Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2025/2518
12.12.2025
VERORDENING (EU) 2025/2518 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 26 november 2025
tot vastlegging van aanvullende procedureregels betreffende de handhaving van Verordening (EU) 2016/679
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
In Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een decentraal handhavingssysteem ingesteld dat gericht is op de waarborging van consequente interpretatie en toepassing van die verordening in zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking. In dergelijke zaken vereist het decentraal handhavingssysteem samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten teneinde tot een consensus proberen te komen. Wanneer de toezichthoudende autoriteiten er niet in slagen tot een consensus te komen, voorziet Verordening (EU) 2016/679 in geschillenbeslechting door het Europees Comité voor gegevensbescherming (hierna “het Comité” genoemd).
(2)
Om te zorgen voor een soepele en doeltreffende werking van het samenwerkingsmechanisme en het geschillenbeslechtingsmechanisme waarin is voorzien in respectievelijk de artikelen 60 en 65 van Verordening (EU) 2016/679, is het noodzakelijk regels vast te leggen met betrekking tot de afhandeling van de procedures door de toezichthoudende autoriteiten in zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking en door het Comité tijdens de geschillenbeslechting, met inbegrip van de behandeling van klachten. Om die reden is het ook noodzakelijk regels vast te leggen over uitoefening van het recht om te worden gehoord voorafgaand aan de vaststelling van besluiten door de toezichthoudende autoriteiten en, naargelang het geval, het Comité.
(3)
Bij gebrek aan Unieregels ter zake is het aan elke lidstaat om, overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten, de nadere regels vast te stellen voor de administratieve en gerechtelijke procedures die een hoog niveau van bescherming moeten waarborgen van de rechten die burgers aan het Unierecht ontlenen. Het procesrecht van elke lidstaat moet derhalve van toepassing zijn op de toezichthoudende autoriteiten voor zover een aangelegenheid niet bij deze verordening wordt geharmoniseerd en voor zover die nationale procedureregels de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid van het Unierecht niet in de weg staan.
(4)
Deze verordening heeft tot doel ervoor te zorgen dat onderzoeken in zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking worden uitgevoerd overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur, en met name dat zij onpartijdig, eerlijk en binnen een redelijke termijn worden uitgevoerd. Daarom legt deze verordening voor dergelijke zaken enkele horizontale beginselen vast met betrekking tot de procedures voor de handhaving van Verordening (EU) 2016/679.
(5)
Klachten zijn een essentiële bron van informatie om inbreuken op de gegevensbeschermingsregels op het spoor te komen. De informatie die een klager verstrekt in het kader van de ingediende klacht of bij het kenbaar maken van zijn of haar standpunt, kan argumenten en bewijsmateriaal bevatten die kunnen bijdragen aan de voortgang van het onderzoek. Het is noodzakelijk om duidelijke en efficiënte procedures vast te stellen voor de behandeling van klachten in zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking, aangezien het mogelijk is dat de klacht wordt behandeld door een andere toezichthoudende autoriteit dan die waarbij de klacht is ingediend.
(6)
Een klacht moet worden opgevat als een vordering die door een betrokkene bij een toezichthoudende autoriteit wordt ingediend overeenkomstig artikel 77, lid 1, of artikel 80 van Verordening (EU) 2016/679. Loutere meldingen van beweerde inbreuken die geen betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens van de betrokkene, verzoeken om advies van verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers of algemene verzoeken met betrekking tot de toepassing van de Verordening (EU) 2016/679, van verwerkingsverantwoordelijken, verwerkers of natuurlijke personen mogen niet als een klacht worden beschouwd.
(7)
Om ontvankelijk te zijn, moet een klacht inzake grensoverschrijdende verwerking specifieke informatie bevatten. Voor de ontvankelijkheid van een dergelijke klacht mag geen andere informatie worden verlangd dan die welke in deze verordening is gespecificeerd. Administratieve regelingen en voorschriften betreffende de ontvankelijkheid van klachten uit hoofde van het nationale recht van de toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht is ingediend, onder meer met betrekking tot taal, verjaring, identificatiemiddelen, elektronische vorm, specifiek model of handtekening, blijven van toepassing.
(8)
De contactgegevens van de indiener van de klacht kunnen een postadres, verblijfplaats en, indien beschikbaar, een e-mailadres omvatten. Het feit dat een klager een natuurlijke persoon is die zijn of haar recht om een klacht in te dienen niet kan uitoefenen zonder de hulp van een wettelijke vertegenwoordiger, bijvoorbeeld omdat de klager een kind is of een handicap of kwetsbaarheid heeft, en derhalve zijn of haar rechten uitoefent middels een andere persoon, zoals een ouder, wettelijke voogd of familielid, mits een dergelijke vertegenwoordiging op grond van het nationale recht is toegestaan, moet op het moment waarop de klacht wordt ingediend, duidelijk worden aangegeven.
(9)
Indien de klacht wordt ingediend door een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk als bedoeld in artikel 80 van Verordening (EU) 2016/679, moet er bewijs worden geleverd dat het orgaan, de organisatie of de vereniging op geldige wijze is opgericht overeenkomstig het recht van een lidstaat, samen met de naam en contactgegevens van dat orgaan, die organisatie of die vereniging alsmede bewijs dat dat orgaan, die organisatie of die vereniging handelt op basis van een mandaat van de betrokkene. De regelingen en procedures betreffende dergelijk bewijs worden vastgesteld overeenkomstig het recht van de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend.
(10)
Voor ontvankelijkheid van de klacht mag van de klager niet worden geëist dat deze, voordat hij of zij een klacht indient, contact heeft opgenomen met de onderzochte partij. Wanneer de klacht betrekking heeft op de uitoefening van een recht van de betrokkene dat afhangt van de indiening van een verzoek door de betrokkene aan de verwerkingsverantwoordelijke, moet dat verzoek worden ingediend bij de verwerkingsverantwoordelijke voordat de klacht wordt ingediend.
(11)
De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, moet bij wijze van voorlopige conclusie vaststellen of de klacht betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking, welke toezichthoudende autoriteit geacht wordt bevoegd te zijn om op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 56, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679, en of artikel 56, lid 2, van die verordening van toepassing is. Indien geen procedure voor vroegtijdige afhandeling is gestart, moet de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, ontvankelijke klachten doorzenden naar de toezichthoudende autoriteit die geacht wordt bevoegd te zijn om op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit, en de klager daarvan in kennis stellen. De vaststelling van de ontvankelijkheid van de klacht door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, moet bindend zijn voor de leidende toezichthoudende autoriteit.
(12)
Het is van belang dat de toezichthoudende autoriteiten de indiening van alle vereiste informatie door de klager vergemakkelijken, bijvoorbeeld door sjablonen of elektronische formulieren te verstrekken, waarbij rekening gehouden wordt met de relevante richtsnoeren van het Comité. Toezichthoudende autoriteiten kunnen het indienen van klachten in een gebruiksvriendelijk elektronisch formaat faciliteren, rekening houdend met de behoeften van personen met een handicap, mits de van de klager gevraagde informatie overeenkomt met de gespecificeerde vereiste informatie. Er mag geen aanvullende informatie worden vereist om de klacht ontvankelijk te verklaren.
(13)
Om de behandeling van een klacht te vergemakkelijken, moeten de toezichthoudende autoriteiten de klager om aanvullende informatie kunnen verzoeken. Wanneer bepaalde informatie ontbreekt die nodig is om een klacht ontvankelijk te verklaren, kan de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend contact opnemen met de klager om, voor zover mogelijk, de ontbrekende informatie te verkrijgen. Wanneer een klacht niet-ontvankelijk is, moet de toezichthoudende autoriteit deze niet-ontvankelijk verklaren en de klager binnen de in deze verordening vastgestelde termijn in kennis stellen van de ontbrekende informatie, om die klager in staat te stellen een ontvankelijke klacht in te dienen.
(14)
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit na ontvangst van een ontvankelijke klacht die betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking van een toezichthoudende autoriteit aanvullende informatie van de klager nodig heeft om een volledig onderzoek van de klacht mogelijk te maken, moet de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend de leidende toezichthoudende autoriteit bijstaan, onder meer door contact op te nemen met de klager om zo nodig de benodigde informatie te verkrijgen.
(15)
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit op basis van een klacht een onderzoek opent, moeten de onderzochte partijen onverwijld in kennis worden gesteld van de indiening van die klacht en van de belangrijkste elementen ervan. De leidende toezichthoudende autoriteit kan de verstrekking van dergelijke informatie echter uitstellen zolang dat nodig is om de integriteit van het onderzoek te beschermen en de onderzoeksmaatregelen doeltreffend te kunnen uitvoeren.
(16)
Teneinde de doeltreffende werking van de samenwerkings- en coherentiemechanismen uit hoofdstuk VII van Verordening (EU) 2016/679 te waarborgen, is het van belang dat zaken betreffende grensoverschrijdende verwerking tijdig worden afgehandeld en in de geest van oprechte en doeltreffende samenwerking die ten grondslag ligt aan artikel 60 van Verordening (EU) 2016/679. De leidende toezichthoudende autoriteit moet haar bevoegdheid uitoefenen in nauwe samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Omgekeerd moeten de betrokken toezichthoudende autoriteiten vanaf een vroeg stadium actief betrokken worden bij een onderzoek teneinde tot een consensus te komen en met volledige gebruikmaking van de in Verordening (EU) 2016/679 geboden middelen. Het is belangrijk dat de samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten gebaseerd is op een open dialoog die de betrokken toezichthoudende autoriteiten in staat stelt invloed van betekenis uit te oefenen op het onderzoek door hun ervaringen en standpunten te delen met de leidende toezichthoudende autoriteit, met inachtneming van de ruimte voor de beoordelingsvrijheid die elke toezichthoudende autoriteit heeft. De toezichthoudende autoriteiten moeten de procedures op een vlotte en efficiënte wijze uitvoeren en oprecht en doeltreffend met elkaar samenwerken, onder meer door waar nodig ondersteuning te bieden en onverwijld verzoeken te beantwoorden.
(17)
De toezichthoudende autoriteiten moeten binnen een redelijke termijn beslissen over klachten. Om die reden worden in deze verordening termijnen vastgesteld. Wat een redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden van het geval en met name de context ervan, de verschillende procedurestappen die de leidende toezichthoudende autoriteit heeft ondernomen, het gedrag van de onderzochte partijen en de klager tijdens de procedure en de complexiteit van de zaak. Om de grondrechten en fundamentele vrijheden van betrokkenen in verband met de verwerking van persoonsgegevens doeltreffend te beschermen, is het belangrijk dat klachten vlot en efficiënt worden afgehandeld. Afhankelijk van de omstandigheden van een zaak kan de tijd die nodig is voor de behandeling van een klacht korter zijn dan de in deze verordening vastgestelde termijn. Efficiënte samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten kan ook een positief effect hebben op de vlotte behandeling van zaken.
(18)
Een klager moet de mogelijkheid hebben om uitsluitend te communiceren met de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht van die klager is ingediend. Die mogelijkheid belet de klager niet om rechtstreeks met een andere toezichthoudende autoriteit, waaronder de leidende toezichthoudende autoriteit, te communiceren.
(19)
Het is belangrijk om rekening te houden met de verwerkte persoonsgegevens en de situatie van de betrokkene, bijvoorbeeld wanneer een klacht betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens van kinderen.
(20)
De leidende toezichthoudende autoriteit moet aan de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, de benodigde informatie verstrekken over de voortgang van het onderzoek teneinde de klager op de hoogte te kunnen houden.
(21)
Om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteiten inbreuken op Verordening (EU) 2016/679 snel een halt toeroepen en een snelle oplossing bieden voor klagers, moeten de toezichthoudende autoriteiten ernaar streven klachten middels een procedure voor vroegtijdige afhandeling overeenkomstig deze verordening af te handelen. Daartoe moet de toezichthoudende autoriteit vaststellen of de in de klacht gestelde inbreuk op zodanige wijze is beëindigd dat de klacht zonder voorwerp is geraakt. De lidstaten zijn niet verplicht nieuwe procedures in hun nationale wetgeving in te voeren om hun toezichthoudende autoriteiten in staat te stellen een klacht middels een procedure voor vroegtijdige afhandeling af te handelen.
(22)
Een klacht mag alleen middels een procedure voor vroegtijdige afhandeling worden afgehandeld wanneer de klager niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling dat de beweerde inbreuk is beëindigd en dat de klacht derhalve zonder voorwerp is geraakt. De vroegtijdige afhandeling van een klacht moet daarom worden toegepast in zaken waarin de klager de voorgestelde uitkomst naar behoren kan beoordelen.
(23)
De vroegtijdige afhandeling van een klacht kan bijzonder nuttig zijn om klachten over inbreuken op de rechten van de betrokkene uit hoofde van hoofdstuk III van Verordening (EU) 2016/679 snel en ten genoegen van de klager op te lossen. Die vroegtijdige afhandeling moet de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend of de leidende toezichthoudende autoriteit in staat stellen, op basis van een preliminair overleg met de verwerkingsverantwoordelijke en op voorwaarde dat ondersteunend bewijs is verkregen, vast te stellen dat de klacht zonder voorwerp is geraakt.
