Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2025/2643
29.12.2025
VERORDENING (EU) 2025/2643 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 16 december 2025
tot vaststelling van het programma voor de Europese defensie-industrie en van een kader van maatregelen ter waarborging van de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten (“EDIP-verordening”)
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, lid 1, artikel 173, lid 3, artikel 212, lid 2, en artikel 322, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Rekenkamer (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (3),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Dat er door Ruslands niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog tegen Oekraïne opnieuw intensief oorlog wordt gevoerd, heeft negatieve gevolgen voor de veiligheid van de Unie en de lidstaten, en vergt een aanzienlijke verhoging van de capaciteit van de lidstaten om hun defensievermogens te versterken. Het feit dat de regionale en mondiale veiligheid er al geruime tijd op achteruitgaat, vereist een omslag in de schaal waarop en de snelheid waarmee de Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB) het volledige spectrum van militaire vermogens kan ontwikkelen en produceren.
(2)
De staatshoofden en regeringsleiders van de Unie hebben zich er op 11 maart 2022 in Versailles toe verbonden de Europese defensievermogens te versterken. Zij kwamen overeen hun defensie-uitgaven te verhogen, de samenwerking te intensiveren door middel van gezamenlijke projecten en gemeenschappelijke aanbestedingen voor defensievermogens, tekorten te dichten, innovatie te stimuleren en de Europese defensie-industrie te versterken en te ontwikkelen.
(3)
De Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de “hoge vertegenwoordiger”) hebben op 18 mei 2022 een gezamenlijke mededeling gepresenteerd over de analyse van de lacunes op het gebied van defensie-investeringen en de te volgen koers, waarin wordt gewezen op het bestaan, binnen de Unie, van financiële, industriële en vermogensgerelateerde lacunes op defensiegebied.
(4)
In zijn conclusies van 14 en 15 december 2023 heeft de Europese Raad, na de balans te hebben opgemaakt van de werkzaamheden ter uitvoering van de Verklaring van Versailles van 11 maart 2022 en het door de Raad op 21 maart 2022 goedgekeurde strategisch kompas voor veiligheid en defensie, onderstreept dat er meer moet worden gedaan om te voldoen aan de Uniedoelstellingen inzake het vergroten van de defensiegereedheid. Om een dergelijke staat van gereedheid te bereiken en de Unie te verdedigen, is een sterke, weerbare, innovatieve en concurrerende defensie-industrie een eerste vereiste.
(5)
Op 20 juli 2023 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU) 2023/1525 (5) vastgesteld, die tot doel heeft het opvoeren van de productiecapaciteit van de Europese defensie-industrie onverwijld te ondersteunen, toeleveringsketens veilig te stellen, efficiënte aankoopprocedures te faciliteren, tekortkomingen in productiecapaciteiten aan te pakken en investeringen te bevorderen. Op 18 oktober 2023 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU) 2023/2418 (6) vastgesteld, met als doel de samenwerking tussen de lidstaten in de aanbestedingsfase te ondersteunen om op een coöperatieve manier de meest dringende en kritieke lacunes op te vullen, met name die welke zijn ontstaan als gevolg van de reactie op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne.
(6)
De Verordeningen (EU) 2023/1525 en (EU) 2023/2418 zijn ontworpen als noodhulp- en kortetermijnprogramma’s, die respectievelijk op 30 juni 2025 en 31 december 2025 aflopen.
(7)
Deze verordening moet voortbouwen op de Verordeningen (EU) 2023/1525 en (EU) 2023/2418 en de logica ervan doortrekken in een meer op de lange termijn gericht en meer gestructureerd perspectief, door voor de periode 2025-2027 op voorspelbare wijze, continu en tijdig financiële steun te verlenen voor de versterking van het concurrentievermogen, het reactievermogen, en het vermogen van de EDTIB om de beschikbaarheid en levering van defensieproducten te waarborgen. In het licht van de huidige veiligheidssituatie lijkt het noodzakelijk die steun van de Unie uit te breiden om de lidstaten ertoe aan te zetten meer samen te werken bij de aanbesteding van een breder spectrum van defensiematerieel.
(8)
Op 23 juni 2022 heeft de Europese Raad besloten de status van kandidaat-lidstaat toe te kennen aan Oekraïne, dat heeft aangegeven vastbesloten te zijn om zijn wederopbouw te koppelen aan hervormingen op zijn Europese traject. Op 15 december 2023 heeft de Europese Raad besloten toetredingsonderhandelingen met Oekraïne te openen, en heeft hij verklaard dat de Unie en haar lidstaten vastbesloten blijven om, op lange termijn en samen met partners, bij te dragen tot de toezeggingen aan Oekraïne op het gebied van veiligheid, wat het land zal helpen om zichzelf in de toekomst te verdedigen, pogingen tot destabilisering te weerstaan en daden van agressie af te weren. Krachtige steun voor Oekraïne is een topprioriteit voor de Unie en een passende reactie op de sterke politieke toezegging van de Unie om Oekraïne zo lang als nodig te steunen.
(9)
Door de schade die de Russische aanvalsoorlog heeft toegebracht aan de Oekraïense economie, samenleving en infrastructuur, en met name aan de Oekraïense technologische en industriële defensiebasis (de “Oekraïense DTIB”), is er veelomvattende steun nodig voor de wederopbouw van de Oekraïense DTIB. Die steun is van essentieel belang om Oekraïne in staat te stellen essentiële staatsfuncties te handhaven, wat zal bijdragen tot het snelle herstel en de snelle wederopbouw en modernisering van het land, de integratie van de Oekraïense DTIB in de EDTIB en de afstemming van de Oekraïense DTIB op de normen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en andere relevante normen. Een sterke Oekraïense DTIB is van vitaal belang voor de veiligheid van Oekraïne op de lange termijn en voor de wederopbouw van het land.
(10)
Acties ter ondersteuning van de versterking van de Oekraïense DTIB moeten door de Unie financieel worden ondersteund. Meer bepaald moet het instrument voor steun aan Oekraïne in het kader van deze verordening de lidstaten stimuleren om met Oekraïne en de Oekraïense DTIB samen te werken teneinde de Oekraïense productiecapaciteit op defensiegebied op te voeren en de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten van de Oekraïense DTIB te bevorderen. Die ondersteuning vormt een aanvulling op de steun in het kader van de bij Verordening (EU) 2024/792 van het Europees Parlement en de Raad (7) vastgestelde faciliteit voor Oekraïne en op de militaire steun aan Oekraïne in het kader van de Europese Vredesfaciliteit vastgesteld bij Besluit (GBVB) 2021/509 van de Raad (8) en via bilaterale bijstand van de lidstaten. Een en ander is ook in overeenstemming met de niet-aflatende en onwrikbare steun van de Unie voor de onafhankelijkheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen.
(11)
Rusland moet volledig ter verantwoording worden geroepen en moet betalen voor de enorme schade die is veroorzaakt door zijn aanvalsoorlog tegen Oekraïne, die een flagrante schending van het Handvest van de Verenigde Naties vormt. De Unie en haar lidstaten moeten, in nauwe samenwerking met andere internationale partners, blijven ijveren voor dat doel, in overeenstemming met het Unie- en internationale recht, rekening houdend met de ernstige schending door Rusland van het verbod op het gebruik van geweld zoals vastgelegd in artikel 2, lid 4, van het Handvest van de Verenigde Naties, en van het beginsel inzake staatsverantwoordelijkheid voor internationaal onrechtmatige daden, met inbegrip van de verplichting om de veroorzaakte financieel kwantificeerbare schade te vergoeden. In coördinatie met internationale partners is er vooruitgang geboekt met de wijze waarop de uitzonderlijke opbrengsten in handen van particuliere entiteiten die rechtstreeks voortkomen uit de immobilisatie van Russische overheidstegoeden, kunnen worden bestemd ter ondersteuning van Oekraïne, met inbegrip van de Oekraïense DTIB, met inachtneming van de toepasselijke contractuele verplichtingen en in overeenstemming met het Unie- en internationale recht. Aanvullende steun zou kunnen worden verkregen uit de overdracht aan de Unie van uitzonderlijke kasmiddelen van centrale effectenbewaarinstellingen die voortvloeien uit de onverwachte en uitzonderlijke opbrengsten als gevolg van de immobilisatie van de Russische overheidstegoeden of als gevolg van andere desbetreffende beperkende maatregelen van de Unie.
