Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3421/84 van de Commissie van 5 december 1984 inzake de bemonstering van de vangst ter bepaling van het bijvangstpercentage bij het vissen met kleinmazige netten
Publicatieblad Nr. L 316 van 06/12/1984 blz. 0034 - 0036
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 04 Deel 3 blz. 0084
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 04 Deel 3 blz. 0084
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3421/84 VAN DE COMMISSIE
van 5 december 1984
inzake de bemonstering van de vangst ter bepaling van het bijvangstpercentage bij het vissen met kleinmazige netten
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 171/83 van de Raad van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2664/84 (2), inzonderheid op artikel 21,
Overwegende dat artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 171/83 de mogelijkheid biedt het percentage van de bijvangst te berekenen aan de hand van één of meer representatieve monsters;
Overwegende dat het dienstig is vast te stellen wat onder »representatief monster" dient te worden verstaan;
Overwegende dat een definitie moet worden vastgesteld van »kleinmazige soorten", »grootmazige soorten" en »kleinmazige netten";
Overwegende dat het dienstig is over te gaan tot de vaststelling van een bemonsteringsmethode die moet worden gebruikt voor het bepalen van het bijvangstpercentage van de in bijlage V van Verordening (EEG) nr. 171/83 vermelde soorten in die gebieden die in die bijlage zijn opgenomen en van inktvis (Sepia) overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, lid 1, eerste alinea, van genoemde verordening;
Overwegende dat met het oog op het toezicht van de naleving van de voorschriften de inspectieprocedure moet worden vastgesteld;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor de visbestanden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
Representatieve monsters
Vismonsters die in verband met de bepaling van het bijvangstpercentage overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 171/83 zijn genomen op de in de onderhavige verordening beschreven wijze, worden geacht representatief te zijn voor alle vis hetzij aan boord, hetzij aan boord na sortering, hetzij benedendeks, hetzij bij aanvoer, zoals bedoeld in artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 171/83.
Artikel 2
Definitie van de groepen soorten en van de netten
In deze verordening wordt verstaan onder:
- »kleinmazige soorten": de voor het betrokken gebied in bijlage II van Verordening (EEG) nr. 171/83 vermelde soorten;
- »grootmazige soorten": alle andere soorten dan die welke voor het betrokken gebied in bijlage II van Verordening (EEG) nr. 171/83 vermeld zijn;
- »kleinmazige netten": alle netten die niet beantwoorden aan artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 171/83.
Artikel 3
Raming van de hoeveelheid vis aan boord
Als een vaartuig zowel grootmazige als kleinmazige soorten aan boord heeft, bepaalt een vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat, hierna »de inspecteur" te noemen, het gewicht van iedere groep van soorten aan boord, noodzakelijk om het percentage van de bijvangst te berekenen, met inbegrip van alle soorten vermeld in bijlage V van Verordening (EEG) nr. 171/83 die met kleinmazige netten werden gevangen en zijn gesorteerd. Bij de vaststelling van het gewicht zal de inspecteur rekening houden met de gegevens uit elk register over de visserijactiviteit (logboek) dat overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad (3) en Verordening (EEG) nr. 2807/83 van de Commissie (4) is bijgehouden.
Artikel 4
Bemonstering
1. De bemonstering en de inspectieprocedure moeten door de inspecteur worden uitgevoerd.
2. De kapitein of diens vertegenwoordiger heeft het recht bij de bemonstering aanwezig te zijn.
3. De monsters moeten worden genomen uit alle gedeelten van de vangst van kleinmazige soorten en, in voorkomend geval, van daarmee vermengde grootmazige soorten.
4. Monsters moeten zodanig worden genomen, dat hetzij uit ieder ruim of uit iedere afdeling van het ruim waartoe toegang mogelijk is en waarin zich kleinmazige soorten in voorkomend geval vermengd met grootmazige soorten bevinden, hetzij van de vis aan dek voor of na sortering, zoals bedoeld in artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 171/83, ten minste één monster afkomstig is.