(24)
De vroegtijdige afhandeling van een klacht middels een procedure voor vroegtijdige afhandeling mag geen afbreuk doen aan de uitoefening door de leidende toezichthoudende autoriteit van haar bevoegdheden overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 met betrekking tot dezelfde zaak, bijvoorbeeld in geval van systemische of herhaalde inbreuken op die verordening.
(25)
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit waaraan de klacht is doorgestuurd van oordeel is dat een klacht kan worden afgehandeld door middel van een procedure voor vroegtijdige afhandeling, moet een ontwerpbesluit overeenkomstig artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten worden voorgelegd met het oog op de vaststelling van een definitief besluit overeenkomstig artikel 60, lid 7, van Verordening (EU) 2016/679 waarin wordt vastgesteld dat de beweerde inbreuk is beëindigd en dat de klacht, of een deel van de klacht, is afgehandeld door de leidende toezichthoudende autoriteit. Het voorgelegde ontwerpbesluit kan derhalve worden vereenvoudigd en beperkt tot de mededeling dat de klacht geheel of gedeeltelijk is afgehandeld door middel van een procedure voor vroegtijdige afhandeling, waarbij de redenen die aan het besluit ten grondslag liggen en de reikwijdte van de afhandeling worden vermeld en wordt bevestigd dat de klacht derhalve zonder voorwerp is geraakt. In dergelijke zaken moet de leidende toezichthoudende autoriteit haar ontwerpbesluit rechtstreeks aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten voorleggen, zonder dat zij een samenvatting op hoofdpunten of voorlopige bevindingen hoeft op te stellen en te verspreiden.
(26)
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit een voorlopig standpunt heeft ingenomen over de belangrijkste kwesties in een onderzoek, moet het voor de leidende toezichthoudende autoriteit mogelijk zijn om middels een procedure voor eenvoudige samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten samen te werken. De procedure voor eenvoudige samenwerking moet per geval worden toegepast, mits de leidende toezichthoudende autoriteit van oordeel is dat er geen redelijke twijfel bestaat over de reikwijdte van het onderzoek en dat de vastgestelde juridische en feitelijke kwesties geen aanvullende samenwerking vereisen zoals in het geval van een complex onderzoek, met name wanneer die kwesties kunnen worden aangepakt op basis van de kenmerken van de zaak en eerdere besluiten in soortgelijke zaken. Daarnaast is het belangrijk dat de leidende toezichthoudende autoriteit bij de beoordeling of er een gerede kans is dat tot een consensus over de belangrijkste elementen van een zaak kan worden gekomen ook rekening houdt met de bestaande jurisprudentie en de door het Comité vastgestelde richtsnoeren inzake te onderzoeken beweerde inbreuken op Verordening (EU) 2016/679. In beginsel is de procedure voor eenvoudige samenwerking niet van toepassing wanneer de zaak systemische of terugkerende problemen in verschillende lidstaten oplevert, wanneer de zaak betrekking heeft op een algemene juridische kwestie met betrekking tot de interpretatie, toepassing of handhaving van Verordening (EU) 2016/679, wanneer de zaak zich bevindt op het raakvlak van gegevensbescherming met andere rechtsgebieden, gevolgen heeft voor een groot aantal betrokkenen in verschillende lidstaten, of verband houdt met een groot aantal klachten in verschillende lidstaten of wanneer er mogelijk een groot risico bestaat voor de rechten en vrijheden van betrokkenen.
(27)
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is de procedure voor eenvoudige samenwerking toe te passen, moet zij de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in kennis stellen van haar voornemen en alle relevante informatie over de kenmerken van de zaak en de klacht verstrekken, waaronder de belangrijkste relevante feiten en de beweerde inbreuk die moet worden onderzocht. Wanneer de procedure voor eenvoudige samenwerking wordt toegepast, moet de leidende toezichthoudende autoriteit de samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten voortzetten en binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen een ontwerpbesluit voorleggen.
(28)
Wanneer een toezichthoudende autoriteit binnen bepaalde termijnen bepaalde procedurele stappen moet nemen, hebben die termijnen tot doel ervoor te zorgen dat de procedure binnen een redelijke termijn verloopt en wordt afgesloten. Die termijnen beletten de toezichthoudende autoriteiten niet om na het verstrijken ervan de vereiste procedurele stappen te nemen. Er moet dus voor worden gezorgd dat het nemen van dergelijke procedurele stappen na het verstrijken van de overeenkomstige termijnen niet kan worden beschouwd als een grond voor de onwettigheid of de ongeldigheid van de betrokken procedurele stap of het definitieve besluit.
(29)
De leidende toezichthoudende autoriteit moet de termijn voor de voorlegging van een ontwerpbesluit kunnen verlengen. Dergelijke verlengingen mogen slechts worden verleend in uitzonderlijke gevallen, waarin de complexiteit van een zaak dat rechtvaardigt. De andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten worden geïnformeerd en de gelegenheid krijgen om bezwaar te maken tegen de verlenging; de leidende toezichthoudende autoriteit moet met die bezwaren rekening houden bij haar besluit over een eventuele verlenging van de termijn en, in voorkomend geval, de duur van die verlenging.
(30)
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit de termijn voor de voorlegging van een ontwerpbesluit verlengt, moeten de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de leidende toezichthoudende autoriteit kunnen meedelen dat zij van oordeel zijn dat er maatregelen moeten worden genomen om de rechten en vrijheden van de betrokkenen te beschermen. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit van die beoordeling in kennis is gesteld en binnen de verlengde termijn geen ontwerpbesluit voorlegt, wordt dit beschouwd als een situatie waarin dringend moet worden opgetreden als bedoeld in artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679. Niettegenstaande die mogelijkheid, blijft de spoedprocedure beschikbaar voor toezichthoudende autoriteiten onder de voorwaarden van artikel 66 van Verordening (EU) 2016/679.
(31)
Om ervoor te zorgen dat de procedures efficiënt worden gevoerd, zonder afbreuk te doen aan de procedurele autonomie van de lidstaten, verdient het de voorkeur dat rechtsmiddelen tegen door toezichthoudende autoriteiten genomen procedurele stappen alleen beschikbaar zijn in combinatie met een rechtsmiddel tegen een definitief besluit, tenzij de procedurele stap op zich onherroepelijk afbreuk doet aan de rechten van de onderzochte partij of de klager, ongeacht het definitieve besluit.
(32)
Het is bij uitstek van belang dat toezichthoudende autoriteiten zo vroeg mogelijk, en voorafgaand aan de vaststelling van het in artikel 60 van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde ontwerpbesluit, tot een consensus komen over de belangrijkste aspecten van de zaak.
(33)
De uitwisseling van relevante informatie tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten vormt een belangrijk element ter ondersteuning van de geest van oprechte en doeltreffende samenwerking. Die uitwisseling en de tijdige verstrekking van specifieke informatie door de leidende toezichthoudende autoriteit is een continu proces gedurende de loop van een onderzoek en de vereiste documenten en details kunnen variëren afhankelijk van de complexiteit van de zaak. Afhankelijk van het stadium van het onderzoek en de omstandigheden van een zaak kan relevante informatie bestaan uit onder meer de uitwisseling van correspondentie met de verwerkingsverantwoordelijke of de betrokkene over een klacht of onderzoek, de voorbereidende documenten voor een controle of onderzoek, of een voorlopige technische of juridische beoordeling door de leidende toezichthoudende autoriteit als gevolg van een specifieke stap in haar onderzoek.
(34)
De leidende toezichthoudende autoriteit moet aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld alle relevante informatie verstrekken zodra die beschikbaar is, maar de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten ook proactief alle relevante informatie beschikbaar stellen die nuttig wordt geacht om de juridische en feitelijke elementen van een zaak te beoordelen. De uitwisseling van relevante informatie moet de snelle en doeltreffende samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten ondersteunen en kan in bepaalde gevallen worden geschraagd met samenvattingen, uittreksels of kopieën van documenten om een snel begrip van een zaak te vergemakkelijken, waarbij aanvullende informatie kan worden verstrekt indien nodig. Om de doeltreffende en passende uitwisseling van relevante informatie tussen toezichthoudende autoriteiten te vergemakkelijken, moet het Comité de regelingen en voorschriften voor de uitwisseling van die informatie kunnen specificeren.
(35)
Als onderdeel van de relevante informatie over een specifieke zaak moet de leidende toezichthoudende autoriteit aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten een samenvatting op hoofdpunten verstrekken met haar voorlopige standpunt over de belangrijkste kwesties in een onderzoek. Die samenvatting moet in een voldoende vroeg stadium worden verstrekt zodat de door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten meegedeelde standpunten daadwerkelijk kunnen worden meegenomen, maar tegelijkertijd ook in een stadium waarin de leidende toezichthoudende autoriteit over voldoende elementen beschikt om haar standpunten over de zaak te vormen, indien nodig door middel van voorlopige analyse en eventuele initiële onderzoeksmaatregelen. De samenvatting op hoofdpunten moet in voorkomend geval ook de voorlopige vaststelling van mogelijke corrigerende maatregelen omvatten indien de leidende toezichthoudende autoriteit over voldoende elementen beschikt om een voorlopig standpunt over die maatregelen te vormen, in het bijzonder wanneer de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 waarop de beweerde inbreuk betrekking heeft, gemakkelijk in een vroeg stadium kunnen worden vastgesteld.
(36)
De betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten de gelegenheid krijgen commentaar te geven op de samenvatting op hoofdpunten, waaronder een breed spectrum aan kwesties zoals de reikwijdte van het onderzoek, de vaststelling van de beweerde inbreuken en de vaststelling van feitelijke en juridische kwesties die relevant zijn voor het onderzoek. Aangezien de reikwijdte van het onderzoek bepaalt welke aangelegenheden door de leidende toezichthoudende autoriteit moeten worden onderzocht, moeten toezichthoudende autoriteiten ernaar streven zo vroeg mogelijk tot een consensus te komen over de reikwijdte van het onderzoek.
(37)
In het belang van doeltreffende inclusieve samenwerking tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en alle andere betrokken toezichthoudende autoriteiten is het belangrijk dat de samenvatting op hoofdpunten en het commentaar van de betrokken toezichthoudende autoriteiten beknopt en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn zodat ze gemakkelijk te begrijpen zijn voor alle toezichthoudende autoriteiten. De juridische argumenten moeten worden gegroepeerd door verwijzing naar het deel van de samenvatting op hoofdpunten waarop zij betrekking hebben. Bij de samenvatting op hoofdpunten en het commentaar van de betrokken toezichthoudende autoriteiten kunnen aanvullende documenten worden gevoegd. Een loutere verwijzing naar aanvullende documenten in het commentaar van een betrokken toezichthoudende autoriteit kan echter niet volstaan indien in dat commentaar de noodzakelijke essentiële juridische of feitelijke argumenten ontbreken. De juridische en feitelijke bijzonderheden die de grondslag vormen voor dergelijke documenten moeten minstens in samengevatte vorm, coherent en begrijpelijk worden aangegeven in het commentaar zelf.
(38)
De toezichthoudende autoriteiten moeten van alle nodige middelen kunnen gebruikmaken om in een geest van oprechte en doeltreffende samenwerking tot consensus te komen. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten van mening verschillen over de reikwijdte van een op een klacht gebaseerd onderzoek, waaronder de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 waarop de beweerde inbreuk die moet worden onderzocht betrekking heeft, of wanneer het commentaar van de betrokken toezichthoudende autoriteiten betrekking heeft op een belangrijke wijziging in de ingewikkelde juridische of feitelijke beoordeling, of op de voorlopige vaststelling van mogelijke corrigerende maatregelen, kunnen de betrokken toezichthoudende autoriteiten gebruikmaken van de instrumenten waarin is voorzien in de artikelen 61 en 62 van Verordening (EU) 2016/679.
(39)
Op grond van Verordening (EU) 2016/679 kan de toezichthoudende autoriteit het Comité om een dringend bindend besluit verzoeken wanneer de bevoegde toezichthoudende autoriteit geen passende maatregel heeft genomen in een situatie waarin er dringend moet worden opgetreden om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen. Wanneer de toezichthoudende autoriteiten na het gebruik van de in deze verordening beschreven middelen niet tot een consensus komen over de reikwijdte van een op een klacht gebaseerd onderzoek, moet op grond van deze verordening worden verondersteld dat is voldaan aan de in artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde voorwaarden om te verzoeken om een dringend bindend besluit en moet de leidende toezichthoudende autoriteit het Comité om een dringend bindend besluit verzoeken. Het dringende bindend besluit van het Comité over de reikwijdte van een op een klacht gebaseerd onderzoek kan niet vooruitlopen op het resultaat van het onderzoek door de leidende toezichthoudende autoriteit, noch afdoen aan de effectiviteit van het recht van de onderzochte partijen om te worden gehoord.
(40)
Aan een klager moeten procedurele rechten worden toegekend voor zover het zijn of haar rechten en vrijheden als betrokkene betreft. De in deze verordening vastgestelde procedurele stappen met betrekking tot de samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten verlenen geen rechten aan een klager of aan onderzochte partijen. Daarom wordt in deze verordening verduidelijkt welke bepalingen inzake procedurele stappen geen rechten verlenen aan personen of onderzochte partijen, of die rechten niet beperken.