(12)
Nadat de G7-leiders hadden verklaard vastbesloten te zijn Oekraïne te helpen voldoen aan zijn dringende financieringsbehoeften op korte termijn, en zijn prioriteiten wat betreft herstel en wederopbouw op de lange termijn te ondersteunen, hebben het Europees Parlement en de Raad op 28 oktober 2024 Verordening (EU) 2024/2773 (9) vastgesteld, waarbij het samenwerkingsmechanisme voor leningen aan Oekraïne werd ingesteld en buitengewone macrofinanciële bijstand aan Oekraïne werd toegekend. Verordening (EU) 2024/2773 bepaalde dat het memorandum van overeenstemming over de beleidsvoorwaarden voor die macrofinanciële bijstand een verbintenis moet bevatten om de samenwerking met de Unie op het gebied van het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense defensie-industrie te bevorderen, in overeenstemming met de doelstellingen van programma’s van de Unie gericht op het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB en andere relevante programma’s van de Unie.
(13)
Er moet met Oekraïne een financieringsovereenkomst in de zin van artikel 114, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (10) (het “Financieel Reglement”) worden gesloten voor de uitvoering van de in deze verordening vastgelegde acties die betrekking hebben op Oekraïne of in Oekraïne gevestigde juridische entiteiten die middelen van de Unie ontvangen. De financieringsovereenkomst met Oekraïne en de opdrachten en overeenkomsten die zijn gesloten met in Oekraïne gevestigde juridische entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten waarborgen dat aan de in artikel 129 van het Financieel Reglement vastgelegde verplichtingen wordt voldaan.
(14)
Voor de financiering van de acties ter versterking van het concurrentievermogen en de gereedheid van de EDTIB op grond van artikel 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en van de acties ter ondersteuning van het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB, rekening houdend met de mogelijke toekomstige integratie daarvan in de EDTIB, op grond van artikel 212 VWEU, moeten deze verordening voorzien in een Europees defensie-industrieprogramma (het “programma”), met de voorwaarden voor financiële steun van de Unie op grond van artikel 173 VWEU, en een instrument voor steun aan Oekraïne, met de specifieke voorwaarden voor financiële steun van de Unie op grond van artikel 212 VWEU.
(15)
Het programma moet in overeenstemming zijn met de defensievermogensprioriteiten die de lidstaten gezamenlijk zijn overeengekomen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), met de samenwerking van de lidstaten in het kader van de bij Besluit (GBVB) 2017/2315 (11) van de Raad ingestelde permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), met de initiatieven en projecten van het Europees Defensieagentschap (EDA) en met de civiele en militaire bijstand van de Unie aan Oekraïne. Het programma moet terdege rekening houden met de desbetreffende activiteiten van de NAVO en andere partners, indien die activiteiten de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie dienen.
(16)
In deze verordening moeten de financiële middelen voor de periode 2025-2027 worden vastgelegd die in de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag voor het Europees Parlement en de Raad zullen vormen in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (12). Het is passend dat aanvullende financiële middelen ter beschikking worden gesteld van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne, onder meer in de vorm van aanvullende bijdragen van de lidstaten.
(17)
De Europese Raad heeft in zijn conclusies van juli 2020 verklaard dat de looptijd van de sectorale programma’s in het kader van het meerjarig financieel kader (MFK) in de regel moet worden afgestemd op het tijdsbestek van het MFK 2021-2027. Na het verstrijken van het MFK 2021-2027 zal de financiering van de Unie voor sectorale programma’s afhankelijk zijn van het resultaat van de onderhandelingen over het volgende MFK, dat vanaf 2028 van toepassing is.
(18)
De mogelijkheden waarin artikel 73, lid 4, van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (13) voorziet, kunnen worden toegepast mits het project voldoet aan de voorschriften van die verordening en aan het toepassingsgebied van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds Plus, zoals bepaald bij de Verordeningen (EU) 2021/1058 (14) respectievelijk (EU) 2021/1057 (15) van het Europees Parlement en de Raad. Dit kan met name het geval zijn indien de productie van relevante defensieproducten te kampen heeft met specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties op het grondgebied van de lidstaten, met name in kwetsbare en afgelegen gebieden, en die middelen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma waaruit ze zijn overgedragen. Overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2021/1060 moet de Commissie de door de lidstaat ingediende gewijzigde programma’s beoordelen en binnen twee maanden na de datum van indiening van het gewijzigde programma haar opmerkingen daarover formuleren.
(19)
Gezien de noodzaak om beter en gezamenlijk te investeren in het concurrentievermogen en het reactievermogen van de EDTIB en in het vermogen van de EDTIB om ervoor te zorgen dat defensieproducten tijdig beschikbaar zijn en worden geleverd, alsook in het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB, moeten de lidstaten, de instellingen, organen en instanties van de Unie, derde landen, internationale organisaties, internationale financiële instellingen en andere derden kunnen bijdragen aan de uitvoering van het programma en van het instrument voor steun aan Oekraïne. Dergelijke bijdragen moeten volgens dezelfde regels en voorwaarden worden uitgevoerd, moeten externe bestemmingsontvangsten vormen in de zin van artikel 21, lid 2, punt a), d) of e), van het Financieel Reglement, en moeten overeenkomstig het Financieel Reglement in de jaarlijkse begrotingsprocedure worden vermeld. De lidstaten moeten de flexibiliteit hebben om te beslissen hoe zij de bijdragen aan het programma of aan het instrument voor steun aan Oekraïne toewijzen. De lidstaten moeten kunnen kiezen of zij die middelen beschikbaar stellen aan alle entiteiten die uit hoofde van deze verordening voor financiering in aanmerking komen, of dat die middelen alleen aan de betrokken lidstaten ten goede komen of daarnaast ook aan andere lidstaten of, in voorkomend geval, Oekraïne. Die flexibiliteit is van essentieel belang om een zo efficiënt mogelijk gebruik van middelen te waarborgen, zodat financiering kan worden toegewezen waar deze het hardst nodig is.
(20)
De lidstaten moeten bij de uitvoering van hun toewijzingen in gedeeld beheer de flexibiliteit kunnen benutten die wordt geboden door Verordening (EU) 2021/1060. Het moet derhalve mogelijk zijn om bepaalde niveaus van financiering over te dragen tussen in gedeeld beheer toegewezen middelen en het programma of het instrument voor steun aan Oekraïne, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2021/1060. Het moet mogelijk zijn om middelen die eind 2028 nog niet zijn vastgelegd, op verzoek van de betrokken lidstaat weer naar een of meer van de respectieve bronprogramma’s over te dragen, overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/1060.
(21)
De in het kader van het programma nagestreefde doelstellingen om het concurrentievermogen en de gereedheid van de EDTIB te vergroten door de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen als gevolg van de veranderende veiligheidsomgeving te initiëren en te versnellen, onder meer om de voorzieningszekerheid van defensieproducten in de hele Unie te waarborgen, kunnen bijdragen tot het verbeteren van de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie, zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (16). Daarom moet worden bepaald dat de door de herstel- en veerkrachtfaciliteit ondersteunde bijdragen van de lidstaten kunnen worden gebruikt om steun te bieden aan acties ter versterking van de industrie in het kader van deze verordening. Van die mogelijkheid mag slechts worden gebruikgemaakt voor zover daarmee wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 4 van Verordening (EU) 2021/241. De toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (17) is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de hervormingen en investeringen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit op duurzame wijze worden uitgevoerd. Alle door de herstel- en veerkrachtfaciliteit ondersteunde maatregelen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met het toepasselijke milieuacquis op Unie- en nationaal niveau, met name wat milieueffectbeoordeling en natuurbescherming betreft. Tegelijkertijd zijn sommige defensie-eindproducten naar hun aard waarschijnlijk direct of indirect schadelijk voor het milieu. Daarom is het mogelijk niet haalbaar het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” toe te passen op bijdragen van de lidstaten waarmee acties ter versterking van de industrie worden ondersteund die betrekking hebben op die producten. Daarnaast kan het passend zijn het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” niet toe te passen indien de ondersteunde actie ter versterking van de industrie betrekking heeft op defensieproducten of op componenten of grondstoffen die uitsluitend bestemd zijn of worden gebruikt voor de productie van defensieproducten. De Unie wordt immers geconfronteerd met een ernstige verslechtering van haar veiligheidscontext, waardoor het dreigingsniveau voor de Unie is toegenomen. Dit vereist onmiddellijke en grootschalige investeringen in en ondersteuning van de veerkracht en de opschaling van de EDTIB, zodat deze beter in staat is zich voor te bereiden op toekomstige voorzieningscrises en te zorgen voor de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten in de hele Unie. Dit vormt in de huidige situatie een dwingende doelstelling van openbare veiligheid die voorrang heeft op andere overwegingen. In dit verband is het noodzakelijk verstoringen in de defensietoeleveringsketens te voorkomen, met name door toe te staan dat acties ter versterking van de industrie die betrekking hebben op defensieproducten en componenten en grondstoffen daarvoor, waar passend kunnen worden ondersteund zonder beperkingen in verband met de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”. Indien lidstaten hun door de herstel- en veerkrachtfaciliteit ondersteunde vrijwillige bijdrage gebruiken voor acties ter versterking van de industrie in het kader van deze verordening, mogen die acties dan ook niet worden onderworpen aan de toepassing van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat in de bijdrageovereenkomst met de Commissie aantoont dat het niet haalbaar of passend is ervoor te zorgen dat het soort activiteiten dat in het kader van deze verordening wordt ondersteund, voldoet aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.
