Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3337/84 van de Raad van 27 november 1984 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op bepaalde invoer van zwaar natriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika
Publicatieblad Nr. L 311 van 29/11/1984 blz. 0026 - 0028
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0193
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0196
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3337/84 VAN DE RAAD
van 27 november 1984
tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op bepaalde invoer van zwaar natriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika
DE RAAD VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 12,
Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na overleg in het kader van het bij genoemde verordening ingestelde Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. Voorlopige maatregel
(1) De Commissie heeft bij Verordening (EEG) nr. 2253/84 (2) een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op bepaalde invoer van zwaar natriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en heeft met betrekking tot invoer van dat produkt door Allied Chemical Corporation en door Texas Gulf Chemicals Company verbintenissen aanvaard. Dit voorlopig recht werd toegevoegd aan een reeds bestaand definitief recht dat bij Verordening (EEG) nr. 550/83 van de Raad was ingesteld (3). De belanghebbende partijen werd om nader commentaar verzocht.
B. Verdere procedure
(2) Na de instelling van het voorlopig anti-dumpingrecht heeft één der betrokken exporteurs verzocht om door de Commissie te worden gehoord, hetgeen hem werd toegestaan. Tevens hebben de producenten in de Gemeenschap schriftelijk hun standpunt over het recht medegedeeld.
(3) Één exporteur heeft verzocht in kennis te worden gesteld van bepaalde feiten en essentiële overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond definitieve maatregelen aan te bevelen, aan welk verzoek gehoor werd gegeven.
C. Dumping
(4) Sedert de instelling van het voorlopig recht is er geen nieuw bewijsmateriaal omtrent dumping ontvangen, zodat de Commissie haar bevindingen ten aanzien van dumping, zoals uiteengezet in Verordening (EEG) nr. 2253/84, als definitief beschouwt.
D. Schade
(5) Ten aanzien van de schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap is geen nieuw bewijsmateriaal overgelegd.
De Commissie heeft derhalve de in Verordening (EEG) nr. 2253/84 vervatte bevindingen inzake schade bevestigd.
(6) Volgens de Commissie blijkt uit de uiteindelijk vastgestelde feiten derhalve dat de schade door invoer met dumping van zwaar natriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, los van die welke door andere factoren wordt veroorzaakt, als aanzienlijk dient te worden beschouwd.
E. Belang van de Gemeenschap
(7) De belangen van de benadeelde bedrijfstak van de Gemeenschap en die van de verwerkende industrie van de Gemeenschap zijn in de afweging betrokken. De Raad is van mening dat ter bescherming van de belangen van de Gemeenschap een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van zwaar natriumcarbonaat van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika moet worden ingesteld.
F. Verbintenissen
(8) Twee producenten van zwaar natriumcarbonaat in de Verenigde Staten van Amerika, FMC en Stauffer Chemicals, die nooit naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd, hebben betreffende mogelijke toekomstige uitvoer verbintenissen aangeboden.
(9) In vorige gevallen, waarin niet-exporteurs verbintenissen hadden aangeboden betreffende mogelijke toekomstige uitvoer naar de Gemeenschap, werden deze verbintenissen in het licht van elk geval afzonderlijk aanvaard of verworpen. Deze praktijk is herzien en als gevolg daarvan is besloten dat om de hierna vermelde redenen in het algemeen verbintenissen van potentiële exporteurs niet zullen worden aanvaard:
a) het is moeilijk een passende uitvoerprijs te bepalen voor een onderneming die niet naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd, aangezien alle gegevens, die beschikbaar kunnen zijn, waarschijnlijk betrekking hebben op een andere periode of op een andere bestemming; daarom is het twijfelachtig of deze gegevens relevant kunnen zijn;
b) het is waarschijnlijk ook moeilijk of onmogelijk in het geval van de potentiële exporteur de omvang van de mogelijke toekomstige uitvoer vast te stellen en, daarom, te bepalen wat de mogelijke weerslag ervan op de Gemeenschap kan zijn. Dit is van belang in gevallen waarin, voor de reeds exporterende partijen, door een verbintenis of de instelling van een recht een prijsniveau is vastgesteld ten einde de aan de Gemeenschapsindustrie berokkende schade te elimineren en waarin de omvang van de verkopen van het ingevoerde produkt bij de berekening van dit prijsniveau waarschijnlijk van doorslaggevende betekenis is. Uitvoer door ondernemingen, die vroeger niet hebben uitgevoerd, maar die verbintenissen hebben aangeboden, zou waarschijnlijk leiden tot wijziging van de omstandigheden ten opzichte van de periode van onderzoek en zou een nieuw onderzoek van het prijsniveau noodzakelijk kunnen maken;
c) een anti-dumpingonderzoek dient in het belang van alle betrokken partijen snel te worden afgewikkeld. Indien potentiële exporteurs zouden moeten worden onderzocht, zou dit tot een onredelijke administratieve belasting van de onderzoekende instanties leiden alsmede tot verlenging van de duur van het onderzoek en zou daarmee in het licht van de voorgeschreven termijnen afbreuk doen aan de doeltreffendheid.