(41)
Klagers dienen de gelegenheid te krijgen hun standpunten kenbaar te maken voordat een besluit in hun nadeel wordt genomen. In geval van volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht in een zaak die betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking, moet de klager derhalve de gelegenheid krijgen zijn of haar standpunten kenbaar te maken vóór de indiening van een ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679, een herzien ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 5, van die verordening of een bindend besluit van het Comité op grond van artikel 65, lid 1, punt a), van die verordening.
(42)
Het is noodzakelijk de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, duidelijk te maken in geval van volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht in een zaak die betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking. Als aanspreekpunt voor de klager tijdens het onderzoek dient de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, de klager de gelegenheid te bieden zijn of haar standpunt kenbaar te maken over de voorgenomen volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van de klacht; die autoriteit moet ook verantwoordelijk zijn voor alle communicatie met de klager. Al dergelijke communicatie moet worden toegezonden aan de leidende toezichthoudende autoriteit. Aangezien op grond van artikel 60, leden 8 en 9, van Verordening (EU) 2016/679 de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, verantwoordelijk is voor de vaststelling van het definitieve besluit tot volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van de klacht, moet de leidende toezichthoudende autoriteit het ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 voorbereiden, in samenwerking met de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend. Die samenwerking omvat de mogelijkheid om de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, om bijstand te verzoeken bij het opstellen van een dergelijk ontwerp.
(43)
De doeltreffende handhaving van de gegevensbeschermingsregels van de Unie dient de rechten van de verdediging van de onderzochte partijen — een grondbeginsel van het Unierecht dat onder alle omstandigheden moet worden nageleefd — volledig te eerbiedigen; die rechten zijn met name van belang in procedures die tot de oplegging van sancties zouden kunnen leiden.
(44)
Teneinde het recht op behoorlijk bestuur en de rechten van de verdediging daadwerkelijk te waarborgen, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna “het Handvest” genoemd), is het van belang te zorgen voor duidelijke regels betreffende de uitoefening van het recht van iedere persoon om te worden gehoord voordat een individuele maatregel wordt genomen die hem of haar nadelig zou raken.
(45)
De regels met betrekking tot de door de toezichthoudende autoriteiten toegepaste administratieve procedure bij de handhaving van Verordening (EU) 2016/679 dienen ervoor te zorgen dat de onderzochte partijen daadwerkelijk de gelegenheid krijgen hun standpunten naar voren te brengen over de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en de bezwaren die tijdens de procedure naar voren zijn gebracht door de toezichthoudende autoriteit, zodat zij in staat zijn hun rechten van verdediging uit te oefenen. In de voorlopige bevindingen wordt het voorlopige standpunt uiteengezet over de beweerde inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 na een onderzoek. Die bevindingen vormen aldus een wezenlijke procedurele waarborg voor inachtneming van het recht om te worden gehoord. De onderzochte partijen moeten de beschikking krijgen over de benodigde documenten om zichzelf naar behoren te verdedigen en commentaar te geven op de inbreuken waarvan zij verdacht worden, door toegang te krijgen tot het administratieve dossier.
(46)
Deze regels mogen geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor toezichthoudende autoriteiten om, in overeenstemming met het nationale recht van de leidende toezichthoudende autoriteit, verdere toegang tot het administratieve dossier te verlenen om in de loop van de procedure de standpunten van de onderzochte partijen of van de klager te horen.
(47)
De voorlopige bevindingen bepalen de reikwijdte van het onderzoek en daardoor ook de reikwijdte van een toekomstig definitief besluit, desgevallend op basis van een bindend besluit van het Comité op grond van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679, dat aan verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers kan worden gericht. De voorlopige bevindingen moeten, ook in beknopte vorm, voldoende duidelijk zijn om de onderzochte partijen in staat te stellen de aard van de beweerde inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 naar behoren te achterhalen. Aan de verplichting om aan de onderzochte partijen alle noodzakelijke informatie te verstrekken teneinde hen in staat te stellen zich naar behoren te verdedigen, is voldaan als in het definitieve besluit de onderzochte partijen niet worden beschuldigd van andere inbreuken dan de in de voorlopige bevindingen vermelde en alleen feiten in aanmerking zijn genomen waarover de onderzochte partijen hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken. Het definitieve besluit van de leidende toezichthoudende autoriteit hoeft echter niet een exacte kopie van de voorlopige bevindingen te zijn. Het moet de leidende toezichthoudende autoriteit zijn toegestaan om de antwoorden van de onderzochte partijen op de voorlopige bevindingen en, in voorkomend geval, op het herziene ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679, in haar definitieve besluit te laten meewegen. De leidende toezichthoudende autoriteit moet in staat zijn haar eigen oordeel te vellen over de door de onderzochte partijen naar voren gebrachte feiten en juridische argumenten, ofwel om de argumenten af te wijzen wanneer de toezichthoudende autoriteit deze ongegrond bevindt ofwel om haar bevindingen aan te vullen of anders te formuleren, zowel in feite als in rechte, ter ondersteuning van de argumenten die zij aanvoert. Rekening houden met een argument dat door een onderzochte partij naar voren is gebracht tijdens de administratieve procedure zonder dat deze de gelegenheid heeft gekregen daarover een mening te uiten vóór de vaststelling van het definitieve besluit hoeft bijvoorbeeld niet per se een schending van de rechten van de verdediging te vormen.
(48)
Deze verordening bevat regels voor situaties waarin de leidende toezichthoudende autoriteit op grond van het nationale recht verplicht is aan latere binnenlandse procedures in verband met dezelfde zaak deel te nemen, zoals administratieve beroepsprocedures.
(49)
De onderzochte partijen dienen het recht te krijgen om te worden gehoord voorafgaand aan de voorlegging van een herzien ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679 of de vaststelling van een bindend besluit door het Comité uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van die verordening. Nieuwe juridische elementen omvatten relevante en gemotiveerde bezwaren wanneer die bezwaren juridische beoordelingen bevatten die verschillen van die welke door de leidende toezichthoudende autoriteit zijn voorgesteld in het ontwerpbesluit dat overeenkomstig artikel 60, lid 4, van Verordening (EU) 2016/679 is voorgelegd.
(50)
Klagers moeten de mogelijkheid krijgen betrokken te worden bij de door een toezichthoudende autoriteit aangespannen procedure met het oog op het vaststellen of ophelderen van kwesties die betrekking hebben op een mogelijke inbreuk op Verordening (EU) 2016/679. Het feit dat een toezichthoudende autoriteit al een onderzoek is gestart naar de inhoud van de klacht of de klacht zal afhandelen in een ambtshalve onderzoek na ontvangst van de klacht, staat de kwalificatie van een betrokkene als klager niet in de weg. Een onderzoek door een toezichthoudende autoriteit naar een mogelijke inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 door een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, is een procedure die is aangespannen door een toezichthoudende autoriteit, op eigen initiatief of op grond van een klacht, ter vervulling van haar taken op grond van artikel 57, lid 1, van die verordening. De onderzochte partijen en de klager verkeren niet in dezelfde procedurele positie en het is van essentieel belang om de rechten van de verdediging van de onderzochte partij te waarborgen. De onderzochte partijen en de klager kunnen zich beroepen op het grondrecht om te worden gehoord wanneer het besluit nadelige gevolgen heeft voor hun juridische positie.
(51)
Een klager moet in de gelegenheid worden gesteld zijn of haar standpunt over de voorlopige bevindingen schriftelijk kenbaar te maken voor zover dat standpunt betrekking heeft op zijn of haar klacht over de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens. Hij of zij mag evenwel geen toegang hebben tot bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke gegevens van de onderzochte partijen of derde personen.
(52)
Bij het vaststellen van de termijnen voor de onderzochte partijen en klagers voor indiening van hun standpunt over de voorlopige bevindingen is het van belang dat de toezichthoudende autoriteiten rekening houden met de complexiteit van de kwesties die in deze bevindingen worden opgeworpen, zodat de onderzochte partijen en klagers voldoende gelegenheid krijgen om op zinvolle wijze hun standpunten over de opgeworpen kwesties naar voren te brengen.
(53)
De uitwisseling van standpunten tussen toezichthoudende autoriteiten voorafgaand aan de voorlegging van een ontwerpbesluit houdt een open dialoog in en een uitgebreide uitwisseling van standpunten waarbij de toezichthoudende autoriteiten hun uiterste best moeten doen om tot een consensus te komen over de richting die het onderzoek uit moet. Omgekeerd zouden meningsverschillen, geuit in relevante en gemotiveerde bezwaren op grond van artikel 60, lid 4, van Verordening (EU) 2016/679, die de kans op geschillenbeslechting tussen toezichthoudende autoriteiten op grond van artikel 65 van die verordening verhogen en de vaststelling van een definitief besluit door de bevoegde toezichthoudende autoriteit vertragen, zich alleen mogen voordoen in het geval dat de toezichthoudende autoriteiten er niet in slagen tot een consensus te komen en waar nodig om de coherente interpretatie van Verordening (EU) 2016/679 te waarborgen. Dergelijke bezwaren moeten worden ingezet wanneer het gaat om coherente handhaving van Verordening (EU) 2016/679.
(54)
In het belang van een doeltreffende en inclusieve afronding van de geschillenbeslechtingsprocedure waarin alle toezichthoudende autoriteiten de gelegenheid moeten krijgen hun standpunten bij te dragen en gelet op de dwingende termijnen tijdens geschillenbeslechting, dienen de relevante en gemotiveerde bezwaren wat vorm en structuur betreft, te voldoen aan bepaalde vereisten.
(55)
Toegang tot het administratieve dossier wordt verleend als onderdeel van de in het Handvest verankerde rechten van verdediging en het recht op behoorlijk bestuur. Aan de onderzochte partijen dient toegang te worden verleend tot het administratieve dossier wanneer deze op de hoogte worden gesteld van de voorlopige bevindingen en de termijn voor indiening van hun schriftelijke antwoord op de voorlopige bevindingen dient te worden vastgesteld.
(56)
Bij het verlenen van toegang tot het administratieve dossier aan de onderzochte partijen en de klager moeten de toezichthoudende autoriteiten zorgen voor bescherming van bedrijfsgeheimen en andere vertrouwelijke informatie. De categorie andere vertrouwelijke informatie omvat andere gegevens dan bedrijfsgeheimen, die overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd voor zover de openbaarmaking ervan een verwerkingsverantwoordelijke, een verwerker of een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanzienlijk zou schaden. Vertrouwelijke informatie moet met name informatie omvatten die slechts bij een beperkt aantal personen bekend is en waarvan openbaarmaking ernstige schade kan toebrengen aan de persoon die de informatie heeft verstrekt of aan derde personen, waarbij de belangen die door de openbaarmaking van de informatie zouden kunnen worden geschaad, objectief gezien bescherming verdienen. De toezichthoudende autoriteiten dienen in staat te zijn aan onderzochte partijen die documenten of verklaringen overleggen of hebben overgelegd te verzoeken aan te geven welke informatie vertrouwelijk is.
(57)
Wanneer bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke gegevens nodig zijn om het bewijs van een inbreuk te leveren, moeten de toezichthoudende autoriteiten voor elk individueel document op evenredige wijze beoordelen of de noodzaak tot openbaarmaking opweegt tegen de schade die zou kunnen voortvloeien uit de openbaarmaking.
(58)
Toegang tot documenten die in het administratieve dossier zijn opgenomen in het kader van de toegang tot openbare documenten, dient te worden verleend overeenkomstig het nationale recht van de lidstaten. In dit verband is het van belang dat de integriteit van het besluitvormingsproces wordt beschermd totdat de bevoegde toezichthoudende autoriteit het definitieve besluit heeft genomen.
(59)
Het is belangrijk dat het Comité de toegang tot besluiten die zijn vastgesteld in overeenstemming met de samenwerkings- en coherentiemechanismen, vergemakkelijkt door de tekst van de definitieve besluiten van de nationale toezichthoudende autoriteiten online beschikbaar te stellen via gemakkelijk toegankelijke registers. In overeenstemming met het toepasselijke nationale recht kunnen toezichthoudende autoriteiten namen en andere informatie aan de hand waarvan onderzochte partijen of de klager geïdentificeerd kunnen worden, alsook andere informatie die op grond van het toepasselijke Unierecht en nationale recht beschermd is, bewerken.
(60)
Het is van belang dat de verstrekking aan de klager van een versie van het definitieve besluit overeenkomstig deze verordening geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor een toezichthoudende autoriteit om te beslissen of zij het besluit al dan niet openbaar maakt in het kader van haar bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen.
(61)
Bij doorverwijzing van een zaak naar geschillenbeslechting uit hoofde van artikel 65 Verordening (EU) 2016/679 dient de leidende toezichthoudende autoriteit aan het Comité alle benodigde documenten en informatie te verstrekken om het in staat te stellen de ontvankelijkheid van relevante en gemotiveerde bezwaren te beoordelen en het besluit uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van die verordening vast te stellen. Zodra het Comité in het bezit is van alle noodzakelijke documenten en informatie moet de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de zaak registreren overeenkomstig artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679.
(62)
Het bindend besluit van het Comité op grond van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679 kan uitsluitend betrekking hebben op zaken die hebben geleid tot de geschillenbeslechting; het wordt zodanig opgesteld dat de leidende toezichthoudende autoriteit haar definitieve besluit kan vaststellen op basis van het besluit van het Comité.
