Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3277/84 van de Raad van 22 november 1984 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor ferrosilicomangaan van post 73.02 D van het gemeenschappelijk douanetarief (1985)
Publicatieblad Nr. L 307 van 24/11/1984 blz. 0006 - 0008
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3277/84 VAN DE RAAD
van 22 november 1984
betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor ferrosilicomangaan van post 73.02 D van het gemeenschappelijk douanetarief (1985)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Overwegende dat de Europese Economische Gemeenschap de verplichting op zich heeft genomen om voor ferrosilicomangaan van post 73.02 D een jaarlijks communautair tariefcontingent van 50 000 ton met vrijstelling van rechten te openen; dat dit contingent evenwel verminderd moet worden tot 18 550 ton om rekening te kunnen houden met de traditionele invoer uit de EFTA-landen, die krachtens de met deze landen gesloten overeenkomsten met vrijstelling van rechten kan plaatsvinden; dat daarom op 1 januari 1985 het betrokken tariefcontingent dient te worden geopend en over de Lid-Staten dient te worden verdeeld;
Overwegende dat met name gewaarborgd moet worden dat alle importeurs te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van genoemd contingent en voorts dat het op het genoemde contingent toe te passen recht ononderbroken wordt toegepast op alle invoer tot op het moment dat het contingent is uitgeput; dat een systeem voor de benutting van het communautaire tariefcontingent, gebaseerd op een verdeling over de Lid-Staten, in overeenstemming lijkt te zijn met het communautaire karakter van genoemd contingent, voor wat de hierboven uiteengezette beginselen betreft; dat deze verdeling, om zo goed mogelijk de werkelijke ontwikkeling op de markt van het betrokken produkt weer te geven, moet worden toegepast naar verhouding van de behoeften, berekend enerzijds op grond van de statistische gegevens betreffende de invoer uit derde landen gedurende een representatieve referentieperiode, en anderzijds op grond van de economische vooruitzichten voor het betrokken contingentsjaar;
Overwegende dat de dienovereenkomstige invoer van ieder van de Lid-Staten gedurende de laatste drie jaren waarover volledige statistische gegevens beschikbaar zijn, ten opzichte van de invoer van bedoeld produkt uit derde landen die geen gelijkwaardige tariefpreferentie genieten, de volgende percentages te zien geeft:
1.2.3.4 // // // // // // 1981 // 1982 // 1983 // // // // // Benelux // 3,33 // 3,21 // 2,52 // Denemarken // 0,01 // 0 // 0 // Duitsland // 64,17 // 49,14 // 73,83 // Griekenland // 1,13 // 0,14 // 0 // Frankrijk // 2,25 // 11,80 // 2,22 // Ierland // 0 // 0 // 0 // Italië // 20,23 // 19,98 // 15,23 // Verenigd Koninkrijk // 8,88 // 15,73 // 6,20 // // // //
Overwegende dat, in verband met deze gegevens en de voor 1985 te verwachten ontwikkeling van de markt van ferrosilicomangaan, de percentages voor de eerste verdeling van het contingent bij benadering als volgt kunnen worden vastgesteld:
Benelux 3,08,
Denemarken 0,01,
Duitsland 59,16,
Griekenland 0,38,
Frankrijk 6,85,
Ierland 0,01,
Italië 18,94,
Verenigd Koninkrijk 11,57;
Overwegende dat, ten einde rekening te houden met de eventuele ontwikkeling van de invoer van genoemd produkt, het contingent in twee gedeelten moet worden gesplitst, waarbij het eerste gedeelte wordt verdeeld en het tweede gedeelte een reserve vormt om de latere behoeften te dekken van de Lid-Staten die hun aanvankelijke quotum hebben uitgeput; dat, ten einde de importeurs enige zekerheid te verschaffen, het eerste gedeelte van het communautaire tariefcontingent zou moeten worden vastgesteld op een hoog niveau, dat in het onderhavige geval ongeveer 95 % van het contingent zou kunnen bedragen;
Overwegende dat de aanvankelijke quota meer of minder spoedig kunnen zijn uitgeput; dat, ten einde hiermede rekening te houden en elke onderbreking te vermijden, het van belang is dat iedere Lid-Staat die zijn aanvankelijke quotum nagenoeg geheel heeft benut, een extra quotum uit de reserve opneemt; dat deze opneming door iedere Lid-Staat moet worden verricht, wanneer elk van zijn extra quota bijna geheel is benut en wel zo vaak als de reserve dat toelaat; dat de aanvankelijke en de extra quota geldig moeten zijn tot aan het einde van de contingentsperiode; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie, die met name de benuttingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten hierover moet kunnen inlichten; Overwegende dat het, indien in een Lid-Staat op een bepaald tijdstip van de contingentsperiode een belangrijk overschot bestaat, noodzakelijk is dat dat land daarvan een aanmerkelijk percentage terugstort in de reserve, ten einde te vermijden dat een gedeelte van het communautaire contingent in een Lid-Staat onbenut blijft, terwijl andere Lid-Staten er gebruik van zouden kunnen maken;
Overwegende dat, aangezien het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie, elke handeling met betrekking tot het beheer van de aan genoemde Economische Unie toegewezen quota kan worden verricht door één van haar leden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1985 wordt in de Gemeenschap een communautair tariefcontingent geopend van 18 550 ton voor ferrosilicomangaan van post 73.02 D van het gemeenschappelijk douanetarief.
2. De invoer van bedoeld produkt waarvoor reeds vrijstelling van rechten geldt krachtens een andere preferentiële regeling kan niet van het tariefcontingent worden afgeboekt.