(22)
Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte moeten als geassocieerde landen aan het programma kunnen deelnemen in het kader van de samenwerking die is ingesteld op grond van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (18), waarin is bepaald dat de programma’s worden uitgevoerd op basis van een krachtens die overeenkomst vastgesteld besluit.
(23)
Aangezien deze verordening tot doel heeft het concurrentievermogen en de efficiëntie van de defensie-industrieën van de Unie en van die van Oekraïne te vergroten, en de bescherming van wezenlijke veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten te waarborgen, moeten ontvangers van financiële steun van de Unie in het kader van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne, om die steun te kunnen ontvangen, juridische entiteiten zijn die in de Unie, een geassocieerd land of Oekraïne zijn gevestigd en daar hun uitvoerende bestuursstructuren hebben, en die voor de doeleinden van de actie gebruikmaken van infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen op het grondgebied van een lidstaat, geassocieerd land of Oekraïne. Voorts mogen ontvangers van die financiële steun niet onder zeggenschap staan van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land. In die context moet onder “zeggenschap” het vermogen worden verstaan om beslissende invloed op een juridische entiteit uit te oefenen, hetzij direct, hetzij indirect via een of meer intermediaire juridische entiteiten. Indien lidstaten, geassocieerde landen of Oekraïne ontvanger zijn van die financiële steun met het oog op een gemeenschappelijke aanbesteding, moeten gelijkwaardige criteria van toepassing zijn op de contractanten en subcontractanten van de aanbestedingsovereenkomsten, om ervoor te zorgen dat voor hen dezelfde voorwaarden gelden en tegelijkertijd in aanmerking te nemen dat die contractanten en subcontractanten geen financiering van de Unie ontvangen.
(24)
Bij de subsidiabiliteitscriteria moet rekening worden gehouden met bestaande toeleveringsketens en met de industriële samenwerking met andere niet-geassocieerde derde landen dan Oekraïne, en die criteria moeten het mogelijk maken aan de vermogensvereisten te voldoen. Daarom moeten gemeenschappelijke aanbestedingen waarbij één subcontractant is betrokken aan wie tussen 15 % en 35 % van de waarde van de opdracht is toegewezen en die niet is gevestigd in of zijn uitvoerende bestuursstructuren niet heeft in de Unie, een geassocieerd land of, in voorkomend geval, Oekraïne, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne.
(25)
In bepaalde omstandigheden moet kunnen worden afgeweken van het beginsel dat juridische entiteiten die betrokken zijn bij een door het programma gesteunde actie, gebruikmaken van infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen op het grondgebied van een lidstaat of een geassocieerd land en niet onder zeggenschap van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land staan. In die context moet een in de Unie of in een geassocieerd land gevestigde juridische entiteit die gebruikmaakt van infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen die zich buiten het grondgebied van een lidstaat of van een geassocieerd land bevinden, of die onder zeggenschap staat van een niet-geassocieerd derde land of van een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, als ontvanger kunnen deelnemen mits wordt voldaan aan strikte voorwaarden met betrekking tot de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, waaronder het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, zoals vastgelegd in het kader van het GBVB op grond van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), mede wat betreft versterking van de Europese EDTIB. Er moeten vergelijkbare afwijkingen worden vastgesteld voor acties die worden ondersteund in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne, om het gebruik mogelijk te maken van infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen die zich buiten het grondgebied van een lidstaat of Oekraïne bevinden, en voor de deelname van juridische entiteiten die in de Unie zijn gevestigd en onder zeggenschap staan van een ander derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land.
(26)
In de Unie of in een geassocieerd land gevestigde juridische entiteiten die onder zeggenschap staan van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, moeten in aanmerking komen als ontvanger indien garanties die zijn goedgekeurd overeenkomstig de nationale procedures van de lidstaat of het geassocieerde land waarin ze zijn gevestigd, ter beschikking van de Commissie zijn gesteld en zijn beoordeeld voordat een besluit tot toekenning van financiering van de Unie wordt genomen. Dergelijke garanties mogen alleen worden verleend indien strikte voorwaarden met betrekking tot de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, zoals vastgesteld in het kader van het GBVB uit hoofde van titel V van het VEU, worden nageleefd en gedurende de hele actie worden gehandhaafd. De Commissie moet de lidstaten die bijeenkomen als een comité, in kennis stellen van de juridische entiteiten die na een dergelijke beoordeling in aanmerking komen. Om te zorgen voor transparantie bij het toezicht op de voortdurende naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, moet informatie met betrekking tot een latere beoordeling van de subsidiabiliteit, onder meer als gevolg van een gemelde eigendomsoverdracht in de loop van de uitvoering, eveneens worden gerapporteerd aan de lidstaten die bijeenkomen als een comité. De deelname van entiteiten die onder zeggenschap staan van een niet-geassocieerd land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, mag niet in strijd zijn met de doelstellingen van deze verordening. Voor de toepassing van het instrument voor steun aan Oekraïne moeten dergelijke subsidiabiliteitsregels gelden voor juridische entiteiten die in de Unie zijn gevestigd en onder zeggenschap staan van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land.
(27)
Om het concurrentievermogen van de EDTIB te vergroten, het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB te bevorderen en de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten van die technologische en industriële defensiebasissen te waarborgen, moeten minimumeisen worden vastgesteld ten aanzien van de in de Unie en geassocieerde landen of, in voorkomend geval, Oekraïne gegenereerde waarde. Dit zal de efficiëntie van de steun van de Unie in het kader van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne vergroten. Daarom mogen voor acties die worden ondersteund met financiering van de Unie uit hoofde van het programma of het instrument voor steun aan Oekraïne, de kosten van de componenten die afkomstig zijn van buiten de Unie en de geassocieerde landen of, in voorkomend geval, Oekraïne niet meer bedragen dan 35 % van de geraamde kosten van de componenten van het eindproduct of van het product waarvoor de productiecapaciteit wordt verhoogd met behulp van Uniefinanciering. De in het kader van deze verordening nagestreefde doelstellingen zullen des te doeltreffender worden verwezenlijkt indien de kosten van die componenten lager zijn dan die drempel van 35 %. Ontvangers van Uniefinanciering worden verzocht om bij nieuwe producten te streven naar een geleidelijke verlaging van dat percentage. Grondstoffen worden niet als componenten beschouwd.
(28)
Aangezien het nodig is de operationele capaciteit van de strijdkrachten van de lidstaten te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij de defensieproducten die onder een in het kader van het programma uitgevoerde actie vallen zonder door derde landen opgelegde beperkingen kunnen gebruiken, moeten aanvullende eisen worden vastgesteld met betrekking tot het vermogen om te beslissen over de definitie, aanpassing en ontwikkeling van het ontwerp van dergelijke defensieproducten. Daarom mogen ontvangers van Uniefinanciering of, in voorkomend geval, de contractant of het consortium van contractanten niet worden onderworpen aan wettelijke of contractuele beperkingen door niet-geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen die van invloed zijn op hun vermogen om te beslissen over de definitie, aanpassing en ontwikkeling van het ontwerp van het defensieproduct, met inbegrip van de vervanging of verwijdering van de componenten die onderworpen zijn aan beperkingen die zijn opgelegd door niet-geassocieerde derde landen of door entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen. In het licht van de huidige geopolitieke situatie moet bij wijze van uitzondering en tijdelijk worden voorzien in een specifieke en gerichte afwijking van die eis voor het opvoeren van de industriële capaciteit voor de productie van munitie en raketten. Een dergelijke afwijking moet erin bestaan de ontvangers van Uniefinanciering of de bevoegde overheidsinstanties van de betrokken lidstaten toe te staan de Commissie een juridisch bindende toezegging van het betrokken niet-geassocieerde derde land of de betrokken entiteit uit een niet-geassocieerd derde land te verstrekken dat de ontvangers dat vermogen om te beslissen zullen verkrijgen. De ontvangers moeten alle maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat die toezegging wordt nagekomen. Indien de ontvangers ondanks hun inspanningen niet in staat zijn dergelijk vermogen om te beslissen te verkrijgen, zullen corrigerende maatregelen worden genomen overeenkomstig het Financieel Reglement, en met name artikel 132.