(63)
Ten behoeve van de stroomlijning van de geschillenbeslechting tussen toezichthoudende autoriteiten die wordt voorgelegd aan het Comité op grond van artikel 65, lid 1, punten b) en c), van Verordening (EU) 2016/679 is het noodzakelijk procedureregels vast te stellen met betrekking tot aan het Comité over te leggen documenten en informatie waarop het Comité zijn beslissing dient te baseren. Het is ook noodzakelijk te bepalen wanneer het Comité de doorverwijzing van de zaak naar geschillenbeslechting dient te registreren.
(64)
Ten behoeve van de stroomlijning van de procedure voor vaststelling van dringende adviezen en dringende bindende besluiten van het Comité op grond van artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 is het noodzakelijk procedureregels vast te stellen met betrekking tot de timing van verzoeken om een dringend advies of een dringend bindend besluit en de aan het Comité over te leggen documenten en informatie waarop het Comité zijn besluit moet baseren.
(65)
Verordening (EU) 2016/679 bepaalt dat de betrokkene recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte wanneer een bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet afhandelt. Deze verordening voorziet niet in nieuwe rechtsmiddelen naast die welke reeds zijn vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/679, noch beperkt zij de toepassing van de bij die verordening vastgestelde rechtsmiddelen. Sommige bepalingen van deze verordening zijn van bijzonder belang voor de tijdige vaststelling van het definitieve besluit van de toezichthoudende autoriteiten bij de behandeling van klachten. Om vast te stellen of een toezichthoudende autoriteit een klacht heeft afgehandeld, moet worden nagegaan of de toezichthoudende autoriteit bepaalde in deze verordening en in Verordening (EU) 2016/679 vastgelegde termijnen in acht heeft genomen. Bij die vaststelling is het van essentieel belang dat het recht van de klager op behandeling van zijn of haar klacht binnen een redelijke termijn, wordt gewaarborgd. De bepalingen van deze verordening doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om in het nationale recht te voorzien in rechtsmiddelen voor de onderzochte partij, met het oog op haar recht op behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn.
(66)
Voor de uitvoering van deze verordening zijn passende digitale instrumenten nodig die de snelle en veilige uitwisseling van informatie ondersteunen. Het is van belang dat er een passend beveiligd gemeenschappelijk elektronisch instrument beschikbaar is voor alle gegevensbeschermingsautoriteiten, rekening houdend met de ervaring die bij het gebruik van bestaande instrumenten is opgedaan. Het is ook belangrijk dat wordt voorzien in de middelen die nodig zijn voor de invoering van een dergelijk elektronisch instrument, en dat dit instrument het verzamelen en consolideren door het Comité van handhavingsstatistieken over zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking, vergemakkelijkt.
(67)
De hoofdstukken III en IV van deze verordening hebben betrekking op de samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten, de procedurele rechten van de onderzochte partijen en de betrokkenheid van klagers. Ter waarborging van de rechtszekerheid mogen die bepalingen niet gelden voor onderzoeken die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening al lopen. Die bepalingen moeten gelden voor ambtshalve onderzoeken die na 15 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanvangen en voor op klacht gebaseerde onderzoeken waarbij de klacht na 15 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening is ingediend. In de hoofdstukken V en VI van de onderhavige verordening worden procedureregels vastgesteld voor zaken die uit hoofde van artikel 65 van Verordening (EU) 2016/679 worden doorverwezen naar geschillenbeslechting en voor verzoeken om een dringend advies of dringend bindend besluit op grond van artikel 66 van Verordening (EU) 2016/679. Om redenen van rechtszekerheid mogen die hoofdstukken niet van toepassing zijn op voor zaken die vóór de inwerkingtreding van deze verordening naar geschillenbeslechting zijn doorverwezen. Zij moeten van toepassing zijn op alle zaken die na 15 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening naar geschillenbeslechting zijn doorverwezen.
(68)
Overeenkomstig artikel 42, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Comité geraadpleegd, en op 19 september 2023 hebben zij een gezamenlijk advies uitgebracht,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
In deze verordening worden procedureregels vastgelegd voor de behandeling van klachten en het uitvoeren van onderzoek in op klachten gebaseerde en ambtshalve zaken door toezichthoudende autoriteiten bij de handhaving van Verordening (EU) 2016/679, wanneer die zaken betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking. De behandeling van klachten en de uitvoering van onderzoek in zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking omvatten tevens de vaststelling of een zaak betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) 2016/679.
Daarnaast is de volgende definitie van toepassing:
“onderzochte partij”: de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker die het voorwerp is van een onderzoek wegens een beweerde inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 met betrekking tot grensoverschrijdende verwerking.
Artikel 3
Beginselen inzake de handhaving van Verordening (EU) 2016/679 voor zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking
1. De toezichthoudende autoriteiten voeren de procedures die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, op een vlotte en efficiënte wijze uit. Zij werken op loyale en doeltreffende wijze samen, onder meer door waar nodig ondersteuning te bieden en onverwijld elkaars verzoeken te beantwoorden.
2. Een toezichthoudende autoriteit kan overeenkomstig het nationale procesrecht zaken voegen en scheiden, voor zover voeging of scheiding de rechten van de onderzochte partijen of die van de klager niet ondermijnt.
3. Elke klager heeft de mogelijkheid om uitsluitend te communiceren met de toezichthoudende autoriteit waarbij de klager zijn of haar klacht heeft ingediend op grond van artikel 77 van Verordening (EU) 2016/679.
4. De behandeling van een klacht leidt altijd tot een besluit waartegen een doeltreffende voorziening in rechte openstaat in de zin van artikel 78 van Verordening (EU) 2016/679.
5. In het belang van een efficiënte procedure kunnen de toezichthoudende autoriteiten de lengte van de opmerkingen van de onderzochte partij en van de klager beperken, rekening houdend met de complexiteit van de zaak en de reeds ingediende documenten.
HOOFDSTUK II
INDIENING VAN KLACHTEN EN VROEGTIJDIGE AFHANDELING
Artikel 4
Klachten met betrekking tot grensoverschrijdende verwerking
1. Een klacht op grond van Verordening (EU) 2016/679 met betrekking tot grensoverschrijdende verwerking is ontvankelijk indien deze de volgende informatie bevat:
a)
de naam en contactgegevens van de persoon die de klacht indient;
b)
wanneer de klacht wordt ingediend door een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk in de zin van artikel 80 van Verordening (EU) 2016/679, een bewijs dat dat orgaan, die organisatie of die vereniging op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht;
c)
wanneer de klacht wordt ingediend op grond van artikel 80, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679, de naam en de contactgegevens van het orgaan, de organisatie of de vereniging zonder winstoogmerk waardoor de klacht wordt ingediend, en bewijs dat dat orgaan, die organisatie of die vereniging optreedt op basis van een machtiging door een betrokkene;
d)
informatie die de identificatie vergemakkelijkt van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker waartegen de klacht gericht is;
e)
een beschrijving van de beweerde inbreuk op Verordening (EU) 2016/679.
Voor de ontvankelijkheid van een klacht met betrekking tot grensoverschrijdende verwerking wordt boven op de in de eerste alinea bedoelde informatie geen aanvullende informatie vereist.
De administratieve regelingen en voorschriften uit hoofde van het nationale procesrecht van de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, blijven van toepassing.
2. Wanneer de toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht is ingediend, vaststelt dat de klacht niet de in lid 1, eerste alinea, bedoelde informatie bevat, verklaart zij die klacht binnen twee weken na ontvangst ervan niet-ontvankelijk en stelt zij de klager in kennis van de redenen daarvoor.
3. Voor ontvankelijkheid van de klacht mag van de klager niet worden geëist dat deze, voordat hij of zij een klacht indient, contact heeft opgenomen met de onderzochte partij.
Onverminderd de eerste alinea wordt, wanneer een klacht betrekking heeft op de uitoefening van een recht van de betrokkene dat afhangt van de indiening van een verzoek door de betrokkene aan de verwerkingsverantwoordelijke, dat verzoek ingediend bij de verwerkingsverantwoordelijke voordat die klacht wordt ingediend.
4. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, stelt bij wijze van voorlopige conclusie het volgende vast:
a)
of de klacht betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking;
b)
welke toezichthoudende autoriteit zij bevoegd acht om op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 56, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679, en
c)
of artikel 56, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 van toepassing is.
5. Wanneer een klacht die betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking, ontvankelijk is en er geen sprake is van vroegtijdige afhandeling overeenkomstig artikel 5, stuurt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, die klacht uiterlijk zes weken na ontvangst ervan door naar de toezichthoudende autoriteit waarvan zij veronderstelt dat deze bevoegd is op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit, en stelt zij de klager in kennis van die doorzending.
De vaststelling van de ontvankelijkheid van een klacht door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, is bindend voor de leidende toezichthoudende autoriteit.
6. Binnen zes weken na ontvangst van een klacht bevestigt de toezichthoudende autoriteit die geacht wordt bevoegd te zijn om als leidende toezichthoudende autoriteit op te treden, haar bevoegdheid of, wanneer er uiteenlopende standpunten zijn over de vraag welke van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten bevoegd is voor de hoofdvestiging, verwijst zij de zaak voor geschillenbeslechting door naar het Europees Comité voor gegevensbescherming (het “Comité”) uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679.
Indien de toezichthoudende autoriteit die geacht wordt bevoegd te zijn om als leidende toezichthoudende autoriteit op te treden, haar bevoegdheid niet bevestigt of de aangelegenheid niet binnen de in de eerste alinea bedoelde termijn naar het Comité verwijst, verwijst de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht werd ingediend, de zaak voor geschillenbeslechting door naar het Comité uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679.
7. De toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht is ingediend of de leidende toezichthoudende autoriteit kan, onverminderd de ontvankelijkheid van de klacht, de klager verzoeken aanvullende informatie te verstrekken om de behandeling van die klacht te vergemakkelijken en een volledig onderzoek daarvan mogelijk te maken.
8. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt de onderzochte partij onverwijld in kennis van de indiening van een klacht en van de belangrijkste elementen daarvan.
Artikel 5
Vroegtijdige afhandeling
1. Een klacht met betrekking tot grensoverschrijdende verwerking die betrekking heeft op de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van hoofdstuk III van Verordening (EU) 2016/679 kan, in voorkomend geval, middels een procedure die vroegtijdige afhandeling mogelijk maakt door:
a)
de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, nadat deze bij wijze van voorlopige conclusie heeft vastgesteld dat de klacht betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking en voorafgaand aan de eventuele doorzending van de klacht aan de toezichthoudende autoriteit die geacht wordt bevoegd te zijn om als leidende toezichthoudende autoriteit op te treden, of
b)
de leidende toezichthoudende autoriteit waaraan de klacht is doorgestuurd, te allen tijde vóór de voorlegging van de voorlopige bevindingen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten op grond van artikel 19 van deze verordening of, indien de in artikel 6 van deze verordening bedoelde procedure voor eenvoudige samenwerking van toepassing is, vóór de voorlegging van het ontwerpbesluit.
De toezichthoudende autoriteiten kunnen de vroegtijdige afhandeling van klachten aanmoedigen en vergemakkelijken, en daartoe indien gepast communiceren met de onderzochte partij of de klager.
2. Voor de toepassing van vroegtijdige afhandeling beschouwt de in lid 1, eerste alinea, punt a) of punt b), bedoelde toezichthoudende autoriteit, wanneer deze op basis van ondersteunend bewijs vaststelt dat de beweerde inbreuk is beëindigd, de klacht als zonder voorwerp.
Wanneer de klacht als zonder voorwerp is bevonden, stelt de in lid 1, eerste alinea, punt a) of punt b), bedoelde toezichthoudende autoriteit de klager in duidelijke en eenvoudige taal in kennis van:
a)
de beëindiging van de beweerde inbreuk en van het oordeel dat de klacht zonder voorwerp is;
b)
de gevolgen van een vroegtijdige afhandeling, en
c)
de mogelijkheid voor de klager om bezwaar in te dienen tegen de vroegtijdige afhandeling binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving ervan.
3. In een procedure voor de toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht is ingediend, stelt die toezichthoudende autoriteit, wanneer de klager geen bezwaar maakt binnen de in lid 2, tweede alinea, punt c), vastgestelde termijn, binnen twee weken na het verstrijken van die termijn vast dat de klacht is afgehandeld en stelt zij de klager, de onderzochte partij en, in voorkomend geval, de leidende toezichthoudende autoriteit van die afhandeling in kennis.
4. In een procedure voor de leidende toezichthoudende autoriteit waaraan de klacht is doorgestuurd legt die leidende toezichthoudende autoriteit, wanneer de klager geen bezwaar maakt binnen de in lid 2, tweede alinea, punt c), van dit artikel vastgestelde termijn, binnen vier weken na het verstrijken van die termijn een ontwerpbesluit voor overeenkomstig artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679, met het oog op de vaststelling van een definitief besluit overeenkomstig artikel 60, lid 7, van Verordening (EU) 2016/679 waarin wordt vastgesteld dat de klacht is afgehandeld.
5. De vroegtijdige afhandeling van een klacht doet geen afbreuk aan de uitoefening door de leidende toezichthoudende autoriteit van de in artikel 58 van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde bevoegdheden met betrekking tot dezelfde zaak.
