doen op gevestigde importeurs die, zoals tijdens het onderzoek werd bevestigd, fungeren als doorgiftekanaal tussen Chinese exporteurs en kmo’s. Aangezien kmo’s in veel gevallen niet rechtstreeks invoeren, is de rol van gevestigde importeurs cruciaal voor het waarborgen van hun toegang tot het materiaal. Bij invoering van dagelijkse limieten per onderneming zou dit kanaal mogelijk worden uitgeschakeld, waarmee afbreuk zou worden gedaan aan de door kmo’s gewenste toegang. Het argument werd derhalve afgewezen.
(204)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde een aantal belanghebbenden dat de Commissie een kunstmatig en vanuit technisch oogpunt ondeugdelijk onderscheid maakt tussen kwaliteitsgradaties voor slijp-, schuur- en polijsttoepassingen en voor vuurvaste toepassingen. Volgens hen zijn de twee categorieën fysisch en chemisch uitwisselbaar, en beschikken douaneautoriteiten niet over de middelen om een dergelijk onderscheid te handhaven. Daarnaast betoogden deze belanghebbenden dat een deel van het contingent zou kunnen worden verbruikt door andere bedrijfstakken dan de beoogde gebruikers als strengere controles uitblijven. Om deze zorgen weg te nemen, vroegen zij om de invoering van een certificering van eindgebruikers.
(205)
De Commissie merkte op dat het onderzochte product weliswaar hetzelfde is, maar dat specifieke Taric-codes in het leven zijn geroepen op basis van de korrelgrootte en de technische omschrijving van het product. Hoewel enige overlapping bestaat, maken deze codes in grote lijnen een doeltreffend onderscheid tussen verbruik voor toepassingen in de sectoren slijp-, schuur- en polijstmaterialen en vuurvaste materialen. De indeling is daarbij solide onderbouwd door de fysische kenmerken van het product, zodat het onderscheid in technische zin deugdelijk is, maar ook uitvoerbaar. Daarnaast merkte de Commissie op dat de invoering van een vrijstelling op basis van eindgebruik lastig uitvoerbaar zou zijn en onevenredige administratieve lasten tot gevolg zou hebben, gezien het grote aantal potentiële gebruikers. Ook zou een dergelijke vrijstelling een verstorend effect kunnen hebben op de rol van traditionele importeurs, die fungeren als het feitelijke doorgiftekanaal tussen Chinese exporteurs en kmo’s. Aangezien kmo’s in veel gevallen niet rechtstreeks invoeren, maken zij gebruik van gevestigde importeurs om hun toegang tot het materiaal veilig te stellen. De invoering van een certificering van eindgebruikers zou dit kanaal uit kunnen schakelen en afbreuk doen aan de toegang van kmo’s, in plaats van deze te versterken. Het argument werd derhalve afgewezen.
(206)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte een aantal belanghebbenden de rechtenvrije tariefcontingenten voor productcategorieën. Volgens een aantal belanghebbenden zou gesmolten aluminiumoxide voor vuurvaste toepassingen van de maatregelen moeten worden vrijgesteld of zou een specifieke vrijstelling voor eindgebruik moeten worden ingevoerd voor gesmolten aluminiumoxide dat wordt ingevoerd voor de fabricage van vuurvaste producten voor de staalindustrie. Volgens andere belanghebbenden zouden bepaalde productvormen, waaronder sol-gel en blokken, van het tariefcontingent moeten worden uitgesloten of zouden de volumes van bepaalde productsoorten, waaronder bruin gesmolten aluminiumoxide, moeten worden vergroot. Daarnaast betwistte een aantal belanghebbenden namens de sector vuurvaste materialen de verdeling over vuurvaste materialen en schuur-, slijp- en polijstmaterialen omdat de toewijzing aan verwerkende industrieën primair op basis van hun afhankelijkheid zou moeten plaatsvinden, en niet op basis van hun verbruik.
(207)
De Commissie merkte op dat zij bij de vaststelling van de omvang van de contingenten rekening heeft gehouden met de volledige productomschrijving en voor alle producten die onder die omschrijving vallen, steeds dezelfde methode heeft toegepast. Meer specifiek heeft de Commissie een totaal volume aan contingenten van 60 000 ton vastgesteld, zoals uiteengezet in de overwegingen 173 tot en met 175. Daarvan was 70 % bestemd voor bruin gesmolten aluminiumoxide en 30 % voor wit gesmolten aluminiumoxide, zoals ook uiteengezet in punt 8.3.1. De volumes werden vervolgens naar evenredigheid verdeeld over de toepasselijke Taric-codes voor deze categorieën, op basis van het tijdens het onderzoektijdvak vastgestelde aandeel in de invoer.