3. Binnen de grenzen van dit tariefcontingent wordt het recht van het gemeenschappelijk douanetarief volledig geschorst.
4. In het kader van dit tariefcontingent past Griekenland rechten toe die worden berekend overeenkomstig de bepalingen ter zake in de Akte van Toetreding van 1979.
Artikel 2
1. Van dit communautaire tariefcontingent wordt een eerste gedeelte, ter grootte van 17 650 ton, over de Lid-Staten verdeeld; de quota die, behoudens het bepaalde in artikel 5, gelden van 1 januari tot en met 31 december 1985 bedragen voor de Lid-Staten de volgende hoeveelheden:
1.2 // // (in ton) // Benelux // 544, // Denemarken // 2, // Duitsland // 10 441, // Griekenland // 67, // Frankrijk // 1 209, // Ierland // 2, // Italië // 3 343, // Verenigd Koninkrijk // 2 042.
2. Het tweede gedeelte, ter grootte van 900 ton, vormt de reserve.
Artikel 3
1. Indien het aanvankelijke quotum van een van de Lid-Staten - zoals vastgesteld in artikel 2, lid 1 - dan wel dat zelfde quotum, verminderd met het bij toepassing van artikel 5 in de reserve teruggestorte gedeelte, voor 90 % of meer is benut, gaat deze Lid-Staat door middel van een kennisgeving aan de Commissie onverwijld over tot opneming, voor zover de reserve zulks toelaat, van een tweede quotum, gelijk aan 10 % van zijn aanvankelijke quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond.
2. Indien een Lid-Staat, na volledige benutting van zijn aanvankelijke quotum, het door hem opgenomen tweede quotum voor 90 % of meer heeft benut, gaat hij onverwijld, onder de in lid 1 genoemde voorwaarden, over tot opneming van een derde quotum, gelijk aan 5 % van zijn aanvankelijke quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond.
3. Indien een Lid-Staat, na volledige benutting van zijn tweede quotum, het door hem opgenomen derde quotum voor 90 % of meer heeft benut, gaat hij, onder dezelfde voorwaarden, over tot opneming van een vierde quotum, dat gelijk is aan het derde.
Deze procedure wordt verder op overeenkomstige wijze gevolgd totdat de reserve is uitgeput.
4. In afwijking van de leden 1 tot en met 3 kan elke Lid-Staat overgaan tot opneming van kleinere quota dan de in die leden vastgestelde, indien er redenen zijn om aan te nemen dat die quota wellicht niet geheel zullen worden benut. Hij deelt aan de Commissie de redenen mede die tot toepassing van dit lid hebben geleid.
Artikel 4
De overeenkomstig artikel 3 opgenomen extra quota gelden tot en met 31 december 1985.
Artikel 5
De Lid-Staten storten uiterlijk op 1 oktober 1985 van het niet benutte gedeelte van hun aanvankelijk quotum dat deel terug dat op 15 september 1985 20 % van het aanvankelijke quotum te boven gaat. Zij kunnen een grotere hoeveelheid terugstorten indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze wellicht niet zal worden benut.
De Lid-Staten geven uiterlijk op 1 oktober 1985 aan de Commissie kennis van de totale invoer van het betrokken produkt, die tot en met 15 september 1985 heeft plaatsgevonden en op het communautaire contingent is afgeboekt, alsmede eventueel van het gedeelte van hun aanvankelijke quotum dat zij in de reserve terugstorten. Artikel 6
De Lid-Staten kunnen bepalen dat alleen produkten met bepaalde bestemmingen op hun quota kunnen worden afgeboekt. In dit geval geschiedt de controle op de aanwending voor de voorgeschreven bijzondere bestemmingen overeenkomstig de communautaire bepalingen ter zake.
Artikel 7
De Commissie houdt boek van de hoeveelheden van de door de Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 2 en 3 geopende quota en zij geeft, zodra de opgaven haar bereiken, aan iedere Lid-Staat kennis van de in de reserve nog aanwezige hoeveelheid.
Zij stelt de Lid-Staten uiterlijk op 5 oktober 1985 in kennis van de stand van de reserve, na de overeenkomstig artikel 5 verrichte terugstortingen.
Zij draagt er zorg voor dat de opneming waardoor de reserve volledig wordt uitgeput, tot de nog beschikbare hoeveelheid beperkt blijft, en deelt daartoe aan de Lid-Staat die deze laatste opneming verricht mede, hoeveel dit saldo bedraagt.
Artikel 8
1. De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat, bij opening van de overeenkomstig artikel 3 door hen opgenomen extra quota, de door hen ingevoerde hoeveelheden zonder onderbreking kunnen worden afgeboekt op hun gecumuleerde aandeel in het communautaire contingent.
2. De Lid-Staten waarborgen aan de importeurs van het betrokken produkt vrije toegang tot de hun toegekende quota.
3. De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheden af op hun quota naar gelang dat het betrokken produkt bij de douane ten invoer in het vrije verkeer wordt aangegeven.
4. De benuttingsgraad van de quota van de Lid-Staten wordt vastgesteld op grond van de ingevoerde hoeveelheden, die onder de in lid 3 bepaalde voorwaarden worden afgeboekt.
Artikel 9
De Lid-Staten stellen de Commissie op haar verzoek in kennis van de invoer die daadwerkelijk op hun quota is afgeboekt.
Artikel 10
De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om te bereiken dat het bepaalde in deze verordening wordt nagekomen.
Artikel 11
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1985.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 22 november 1984.
Voor de Raad
De Voorzitter
J. BRUTON
Top