6. De artikelen 10 tot en met 20 zijn niet van toepassing op klachten die op grond van dit artikel worden afgehandeld.
HOOFDSTUK III
SAMENWERKING UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 60 VAN VERORDENING (EU) 2016/679
AFDELING 1
EENVOUDIGE SAMENWERKING
Artikel 6
Procedure voor eenvoudige samenwerking
1. Zodra de leidende toezichthoudende autoriteit een voorlopig standpunt heeft ingenomen over de belangrijkste kwesties in een onderzoek, kan zij met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten samenwerken middels een procedure voor eenvoudige samenwerking, overeenkomstig dit artikel, indien:
a)
zij van oordeel is dat er geen gerede twijfel bestaat ten aanzien van de reikwijdte van het onderzoek, met name wat betreft de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 waarop de te onderzoeken beweerde inbreuk betrekking heeft, en
b)
de door de leidende toezichthoudende autoriteit vastgestelde juridische en feitelijke kwesties niet nopen tot de aanvullende samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten die nodig is voor een complex onderzoek, in het bijzonder wanneer die kwesties kunnen worden aangepakt op basis van eerdere besluiten in soortgelijke zaken.
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit de in de eerste alinea bedoelde procedure voor eenvoudige samenwerking toepast, zijn de artikelen 10, 11, 16, 19 en 20, artikel 23, lid 1, punten a) en b), en artikel 23, lid 2, van deze verordening niet van toepassing. De leidende toezichthoudende autoriteit legt binnen de in artikel 12, lid 6, van deze verordening bedoelde termijn een ontwerpbesluit voor overeenkomstig artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679.
2. Binnen zes weken nadat de leidende toezichthoudende autoriteit haar bevoegdheid op grond van artikel 4, lid 6, van deze verordening heeft bevestigd of nadat het Comité een bindend besluit op grond van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679 heeft vastgesteld, stelt de leidende toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten in kennis van haar voornemen om de procedure voor eenvoudige samenwerking toe te passen, en verstrekt zij informatie over de kenmerken van de zaak die relevant is om vast te stellen of aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel is voldaan.
3. Wanneer een van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten bezwaar maakt tegen de toepassing van de procedure voor eenvoudige samenwerking binnen twee weken na de kennisgeving daarvan, is die procedure niet van toepassing en maakt de leidende toezichthoudende autoriteit een samenvatting op hoofdpunten overeenkomstig artikel 10 en werkt zij samen met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten volgens de procedures van hoofdstuk III.
4. Bij de toepassing van de procedure voor eenvoudige samenwerking zorgt de leidende toezichthoudende autoriteit er vóór de voorlegging van een ontwerpbesluit voor dat, in voorkomend geval, de onderzochte partijen het recht krijgen te worden gehoord en dat de klager in de gelegenheid wordt gesteld zijn of haar standpunt kenbaar te maken. Voor de toepassing van dit lid geldt dat de administratieve regelingen en voorschriften uit hoofde van het nationale procesrecht van de leidende toezichthoudende autoriteit, of de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend in voorkomend geval van toepassing blijven.
5. Hoofdstuk III van deze verordening is niet van toepassing op zaken die door de betrokken toezichthoudende autoriteit worden behandeld op grond van artikel 56, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679.
AFDELING 2
TOT EEN CONSENSUS KOMEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 60, LID 1, VAN VERORDENING (EU) 2016/679
Artikel 7
Toekenning of beperking van rechten
De bepalingen in deze afdeling hebben betrekking op de samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten en kennen geen rechten toe aan personen of onderzochte partijen, noch beperken zij de rechten van die personen en partijen.
Artikel 8
Samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten
Tijdens hun samenwerking teneinde tot een consensus te komen, zoals bepaald in artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679, kunnen de toezichthoudende autoriteiten gebruikmaken van alle middelen waarin bij die verordening is voorzien, met inbegrip van wederzijdse bijstand op grond van artikel 61 van die verordening en gezamenlijke werkzaamheden op grond van artikel 62 van die verordening.
Artikel 9
Relevante informatie die moet worden uitgewisseld tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten
1. De leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten wisselen de in artikel 60, leden 1 en 3, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde relevante informatie uit. Die informatie omvat, indien van toepassing:
a)
informatie over het openen van onderzoek naar een beweerde inbreuk op Verordening (EU) 2016/679;
b)
verzoeken om informatie op grond van artikel 58, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2016/679 en daarmee verband houdende documenten die uit die verzoeken voortvloeien;
c)
informatie over de inzet van andere onderzoeksbevoegdheden bedoeld in artikel 58, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 en daarmee verband houdende documenten die uit de uitoefening van die onderzoeksbevoegdheden voortvloeien;
d)
in geval van een voorgenomen volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht, de gronden van de leidende toezichthoudende autoriteit daarvoor;
e)
informatie over de vroegtijdige afhandeling van de klacht op grond van artikel 5 van deze verordening;
f)
de samenvatting op hoofdpunten en het commentaar op die samenvatting als bedoeld in artikel 10 van deze verordening;
g)
informatie over de reikwijdte van het onderzoek;
h)
informatie over ontwikkelingen of bevindingen die kunnen leiden tot een wijziging van de reikwijdte van het onderzoek of de opening van een nieuw onderzoek;
i)
informatie over de ondernomen stappen en verrichte juridische analyse om vast te stellen of sprake is van een inbreuk op Verordening (EU) 2016/679, voorafgaand aan de voorbereiding van de voorlopige bevindingen en voorafgaand aan de voorbereiding van het ontwerpbesluit;
j)
voorlopige bevindingen;
k)
de antwoorden van de onderzochte partijen op de voorlopige bevindingen;
l)
het standpunt van de klager over de niet-vertrouwelijke versie van de voorlopige bevindingen en, indien relevant, over andere aspecten van het onderzoek waarover door de klager formele schriftelijke opmerkingen zijn ingediend;
m)
in geval van volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht, de schriftelijke opmerkingen van de klager;
n)
informatie over eventuele relevante stappen die de leidende toezichthoudende autoriteit heeft ondernomen na ontvangst van de antwoorden van de onderzochte partijen op de voorlopige bevindingen en voorafgaand aan het voorleggen van een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679;
o)
het standpunt van de onderzochte partijen over een herzien ontwerpbesluit;
p)
alle andere informatie die voor het onderzoek nuttig en relevant wordt geacht.
2. Gedurende het onderzoek wisselen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie zo spoedig mogelijk en uiterlijk één week nadat die informatie beschikbaar is, uit, tenzij in deze verordening of in Verordening (EU) 2016/679 anders is bepaald.
3. Het Comité kan de regelingen en voorschriften voor de uitwisseling van relevante informatie tussen toezichthoudende autoriteiten specificeren.
Artikel 10
Samenvatting op hoofdpunten
1. Zodra de leidende toezichthoudende autoriteit een voorlopig standpunt heeft ingenomen over de belangrijkste kwesties in een onderzoek, maakt zij een samenvatting op hoofdpunten ten behoeve van de samenwerking op grond van artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
2. De samenvatting op hoofdpunten bevat de volgende gegevens:
a)
de belangrijkste relevante feiten;
b)
een voorlopige vaststelling van de reikwijdte van het onderzoek, met name de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 waarop de te onderzoeken beweerde inbreuk betrekking heeft;
c)
vastgestelde juridische en feitelijke kwesties;
d)
een analyse van de relevante standpunten van de onderzochte partij of de klager wanneer die standpunten beschikbaar zijn op het moment dat de samenvatting op hoofdpunten wordt opgesteld;
e)
in voorkomend geval, een voorlopige vaststelling van mogelijke corrigerende maatregelen.
3. De leidende toezichthoudende autoriteit verstrekt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten onverwijld, en binnen drie maanden nadat de leidende toezichthoudende autoriteit haar bevoegdheid op grond van artikel 4, lid 6, van deze verordening heeft bevestigd of nadat het Comité een bindend besluit op grond van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679 heeft vastgesteld, de samenvatting op hoofdpunten.
4. De betrokken toezichthoudende autoriteiten kunnen binnen vier weken na ontvangst van de samenvatting op hoofdpunten commentaar leveren op die samenvatting. De leidende toezichthoudende autoriteit kan die termijn met twee weken verlengen wegens de complexiteit van de zaak of op verzoek van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
5. Wanneer de betrokken toezichthoudende autoriteiten op grond van lid 4 commentaar leveren, wordt dat commentaar met alle andere betrokken toezichthoudende autoriteiten gedeeld. De leidende toezichthoudende autoriteit reageert op dat commentaar binnen vier weken na het verstrijken van de in lid 4 bedoelde termijn en geeft aan of en hoe zij daarmee rekening wil houden. De leidende toezichthoudende autoriteit kan die termijn met twee weken verlengen wegens de complexiteit van de zaak.
6. Bij het overdragen van een zaak aan de leidende toezichthoudende autoriteit kan de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend de leidende toezichthoudende autoriteit informatie verstrekken die relevant is voor het opstellen van de samenvatting op hoofdpunten.
7. Het Comité kan regelingen en voorschriften specificeren voor de indiening van commentaar op de samenvatting op hoofdpunten door de betrokken toezichthoudende autoriteiten.
Artikel 11
Inzet van middelen om tot een consensus te komen
1. Op grond van artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 trachten de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig onderhavig artikel tot een consensus te komen over zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking, en kunnen zij gebruikmaken van alle middelen waarin Verordening (EU) 2016/679 voorziet, met inbegrip van wederzijdse bijstand op grond van artikel 61 van Verordening (EU) 2016/679 en gezamenlijke werkzaamheden op grond van artikel 62 van die verordening.
2. Wanneer een betrokken toezichthoudende autoriteit het niet eens is met de leidende toezichthoudende autoriteit en bij gebrek aan consensus, kan die toezichthoudende autoriteit een verzoek om wederzijdse bijstand uit hoofde van artikel 61 van Verordening (EU) 2016/679 indienen bij de leidende toezichthoudende autoriteit of de leidende toezichthoudende autoriteit verzoeken gezamenlijke werkzaamheden uit te voeren op grond van artikel 62 van die verordening, of beide, teneinde tot een consensus te komen over het volgende:
a)
de reikwijdte van het onderzoek in op klachten gebaseerde zaken, met inbegrip van de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 waarop de te onderzoeken beweerde inbreuk betrekking heeft;
b)
in voorkomend geval, de juridische of feitelijke kwesties als bedoeld in artikel 10, lid 2, punt c), van deze verordening;
c)
de voorlopige vaststelling van mogelijke corrigerende maatregelen op grond van artikel 10, lid 2, punt e), van deze verordening.
3. Een verzoek op grond van lid 2 van dit artikel moet binnen één maand na het verstrijken van de in artikel 10, lid 5, bedoelde termijn worden ingediend.
4. Wanneer op grond van lid 2 van dit artikel een verzoek wordt gedaan om gezamenlijke werkzaamheden uit te voeren op grond van artikel 62 van Verordening (EU) 2016/679, beantwoordt de leidende toezichthoudende autoriteit dat verzoek binnen een maand na ontvangst ervan.
5. De leidende toezichthoudende autoriteit overlegt met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten op basis van hun commentaar op de samenvatting op hoofdpunten en, indien van toepassing, in antwoord op verzoeken op grond van de artikelen 61 en 62 van Verordening (EU) 2016/679, in een poging tot een consensus te komen. De consensus over aangelegenheden bedoeld in lid 2 van dit artikel dient voor de leidende toezichthoudende autoriteit als basis voor de voortzetting van het onderzoek en het opstellen van de voorlopige bevindingen of, indien van toepassing, verstrekking aan de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, van de redenering ten behoeve van artikel 16, lid 1, van deze verordening.
6. Wanneer er, in een op een klacht gebaseerd onderzoek, na de procedures uit hoofde van artikel 10, lid 5, van deze verordening en lid 5 van dit artikel, tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en een of meer andere betrokken toezichthoudende autoriteiten geen consensus bestaat over de in artikel 10, lid 2, punt b), van deze verordening bedoelde voorlopige vaststelling van de reikwijdte van het onderzoek, wordt geacht te zijn voldaan aan de voorwaarden om te verzoeken om een dringend bindend besluit op grond van artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 en verzoekt de leidende toezichthoudende autoriteit het Comité om een dringend bindend besluit uit hoofde van artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679.
7. Bij het verzoek om een dringend bindend besluit van het Comité op grond van lid 6 van dit artikel verstrekt de leidende toezichthoudende autoriteit aan het Comité de volgende gegevens:
a)
de in artikel 10, lid 2, bedoelde informatie;
b)
het commentaar van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten die het niet eens zijn met de voorlopige vaststelling van de reikwijdte van het onderzoek door de leidende toezichthoudende autoriteit;
c)
verdere uitwisselingen tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten op grond van artikel 10, lid 5, en artikel 11, lid 5;
d)
alle andere relevante documenten of informatie waar het Comité om verzoekt.
8. Het Comité neemt een dringend bindend besluit over de reikwijdte van het onderzoek aan de hand van alle ontvangen informatie.
Artikel 12
Termijnen voor de voorlegging van een ontwerpbesluit
1. De leidende toezichthoudende autoriteit legt op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 een ontwerpbesluit voor binnen 15 maanden nadat zij haar bevoegdheid op grond van artikel 4, lid 6, van deze verordening heeft bevestigd of nadat het Comité een bindend besluit op grond van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679 heeft vastgesteld.
2. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit een verzoek indient op grond van artikel 11, lid 6, wordt de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijn geschorst totdat het Comité zijn bindend besluit heeft vastgesteld.