(208)
De Commissie oordeelde dat deze methode deugdelijk, evenwichtig en evenredig was, en het betrokken product als geheel behandelde, zonder een bepaalde typologie te bevoordelen of uit te sluiten. Zoals reeds vastgesteld in punt 222, worden alle vormen beschouwd als onderdeel van hetzelfde betrokken product. Voorts merkte de Commissie op dat zij de toewijzing aan verwerkende industrieën volgens een deugdelijke methode heeft vastgesteld, en daarbij zowel de afhankelijkheid van gebruikers als verbruiksniveaus in aanmerking heeft genomen. De argumenten werden derhalve afgewezen.
(209)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde een aantal belanghebbenden dat zou moeten worden voorzien in een herzieningsclausule, om rekening te kunnen houden met mogelijke veranderingen in omstandigheden die een aanpassing van de rechtenvrije contingenten zouden rechtvaardigen, waaronder ontwikkelingen in de productie in de Unie, invoer uit derde landen en de omvang van de markt van de Unie.
(210)
De Commissie merkte op dat zij volgens de basisverordening een herzieningsprocedure kan inleiden wanneer zich veranderingen in omstandigheden voordoen, waaronder veranderingen in de totale productie in de Unie, het verbruik van gesmolten aluminiumoxide in de Unie, en de invoer uit derde landen. De Commissie was dan ook van mening dat er geen reden is om te voorzien in een afzonderlijke herzieningsclausule.
(211)
Na de definitieve mededeling van feiten en overwegingen betoogden de door de CCCMC vertegenwoordigde producenten-exporteurs dat producenten-exporteurs die tijdens het onderzoek hebben meegewerkt, voorrang bij de toewijzing van contingenten zouden moeten krijgen.
(212)
De Commissie merkte op dat het rechtenvrije tariefcontingent in het belang van de Unie was ingesteld om de effecten van de maatregelen op verwerkende industrieën te beperken en om de belangen van alle belanghebbenden in evenwicht te brengen, en niet om aan individuele producenten-exporteurs een voorkeursbehandeling te geven. Daarom werd het argument dat meewerkende producenten bij de toewijzing van contingenten voorrang zouden moeten krijgen, afgewezen.
(213)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde een aantal belanghebbenden dat het onjuist was om Taric-code 2818 10 91 20, voor blauw sol-gel-korund, in te delen bij bruin gesmolten aluminiumoxide. Voor het maken van een onderscheid tussen productsoorten op basis van hun Taric-indeling mag volgens hen blauw sol-gel niet worden beschouwd als een speciale soort bruin gesmolten aluminiumoxide. Zij voerden aan dat blauw sol-gel een aluminiumoxidegehalte van minder dan 98,5 % heeft en daarom onder GN-code 2818 10 91 valt, maar toch in beperkte mate uitwisselbaar is met producten van standaard bruin gesmolten aluminiumoxide. Ook betoogden zij dat voor sol-gel böhmiet als belangrijkste grondstof wordt gebruikt, een speciale soort aluinaarde, terwijl aluinaarde ook de grondstof is voor producten van wit gesmolten aluminiumoxide, daar waar voor bruin gesmolten aluminiumoxide bauxiet wordt gebruikt. Daarnaast bestaat er volgens hen een hogere mate van uitwisselbaarheid tussen blauw sol-gel en wit sol-gel, ingedeeld onder de Taric-codes 2818 10 11 10 en 2818 10 11 20, en niet zozeer met kwaliteitsgradaties van standaard bruin gesmolten aluminiumoxide. Ook betoogden zij dat bij opneming van blauw sol-gel onder bruin gesmolten aluminiumoxide onevenredige volumes zouden worden toegewezen aan een nicheproductsoort, met het risico dat onevenredige hoeveelheden blauw sol-gel de Unie binnenkomen binnen het rechtenvrije contingent. Daarom verzochten de belanghebbenden om blauw sol-gel uit te sluiten van de categorie bruin gesmolten aluminiumoxide en afzonderlijk te behandelen in het kader van het rechtenvrije tariefcontingent.