(29)
Opdat bij de uitvoering van deze verordening de internationale verplichtingen van de Unie en haar lidstaten worden geëerbiedigd, mogen acties in verband met producten of technologieën waarvan het gebruik, de ontwikkeling of de productie krachtens toepasselijk internationaal recht verboden is, niet in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van het programma of het instrument voor steun aan Oekraïne.
(30)
Het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne moeten overeenkomstig het Financieel Reglement financiële steun verlenen aan acties die bijdragen tot de versterking van het concurrentievermogen, het reactievermogen en het vermogen van de EDTIB of het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB om de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten te waarborgen, zoals samenwerking van juridische entiteiten bij de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten en acties die gericht zijn op het versnellen van de aanpassing van defensieproducten, componenten en bijbehorende grondstoffen aan structurele veranderingen in de productiecapaciteit. Dit kan onder meer bestaan uit industriële coördinatie op het gebied van het reserveren van defensieproducten, toegang tot financiering voor ondernemingen die betrokken zijn bij de productie van defensieproducten, het reserveren van productiecapaciteit (“voortdurend beschikbare faciliteiten”) of industriële processen voor het opnieuw inzetbaar maken van verlopen producten, uitbreiding, optimalisering, modernisering, opwaardering of herbestemming van bestaande productiecapaciteit of de totstandbrenging van nieuwe productiecapaciteit op dat gebied. Voorts kan de financiering een aantal aanvullende ondersteunende acties dekken, in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening, zoals de opleiding, omscholing of bijscholing van personeel.
(31)
Gelet op de huidige geopolitieke context, en met name de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, vereist de bescherming van de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie de vaststelling van specifieke maatregelen voor de aankoop van defensieproducten, die gericht zijn op het bevorderen van het concurrentievermogen van de EDTIB en het waarborgen van de tijdige beschikbaarheid en levering, in de hele Unie, van defensieproducten die bij de EDTIB worden aangekocht. Om de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie te beschermen, moeten ook Oekraïne en de landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte bij deze maatregelen worden betrokken, niet alleen vanwege hun geografische positie en het feit dat Oekraïne rechtstreeks wordt geconfronteerd met de aanhoudende aanvalsoorlog van Rusland, maar ook vanwege hun nauwe partnerschap met de Unie op het gebied van overheidsopdrachten, zoals met name blijkt uit de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (19), alsook uit de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
(32)
Aangezien het belangrijk is eventuele marktverstoringen te beperken, moet de Commissie in staat zijn om winsten uit succesvolle door de Uniebegroting gesteunde acties ter versterking van de industrie in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel terug te vorderen. In afwijking van artikel 195, lid 2, van het Financieel Reglement moet bij het invorderen van deze winsten ten volle rekening worden gehouden met alle gegenereerde inkomsten, met inbegrip van inkomsten uit steun van de lidstaten, Oekraïne en derden aan de actie, naast de steun van de Unie zelf. De ingevorderde winsten moeten opnieuw worden gebruikt om de doelstellingen van deze verordening te helpen verwezenlijken.
(33)
De defensiesector werkt niet volgens de conventionele regels en bedrijfsmodellen die van toepassing zijn op meer traditionele markten. De vraag komt bijna uitsluitend van staten, die ook zeggenschap hebben over alle aankopen van defensiegerelateerde producten en technologieën, met inbegrip van de uitvoer. De sector doet daarom geen aanzienlijke investeringen op eigen initiatief, behalve als respons op vaste bestellingen. Bovendien wordt de EDTIB geconfronteerd met hardnekkige belemmeringen bij de toegang tot financiering, met inbegrip van medefinanciering, en met name particuliere financiering voor investeringen, als gevolg van de risico’s die marktdeelnemers met dergelijke investeringen associëren. Het aantrekken van overheidsinvesteringen voor de defensiesector van de Unie is van vitaal belang gelet op de dringende noodzaak om investeringen in die sector te stimuleren. Dit geldt met name voor ondersteunende acties die de EDTIB in bredere zin ten goede komen, bijvoorbeeld door andere in deze verordening vastgelegde acties mogelijk te maken en te faciliteren, waardoor zij fungeren als multiplicator met mogelijk een groot hefboomeffect. Aangezien de ondersteunende acties anders niet zouden worden ondernomen, lijkt het gerechtvaardigd, in afwijking van artikel 193, lid 1, van het Financieel Reglement, dat de financiële steun van de Unie in het kader van het programma tot 100 % van de subsidiabele kosten voor de ondersteunende acties dekt.
(34)
Aangezien de verschillende soorten acties complementair en noodzakelijk zijn om de complexiteit van de samenwerking te compenseren en de risico’s van industriële investeringen te verminderen via financiële steun van de Unie, waardoor de defensie-industrie sneller kan worden aangepast aan de huidige structurele veranderingen op de markt, lijkt het gerechtvaardigd dat een aanzienlijk deel van ten minste 15 % van de aan het programma toegewezen financiële middelen wordt bestemd voor acties in het kader van gemeenschappelijke aanbestedingsacties en dat ten minste 30 % van die middelen wordt bestemd voor acties ter versterking van de industrie. De steun van de Unie voor acties ter versterking van de industrie moet tot 35 % van de subsidiabele kosten dekken om ontvangers in staat te stellen acties zo snel mogelijk uit te voeren, het risico van hun investeringen te verminderen en aldus te zorgen voor een snellere beschikbaarheid van de relevante defensieproducten.
(35)
Voor acties in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne, moet steun van de Unie voor versterking van de industrie en ondersteunende activiteiten waarbij in Oekraïne gevestigde juridische entiteiten betrokken zijn, tot 100 % van de subsidiabele kosten kunnen dekken om rekening te houden met de toegenomen complexiteit en de context van de Oekraïense defensie-industrie, onder meer de nood om te voldoen aan de NAVO-normen en andere toepasselijke normen, alsook met de toegenomen risico’s in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, gelet op de noodzaak om de industriële capaciteit op veerkrachtige wijze te herstellen en te moderniseren.
(36)
Gemeenschappelijke aanbestedingsacties moeten uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd met subsidies in de vorm van financiering die niet gekoppeld is aan kosten en die gebaseerd is op de resultaten ten opzichte van de werkpakketten, mijlpalen of streefdoelen van het gemeenschappelijke aanbestedingsproces, teneinde het nodige stimulerende effect te creëren.
(37)
De financiële bijdrage van de Unie in het kader van het programma voor gemeenschappelijke aanbestedingsacties, die is bedoeld als stimulans voor samenwerking, mag niet meer bedragen dan 15 % van de geschatte waarde van de gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst. Gelet op de toegenomen complexiteit die gepaard gaat met gemeenschappelijke aanbestedingen met Oekraïne, mag de financiële bijdrage van de Unie uit het instrument voor steun aan Oekraïne niet meer bedragen dan 25 % van de geschatte waarde van de gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst.