5. Voor zover mogelijk moet de inspecteur de monsters nemen in verhouding tot zijn raming van het gewicht van de vis onderscheidenlijk in ieder ruim, in iedere afdeling van het ruim of aan dek.
6. Waar mogelijk moeten in het ruim of in de afdeling van het ruim de monsters op verschillende hoogten worden genomen.
7. Indien de monsters tijdens het lossen worden genomen, dient dit bij tussenpozen te gebeuren.
8. De monsters moeten worden gesorteerd naar soort of naar groep van soorten. Na het sorteren wordt het totale gewicht van iedere soort of groep van soorten bepaald.
Artikel 5
Inspectieprocedure
1. De oorspronkelijke bemonstering moet, als dat technisch mogelijk is, op zee worden uitgevoerd.
2. De kapitein mag eisen de bemonstering in de haven te herhalen, hetzij vóór, hetzij tijdens het lossen.
De inspecteur mag eisen de bemonstering in de haven te herhalen, vóór of, indien de kapitein besluit de vangst te lossen, tijdens het lossen.
3. Als de kapitein of de inspecteur heeft geëist de bemonstering uit te voeren bij het lossen van de vangst, dient de door de inspecteur gekozen haven over voorzieningen voor het lossen en verwerken van de vangst te beschikken, tenzij met de omstandigheden verband houdende beperkingen naar het oordeel van de inspecteur dat beletten.
4. Het vaartuig kan naar een haven worden geëscorteerd of het ruim kan worden verzegeld en de kapitein worden gelast zich met zijn vaartuig naar een door de inspecteur aangewezen haven te begeven. In het laatste geval doet de inspecteur aan de bevoegde controle-autoriteiten in die haven mededeling van de naam, het registratienummer en de roepletters van het vaartuig, wanneer het vaartuig erover beschikt, alsmede van de verwachte tijd van aankomst. De kapitein van het vaartuig meldt zich bij aankomst onmiddellijk bij de controle-autoriteiten. De zegels mogen alleen door een inspecteur worden verbroken.
5. De gehele inspectieprocedure wordt uitgevoerd door inspecteurs van dezelfde Lid-Staat, tenzij deze erin toestemt de controleprocedures door de bevoegde autoriteiten van een andere Lid-Staat te laten uitvoeren.
6. In geval van overdracht van de controleprocedure van één Lid-Staat aan een andere, als bedoeld in lid 5, wordt het ruim verzegeld en gelden ten aanzien van vaartuigen waarvan het ruim is verzegeld, de bepalingen van artikel 4.
Artikel 6
Rangorde van de inspecties
1. De uitkomst van de berekening van het percentage van de bijvangst die door bemonstering in een haven is verkregen, heeft voorrang boven die, welke bij bemonstering op zee is verkregen.
2. De uitkomst van de berekening van het percentage van de bijvangst die door bemonstering tijdens het lossen is verkregen, heeft voorrang boven de uitkomst van bemonstering op zee of in een haven voor het lossen.
Artikel 7
Minimumomvang van de monsters
1. Bij bemonstering op zee mag het totale gewicht van de overeenkomstig artikel 4 genomen monsters niet minder bedragen dan 100 kilogram.
2. Bij bemonstering in een haven mag het totale gewicht van de overeenkomstig artikel 4 genomen monsters niet minder bedragen dan 100 kilogram of, als die hoeveelheid groter is, 1/2 000 van het totale gewicht van de kleinmazige en de in voorkomend geval daarmee vermengde grootmazige soorten.
Artikel 8
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 5 december 1984.
Voor de Commissie
Giorgios CONTOGEORGIS
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 24 van 27. 1. 1983, blz. 14.
(2) PB nr. L 253 van 21. 9. 1984, blz. 1.
(3) PB nr. L 220 van 29. 7. 1982, blz. 1.
(4) PB nr. L 276 van 10. 10. 1983, blz. 1.
Top