(214)
De Commissie heeft dit verzoek zorgvuldig beoordeeld en op basis van de aangevoerde argumenten geconcludeerd dat alle productsoorten binnen de productomschrijving van het onderzoek weliswaar hetzelfde betrokken product vormen en essentiële fysische, chemische en technische kenmerken gemeen hebben, maar dat blauw sol-gel voor een onderscheid tussen productsoorten op basis van hun Taric-indeling niet mag worden beschouwd als een speciale soort bruin gesmolten aluminiumoxide. In plaats daarvan moet het worden opgenomen in de categorie wit gesmolten aluminiumoxide. Deze conclusie was technisch gerechtvaardigd, maar ook gebaseerd op de overweging dat bij opneming van blauw sol-gel onder bruin gesmolten aluminiumoxide onevenredige volumes zouden worden toegewezen aan een nicheproductsoort, met het risico dat onevenredige hoeveelheden blauw sol-gel de Unie binnenkomen binnen het rechtenvrije contingent.
(215)
Daarnaast merkte de Commissie op dat het rechtenvrije contingent en de ruimere toewijzing van 70 % voor bruin gesmolten aluminiumoxide bedoeld waren ter beperking van de effecten op de aanzienlijke volumes bruin gesmolten aluminiumoxide die door de meeste gebruikers worden verbruikt. Wanneer blauw sol-gel onder deze categorie valt, zou dat echter niet van materiële invloed zijn op de totale beschikbaarheid van volumes voor gebruikers, gezien het geringe verbruik, maar zou het anderzijds de bedrijfstak van de Unie aanzienlijke schade kunnen toebrengen.
(216)
Derhalve heeft de Commissie besloten om Taric-code 2818 10 91 20 voor de verdeling van volumes in te delen bij wit gesmolten aluminiumoxide.
(217)
Verder betoogde een aantal belanghebbenden dat bepaalde wijzigingen in de Taric-omschrijvingen voor sol-gel nodig waren met het oog op de technische juistheid en om mogelijke onjuiste indelingen van ingevoerde sol-gelproducten te voorkomen. In dat verband zou moeten worden verduidelijkt dat zowel gesinterd als voorgesinterd sol-gel is ingedeeld bij de Taric-codes 2818 10 11 10 en 2818 10 91 20. Daarnaast betoogden enkele belanghebbenden dat bij Taric-code 2818 10 91 20 een aanpassing nodig was om de invoer van bepaalde sol-gelproducten met een aluminiumoxidegehalte van minder dan 98,5 % onder Taric-code 2818 10 91 99 te voorkomen.
(218)
De Commissie heeft dit verzoek zorgvuldig beoordeeld en op basis van de aangevoerde argumenten geconcludeerd dat de wijzigingen gerechtvaardigd zijn met het oog op de technische juistheid en om mogelijke onjuiste indelingen van ingevoerde sol-gelproducten te voorkomen. Daarnaast merkte de Commissie op dat het rechtenvrije contingent was bedoeld om de effecten op de aanzienlijke afhankelijkheid van verbruikte volumes door de gebruikers te beperken. De wijziging van de Taric-codes voor een variant van het product zou gezien het geringe verbruik niet van materiële invloed zijn op de totale beschikbaarheid van volumes voor gebruikers en zou onjuiste indelingen kunnen voorkomen die de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk kunnen schaden.
(219)
Na de aanvullende mededeling van definitieve bevindingen wees Imerys op een technische onnauwkeurigheid in de beschrijving van een van de nieuw gecreëerde Taric-codes voor sol-gelproducten en verzocht hij om herziening ervan.
(220)
De Commissie stelde vast dat de opmerking juist was en heeft de beschrijving van de relevante Taric-codes dienovereenkomstig aangepast.
8.4. Niveau van de maatregelen
(221)
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
Land
Onderneming
Dumpingmarge (%)
Schademarge (%)
Definitief antidumpingrecht (%)
VRC
Chongqing Saite Corundum Co., Ltd.
99,8
233,9
99,8
VRC
Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd.
88,7
116,9
88,7
VRC
Andere meewerkende ondernemingen
94,5
178,4
94,5
VRC
Alle overige invoer van oorsprong uit de VRC
110,6
259
110,6
(222)
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn dus uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op de invoer van het betrokken product indien dat is vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor “alle overige invoer van oorsprong uit de VRC”.
(223)
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (10). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
(224)
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de juiste toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De toepassing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing wanneer een geldige handelsfactuur wordt overgelegd aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de VRC”.
(225)
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving.
(226)
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt aanzienlijk toeneemt, met name na de instelling van de maatregelen in kwestie, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen.
