Avis juridique important
Verordening (EEG) nr. 3540/83 van de Raad van 14 december 1983 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten glastextielvezel (rovings) van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek en Tsjechoslowakije
Publicatieblad Nr. L 354 van 16/12/1983 blz. 0015 - 0017
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0170
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 11 Deel 28 blz. 0173
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3540/83 VAN DE RAAD
van 14 december 1983
houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten glastextielvezel (rovings) van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek en Tsjechoslowakije
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1580/82 (2), inzonderheid op artikel 12,
Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het bij genoemde verordening ingestelde Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. Voorlopige maatregelen
(1) De Commissie heeft bij Verordening (EEG) nr. 1631/83 (3) een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde soorten glastextielvezel (rovings) van oorsprong uit Tsjechoslowakije, de Duitse Democratische Republiek en Japan en de procedure betreffende bepaalde soorten glastextielvezel (matten) van oorsprong uit Tsjechoslowakije en de Duitse Democratische Republiek beëindigd, aangezien in het betrokken tijdvak door deze invoer geen schade werd veroorzaakt. Het recht werd op verzoek van de betrokken exporteurs bij Verordening (EEG) nr. 2876/83 (4) verlengd met een maximale periode van twee maanden.
B. Verdere procedure
(2) Na de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht hebben de exporteurs uit Tsjechoslowakije en de Duitse Democratische Republiek, enkele van de betrokken importeurs en communautaire producenten desgevraagd gelegenheid gekregen om door de Commissie te worden gehoord. Andere exporteurs en importeurs hebben schriftelijk hun standpunt met betrekking tot dat recht kenbaar gemaakt.
(3) De exporteurs en de belangrijkste importeurs zijn desgevraagd ingelicht over bepaalde feiten en de belangrijkste overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond een definitieve maatregel aan te bevelen.
(4) De voornaamste argumenten die sinds de instelling van de voorlopige maatregelen door de partijen naar voren zijn gebracht en door de Commissie in overweging zijn genomen, hebben betrekking op de vergelijkbaarheid van de betrokken produkten en de door de invoer met dumping veroorzaakte schade.
C. Soortgelijke produkten
(5) Door de exporteurs uit Tsjechoslowakije en de Duitse Democratische Republiek en verscheidene importeurs werd aangevoerd dat de betrokken produkten van oorsprong uit deze beide landen, de in de Verenigde Staten vervaardigde produkten die ter bepaling van de normale waarde dienden, en de door de communautaire producenten vervaardigde produkten geen soortgelijke produkten zijn in de zin van artikel 2, lid 12, van Verordening (EEG) nr. 3017/79. Dit argument werd gestaafd met een aanzienlijke hoeveelheid bewijsmateriaal, zoals technische verhandelingen, door deskundigen verrichte studies en brieven van gebruikers van deze produkten. De producenten in de Gemeenschap wezen dit argument van de hand en verstrekten bewijsmateriaal om aan te tonen dat de produkten wel degelijk soortgelijke produkten in de zin van genoemde verordening zijn.
(6) Na zorgvuldig onderzoek van alle relevante argumenten is de Commissie tot de gevolgtrekking gekomen dat de fysieke hoedanigheden van de produkten in hoge mate met elkaar overeenkomen en dat zij in verreweg de meeste gevallen voor dezelfde toepassingen kunnen worden benut, ongeacht het land van oorsprong. De Commissie is derhalve tot de slotsom gekomen dat het soortgelijke produkten zijn, doch heeft wel bepaalde verschillen in kwaliteit en verkoopvoorwaarden in aanmerking genomen. Aan de hand van de ontvangen gegevens werden deze correcties als volgt vastgesteld: 10 % van de verkoopprijs voor Tsjechoslowakije en 15 % van de verkoopprijs voor de Duitse Democratische Republiek.
D. Dumping
(7) De voorlopige vaststellingen van dumping dienen bijgevolg ten aanzien van Tsjechoslowakije en de Duitse Democratische Republiek te worden gewijzigd. De dumpingmarges bedragen nu 56,03 % voor Tsjechoslowakije en 62 % voor de Duitse Democratische Republiek.
(8) Aangezien er sinds de instelling van het voorlopige recht ten aanzien van Japan geen nieuw bewijsmateriaal inzake dumping werd ontvangen, worden de dienaangaande in Verordening (EEG) nr. 1631/83 weergegeven bevindingen als definitief beschouwd.
E. Schade
(9) De belangrijkste argumenten die door de belanghebbende partijen ten aanzien van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade naar voren zijn gebracht, waren dat de invoer tegen lage prijzen uit andere derde landen de laatste jaren aanzienlijk is gestegen en vergelijkbaar is met de omvang van de invoer met dumping. Vastgesteld is evenwel dat de prijzen van die invoer aanzienlijk hoger liggen dan die van de invoer uit de betrokken landen.
F. Belang van de Gemeenschap
(10) De verwerkende industrieën in de Gemeenschap die glastextielvezels als grondstof gebruiken bleven bij hun bewering dat de instelling van beschermende maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn omdat zij daardoor aan mededingingsvermogen zouden inboeten.