3. Bij wijze van uitzondering kan de leidende toezichthoudende autoriteit de in lid 1 bedoelde termijn wegens de complexiteit van de zaak eenmaal met een termijn van niet langer dan twaalf maanden verlengen. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten ten minste vier weken vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn in kennis van haar voornemen om de in lid 1 bedoelde termijn te verlengen, met mededeling van de duur van en de gronden voor de voorgenomen verlenging.
4. Elke betrokken toezichthoudende autoriteit kan bezwaar maken tegen de verlenging van de termijn binnen twee weken nadat zij daarvan op grond van lid 3 in kennis is gesteld. Die autoriteit motiveert haar bezwaar. Bij het bepalen of de in lid 1 bedoelde termijn moet worden verlengd en, in voorkomend geval, de duur van die verlenging, houdt de leidende toezichthoudende autoriteit naar behoren rekening met een dergelijk bezwaar.
5. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijn overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel verlengt, kan elke andere betrokken toezichthoudende autoriteit de leidende toezichthoudende autoriteit ervan in kennis stellen dat zij van mening is dat moet worden opgetreden om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit binnen de verlengde termijn geen ontwerpbesluit voorlegt, kan een toezichthoudende autoriteit die de leidende toezichthoudende autoriteit in kennis heeft gesteld van de noodzaak om op te treden ter bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen, overeenkomstig artikel 55 van Verordening (EU) 2016/679 een voorlopige maatregel op het grondgebied van haar lidstaat nemen. In dat geval wordt geacht te zijn voldaan aan de dringende noodzaak op te treden op grond van artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
6. Wanneer de procedure voor eenvoudige samenwerking uit hoofde van artikel 6 van deze verordening wordt toegepast, legt de leidende toezichthoudende autoriteit op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 een ontwerpbesluit voor binnen twaalf maanden nadat de leidende toezichthoudende autoriteit haar bevoegdheid op grond van artikel 4, lid 6, van deze verordening heeft bevestigd of nadat het Comité een bindend besluit op grond van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679 heeft vastgesteld.
Wanneer het nationale recht voorafgaande of latere nationale procedures voorschrijft waardoor een ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 na het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn moet worden voorgelegd, kan de leidende toezichthoudende autoriteit die termijn eenmaal met maximaal twee maanden verlengen. In dat geval stelt de leidende toezichthoudende autoriteit de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten ten minste twee weken voor het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn in kennis van de verlenging, met mededeling van de duur van die verlenging.
Artikel 13
Latere nationale procedures
1. Indien het nationale recht voorschrijft dat na de vaststelling van een besluit op grond van artikel 18 of artikel 21 een latere nationale procedure met betrekking tot dezelfde zaak wordt ingeleid, handelt de leidende toezichthoudende autoriteit als volgt:
a)
zij maakt geen nieuwe samenvatting op hoofdpunten;
b)
zij herhaalt de procedurele stappen overeenkomstig artikel 16 of de artikelen 19 en 20 uitsluitend wanneer de feitelijke of juridische beoordeling van de leidende toezichthoudende autoriteit afwijkt van een eerder besluit dat op grond van artikel 18 of artikel 21 is vastgesteld, en
c)
zij legt een ontwerpbesluit voor alvorens een later besluit vast te stellen dat verschilt van een eerder besluit op grond van artikel 18 of artikel 21.
2. De in artikel 12 bedoelde termijnen zijn van toepassing op de voorlegging van een ontwerpbesluit in een latere procedure als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
AFDELING 3
TOEPASSING VAN TERMIJNEN
Artikel 14
Wettigheid en geldigheid van procedurele stappen en het definitieve besluit
Wanneer deze verordening of artikel 65, lid 6, van Verordening (EU) 2016/679 voorschrijft dat een toezichthoudende autoriteit binnen een bepaalde termijn een procedurele stap onderneemt, heeft het ondernemen van een dergelijke stap na het verstrijken van die termijn geen invloed op de wettigheid of geldigheid van die procedurele stap of van het definitieve besluit.
Artikel 15
Termijnen en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
Om te bepalen of een toezichthoudende autoriteit een klacht niet heeft behandeld in de zin van artikel 78, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679, wordt in aanmerking genomen of die toezichthoudende autoriteit binnen de in deze verordening of in artikel 65, lid 6, van Verordening (EU) 2016/679 vastgestelde termijn, met inbegrip van eventuele verlengingen van een dergelijke termijn:
a)
geen ontwerpbesluit of herzien ontwerpbesluit heeft voorgelegd, of
b)
geen definitief besluit heeft vastgesteld.
AFDELING 4
VOLLEDIGE OF GEDEELTELIJKE AFWIJZING OF VERWERPING VAN KLACHTEN
Artikel 16
Procedure voor volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht in de zin van artikel 60, leden 8 en 9, van Verordening (EU) 2016/679
1. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit voornemens is een klacht volledig of gedeeltelijk af te wijzen of te verwerpen, geeft zij, alvorens een ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 voor te leggen, aan de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, de gronden aan voor haar voorlopige standpunt dat de klacht geheel of gedeeltelijk moet worden afgewezen of verworpen.
De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, informeert de klager over de gronden voor het in de eerste alinea bedoelde voorlopige standpunt, stelt de klager in de gelegenheid zijn of haar standpunt schriftelijk kenbaar te maken en informeert de klager over de gevolgen indien deze zijn of haar standpunt niet kenbaar maakt.
De leidende toezichthoudende autoriteit stelt een passende termijn vast waarbinnen de klager zijn of haar standpunt kenbaar kan maken. Die termijn bedraagt ten minste drie weken en ten hoogste zes weken.
2. De toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, zendt het door de klager kenbaar gemaakte standpunt zo spoedig mogelijk en uiterlijk één week nadat het standpunt beschikbaar is geworden, door naar de leidende toezichthoudende autoriteit.
3. Wanneer het overeenkomstig lid 1 van dit artikel door de klager kenbaar gemaakte standpunt niet leidt tot een wijziging van het in lid 1, eerste alinea, bedoelde voorlopige standpunt, stelt de leidende toezichthoudende autoriteit, in samenwerking met de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, een ontwerpbesluit op en legt zij dit voor aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten, overeenkomstig artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679.
4. Wanneer in het op grond van lid 3 voorgelegde ontwerpbesluit wordt geconcludeerd dat de klacht gedeeltelijk moet worden afgewezen of verworpen, gaat de leidende toezichthoudende autoriteit in samenwerking met de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten door met haar onderzoek naar het deel van de klacht dat nog moet worden onderzocht.
Artikel 17
Herzien ontwerpbesluit tot volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit vaststelt dat het herziene ontwerpbesluit in de zin van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679, waarbij een klacht volledig of gedeeltelijk afgewezen of verworpen wordt, nieuwe aspecten bevat waarop de klager de gelegenheid moet krijgen zijn of haar standpunt kenbaar te maken, biedt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, voorafgaand aan de voorlegging van het herziene ontwerpbesluit op grond van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679, de klager de gelegenheid zijn of haar standpunt over die nieuwe aspecten kenbaar te maken overeenkomstig artikel 16 van deze verordening.
Artikel 18
Besluit tot volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht
Wanneer de toezichthoudende autoriteit waarbij een klacht is ingediend, overeenkomstig artikel 60, lid 8 of lid 9, van Verordening (EU) 2016/679 een besluit vaststelt tot volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van die klacht, informeert zij de klager over de voorzieningen in rechte waarover deze beschikt overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) 2016/679.
AFDELING 5
BESLUITEN GERICHT AAN ONDERZOCHTE PARTIJEN
Artikel 19
Voorlopige bevindingen en het recht om te worden gehoord
1. Na de raadplegingen en procedures uit hoofde van de artikelen 10 en 11 van deze verordening stelt de leidende toezichthoudende autoriteit voorlopige bevindingen op wanneer zij van plan is een ontwerpbesluit in de zin van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 waarin een inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 wordt geconstateerd, voor te leggen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
2. De voorlopige bevindingen bevatten de bevindingen van het onderzoek en een volledige uiteenzetting van de beweerde inbreuken, op een manier die duidelijk genoeg is om de onderzochte partijen in staat te stellen kennis te nemen van het gedrag dat is onderzocht door de leidende toezichthoudende autoriteit. In de voorlopige bevindingen worden met name alle feiten, al het gebruikte bewijsmateriaal en de volledige juridische beoordeling duidelijk uiteengezet die tegen de onderzochte partijen worden ingebracht, zodat deze hun standpunten kenbaar kunnen maken over die feiten en de juridische conclusies die de leidende toezichthoudende autoriteit beoogt te trekken in het ontwerpbesluit in de zin van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679.
In de voorlopige bevindingen wordt, op basis van de in dat stadium beschikbare informatie en onverminderd de standpunten van de onderzochte partijen, aangegeven welke corrigerende maatregelen de leidende toezichthoudende autoriteit overweegt te treffen.
Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit, op basis van de in dat stadium beschikbare informatie en onverminderd de standpunten van de onderzochte partijen, overweegt overeenkomstig artikel 83 van Verordening (EU) 2016/679 een administratieve boete op te leggen, vermeldt zij in de voorlopige bevindingen de belangrijkste juridische en feitelijke elementen die haar bekend zijn en waarop zij voornemens is zich te baseren bij het nemen van een besluit over het opleggen van een administratieve boete en over het bedrag van de boete, rekening houdend met de in artikel 83, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 opgesomde elementen, met inbegrip van eventuele verzwarende of verzachtende omstandigheden waarmee zij voornemens is rekening te houden.
3. De leidende toezichthoudende autoriteit zendt de voorlopige bevindingen door aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten. Die autoriteiten kunnen binnen vier weken na doorzending van de voorlopige bevindingen aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten commentaar op die bevindingen indienen bij de leidende toezichthoudende autoriteit. Op verzoek van een van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten verlengt de leidende toezichthoudende autoriteit die termijn met twee weken.
4. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt alle onderzochte partijen in kennis van de voorlopige bevindingen, in voorkomend geval gewijzigd om rekening te houden met het commentaar van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
5. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt bij de kennisgeving van de voorlopige bevindingen aan de onderzochte partijen een passende termijn vast van ten minste drie weken en ten hoogste zes weken vanaf de datum van kennisgeving, waarbinnen die partijen hun standpunt schriftelijk kenbaar kunnen maken, of zij houdt binnen dezelfde termijn een hoorzitting om de standpunten van de onderzochte partijen mondeling te horen.
6. Bij de kennisgeving van de voorlopige bevindingen aan de onderzochte partijen verleent de leidende toezichthoudende autoriteit die partijen overeenkomstig de artikelen 24 en 25 toegang tot het administratieve dossier.
7. De onderzochte partijen kunnen in hun antwoord op de voorlopige bevindingen alle feitelijke en juridische argumenten aanvoeren waarvan zij op de hoogte zijn en die relevant zijn voor hun verdediging tegen de beschuldigingen van de leidende toezichthoudende autoriteit. Zij leggen alle relevante documenten tot staving van de aangevoerde feiten over. De leidende toezichthoudende autoriteit baseert haar ontwerpbesluit uitsluitend op de beschuldigingen, feiten en juridische beoordeling van die feiten ten aanzien waarvan de onderzochte partijen de gelegenheid hebben gekregen hun standpunten kenbaar te maken.
Artikel 20
Toezending van de voorlopige bevindingen aan de klagers
1. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit voorlopige bevindingen uitbrengt over een zaak waarover zij een klacht heeft ontvangen, verstrekt de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, die voorlopige bevindingen aan de klager, overeenkomstig de regels inzake toegang tot het administratieve dossier en inzake vertrouwelijke informatie uit hoofde van de artikelen 24 en 25, en stelt de leidende toezichthoudende autoriteit een passende termijn van ten minste drie weken en ten hoogste zes weken vast waarin de klager zijn of haar standpunt schriftelijk kenbaar kan maken.
2. Voor de toepassing van lid 1 geldt dat de administratieve regelingen en voorschriften uit hoofde van het nationale procesrecht van de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend, van toepassing blijven.
3. Lid 1 van dit artikel is ook van toepassing wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit:
a)
een klacht tegelijk met andere klachten behandelt;
b)
een deel van een klacht afzonderlijk behandelt, of
c)
de reikwijdte van het onderzoek in de voorlopige bevindingen op enigerlei wijze wijzigt, ook na een bindend besluit van het Comité overeenkomstig artikel 11, lid 8.
Artikel 21
Vaststelling van het definitieve besluit
1. Wanneer na voorlegging van het ontwerpbesluit aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten op grond van artikel 60, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 geen van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten binnen de in artikel 60, lid 4 of lid 5, van Verordening (EU) 2016/679 vermelde termijnen, naargelang het geval, bezwaar maakt tegen het ontwerpbesluit, handelt de leidende toezichthoudende autoriteit binnen een maand na het einde van de in artikel 60, lid 4 of lid 5, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde termijn als volgt:
a)
zij stelt haar besluit vast als bedoeld in artikel 60, lid 7, of, in voorkomend geval, artikel 60, lid 9, van Verordening (EU) 2016/679, en
b)
zij stelt de hoofdvestiging of enige vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, naargelang het geval, in kennis van het in punt a) bedoelde besluit.