(227)
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het antidumpingrecht dat is vastgesteld voor alle overige invoer van oorsprong uit de VRC niet alleen gelden voor de niet-meewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd.
(228)
Producenten-exporteurs die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie hebben uitgevoerd, moeten de Commissie kunnen verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur zou moeten aantonen dat: i) hij het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie heeft uitgevoerd; ii) hij niet verbonden is met een producent-exporteur die dat wel heeft gedaan; en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen.
8.5. Definitieve inning van het voorlopige recht
(229)
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogden enkele belanghebbenden dat de inning van voorlopige rechten op het niveau van de dumpingmarges niet gerechtvaardigd was. Zij betoogden dat die inning een te zware belasting voor gebruikers zou vormen en, aangezien de vorm van de definitieve maatregelen was aangepast, dat de voorlopige rechten in hun huidige vorm niet zouden moeten worden geïnd.
(230)
De Commissie merkte op dat in de definitieve maatregelen voor een deel van het invoervolume uit de VRC een rechtenvrij contingent wordt ingesteld. Uitgaande van de invoer uit de VRC gedurende het onderzoektijdvak zou 62,6 % van het totale invoervolume buiten het rechtenvrije contingent vallen en daarom aan antidumpingrechten zijn onderworpen. Om het werkelijke deel van de invoer waarover rechten worden geheven te weerspiegelen en om te voorkomen dat meer wordt geïnd dan krachtens de definitieve maatregelen was ingesteld, oordeelde de Commissie dat, voor de periode tussen de instelling van de voorlopige maatregelen en de inwerkingtreding van de definitieve maatregelen, de geïnde rechten overeen moeten komen met hetzelfde aandeel in de invoer dat niet onder het tariefcontingent valt, waarbij de invoervolumes tijdens het onderzoektijdvak als referentie worden aangehouden, te weten 62,6 % van de hoogte van de definitieve rechten. Zo wordt gewaarborgd dat de invoer stelselmatig op dezelfde wijze wordt behandeld, dat rechten evenredig worden toegepast, en dat niet meer wordt geïnd dan volgens de definitieve maatregelen nodig is.
(231)
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen waarvoor door middel van uit hoofde van de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten zekerheid is gesteld, definitief worden geïnd op het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau van 62,6 %.
(232)
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen waarvoor door middel van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten zekerheid is gesteld, definitief worden geïnd op het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau van 62,6 %.
8.6. Inning met terugwerkende kracht
(233)
Zoals vermeld in punt 1.2, heeft de Commissie de invoer van het onderzochte product aan registratie onderworpen.
(234)
In het definitieve stadium van het onderzoek zijn de in het kader van de registratie verzamelde gegevens beoordeeld. De Commissie heeft onderzocht of aan de criteria van artikel 10, lid 4, van de basisverordening voor de inning van definitieve rechten met terugwerkende kracht is voldaan.
(235)
Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat er naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt, geen sprake was van een aanzienlijke toename van invoer in de zin van artikel 10, lid 4, punt d), van de basisverordening. Daartoe vergeleek de Commissie de invoervolumes tussen i) de periode vanaf de eerste volle maand volgend op de opening tot en met de laatste volle maand vóór de registratie en de periode vanaf de eerste volle maand volgend op de opening tot en met de laatste volle maand vóór de vaststelling van voorlopige maatregelen enerzijds, en de overeenkomende kalendermaanden van het onderzoektijdvak anderzijds, om rekening te houden met seizoensinvloeden; en ii) het maandgemiddelde voor deze perioden met het maandgemiddelde voor het volledige onderzoektijdvak.
(236)
Uit deze analyse bleek dat de invoervolumes afnemen. Met name bleek uit de gegevens een afname van 9 % van het gemiddelde maandelijkse volume van de invoer, op basis van een vergelijking tussen de periode van zeven maanden tussen de opening van het onderzoek en de bekendmaking van de voorlopige maatregelen en het maandelijkse gemiddelde in het onderzoektijdvak. Een soortgelijke vergelijking over de periode van twee maanden tussen de opening en de registratie van invoer gaf een afname van 8 % te zien in de gemiddelde maandelijkse invoervolumes. De Commissie heeft daarnaast de invoervolumes in de zeven maanden volgend op de opening vergeleken met dezelfde kalendermaanden in het onderzoektijdvak. Uit deze vergelijking bleek dat de invoervolumes met 10 % waren gedaald. Een vergelijking van de twee maanden volgend op de opening tot de registratie van de invoer met dezelfde maanden in het onderzoektijdvak gaf daarnaast een afname van de invoervolumes met 3,2 % te zien.