(11) Gezien echter de bijzonder zware verliezen die de producenten in de Gemeenschap bij de produktie en verkoop van de betrokken produkten lijden en ten einde te voorkomen dat naast de twee bedrijven die sedert 1981 moesten sluiten, nog andere bedrijven daartoe zouden moeten overgaan, is de Raad na een en ander te hebben afgewogen tot de slotsom gekomen dat er in het belang van de Gemeenschap maatregelen moeten worden genomen. Onder deze omstandigheden vergt de bescherming van de belangen van de Gemeenschap de invoering van anti-dumpingmaatregelen tegen de invoer van glastextielvezels (rovings) van oorsprong uit Tsjechoslowakije, de Duitse Democratische Republiek en Japan.
G. Definitief recht
(12) Voor het voorlopige recht had de Commissie het bedrag dat nodig was om de schade weg te werken, vastgesteld op het verschil tussen de prijs franco-grens Gemeenschap, niet ingeklaard, en 0,97 Ecu per kilogram. Van de zijde van het bedrijfsleven in de Gemeenschap werd aangevoerd dat deze prijs te laag was, aangezien de kosten per eenheid van de produkten van de communautaire producenten nog steeds hoger zouden liggen dan de vermoedelijke verkoopprijs van de na de instelling van het voorlopige recht ingevoerde produkten.
(13) Derhalve werden de produktiekosten van elke producent in de Gemeenschap opnieuw onderzocht en de gedetailleerde kostengegevens per produkt bevestigden dat de produktiekosten per eenheid hoger waren dan de verkoopprijzen van de ingevoerde produkten en dat een verhoging van het recht noodzakelijk was.
(14) Na, rekening houdend met hun winstmarges, de gewogen gemiddelde prijzen en kosten van de communautaire producenten te hebben vergeleken met de kosten en bijzondere verkoopvoorwaarden van de individuele importeurs, voor zover beschikbaar, en, waar nodig, verschillen in kwaliteit en verkoopvoorwaarden in aanmerking te hebben genomen, luidt de gevolgtrekking dat het definitieve anti-dumpingrecht gelijk moet zijn aan het verschil tussen de netto prijs franco-grens Gemeenschap, niet ingeklaard, en 1,07 Ecu per kilogram glastextielvezel (rovings).
H. Verbintenissen
(15) Door de Tsjechoslowaakse exporteur, Glassexport Co Ltd, en de Japanse Glass Fibre Association, namens al haar leden, werden verbintenissen aangeboden. In het Japanse geval was er gedurende de periode van onderzoek geen andere uitvoer naar de Gemeenschap dan de uitvoer van Nippon Electric Co, die een aanvaardbare prijsverbintenis had aangeboden vóór de instelling van het voorlopige recht en die bijgevolg buiten de genomen voorlopige maatregelen was gehouden. De andere Japanse producenten hebben verklaard geen plannen te hebben om in de nabije toekomst te exporteren en dat, indien en wanneer zij toch naar de Gemeenschap zouden exporteren, zij geen dumpingprijzen zullen toepassen. De Commissie is, na overleg, van mening dat de aangeboden verbintenis aanvaardbaar is, en de procedure tegen Japan kan daarom worden beëindigd.
(16) Wat Tsjechoslowakije betreft, kan de door de enige exporteur aangeboden prijsverbintenis niet leiden tot een verhoging van de exportprijzen naar de Gemeenschap tot het niveau dat nodig is om de geconstateerde schade op te heffen. Derhalve moet zowel op de invoer uit de Duitse Democratische Republiek als op die uit Tsjechoslowakije een definitief recht worden toegepast.
I. Inning van het voorlopig recht
(17) Gezien de vastgestelde omvang van de dumping en van de schade en gelet op de kritieke situatie van de bedrijfstak in de Gemeenschap, dienen de tot zekerheid van het voorlopige anti-dumpingrecht gestelde bedragen thans definitief te worden geïnd, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op de invoer van continu-glastextielvezel (rovings) van post ex 70.20 B van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomend met NIMEXE-code 70.20-70, van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek en Tsjechoslowakije wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld.
2. Het recht is gelijk aan het verschil tussen de prijs per kilogram, franco-grens Gemeenschap, niet ingeklaard, en 1,07 Ecu.
De prijs franco-grens Gemeenschap is netto, wanneer volgens de verkoopvoorwaarden betaling binnen 30 dagen vanaf de datum van verzending dient te geschieden; de prijs wordt met 1 % verlaagd of verhoogd voor elke maand waarmede het tijdvak waarbinnen betaling moet plaatsvinden respectievelijk wordt verlengd of verkort.
3. De inzake douanerechten geldende bepalingen zijn op dit recht van toepassing.
Artikel 2
De ingevolge Verordening (EEG) nr. 1631/83 tot zekerheid van het voorlopige anti-dumpingrecht gestelde bedragen worden definitief geïnd.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 14 december 1983.
Voor de Raad
De Voorzitter
C. SIMITIS
(1) PB nr. L 339 van 31. 12. 1979, blz. 1.
(2) PB nr. L 178 van 22. 6. 1982, blz. 9.
(3) PB nr. L 160 van 18. 6. 1983, blz. 18.
(4) PB nr. L 283 van 15. 10. 1983, blz. 1.
Top