2. De informatie die aan de klager moet worden verstrekt op grond van artikel 60, leden 7 en 9, van Verordening (EU) 2016/679, bestaat uit:
a)
een versie van het vastgestelde besluit dat het volledige beschikkend gedeelte en de motivering van dat besluit bevat, zonder elementen die overeenkomstig artikel 25 van deze verordening als vertrouwelijk worden beschouwd, of
b)
een samenvatting van het vastgestelde besluit, met inbegrip van de relevante feiten van en de gronden voor dat besluit.
In elk geval wordt aan de klager, indien deze daarom verzoekt, een versie van het in de eerste alinea bedoelde besluit verstrekt dat het volledige beschikkend gedeelte en de motivering van dat besluit bevat, zonder elementen die overeenkomstig artikel 25 van deze verordening als vertrouwelijk worden beschouwd.
Administratieve regelingen en voorschriften uit hoofde van het nationale procesrecht van de leidende toezichthoudende autoriteit blijven van toepassing.
Artikel 22
Het recht om te worden gehoord met betrekking tot een herzien ontwerpbesluit waarin een inbreuk wordt geconstateerd
1. Wanneer de leidende toezichthoudende autoriteit vaststelt dat het herziene ontwerpbesluit in de zin van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679, waarin een inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 wordt geconstateerd, nieuwe aspecten bevat waarover de onderzochte partijen de gelegenheid moeten krijgen hun standpunt kenbaar te maken, biedt de leidende toezichthoudende autoriteit, voorafgaand aan de voorlegging van het herziene ontwerpbesluit uit hoofde van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679, de onderzochte partijen de gelegenheid hun standpunt over die nieuwe aspecten kenbaar te maken.
2. De leidende toezichthoudende autoriteit stelt een passende termijn van ten minste drie weken en ten hoogste zes weken vast waarbinnen de onderzochte partijen hun standpunt kenbaar kunnen maken.
3. De leidende toezichthoudende autoriteit deelt de door de onderzochte partijen kenbaar gemaakte standpunten zo spoedig mogelijk en uiterlijk één week nadat die standpunten beschikbaar zijn geworden, mee aan de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten.
AFDELING 6
RELEVANTE EN GEMOTIVEERDE BEZWAREN
Artikel 23
Relevante en gemotiveerde bezwaren
1. Een relevant en gemotiveerd bezwaar zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 24), van Verordening (EU) 2016/679:
a)
is gebaseerd op feitelijke en juridische elementen die in het ontwerpbesluit of het samenwerkingsdossier zijn opgenomen;
b)
heeft geen betrekking op de reikwijdte van een onderzoek wanneer geen van de betrokken toezichthoudende autoriteiten commentaar heeft geleverd overeenkomstig artikel 10, lid 4, van deze verordening of wanneer niet tot een consensus is gekomen naar aanleiding van het ontvangen commentaar, of op de reikwijdte van een onderzoek als gedefinieerd in een bindend besluit van het Comité dat is vastgesteld op grond van artikel 11, lid 8, van deze verordening;
c)
heeft geen betrekking op een ontwerpbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van deze verordening.
2. Niettegenstaande lid 1, punt b), kan een betrokken toezichthoudende autoriteit in naar behoren gemotiveerde gevallen relevante en gemotiveerde bezwaren indienen die betrekking hebben op de reikwijdte van een onderzoek als bedoeld in lid 1, punt b), mits:
a)
de leidende toezichthoudende autoriteit heeft nagelaten alle elementen van de samenvatting op hoofdpunten waarover op grond van artikel 10, lid 5, of artikel 11, lid 5, tot een consensus is gekomen, te onderzoeken, of het bindende besluit van het Comité uit hoofde van artikel 11, lid 8, niet heeft nageleefd, of
b)
uit nieuwe elementen die niet beschikbaar waren op het moment dat tot een consensus werd gekomen over de samenvatting op hoofdpunten op grond van artikel 10, lid 5, of artikel 11, lid 5, of op het moment dat het bindende besluit van het Comité uit hoofde van artikel 11, lid 8, werd genomen, blijkt dat het ontwerpbesluit een aanzienlijk risico inhoudt voor de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene en, in voorkomend geval, voor het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie; of beide.
3. Een relevant en gemotiveerd bezwaar is voldoende duidelijk, coherent en nauwkeurig en vermeldt zo nodig de elementen van het ontwerpbesluit die moeten worden gewijzigd om de toezichthoudende autoriteiten in staat te stellen hun standpunten voor te bereiden en, indien van toepassing, om het Comité in staat te stellen het geschil doeltreffend te beslechten.
HOOFDSTUK IV
HET ADMINISTRATIEVE DOSSIER, HET SAMENWERKINGSDOSSIER EN DE BEHANDELING VAN VERTROUWELIJKE INFORMATIE
Artikel 24
Het administratieve dossier
1. Het administratief dossier in een onderzoek betreffende een beweerde inbreuk op Verordening (EU) 2016/679 bestaat uit de documenten die door de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten zijn verkregen of opgesteld, en gedurende de onderzoeksprocedure door de leidende toezichthoudende autoriteit zijn verzameld, met inbegrip van alle belastende en ontlastende bewijzen.
Het administratieve dossier bevat geen interne communicatie binnen een toezichthoudende autoriteit.
2. Op verzoek van een onderzochte partij, of van de klager indien het besluit zijn of haar belangen kan schaden, verleent de leidende toezichthoudende autoriteit de onderzochte partijen of de klager toegang tot het administratieve dossier zodat zij hun recht om te worden gehoord kunnen uitoefenen.
De eerste alinea doet geen afbreuk aan gunstiger regels voor het verlenen van toegang tot het administratieve dossier op grond van het nationale recht van de leidende toezichthoudende autoriteit.
Wanneer toegang wordt verleend overeenkomstig de eerste alinea, wordt de toegang aan de onderzochte partij verleend door de leidende toezichthoudende autoriteit, terwijl de toegang aan de klager wordt verleend door de toezichthoudende autoriteit waarbij de klacht is ingediend.
3. De volgende documenten of delen daarvan zijn uitgesloten van toegang, ongeacht of uit hoofde van het Unierecht of nationaal recht toegang wordt verleend:
a)
correspondentie of beraadslagingen tussen de toezichthoudende autoriteiten;
b)
vertrouwelijke informatie op grond van artikel 25, lid 1.
4. De leidende toezichthoudende autoriteit verleent alleen toegang tot relevante en gemotiveerde bezwaren die zijn ingediend op grond van artikel 60, lid 4, van Verordening (EU) 2016/679 en op basis waarvan die toezichthoudende autoriteit voornemens is een herzien ontwerpbesluit vast te stellen, wanneer dat nodig is om de onderzochte partijen of de klager in staat te stellen hun standpunt kenbaar te maken en hun rechten te verdedigen.
Artikel 25
Identificatie en bescherming van vertrouwelijke informatie
1. Alle informatie, documenten of delen van documenten worden als vertrouwelijk beschouwd voor zover zij bedrijfsgeheimen als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (5) of andere vertrouwelijke informatie overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht bevatten.
2. Tenzij anders bepaald in het Unierecht of het nationale recht, wordt informatie die door een toezichthoudende autoriteit is verzameld, overgelegd of verkregen in een zaak die betrekking heeft op grensoverschrijdende verwerking uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679, en die overeenkomstig lid 1 als vertrouwelijk wordt beschouwd, niet meegedeeld aan of toegankelijk gemaakt voor een onderzochte partij, een klager of een derde persoon.
3. Een onderzochte partij, een klager of een derde persoon die informatie indient die hij of zij vertrouwelijk acht, geeft op duidelijke en gemotiveerde wijze aan welke informatie hij of zij vertrouwelijk acht. De onderzochte partij, de klager of de derde persoon verstrekt altijd de volledige versie van de informatie. Indien mogelijk verstrekt hij of zij ook een voorgestelde niet-vertrouwelijke versie.
4. Onverminderd lid 3 kan de toezichthoudende autoriteit waarbij de informatie is ingediend, de onderzochte partijen of een andere persoon die documenten overlegt, verzoeken aan te geven welke documenten of delen van documenten naar hun mening bedrijfsgeheimen of andere aan hen toebehorende vertrouwelijke informatie bevatten, en de personen aan te duiden waarop de vertrouwelijkheid van die bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie betrekking heeft.
5. De toezichthoudende autoriteit waarbij de informatie is ingediend, stelt voor de onderzochte partijen en alle andere personen die beroep doen op vertrouwelijkheid van de ingediende informatie, een passende termijn van ten hoogste zes weken vast om:
a)
hun beweringen dat de ingediende informatie bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevat, voor elk afzonderlijk document of deel van een document, verklaring of deel van een verklaring te motiveren;
b)
voor zover mogelijk, een niet-vertrouwelijke versie van de documenten en verklaringen voor te stellen waarin de bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie zijn bewerkt;
c)
een beknopte, niet-vertrouwelijke beschrijving van elk stuk weggelaten informatie te verstrekken.
6. Wanneer de onderzochte partijen of een andere persoon de leden 4 en 5 niet naleven, mag de toezichthoudende autoriteit waarbij de informatie is ingediend, aannemen dat de documenten of verklaringen in kwestie geen bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten.
7. De toezichthoudende autoriteit waarbij de informatie wordt ingediend, bepaalt of de informatie of relevante en specifieke delen van documenten al dan niet vertrouwelijk zijn overeenkomstig lid 1. Zij zorgt ervoor dat de bewerking van documenten beperkt blijft tot wat noodzakelijk en evenredig is om de vertrouwelijke informatie te beschermen. De toezichthoudende autoriteit waarbij de informatie wordt ingediend, stelt de andere toezichthoudende autoriteiten in kennis van de vertrouwelijke aard van de informatie wanneer deze wordt toegezonden.
8. Informatie die volgens het nationale recht van de toezichthoudende autoriteit waarbij de informatie is ingediend, vertrouwelijk is, en die tussen toezichthoudende autoriteiten wordt uitgewisseld in het kader van de toepassing van Verordening (EU) 2016/679, wordt door de toezichthoudende autoriteit die deze informatie ontvangt, ook vertrouwelijk behandeld.
Artikel 26
Samenwerkingsdossier
1. Met het oog op de uitwisseling van relevante informatie tussen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 9 zorgt de leidende toezichthoudende autoriteit ervoor dat die relevante informatie beschikbaar wordt gesteld via een voor elke klacht of elk onderzoek specifiek samenwerkingsdossier. Het samenwerkingsdossier bevat alle op grond van artikel 9 uitgewisselde informatie.
2. Het samenwerkingsdossier wordt in elektronische vorm bijgehouden en is, met behulp van een gemeenschappelijk elektronisch instrument, op afstand toegankelijk voor toezichthoudende autoriteiten alsook, na doorverwijzing van een zaak naar geschillenbeslechting uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679, en, in voorkomend geval, wanneer op grond van artikel 66 van die verordening om een dringend advies of een dringend bindend besluit wordt verzocht, voor het Comité. Het samenwerkingsdossier is niet rechtstreeks toegankelijk voor onderzochte partijen, klagers of derde personen.
HOOFDSTUK V
GESCHILLENBESLECHTING
Artikel 27
Doorverwijzing naar geschillenbeslechting uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679
1. Binnen drie maanden na het verstrijken van de in artikel 60, lid 4, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde termijn dient de leidende toezichthoudende autoriteit een herzien ontwerpbesluit in op grond van artikel 60, lid 5, van die verordening, of verwijst zij de zaak door naar het Comité voor geschillenbeslechting uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van die verordening.
2. Binnen drie maanden na het verstrijken van de in artikel 60, lid 5, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde termijn dient de leidende toezichthoudende autoriteit een ander herzien ontwerpbesluit in uit hoofde van artikel 60, lid 5, van die verordening, of verwijst zij de zaak door naar het Comité voor geschillenbeslechting uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van die verordening.
3. Bij doorverwijzing van de zaak naar geschillenbeslechting uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679 verstrekt de leidende toezichthoudende autoriteit aan het Comité de volgende gegevens:
a)
het ontwerpbesluit of herziene ontwerpbesluit waarop de relevante en gemotiveerde bezwaren betrekking hebben;
b)
een samenvatting van de relevante feiten;
c)
de schriftelijke standpunten van de onderzochte partijen op grond van artikel 19 en, indien van toepassing, artikel 22 van deze verordening, althans voor zover die standpunten betrekking hebben op de aan het Comité voorgelegde zaak;
d)
de schriftelijke standpunten van de klagers, indien van toepassing, op grond van de artikelen 16, 17 en 20 van deze verordening, althans voor zover die standpunten betrekking hebben op de aan het Comité voorgelegde zaak;
e)
de relevante en gemotiveerde bezwaren die de leidende toezichthoudende autoriteit niet heeft aanvaard en de bezwaren die de leidende toezichthoudende autoriteit heeft afgewezen als zijnde irrelevant of ongemotiveerd;
f)
de redenen waarom de leidende toezichthoudende autoriteit de relevante en gemotiveerde bezwaren niet heeft aanvaard of de bezwaren als irrelevant of ongemotiveerd heeft afgewezen.
4. Het Comité kan een toezichthoudende autoriteit om aanvullende documenten verzoeken met betrekking tot de aan het Comité voorgelegde zaak.