Alhoewel de niet-aanvaarding van de door de niet-exporterende ondernemingen aangeboden verbintenissen voor deze ondernemingen een nadeel zou kunnen opleveren, wordt, in het licht van hetgeen voorafgaat, deze handelwijze in het algemeen niet als onredelijk beschouwd. Bovendien kan het aangewezen zijn om, wanneer ze naar de Gemeenschap beginnen uit te voeren, de artikelen 14 en 16 van Verordening (EEG) nr. 2196/84 betreffende nieuwe onderzoeken en terugbetalingen van anti-dumpingrechten toe te passen.
(10) Met betrekking tot FMC en Stauffer Chemicals, werden de mogelijke voorwaarden en omstandigheden waaronder uitvoer naar de Gemeenschap zou kunnen plaatsvinden, in het licht van het bovenstaande onderzocht. Voor beide ondernemingen werden de hierboven beschreven moeilijkheden betreffende de vaststelling van een geschikte uitvoerprijs en de beoordeling van de weerslag van toekomstige bijkomende invoer op de Gemeenschap aangetroffen. Dit leidde tot de gevolgtrekking dat een afwijking van de huidige benadering die erin bestaat, dat verbintenissen van niet-exporteurs in het algemeen dienen te worden afgewezen, niet gerechtvaardigd is. Daarom werd, na overleg, beslist de door FMC en Stauffer Chemicals aangeboden verbintenissen niet te aanvaarden.
G. Definitief recht
(11) Gelet op de bovengenoemde vaststelling, dient het bedrag van het definitieve anti-dumpingrecht gelijk te zijn aan de som van het bedrag van het eerdere definitieve recht en van dat van het aanvullende voorlopige anti-dumpingrecht. Het treedt in de plaats van het bij Verordening (EEG) nr. 550/83 ingestelde definitieve recht.
H. Inning van het voorlopig recht
(12) De bij wijze van voorlopige anti-dumpingrechten tot zekerheid gestelde bedragen dienen te worden geïnd,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EEG) nr. 550/83 wordt ingetrokken.
Artikel 2
1. Op de invoer van zwaar natriumcarbonaat van post 28.42 A ex II van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code ex 28.42-31, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, wordt een definitief anti-dumpingrecht ingesteld.
2. Het recht bedraagt 67,49 Ecu per ton.
Het recht is niet van toepassing op zwaar natriumcarbonaat uitgevoerd door Texas Gulf Chemicals Company en Allied Chemical Corporation.
3. De inzake douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing.
4. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder zwaar natriumcarbonaat verstaan natriumcarbonaat met een soortelijk gewicht van meer dan 0,700 kg/dm3.
Artikel 3
De bij wijze van voorlopig anti-dumpingrecht krachtens Verordening (EEG) nr. 2253/84 tot zekerheid gestelde bedragen worden definitief geïnd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 27 november 1984.
Voor de Raad
De Voorzitter
P. BARRY
(1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1.
(2) PB nr. L 206 van 2. 8. 1984, blz. 15.
(3) PB nr. L 64 van 10. 3. 1983, blz. 23.
Top