(38)
Indien aan specifieke voorwaarden in verband met de doelstellingen van het programma wordt voldaan, moet het plafond voor de financiële bijdrage van de Unie voor gemeenschappelijke aanbestedingsacties, ter compensatie van specifieke complexiteiten met betrekking tot nauwere grensoverschrijdende samenwerking binnen de Unie en samenwerking in de context van een structuur voor een Europees bewapeningsprogramma (Structure for European Armament Programme – SEAP), worden verhoogd tot 25 % van de geschatte waarde van de gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst. Er moet ook rekening worden gehouden met de noodzaak om strategische afhankelijkheden geleidelijk te verminderen, hetgeen een hoger financieringspercentage rechtvaardigt wanneer de actie de gemeenschappelijke aanbesteding van beperkingsvrije eindproducten ondersteunt. Gezien de bijzondere veiligheidssituatie van Oekraïne en Moldavië als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, is het voorts passend te voorzien in een dergelijk verhoogd financieringspercentage indien de ondersteunde actie leidt tot de gemeenschappelijke aanbesteding van aanvullende hoeveelheden defensieproducten voor die twee landen. Door de geopolitieke context, met inbegrip van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, is het risico op conventionele militaire dreigingen voor de Unie en haar lidstaten zodanig toegenomen dat er meer in defensie moet worden geïnvesteerd. Daarom is het tevens gerechtvaardigd te voorzien in een hoger financieringspercentage, tot 25 %, voor gemeenschappelijke aanbestedingsacties in gevallen waarin de defensie-investeringsuitgaven van de meeste aan de actie deelnemende lidstaten meer dan 30 % van hun respectieve defensie-uitgaven bedragen. Voor acties ter versterking van de industrie moet het mogelijk zijn het plafond te verhogen tot maximaal 50 % van de in aanmerking komende kosten indien de meerderheid van de begunstigden kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) of middelgrote beursgenoteerde ondernemingen (midcaps) zijn die zijn gevestigd in lidstaten of geassocieerde landen of indien de actie wordt uitgevoerd door een SEAP, en indien wordt aangetoond dat de actie een bijdrage levert aan de totstandbrenging van nieuwe grensoverschrijdende samenwerking, bijvoorbeeld door de uitbreiding van het geografische toepassingsgebied van bestaande toeleveringsketens of een aanzienlijke toename van de handel, de samenwerking of het aantal gezamenlijke projecten tussen entiteiten in verschillende lidstaten of de uitbreiding van bestaande grensoverschrijdende netwerken op zodanige wijze dat de algehele capaciteit en veerkracht van de EDTIB worden vergroot, wanneer het gaat om de bouw van nieuwe infrastructuur, faciliteiten of productielijnen, of wanneer de actie bijdraagt tot de oprichting van nieuwe, of de uitbreiding van bestaande, productiecapaciteit van in een crisissituatie relevante producten. Bovendien moet het, wanneer lidstaten specifiek besluiten om financiering aan het programma uitsluitend toe te wijzen ten behoeve van de betrokken lidstaten of daarnaast ten behoeve van andere lidstaten, mogelijk zijn om, in afwijking van artikel 193, lid 1, van het Financieel Reglement, de flexibiliteit te vergroten en een financiële bijdrage van de Unie toe te staan voor acties ter versterking van de industrie die tot 100 % van de subsidiabele kosten dekken. Die mogelijkheid moet ook gelden wanneer bijdragen van de lidstaten die door de herstel- en veerkrachtfaciliteit worden ondersteund, worden gebruikt voor de financiering van dergelijke acties. Dit zal de impact en de doeltreffendheid van de actie maximaliseren.
(39)
Overeenkomstig artikel 196, lid 2, van het Financieel Reglement kan subsidiëring van reeds begonnen acties slechts worden toegestaan indien de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was met de actie te beginnen vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst. Kosten die vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gemaakt, zijn echter niet subsidiabel, behalve in de in artikel 196, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement bedoelde gevallen. Om de continuïteit van de financieringsperspectieven te waarborgen voor acties die met financiering voor 2024 in het kader van Verordening (EU) 2023/1525 of Verordening (EU) 2023/2418 hadden kunnen worden ondersteund, moet in het financieringsbesluit kunnen worden voorzien, in afwijking van artikel 196, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement, in financiële bijdragen uit hoofde van het programma voor acties met betrekking tot een periode die aanvangt op 5 maart 2024 en die niet zijn voltooid vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst. Gelet op de verbanden tussen het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne en de noodzaak om de wederopbouw, het herstel en de modernisering van de Oekraïense DTIB dringend te ondersteunen, rekening houdend met de mogelijke toekomstige integratie ervan in de EDTIB, moet dezelfde afwijking gelden voor financiële bijdragen in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne. Dezelfde kosten mogen in geen geval tweemaal uit de Uniebegroting worden gefinancierd.
(40)
Bij de beoordeling van door aanvragers ingediende voorstellen moet de Commissie bijzondere aandacht besteden aan de bijdrage van die voorstellen tot de doelstellingen van deze verordening. De voorstellen moeten met name worden beoordeeld in het licht van hun bijdrage tot de verbetering van de gereedheid en veerkracht van de defensie-industrie en hun bijdrage tot grensoverschrijdende industriële samenwerking op defensiegebied tussen de lidstaten, geassocieerde landen en Oekraïne.
(41)
De ontwikkeling van productiecapaciteit op defensiegebied in de hele Unie, rekening houdend met de risico’s in verband met de toegenomen verslechtering van de veiligheidscontext van de Unie, is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat alle lidstaten bijdragen aan en profiteren van een robuuste EDTIB. Wat betreft acties ter versterking van de industrie moet bijzondere aandacht worden besteed aan de bijdrage van de betrokken actie aan de veerkracht van de industrie, en met name aan het waarborgen van de beschikbaarheid en voorzieningszekerheid van defensieproducten in de hele Unie als reactie op de vastgestelde risico’s, zoals een hoge blootstelling aan het risico dat conventionele militaire dreigingen zich daadwerkelijk voordoen.
(42)
Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (20) en de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (21), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (22) en (EU) 2017/1939 (23) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, onder meer maatregelen met betrekking tot preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, met betrekking tot terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen en, waar passend, met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties. Met name heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig de Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid om administratief onderzoek, waaronder controles en verificaties ter plaatse, te verrichten om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden. Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd tot het onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (24). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Europese Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
(43)
In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen om de geassocieerde landen die deelnemen aan het programma ertoe te verplichten de bevoegde ordonnateur, OLAF en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang te verlenen zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
(44)
Krachtens artikel 85 van Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad (25) komen in landen en gebieden overzee gevestigde natuurlijke personen en instanties en organisaties in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het betrokken land of gebied overzee banden heeft.
(45)
De Unie moet de Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang (EDPGB’s) aanwijzen waarop de inspanningen en middelen moeten worden gericht, en het moet daarbij gaan om gezamenlijke industriële projecten die erop gericht zijn het concurrentievermogen van de EDTIB in de hele Unie te versterken en tegelijkertijd bij te dragen tot de ontwikkeling van de militaire vermogens van de lidstaten die van cruciaal belang zijn voor de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie, waaronder die welke toegang bieden tot alle operationele domeinen. Aangezien het besluit om een EDPGB aan te wijzen gevoelig ligt vanwege de mogelijke gevolgen ervan voor de nationale veiligheidsbelangen en aangezien het belangrijk is te waarborgen dat dergelijke projecten bijdragen aan de defensiegereedheid van alle lidstaten, moet aan de Raad de bevoegdheid worden toegekend om op voorstel van de Commissie uitvoeringshandelingen tot aanwijzing van EDPGB’s vast te stellen. Alvorens dergelijke uitvoeringshandelingen voor te stellen, moet de Commissie rekening houden met de standpunten van alle lidstaten en met hun projectvoorstellen voor mogelijke EDPGB’s. Bij het opstellen van dergelijke projectvoorstellen moeten de lidstaten zorgen voor een inclusieve coördinatie en daartoe waar nodig gebruikmaken van de steun van het EDA. In dat verband kunnen de lidstaten vermogens voor tweeërlei gebruik van gemeenschappelijk belang aanwijzen. Voor zover die projectvoorstellen EDPGB’s worden, kunnen de door de lidstaten aangewezen vermogens voor tweeërlei gebruik worden ontwikkeld voor de Unie en haar instellingen, organen en instanties in het kader van de betrokken EDPGB’s. Niet alleen moeten de EDPGB’s aansluiten bij de vermogensprioriteiten die zijn aangewezen in het kader van het GBVB, onder meer in het vermogensontwikkelingsplan (Capability Development Plan – CDP), bij de doelstellingen van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie en bij de samenwerkingsmogelijkheden die in kaart zijn gebracht in het kader van de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie van defensie (Coordinated Annual Review on Defence – CARD), maar moet er in de EDPGB's ook rekening worden gehouden met de in het kader van de PESCO overeengekomen projecten, de initiatieven van het EDA en de desbetreffende NAVO-activiteiten, zoals het NAVO-defensieplanningsproces. Alvorens een voorstel voor een uitvoeringshandeling in te dienen, moet de Commissie de hoge vertegenwoordiger en het EDA zo nodig verzoeken om input te leveren teneinde de samenhang met die prioriteiten en doelstellingen te waarborgen. Die input vormt een aanvulling op de door de lidstaten verstrekte informatie over projectvoorstellen. De Raad moet projecten kunnen toevoegen aan, of schrappen in, het voorstel van de Commissie voor een uitvoeringshandeling, of daarin andere wijzigingen kunnen aanbrengen. De Raad moet bij de beoordeling van een voorstel voor een uitvoeringshandeling rekening houden met de maturiteit van het project, de voorziene bijdrage ervan aan de defensiegereedheid, en het aantal deelnemende lidstaten.