5. Het Comité stelt binnen vier weken na ontvangst van de in lid 3 van dit artikel bedoelde documenten en informatie een voorlopig standpunt vast over de vraag of de in artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde bezwaren relevante en gemotiveerde bezwaren zijn en of zij in overeenstemming zijn met artikel 23 van deze verordening. Binnen diezelfde termijn registreert de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de aan het Comité voorgelegde zaak. Zodra de doorverwijzing is geregistreerd, wordt het dossier aan de leden van Comité verstrekt.
6. De termijn voor vaststelling van het bindend besluit waarin is voorzien in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679, wordt tijdens de in lid 5 van dit artikel bedoelde termijn geschorst.
Artikel 28
Horen van de onderzochte partij en de klager voorafgaand aan de vaststelling van een besluit uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679
1. Voorafgaand aan de vaststelling van het bindend besluit uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/679 stelt het Comité de onderzochte partij of, wanneer het besluit van het Comité tot een volledige of gedeeltelijke afwijzing of verwerping van een klacht zou kunnen leiden, de klager in de gelegenheid om schriftelijk zijn of haar standpunt kenbaar te maken over alle nieuwe feitelijke of juridische elementen waarop zijn besluit zal worden gebaseerd, met inbegrip van de relevante en gemotiveerde bezwaren die het Comité beoogt in zijn besluit te honoreren.
2. Wanneer de onderzochte partijen of de klager, naargelang het geval, in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunten overeenkomstig lid 1 kenbaar te maken, stelt het Comité een passende termijn van ten hoogste twee weken vast waarbinnen zij hun standpunt kenbaar kunnen maken.
3. De termijn voor vaststelling van het bindend besluit van het Comité waarin is voorzien in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679, wordt geschorst totdat de onderzochte partij of de klager, naargelang het geval, hun standpunt kenbaar hebben gemaakt of tot het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn, als dat eerder is.
Artikel 29
Procedure met betrekking tot een besluit op grond van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679
1. Bij doorverwijzing van een zaak naar het Comité uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/679 verstrekt de doorverwijzende toezichthoudende autoriteit het Comité het volgende:
a)
een samenvatting van de relevante feiten, onder meer met betrekking tot de verwerking in kwestie;
b)
beoordeling van die relevante feiten om vast te stellen of een toezichthoudende autoriteit bevoegd is om op te treden als leidende toezichthoudende autoriteit op grond van artikel 56, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679, in het bijzonder de beoordeling of de verwerking als grensoverschrijdende verwerking moet worden beschouwd en waar de hoofdvestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker zich bevindt;
c)
het standpunt dat kenbaar is gemaakt door de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker waarvan de hoofdvestiging onderwerp is van de doorverwijzing;
d)
de standpunten van andere bij de doorverwijzing betrokken toezichthoudende autoriteiten;
e)
elk ander document of elke andere informatie die de toezichthoudende autoriteit die de zaak heeft doorverwezen, relevant en noodzakelijk acht om de zaak op te lossen.
2. Het Comité kan een toezichthoudende autoriteit om aanvullende documenten verzoeken met betrekking tot de aan het Comité voorgelegde zaak.
3. Binnen een week na ontvangst van de in lid 1 bedoelde documenten en informatie, registreert de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de aan het Comité voorgelegde zaak. Zodra de doorverwijzing is geregistreerd, wordt het dossier aan de leden van het Comité verstrekt.
Artikel 30
Procedure met betrekking tot een besluit uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2016/679
1. Wanneer de toezichthoudende autoriteit of de Commissie uit hoofde van artikel 65, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2016/679 een zaak naar het Comité doorverwijst, verstrekt zij het Comité het volgende:
a)
een samenvatting van de relevante feiten;
b)
het advies, indien van toepassing, van het Comité op grond van artikel 64 van Verordening (EU) 2016/679; of het besluit, indien van toepassing, van de bevoegde toezichthoudende autoriteit na het advies van het Comité op grond van artikel 64 van Verordening (EU) 2016/679;
c)
het standpunt van de toezichthoudende autoriteit die de zaak doorverwijst of van de Commissie over de vraag of, indien van toepassing, een toezichthoudende autoriteit verplicht was het ontwerpbesluit naar het Comité door te verwijzen op grond van artikel 64, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 dan wel of een toezichthoudende autoriteit het op grond van artikel 64 van Verordening (EU) 2016/679 afgegeven advies van het Comité niet heeft opgevolgd, met vermelding van de delen van dat advies die niet zijn opgevolgd en een verwijzing naar het relevante deel van het vastgestelde besluit.
2. Het Comité verzoekt om het volgende:
a)
de standpunten van de toezichthoudende autoriteit waarvan wordt beweerd dat zij het vereiste van toezending van een ontwerpbesluit aan het Comité heeft geschonden of heeft nagelaten een advies van het Comité op te volgen;
b)
elk ander document dat of elke andere informatie die die toezichthoudende autoriteit relevant en noodzakelijk acht om de zaak op te lossen.
3. Het Comité kan een toezichthoudende autoriteit om aanvullende documenten verzoeken met betrekking tot de aan het Comité voorgelegde zaak.
4. Binnen een week na ontvangst van de in lid 2 bedoelde documenten en informatie registreert de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de aan het Comité voorgelegde zaak. Zodra de doorverwijzing is geregistreerd, wordt het dossier aan de leden van Comité verstrekt.
5. Wanneer een toezichthoudende autoriteit verklaart voornemens te zijn haar standpunten over de doorverwezen zaak in te dienen, dient zij deze in binnen twee weken na de in lid 1 bedoelde doorverwijzing.
HOOFDSTUK VI
SPOEDPROCEDURE
Artikel 31
Dringend advies uit hoofde van artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679
1. Een verzoek om een dringend advies van het Comité op grond van artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 wordt ingediend uiterlijk vier weken voorafgaand aan de vervaldatum van de voorlopige maatregelen die op grond van artikel 66, lid 1, van die verordening zijn vastgesteld en bevat het volgende:
a)
een samenvatting van de relevante feiten, met inbegrip van de beweerde inbreuken op Verordening (EU) 2016/679;
b)
de voorlopige maatregel die is vastgesteld op het grondgebied van de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die verzoekt om het dringende advies, de duur daarvan en de gronden voor de vaststelling ervan, met inbegrip van de motivering van de dringende noodzaak om in te grijpen ter bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen;
c)
een motivering van de dringende noodzaak om definitieve maatregelen vast te stellen, met inbegrip van een uitleg over de uitzonderlijke omstandigheden die de vaststelling van die definitieve maatregelen vereisen.
2. Het Comité kan een toezichthoudende autoriteit om aanvullende documenten verzoeken met betrekking tot de aan het Comité voor een dringend advies voorgelegde zaak.
3. Binnen een week na ontvangst van de in lid 1 bedoelde documenten en informatie registreert de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de aan het Comité voorgelegde zaak. Zodra de doorverwijzing is geregistreerd, wordt het dossier aan de leden van het Comité verstrekt.
Artikel 32
Dringend bindend besluit uit hoofde van artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679
1. Een verzoek om een dringend bindend besluit van het Comité op grond van artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 wordt ingediend uiterlijk vier weken voorafgaand aan de vervaldatum van de voorlopige maatregelen die op grond van artikel 61, lid 8, artikel 62, lid 7, of artikel 66, lid 1, van die verordening zijn vastgesteld. Dat verzoek bevat het volgende:
a)
een samenvatting van de relevante feiten, met inbegrip van de beweerde inbreuken op Verordening (EU) 2016/679;
b)
de voorlopige maatregel die is vastgesteld op het grondgebied van de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die verzoekt om het dringende bindende besluit, de duur daarvan en de gronden voor de vaststelling ervan, waaronder een onderbouwing van de dringende noodzaak om op te treden ter bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen;
c)
informatie over alle onderzoeksmaatregelen die getroffen zijn op het grondgebied van de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die verzoekt om het dringende bindende besluit en de van de onderzochte partijen ontvangen antwoorden of andere informatie waarover die verzoekende toezichthoudende autoriteit beschikt;
d)
een motivering van de dringende noodzaak om definitieve maatregelen vast te stellen, rekening houdend met de uitzonderlijke omstandigheden die de vaststelling van die maatregelen vereisen, of bewijs dat een toezichthoudende autoriteit artikel 61, lid 5, of artikel 62, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 niet heeft nageleefd;
e)
wanneer de verzoekende toezichthoudende autoriteit niet de leidende toezichthoudende autoriteit is, het standpunt van de leidende toezichthoudende autoriteit;
f)
indien van toepassing, het standpunt van de plaatselijke vestiging van de onderzochte partijen aan wie de in artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde voorlopige maatregelen zijn gericht.
2. Het Comité kan een toezichthoudende autoriteit om aanvullende documenten verzoeken met betrekking tot de aan het Comité voorgelegde zaak.
3. Binnen een week na ontvangst van de in lid 1 bedoelde documenten en informatie registreert de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de aan het Comité voorgelegde zaak. Zodra de doorverwijzing is geregistreerd, wordt het dossier aan de leden van het Comité verstrekt.
4. Wanneer het Comité een dringend bindend besluit vaststelt waarin is bepaald dat er definitieve maatregelen moeten worden getroffen, treft de toezichthoudende autoriteit waaraan het besluit is gericht, dergelijke maatregelen vóór de vervaldatum van de voorlopige maatregelen die zijn getroffen uit hoofde van artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
5. Wanneer in een dringend bindend besluit is aangegeven dat het niet dringend noodzakelijk is definitieve maatregelen vast te stellen, volgen de leidende toezichthoudende autoriteit en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten de procedure van artikel 60 van Verordening (EU) 2016/679.
Artikel 33
Dringend advies of een dringend bindend besluit uit hoofde van artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679
1. Een verzoek om een dringend advies of een bindend dringend besluit van het Comité op grond van artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 bevat het volgende:
a)
een samenvatting van de relevante feiten;
b)
een rechtvaardiging van de dringende noodzaak om passende maatregelen te nemen ter bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen, rekening houdend met de uitzonderlijke omstandigheden die de vaststelling van dergelijke maatregelen vereisen, met name alle elementen waarmee de bevoegde toezichthoudende autoriteit rekening had moeten houden om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen;
c)
indien relevant en beschikbaar, informatie over alle onderzoeksmaatregelen die door de verzoekende toezichthoudende autoriteit getroffen zijn op het grondgebied van de lidstaat van de toezichthoudende autoriteit die om een dringend advies of een dringend bindend besluit heeft verzocht, en de van de onderzochte partijen ontvangen antwoorden of andere informatie waarover die verzoekende toezichthoudende autoriteit beschikt;
d)
het standpunt van de bevoegde toezichthoudende autoriteit zoals bedoeld in artikel 66, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679.
2. Het Comité kan een toezichthoudende autoriteit om aanvullende documenten verzoeken met betrekking tot de aan het Comité voorgelegde zaak.
3. Binnen een week na ontvangst van de in lid 1 bedoelde documenten en informatie registreert de voorzitter van het Comité de doorverwijzing van de aan het Comité voorgelegde zaak. Zodra de doorverwijzing is geregistreerd, wordt het dossier aan de leden van het Comité verstrekt.
HOOFDSTUK VII
ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 34
Handhavingsstatistieken over zaken die betrekking hebben op grensoverschrijdende verwerking
1. Als onderdeel van het jaarverslag dat uit hoofde van artikel 71 van Verordening (EU) 2016/679 moet worden opgesteld, verstrekt het Comité statistieken over de handhaving van Verordening (EU) 2016/679 in zaken die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, en met name:
a)
het aantal op klachten gebaseerde en ambtshalve zaken dat is aangespannen;
b)
het aantal op klachten gebaseerde en ambtshalve zaken dat is afgesloten;
c)
het aantal onderzoeken waar betrokken toezichthoudende autoriteiten om hebben verzocht op grond van artikel 61, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679;
d)
het aantal ingediende klachten;
e)
het aantal klachten dat volledig of gedeeltelijk is afgewezen of verworpen;
f)
de gemiddelde duur van afgesloten op klachten gebaseerde zaken en ambtshalve zaken;
g)
het aantal en de bedragen van administratieve geldboeten die zijn opgelegd op grond van de artikelen 83 en 84 van Verordening (EU) 2016/679.
2. Wanneer de in lid 1 bedoelde statistieken niet direct beschikbaar zijn voor het Comité, verstrekken de toezichthoudende autoriteiten deze op verzoek en tijdig aan het Comité.
Artikel 35
Commissieverslag
Als onderdeel van haar verslag over de evaluatie en toetsing van Verordening (EU) 2016/679 uit hoofde van artikel 97 van die verordening brengt de Commissie tevens verslag uit over de toepassing en werking van deze verordening.
Artikel 36
Overgangsbepalingen
De hoofdstukken III en IV gelden voor ambtshalve onderzoeken die aanvangen na 2 april 2027 en voor op klachten gebaseerde onderzoeken, indien de klacht is ingediend na 2 april 2027.
De hoofdstukken V en VI van deze verordening gelden voor alle zaken die naar geschillenbeslechting worden doorverwezen uit hoofde van artikel 65 en spoedprocedure uit hoofde van artikel 66, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2016/679 na 2 april 2027.
Artikel 37
Inwerkingtreding en toepassing
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Deze verordening is van toepassing met ingang van 2 april 2027.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 26 november 2025.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. BJERRE
(1) PB C, C/2024/1578, 5.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1578/oj.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 21 oktober 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 november 2025.
(3) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
(4) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(5) Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/943/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2518/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top