(237)
Gezien het bovenstaande bleek uit de beschikbare gegevens niet dat er na de opening sprake is geweest van een aanzienlijke toename van de invoer. Bijgevolg concludeerde de Commissie dat niet aan de voorwaarden voor de instelling van maatregelen met terugwerkende kracht is voldaan.
9. SLOTBEPALING
(238)
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 (11) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand.
(239)
Het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht over de in deze verordening vervatte maatregelen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op gesmolten aluminiumoxide, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2818 10 11 , 2818 10 19 , ex 2818 10 91 , en 2818 10 99 (Taric-codes 2818 10 91 20, 2818 10 91 40, 2818 10 91 91, 2818 10 91 99), van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Het antidumpingrecht is niet van toepassing op invoer vallend onder het in artikel 2 ingestelde rechtenvrije contingent.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
Land van oorsprong
Onderneming
Definitief antidumpingrecht (%)
Aanvullende Taric-code
VRC
Chongqing Saite Corundum Co., Ltd.
99,8
89RI
VRC
Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd.
88,7
89RJ
VRC
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in bijlage I
94,5
Zie bijlage I
VRC
Alle overige invoer van oorsprong uit de VRC
110,6
8999
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid in de door ons gebruikte eenheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China geldt.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Er wordt een rechtenvrij tariefcontingent ingesteld op gesmolten aluminiumoxide, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2818 10 11 , 2818 10 19 , ex 2818 10 91 en 2818 10 99 (Taric-codes 2818 10 11 10, 2818 10 11 20, 2818 10 11 30, 2818 10 11 40, 2818 10 11 91, 2818 10 11 99, 2818 10 91 20, 2818 10 91 40, 2818 10 91 91, 2818 10 91 99), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. Over de invoer van het betrokken product binnen het tariefcontingent wordt geen antidumpingrecht geheven. De omvang van het rechtenvrije tariefcontingent, de soorten producten (op basis van hun Taric-codes) en de perioden waarop dit van toepassing is, worden vastgesteld in bijlage II.
3. Het rechtenvrije tariefcontingent wordt toegewezen volgens het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt”, op basis van het tariefcontingent dat gelijkelijk is vastgesteld voor elk kwartaal van de instellingsperiode, zoals nader omschreven in bijlage II.
4. Het opnemen van elk op kwartaalbasis ingestelde continent wordt beëindigd op de twintigste werkdag van de Commissie die volgt op het einde van het kwartaal. Aan het einde van elk kwartaal worden de ongebruikte delen van het tariefcontingent automatisch overgedragen naar het volgende kwartaal. Aan het einde van het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent worden geen ongebruikte delen overgedragen.
5. Indien het in lid 2 gedefinieerde contingent is uitgeput, geldt voor de invoer uit de Volksrepubliek China het toepasselijke antidumpingrecht overeenkomstig artikel 1.
Artikel 3
1. De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1456, worden definitief geïnd op een niveau dat overeenkomt met 62,6 % van de in artikel 1 van die verordening vastgestelde douanerechten. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat moet worden geïnd overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1036, is als volgt:
Land van oorsprong
Onderneming
Voorlopig antidumpingrecht (%)
Aanvullende Taric-code
VRC
Chongqing Saite Corundum Co., Ltd.
62,4
89RI
VRC
Luoyang Runbao Abrasives Co., Ltd.
55,5
89RJ
VRC
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in bijlage I
59,1
Zie bijlage I
VRC
Alle overige invoer van oorsprong uit de VRC
69,2
8999
Artikel 4
Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur moet met bewijs aantonen dat:
a)
hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak (1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024) niet heeft uitgevoerd;
b)
hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en die aan het oorspronkelijke onderzoek hadden kunnen meewerken, en
c)
hij na het verstrijken van het onderzoektijdvak het betrokken product daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren.
Artikel 5
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 januari 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176, 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) PB C, C/2024/7049, 21.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7049/oj.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/260 van de Commissie van 10 februari 2025 tot onderwerping van de invoer van gesmolten aluminiumoxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L, 2025/260, 11.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/260/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1456 van de Commissie van 17 juli 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gesmolten aluminiumoxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/1456, 18.7.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1456/oj).
(5) Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1173 van de Commissie van 4 juni 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie en Verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, wat de duur van de periode van voorafgaande kennisgeving betreft (PB L 259 van 10.8.2020, blz. 1 ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2020/1173/oj).