(46)
In de context van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne hebben Oekraïne en de Oekraïense DTIB specifieke deskundigheid op het gebied van industriële defensieprojecten ontwikkeld, onder meer in samenwerking met de lidstaten en de EDTIB. Die deskundigheid kan van cruciaal belang zijn voor EDPGB’s en kan de uitwerking ervan vergemakkelijken en zo bijdragen aan de versterking van het concurrentievermogen van de EDTIB en aan de ontwikkeling van de militaire vermogens van de lidstaten die van cruciaal belang zijn voor de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie. Daarom is het passend om in dergelijke gevallen de deelname van Oekraïne aan EDPGB’s toe te staan. De Commissie moet nagaan of alle lidstaten, geassocieerde landen en Oekraïne op de hoogte zijn gebracht van de totstandkoming van een project en in de gelegenheid zijn gesteld om daaraan deel te nemen. Aangezien de Commissie mogelijk beschikt over passende deskundigheid om de uitvoering van EDPGB’s ten behoeve van het concurrentievermogen van de EDTIB in de hele Unie te ondersteunen, is het passend toe te staan dat zij op verzoek van de deelnemende lidstaten deelneemt aan EDPGB’s om die deskundigheid te delen.
(47)
Gezien de mogelijk aanzienlijke gevolgen van de EDPGB’s voor het concurrentievermogen en de industriële gereedheid van de EDTIB, moet het programma de consortia van deelnemende lidstaten en geassocieerde landen ondersteunen bij de uitrol ervan. Die financiële steun uit het programma moet worden beperkt tot activiteiten van die consortia in verband met de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten, de versnelde aanpassing aan structurele veranderingen in de productiecapaciteit voor defensieproducten en daarmee verband houdende ondersteunende activiteiten, de industriële ontwikkeling van nieuwe defensieproducten of de modernisering van bestaande defensieproducten, en de ontwikkeling en aanbesteding van de nodige infrastructuur. Gezien de bijzondere omvang van die projecten, die een ongekende mate van samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten en de industrie vereist, en rekening houdend met de financiële risico’s voor de deelnemende lidstaten en geassocieerde landen, moet de financiering van de Unie, in afwijking van artikel 193, lid 1, van het Financieel Reglement, tot 100 % van de subsidiabele kosten kunnen dekken. Dat mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om bepaalde EDPGB-activiteiten financieel te ondersteunen in het kader van andere acties, mits die activiteiten voldoen aan de voorwaarden voor die acties en, in overeenstemming met het Financieel Reglement, niet zijn gefinancierd uit hoofde van andere programma’s van de Unie. De deelnemende lidstaten moeten ervoor zorgen dat de EDPGB-activiteiten in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het programma, ook wanneer de Unie geen financiële steun verleent. Om het toezicht op de verwezenlijking van die doelstellingen te vergemakkelijken, moeten de lidstaten die aan een EDPGB deelnemen, de Commissie jaarlijks een gezamenlijk verslag over de uitvoering van de EDPGB-activiteiten toezenden. De Raad moet, op voorstel van de Commissie, de uitvoeringshandelingen tot aanwijzing van EDPGB’s kunnen wijzigen, onder meer door EDPGB’s van de lijst te schrappen. De lidstaten die aan een EDPGB deelnemen, kunnen voor de uitvoering ervan een beroep doen op de deskundigheid en de administratieve capaciteit van het EDA of van internationale organisaties zoals de Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensiematerieelgebied (Occar) en het NAVO-agentschap voor ondersteuning en aankoop (NSPA).
(48)
Het vermogen van de EDTIB om de beschikbaarheid van defensieproducten in tijd en volume te waarborgen, is van essentieel belang voor haar concurrentievermogen, met name in tijden van toegenomen veiligheidsspanningen. In dergelijke tijden is het mogelijk dat de EDTIB niet over de nodige productiecapaciteit beschikt om in de dringende behoeften van de lidstaten te voorzien en dat haar producten voor de lidstaten minder zichtbaar zijn dan producten die worden aangeboden door derde landen of entiteiten uit derde landen. Deze verordening moet daarom voorzien in een Europees mechanisme voor militaire verkoop, met inbegrip van maatregelen om defensieproducten van de EDTIB sneller op de markt te brengen door de procedures voor de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten te vergemakkelijken en door gebruik te maken van door een regering aan een andere regering gegunde opdrachten.
(49)
De lidstaten, geassocieerde landen en Oekraïne, of een SEAP, moeten in staat zijn tot aanleg, beheer en onderhoud van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie, die bestaan uit defensieproducten die de lidstaten, de geassocieerde landen en Oekraïne gemakkelijk kunnen aankopen of gebruiken, met het oog op de versterking van het concurrentievermogen van de EDTIB en de wederopbouw, het herstel en de modernisering van de Oekraïense DTIB. Dergelijke pools, bestaande uit voorraden defensieproducten die zijn aangekocht bij de EDTIB of de Oekraïense DTIB, zouden de vraag doen aantrekken en de defensiesector meer voorspelbaarheid bieden. Ze zouden positieve signalen afgeven aan de Unie en de Oekraïense industrie, en hen zo stimuleren defensieproducten te produceren, en te investeren in de versterking van de industriële capaciteit in die sector. Voorts zouden pools voor de gereedheid van de defensie-industrie de voorzieningszekerheid van defensieproducten voor de lidstaten verbeteren door de beschikbaarheid van de producten te verbeteren en de doorlooptijd voor de levering te verkorten, ook in situaties van voorzieningscrisis. Indien dergelijke pools worden aangelegd in het kader van een SEAP, moeten het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne ondersteuning kunnen bieden voor de gemeenschappelijke aanbesteding van aanvullende hoeveelheden defensieproducten door middel van gemeenschappelijke aanbestedingsacties die worden uitgevoerd door de SEAP, alsook voor de oprichting en de werking van de SEAP voor het beheer en het onderhoud van die pools.
(50)
Om de lidstaten bewuster te maken van de beschikbaarheid van producten van de EDTIB en de Oekraïense DTIB, moet het programma steun kunnen verlenen voorde opstelling door de Commissie van één gecentraliseerde en actuele catalogus van door de EDTIB en de Oekraïense DTIB ontwikkelde defensieproducten, op basis van vrijwillige bijdragen van de lidstaten, Oekraïne en marktdeelnemers (Europese catalogus voor militaire verkoop). Daartoe moeten de in de catalogus opgenomen producten zijn vervaardigd door marktdeelnemers die gevestigd zijn in de Unie, een geassocieerd land of Oekraïne en daar hun uitvoerende bestuursstructuren hebben, en moeten de infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen die voor de productie van die producten worden gebruikt, zich in de Unie, een geassocieerd land of Oekraïne bevinden. Bij het opstellen van die catalogus moet de Commissie het EDA raadplegen en rekening houden met zijn deskundigheid.
(51)
Voortbouwend op onder meer de opgedane ervaring met de eigenvermogensfaciliteit voor defensie, die in de context van het Europees Defensiefonds is ingericht als een blendingverrichting in het kader van InvestEU, moet de Commissie ernaar streven als onderdeel van het programma een specifieke faciliteit op te zetten met de naam “fonds voor het versnellen van de transformatie van defensietoeleveringsketens” (Fund Accelerating Defence Supply Chains Transformation – FAST). Het FAST moet in indirect beheer worden uitgevoerd. Het FAST zal, als blendingverrichting die steun verleent in de vorm van vreemd of eigen vermogen, de investeringen aantrekken die nodig zijn om de productiecapaciteit op defensiegebied van de op het grondgebied van de Unie gevestigde kmo’s en kleine middelgrote beursgenoteerde ondernemingen (kleine midcaps) te vergroten, en zal de risico’s van die investeringen verminderen en de snelheid ervan opvoeren. Aangezien de aanvraag voor steun in de vorm van vreemd vermogen in het kader van het FAST informatie kan bevatten over de infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen die door de kmo of de kleine midcap worden gebruikt voor de industrialisering of productie van defensieproducten, is het passend dergelijke steun te onderwerpen aan regels die vereisen dat die infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen zich op het grondgebied van een lidstaat of een geassocieerd land bevinden, met enkele gerichte uitzonderingen. Het FAST moet in nauwe samenwerking met de uitvoerende partners worden opgezet als een blendingverrichting, onder andere in het kader van het bij Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (26) vastgestelde InvestEU-fonds.
(52)
Het FAST moet in overeenstemming met de mix van vreemd en eigen vermogen een bevredigend multiplicatoreffect tot stand brengen en bijdragen tot het aantrekken van zowel publieke als private financiering. Om de algemene doelstelling van versterking van het concurrentievermogen van de EDTIB te helpen verwezenlijken, moet het FAST in de hele Unie ook steun verlenen aan kmo’s, met inbegrip van start-ups en scale-ups, en kleine midcaps die deel uitmaken van de defensietoeleveringsketens van de Unie of die vergevorderde plannen hebben om daarvan deel te gaan uitmaken, bij de industrialisering of productie van defensieproducten of die vergevorderde plannen daartoe hebben, en die moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot financiering. Het FAST moet ook de investeringen op het gebied van de productie van defensietechnologie en -producten versnellen en aldus de voorzieningszekerheid van de waardeketens van de defensie-industrie van de Unie versterken.