(6) https://www.trevodrywall.com.br/.
(7) https://www.tecnosulfur.com.br/en/about/.
(8) Bij gebrek aan beschikbare jaarverslagen van een producent van gesmolten aluminiumoxide in een van de potentieel representatieve landen met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VRC heeft de Commissie gebruikgemaakt van de jaarverslagen van ondernemingen uit andere landen die gesmolten aluminiumoxide produceren om te beoordelen of de VAA-kosten van Bozel representatief waren voor de desbetreffende sector. Hiertoe behoren de informatie van een Indiase producent, Carborundum Universal Limited (https://www.cumi-murugappa.com/wp-content/uploads/2025/07/CUMI-Annual-Report-2025.pdf), een Japanse producent, Resonac Holdings Corporation (https://www.resonac.com/sites/default/files/2025-02/e_tanshin2024q4.pdf), en geverifieerde gegevens die werden verzameld bij de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.
(9) Gesmolten aluminiumoxide wordt geproduceerd uit aluinaarde en bauxiet, die beide in de Europese verordening kritieke grondstoffen (2024/1252) als strategische basisproducten worden aangemerkt. Daarnaast worden het strategische belang en de relevantie van gesmolten aluminiumoxide in dat opzicht voor de ijzer- en staalsector, de lucht- en ruimtevaart- en de defensiesector bevestigd door Singh et al. (2023) in Applications and Developments of Thermal Spray Coatings for the Iron and Steel Industry en Grigaitienė et al. (2025) in Effect of TiO2 Content on the Corrosion and Thermal Resistance of Plasma-Sprayed Al2O3-TiO2 Coatings.
(10) E-mail: TRADE-TDI-NAME-CHANGE-REQUESTS@ec.europa.eu; Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.
(11) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
BIJLAGE I
Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de VRC
Land
Naam
Aanvullende Taric-code
VRC
Art Abrasives (Guizhou) Co., Ltd.
89RK
VRC
Bedrock Corundum Co., Ltd.
89RL
VRC
Binzhou Qinai New Material Co., Ltd.
89RM
VRC
Guizhou Guxin New Materials Co., Ltd.
89RN
VRC
Guizhou Kaicheng Fused Minerals Co., Ltd.
89RO
VRC
Henan Ant Advanced Materials Co., Ltd.
89RP
VRC
Henan Haochen Advanced Materials Co., Ltd.
89RQ
VRC
Henan Hengxin Industrial & Mineral Products Co., Ltd
89SI
VRC
Henan Jinfeng New Material Technology Co., Ltd.
89RR
VRC
Imerys Fused Minerals (Guizhou) Co., Ltd.
89RS
VRC
Qinai (Shandong) New Material Co., Ltd.
89RT
VRC
Qingdao Reckel Advanced Materials Co., Ltd.
89RU
VRC
Qingdao Sisa Abrasives Co., Ltd.
89RV
VRC
Saint-Gobain Ceramic Materials (Zhengzhou) Co Ltd
89RW
VRC
Shandong Imerys Mount Tai Co., Ltd.
89RX
VRC
Shanxi Lvliangshan Mineral Co., Ltd.
89RY
VRC
Yichuan Kingsino Refractories Co., Ltd
89RZ
VRC
Zhengzhou Sinabuddy Mineral Co., Ltd.
89SA
VRC
Zhengzhou Yufa High-Tech Material Co., Ltd.
89SB
VRC
Zibo Jin Chun Tai Abrasives Co., Ltd.
89SD
VRC
Zibo Jinjiyuan Abrasives Co., Ltd.
89SC
BIJLAGE II
Taric- of GN-code
Beschrijving van het product
2026
2027
2028
2029
2030
Volgnummer
Omvang rechtenvrij tariefcontingent (ton netto)
2818 10 11 10
Sol-gel-korund (CAS RN 1302-74-5) met een aluminiumoxidegehalte van 99,6 gewichtspercent of meer, met een microkristallijne structuur in de vorm van staven met een breedte-hoogteverhouding van ten minste 1,3 maar niet meer dan 6,0
103,8
90,8
77,8
64,9
51,9
090520
2818 10 11 30
(NIEUWE TARIC)
Gesinterd sol-gel-korund of voorgesinterd sol-gel met een aluminiumoxidegehalte van 99,6 gewichtspercent of meer, met een microkristallijne structuur in de vorm van staven met een breedte-hoogteverhouding van ten minste 1,3 maar niet meer dan 6,0.