(53)
Om de doelstellingen van het programma en van het instrument voor steun aan Oekraïne te verwezenlijken, moeten er meer en grotere gemeenschappelijke aanbestedingen van defensieproducten van de EDTIB en de Oekraïense DTIB worden uitgeschreven. Overeenkomstig artikel 168, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement kunnen de lidstaten de Commissie verzoeken samen met hen een gezamenlijke aanbesteding uit te schrijven, onder meer via aankoopovereenkomsten of door op te treden als aankoopcentrale. Geassocieerde landen moeten de Commissie kunnen verzoeken om deel te nemen aan gezamenlijke aanbestedingen, zulks in afwijking van artikel 168, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement, aangezien die mogelijkheid niet is vastgelegd in een bilateraal of multilateraal verdrag met die landen. Geassocieerde landen moeten, samen met ten minste één lidstaat, de Commissie ook kunnen verzoeken als aankoopcentrale op te treden, zulks in afwijking van artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement, aangezien het Financieel Reglement niet voorziet in de deelname van derde landen aan dergelijke acties.
Evenzo moet Oekraïne, met het oog op de toepassing van het instrument voor steun aan Oekraïne, aan dergelijke acties kunnen deelnemen. Oekraïne moet, samen met ten minste één lidstaat, de Commissie kunnen verzoeken om deel te nemen aan gezamenlijke aanbestedingen, zulks in afwijking van artikel 168, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement, aangezien die mogelijkheid niet is vastgelegd in een bilateraal of multilateraal verdrag met Oekraïne. Om dezelfde reden moet Oekraïne, samen met ten minste één lidstaat, de Commissie ook kunnen verzoeken op te treden als aankoopcentrale, zulks in afwijking van artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement. Om het bundelen van de vraag in het geval van gezamenlijke aanbestedingen te bevorderen, moet de Commissie ervoor zorgen dat een dergelijke aanbestedingsprocedure openstaat voor alle lidstaten en, in voorkomend geval, geassocieerde landen. Om de industriële opschaling van de productiecapaciteit van de EDTIB en de Oekraïense DTIB te bevorderen, moet de Commissie voorts de sluiting van afnameovereenkomsten faciliteren in overeenstemming met de mededingings- en aanbestedingsregels van de Unie. Voor gezamenlijke aanbestedingen met steun van de Commissie zal het gebruik van de Uniebegroting in overeenstemming zijn met de doelstellingen en de toepasselijke subsidiabiliteitscriteria van het programma of het instrument voor steun aan Oekraïne, en tot doel hebben de aanpassing van de productiecapaciteit van de toeleveringsketens van de defensie-industrie te ondersteunen. De steun uit de Uniebegroting kan met name worden gebruikt ter beperking van de risico’s waarmee industriële investeringen gepaard gaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de uitbreiding van de productiecapaciteit of de aankoop van de nodige gereedschapswerktuigen voor de uitvoering van een opdracht, en moet in elk geval strikt beperkt blijven tot het dekken van de niet-recurrente kosten in verband met de aankoop of het onderhoud van defensieproducten. Het gebruik van de begrotingstoewijzing moet worden opgenomen in de werkprogramma’s van het programma en van het instrument voor steun aan Oekraïne.
(54)
In de onder deze verordening vallende gevallen, kan het, in het licht van de huidige geopolitieke situatie, gerechtvaardigd zijn een opdracht die voortvloeit uit een aanbestedingsprocedure die met steun van de Commissie voor de toepassing van deze verordening is gevolgd, onmiddellijk te gunnen en vóór de ondertekening ervan uit te voeren, met name wanneer de ernst van de omstandigheden en de gevolgen ervan voor de veiligheid van de burgers van de Unie vereisen dat het betrokken defensieproduct onverwijld en daadwerkelijk wordt geleverd. Voor dat specifieke doel en in afwijking van artikel 175, lid 1, van het Financieel Reglement, moet het mogelijk zijn toe te staan dat de uitvoering van de opdracht aanvangt vóór de ondertekening ervan, indien de aanbestedende dienst de noodzaak van een dergelijke maatregel naar behoren documenteert.
(55)
Samenwerkingsprogramma’s op het gebied van bewapening in de Unie staan voor grote uitdagingen, aangezien ze voornamelijk op ad-hocbasis worden opgezet en worden geplaagd door complexiteit, vertragingen en kostenoverschrijdingen. Om die situatie te verhelpen en ervoor te zorgen dat de lidstaten zich tot het einde van de levenscyclus van defensieproducten blijven inzetten, is een meer gestructureerde aanpak op het niveau van de Unie vereist. Daartoe moeten de inspanningen van de lidstaten worden ondersteund door te voorzien in een nieuw rechtskader, te weten de SEAP, teneinde de onderlinge samenwerking te ondersteunen en te versterken. Om de doelstelling van bevordering van het concurrentievermogen van de EDTIB en, in voorkomend geval, de Oekraïense DTIB te verwezenlijken, moet een SEAP toegerust zijn voor de gemeenschappelijke ontwikkeling, de aanbesteding, het levenscyclusbeheer en het dynamisch beschikbaarheidsbeheer van defensieproducten. SEAP’s moeten extra activiteiten kunnen verrichten die nodig zijn voor de verwezenlijking van hun doelstellingen, zoals activiteiten in verband met infrastructuur die rechtstreeks verband houdt met defensieproducten. De in het kader van een SEAP ondernomen acties en de acties die in het kader van het GBVB, en met name in het kader van het CDP, worden uitgevoerd, moeten elkaar wederzijds versterken. Die acties mogen ook niet in strijd zijn met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, noch ingaan tegen het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen.
(56)
In het kader van de SEAP’s moeten de lidstaten kunnen profiteren van gestandaardiseerde procedures die door de Commissie kunnen worden verstrekt voor het opzetten en beheren van samenwerkingsprogramma’s op het gebied van bewapening, onder meer via richtsnoeren voor projectbeheer, aanbestedingen, financieel beheer en verslaglegging. Samenwerking in het kader van een SEAP moet het ook mogelijk maken, onder de voorwaarden van de Richtlijnen 2006/112/EG (27) en (EU) 2020/262 (28) van de Raad, een vrijstelling van btw of accijnzen te verlenen indien de SEAP eigenaar is van de aangekochte uitrusting. Naast de bijdragen uit het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne moeten SEAP’s ook bijdragen uit andere programma’s van de Unie kunnen ontvangen, mits die niet dezelfde kosten dekken. De regels van het betreffende Unieprogramma moeten van toepassing zijn op de overeenkomstige bijdrage aan de betrokken actie.
(57)
Indien hun leden dit met eenparigheid van stemmen wensen, moeten SEAP’s effecten kunnen uitgeven in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar zij hun statutaire zetel hebben, teneinde het langetermijnfinancieringsplan voor bewapeningsprogramma’s en de naleving van het kader voor economische governance te waarborgen. De Unie mag niet aansprakelijk zijn voor de door SEAP’s uitgegeven effecten. Financiële bijdragen van de Unie zouden kunnen leiden tot betere voorwaarden voor financiering van de bewapeningsprogramma’s door de lidstaten.
(58)
Voor de verwezenlijking van haar doelstellingen moet een SEAP door middel van een delegatieovereenkomst een of meer van haar taken kunnen toevertrouwen aan de entiteiten die in aanmerking komen voor financiering in het kader van gemeenschappelijke aanbestedingsacties binnen het programma. Met name internationale organisaties zoals de Occar en de NSPA, alsook het EDA beschikken over middelen, competenties en vaardigheden op het gebied van het beheer van defensiesamenwerking, die een meerwaarde kunnen vormen voor SEAP’s. Als een SEAP de uitvoering van haar taken toevertrouwt aan een andere entiteit, moet zij verantwoordelijk blijven voor de naleving van haar verplichtingen uit hoofde van het Unierecht, en met name deze verordening. Zij moet er daarom voor zorgen dat dergelijke verplichtingen in de delegatieovereenkomst worden opgenomen, en alle passende maatregelen nemen om erop toe te zien dat aan deze verplichtingen wordt voldaan.
(59)
Om een efficiënte procedure voor de oprichting van een SEAP mogelijk te maken, moeten de lidstaten, de geassocieerde landen of Oekraïne, wanneer zij een SEAP willen oprichten, een aanvraag indienen bij de Commissie die moet beoordelen of de voorgestelde statuten van de SEAP in overeenstemming zijn met deze verordening. In die aanvraag moet de lidstaat waar de SEAP naar verwachting haar statutaire zetel zal hebben, verklaren dat hij de SEAP voor de toepassing van de Richtlijnen 2006/112/EG en (EU) 2020/262 vanaf het moment van de oprichting ervan erkent als een internationale instelling of organisatie. De Commissie moet de aanvraag zonder onnodige vertraging beoordelen, idealiter binnen twee maanden na ontvangst van de volledige aanvraag. De Commissie moet daartoe het EDA kunnen verzoeken zijn expertise ter beschikking te stellen.