2818 10 11 40
Gesinterd sol-gel-korund of voorgesinterd sol-gel met een microkristallijne structuur, bestaande uit aluminiumoxide, met een samenstelling naar gewicht (als oxiden) van ten minste 98,5 gewichtspercent aluminiumoxide, anders dan met een aluminiumoxidegehalte van 99,6 gewichtspercent of meer, met een microkristallijne structuur in de vorm van staven met een breedte-hoogteverhouding van ten minste 1,3 maar niet meer dan 6,0.
2818 10 11 20
Gesinterd korund met een microkristallijne structuur, bestaande uit aluminiumoxide (CAS RN 1344-28-1) en magnesiumaluminaat (CAS RN 12068-51-8), met een gehalte naar gewicht (berekend als oxiden) van:
—
92 of meer gewichtspercent aluminiumoxide, en
—
8 of minder gewichtspercent magnesiumoxide
281810 11 91 (NIEUWE TARIC)
Gesmolten aluminiumoxide met de twee volgende eigenschappen: i) tussen 5 en 35 gewichtspercent van het product is onder de minimale korrelgrootte die in de specificatie voor het product is vastgesteld, en ii) tussen 1 en 10 gewichtspercent van het product is boven de maximale korrelgrootte die in de specificatie voor het product is vastgesteld.
7 177,6
6 280,4
5 383,2
4 486,0
3 588,8
090521
2818 10 11 99
(NIEUWE TARIC)
Ander
10 087,7
8 826,7
7 565,7
6 304,8
5 043,8
090522
2818 10 19
Voor 50 gewichtspercent of meer bestaande uit deeltjes met een afmeting van meer dan 10 mm
56,1
49,1
42,1
35,0
28,0
090523
2818 10 91 20
Gesinterd korund, met een microkristallijne structuur, bestaande uit aluminiumoxide (CAS RN 1344-28-1), magnesiumaluminaat (CAS RN 12068-51-8) en de zeldzame aardaluminaten van yttrium, lanthaan en neodymium met een gehalte naar gewicht (berekend als oxiden) van:
—
ten minste 92 maar minder dan 98,5 gewichtspercent aluminiumoxide,
—
2 (± 1,5) gewichtspercent magnesiumoxide,
—
1 (± 0,6) gewichtspercent yttriumoxide, en
—
hetzij 3 (± 2,2) gewichtspercent lanthaanoxide, hetzij
—
2 (± 1,2) gewichtspercent lanthaanoxide en neodymiumoxide,
voor minder dan 50 gewichtspercent bestaande uit deeltjes met een afmeting van meer dan 10 mm
574,9
503,0
431,2
359,3
287,5
090524
2818 10 91 40
(NIEUWE TARIC)
Gesinterd sol-gel-korund of voorgesinterd sol-gel met een microkristallijne structuur, bestaande uit aluminiumoxide, met een samenstelling naar gewicht (als oxiden) van ten minste 92 maar minder dan 98,5 gewichtspercent aluminiumoxide.
2818 10 91 91 (NIEUWE TARIC)
Gesmolten aluminiumoxide met een gehalte aan titaandioxide van 1 gewichtspercent of meer, met de twee volgende eigenschappen: i) tussen 5 en 35 gewichtspercent van het product is onder de minimale korrelgrootte die in de specificatie voor het product is vastgesteld, en ii) tussen 1 en 10 gewichtspercent van het product is boven de maximale korrelgrootte die in de specificatie voor het product is vastgesteld.
16 243,2
14 212,8
12 182,4
10 152,0
8 121,6
090525
2818 10 91 99
(NIEUWE TARIC)
Ander
24 364,8
21 319,2
18 273,6
15 228,0
12 182,4
090526
2818 10 99
Voor 50 gewichtspercent of meer bestaande uit deeltjes met een afmeting van meer dan 10 mm
1 392,1
1 218,1
1 044,0
870,0
696,0
090527
2026
Taric- of GN-code
2026
1e kwartaal
(16.1.2026 – 31.3.2026)
2e kwartaal
(1.4.2026 – 30.6.2026)
3e kwartaal
(1.7.2026 – 30.9.2026)
4e kwartaal
(1.10.2026 – 31.12.2026)
Omvang rechtenvrij tariefcontingent (ton netto)
2818 10 11 10
2818 10 11 30
2818 10 11 20
2818 10 11 40
25,95
25,95
25,95
25,95
2818 10 11 91
1 794,39
1 794,39
1 794,39
1 794,39
2818 10 11 99
2 521,91
2 521,91
2 521,91
2 521,91
2818 10 19
14,02
14,02
14,02
14,02
2818 10 91 20
2818 10 91 40
143,73
143,73
143,73
143,73
2818 10 91 91
4 060,79
4 060,79
4 060,79
4 060,79
2818 10 91 99
6 091,19
6 091,19
6 091,19
6 091,19
2818 10 99
348,01
348,01
348,01
348,01
2027
Taric- of GN-code
2027
1e kwartaal
(1.1.2027 – 31.3.2027)
2e kwartaal
(1.4.2027 – 30.6.2027)
3e kwartaal
(1.7.2027 – 30.9.2027)
4e kwartaal
(1.10.2027 – 31.12.2027)
Omvang rechtenvrij tariefcontingent (ton netto)
2818 10 11 10
2818 10 11 30
2818 10 11 20
2818 10 11 40
22,71
22,71
22,71
22,71
2818 10 11 91
1 570,09
1 570,09
1 570,09
1 570,09
2818 10 11 99
2 206,67
2 206,67
2 206,67
2 206,67
2818 10 19
12,27
12,27
12,27
12,27
2818 10 91 20
2818 10 91 40
125,76
125,76
125,76
125,76
2818 10 91 91
3 553,19
3 553,19
3 553,19
3 553,19
2818 10 91 99
5 329,79
5 329,79
5 329,79
5 329,79
2818 10 99
304,51
304,51
304,51
304,51
2028
Taric- of GN-code
2028
1e kwartaal
(1.1.2028 – 31.3.2028)
2e kwartaal
(1.4.2028 – 30.6.2028)
3e kwartaal
(1.7.2028 – 30.9.2028)
4e kwartaal
(1.10.2028 – 31.12.2028)
Omvang rechtenvrij tariefcontingent (ton netto)
2818 10 11 10
2818 10 11 30
2818 10 11 20
2818 10 11 40
19,46
19,46
19,46
19,46
2818 10 11 91
1 345,79
1 345,79
1 345,79
1 345,79
2818 10 11 99
1 891,44
1 891,44
1 891,44
1 891,44
2818 10 19
10,51
10,51
10,51
10,51
2818 10 91 20
2818 10 91 40
107,79
107,79
107,79
107,79
2818 10 91 91
3 045,60
3 045,60
3 045,60
3 045,60
2818 10 91 99
4 568,39
4 568,39
4 568,39
4 568,39
2818 10 99
261,01
261,01
261,01
261,01
2029
Taric- of GN-code
2029
1e kwartaal
(1.1.2029 – 31.3.2029)
2e kwartaal
(1.4.2029 – 30.6.2029)
3e kwartaal
(1.7.2029 – 30.9.2029)
4e kwartaal
(1.10.2029 – 31.12.2029)
Omvang rechtenvrij tariefcontingent (ton netto)
2818 10 11 10
2818 10 11 30
2818 10 11 20
2818 10 11 40
16,22
16,22
16,22
16,22
2818 10 11 91
1 121,50
1 121,50
1 121,50
1 121,50
2818 10 11 99
1 576,20
1 576,20
1 576,20
1 576,20
2818 10 19
8,76
8,76
8,76
8,76
2818 10 91 20
2818 10 91 40
89,83
89,83
89,83
89,83
2818 10 91 91
2 538,00
2 538,00
2 538,00
2 538,00
2818 10 91 99
3 806,99
3 806,99
3 806,99
3 806,99
2818 10 99
217,51
217,51
217,51
217,51
2030
Taric- of GN-code
2030
1e kwartaal
(1.1.2030 – 31.3.2030)
2e kwartaal
(1.4.2030 – 30.6.2030)
3e kwartaal
(1.7.2030 – 30.9.2030)
4e kwartaal
(1.10.2030 – 31.12.2030)
Omvang rechtenvrij tariefcontingent (ton netto)
2818 10 11 10
2818 10 11 30
2818 10 11 20
2818 10 11 40
12,97
12,97
12,97
12,97
2818 10 11 91
897,20
897,20
897,20
897,20
2818 10 11 99
1 260,96
1 260,96
1 260,96
1 260,96
2818 10 19
7,01
7,01
7,01
7,01
2818 10 91 20
2818 10 91 40
71,86
71,86
71,86
71,86
2818 10 91 91
2 030,40
2 030,40
2 030,40
2 030,40
2818 10 91 99
3 045,60
3 045,60
3 045,60
3 045,60
2818 10 99
174,01
174,01
174,01
174,01
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/114/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top