(60)
Ter wille van de transparantie moeten de uitvoeringshandelingen tot oprichting van SEAP’s, en de kennisgevingen van de besluiten tot ontbinding van een SEAP en van de sluiting ervan, alsmede alle kennisgevingen in het geval dat een SEAP haar schulden niet kan betalen, worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
(61)
Om haar taken zo doeltreffend mogelijk te kunnen uitoefenen, moet een SEAP vanaf de dag waarop de uitvoeringshandeling tot oprichting van de SEAP in werking treedt, rechtspersoonlijkheid hebben en in elke lidstaat over een zo ruim mogelijke rechtsbevoegdheid beschikken. Ook moet een SEAP over een zo ruim mogelijke rechtsbevoegdheid beschikken in geassocieerde landen en Oekraïne, indien die landen of Oekraïne lid zijn van de SEAP. Een SEAP moet haar statutaire zetel hebben op het grondgebied van een lidstaat.
(62)
Lidstaten, geassocieerde landen en Oekraïne kunnen lid van een SEAP zijn. Een SEAP moet ten minste drie leden hebben, waarvan er ten minste twee een lidstaat moeten zijn.
(63)
Met het oog op de implementatie van de SEAP moeten in de statuten ervan nadere regelingen worden vastgelegd op grond waarvan de Commissie moet onderzoeken of een aanvraag in overeenstemming is met de regels van deze verordening. Het is belangrijk dat in de statuten wordt verduidelijkt in welke administratieve capaciteit is voorzien om de naleving te waarborgen van de Unie- en nationale regels die van toepassing zijn op het omgaan met defensieproducten. Onverminderd de bestaande Unie- en nationale regels inzake de uitvoer van defensieproducten moeten de SEAP-leden met eenparigheid van stemmen een aanpak voor dergelijke uitvoer kunnen overeenkomen.
(64)
Er moet enerzijds voor worden gezorgd dat een SEAP over voldoende flexibiliteit beschikt om haar statuten te kunnen wijzigen, en anderzijds dat bepaalde essentiële elementen, met name die welke noodzakelijk waren om de status van SEAP te verkrijgen, door middel van een noodzakelijke controle op het niveau van de Unie behouden blijven. Indien een wijziging betrekking heeft op een essentieel onderdeel van de statuten, kan deze wijziging pas effect sorteren na goedkeuring ervan door de Commissie. Andere wijzigingen moeten ter kennis worden gebracht van de Commissie. Met uitzondering van wijzigingen met betrekking tot een mogelijke aanpak van de uitvoer van defensieproducten, moet de Commissie tegen die wijzigingen bezwaar kunnen aantekenen indien zij van mening is dat die in strijd zijn met deze verordening.
(65)
Een SEAP moet defensieproducten kunnen aankopen voor eigen rekening of in naam of voor rekening van haar leden. Voor die doeleinden moeten SEAP’s worden beschouwd als internationale organisaties in de zin van artikel 12, punt c), van Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad (29). Richtlijn 2009/81/EG mag daarom niet op een dergelijke aanbesteding van toepassing zijn. Indien een SEAP voor rekening van haar leden die een lidstaat of, in voorkomend geval, een geassocieerd land zijn, een aanbesteding uitschrijft, mag Richtlijn 2009/81/EG niet van toepassing zijn in gevallen waarin de aanbestedingsprocedure voldoet aan de doelstellingen van de SEAP om het concurrentievermogen van de EDTIB en, in voorkomend geval, de Oekraïense DTIB te bevorderen. Richtlijn 2009/81/EG mag evenmin van toepassing zijn op de aanbestedingsprocedures die door de lidstaten worden gevolgd bij aanbestedingen voor rekening van of in naam van een SEAP, aangezien dergelijke opdrachten conform de aanbestedingsregels van de SEAP moeten worden gegund. Wanneer lidstaten of, in voorkomend geval, geassocieerde landen defensieproducten aankopen van een SEAP, moet de aankoop worden beschouwd als een door een regering aan een andere regering gegunde opdracht als bedoeld in artikel 13, punt f), van Richtlijn 2009/81/EG. SEAP’s moeten hun eigen aanbestedingsregels vaststellen, in overeenstemming met de beginselen van primair Unierecht die van toepassing zijn op aanbestedingen, met name de beginselen van gelijke behandeling, transparantie, non-discriminatie en evenredigheid, en met de regels van deze verordening. Een SEAP die aanbestedingstaken toevertrouwt aan een of meer entiteiten, moet ervoor zorgen dat de toe te passen aanbestedingsregels in overeenstemming zijn met die beginselen.
(66)
De lidstaten die aan een SEAP deelnemen, moeten ervoor zorgen dat het aanbestedingsbeleid van de SEAP voldoet aan de doelstelling het concurrentievermogen van de EDTIB of de Oekraïense DTIB te bevorderen, ook indien de Unie geen financiële steun verleent. Dat doet geen afbreuk aan de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn indien een SEAP financiering van de Unie ontvangt in het kader van een relevant programma.
(67)
Om haar taken zo efficiënt mogelijk te kunnen uitoefenen moet een SEAP, ook als logisch uitvloeisel van haar rechtspersoonlijkheid, aansprakelijk zijn voor haar schulden. Om de leden van een SEAP in staat te stellen passende oplossingen voor hun aansprakelijkheid te vinden, moet de mogelijkheid worden geboden om in de statuten verschillende aansprakelijkheidsregelingen op te nemen die verder gaan dan de tot de bijdrage van elk lid beperkte aansprakelijkheid.
(68)
Om op adequate wijze te kunnen controleren of deze verordening wordt nageleefd, moet een SEAP de Commissie haar jaarverslag toezenden, alsook alle informatie over omstandigheden die de uitvoering van haar taken ernstig in gevaar dreigen te brengen. Indien de Commissie, door lezing van het jaarverslag of anderszins, over aanwijzingen komt te beschikken dat de SEAP een ernstige inbreuk op deze verordening of andere toepasselijke wettelijke voorschriften pleegt, moet zij de SEAP of haar leden verzoeken om uitleg te verschaffen of maatregelen te nemen. In extreme gevallen moet de Commissie, indien er geen corrigerende maatregelen zijn genomen, de uitvoeringshandeling tot oprichting van de SEAP kunnen intrekken, met de ontbinding van de SEAP tot gevolg. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad een geaggregeerd jaarverslag over de activiteiten van alle actieve SEAP’s verstrekken.
(69)
Tegen de achtergrond van de niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne is voorzieningszekerheid een steeds belangrijkere factor geworden in de beslissingen van de lidstaten voor de aanbesteding van defensieproducten. Als gevolg daarvan is het vermogen van grensoverschrijdende toeleveringsketens van de Unie om een ongestoorde levering van defensieproducten te garanderen, een bepalende factor geworden voor hun concurrentievermogen. De invoering van een regeling voor Uniebrede voorzieningszekerheid kan derhalve positieve gevolgen hebben voor het concurrentievermogen van de EDTIB.
(70)
Na de vaststelling van Verordening (EU) 2023/1525 hebben het Europees Parlement en de Raad in hun gezamenlijke verklaring van 11 juli 2023 de Commissie verzocht te overwegen een rechtskader voor te stellen voor het waarborgen van de voorzieningszekerheid. Die gezamenlijke verklaring sluit aan bij de conclusies van de Europese Raad van december 2013, waarin werd opgeroepen tot een integrale regeling voor Uniebrede voorzieningszekerheid, en bij de aanbeveling van het Europees Parlement van 8 juni 2022, waarin de Commissie werd opgeroepen om onverwijld een dergelijke regeling voor te stellen.
(71)
Recente crises, zoals de COVID-19-pandemie en de sterke toename van de vraag naar bepaalde defensieproducten, met name munitie, hebben aan het licht gebracht dat de toeleveringsketens van de Unie kwetsbaarheden vertonen. Die crises hebben ook aangetoond hoe verstoringen in de levering van die producten, of van componenten of grondstoffen die van cruciaal belang zijn voor de productie ervan, de werking van de interne markt kunnen belemmeren. Die crises hebben het waarschijnlijke risico aan het licht gebracht dat op nationaal niveau uiteenlopende maatregelen worden genomen, onder meer voor het aanhouden van voorraden om redenen van nationale veiligheid en de certificering van defensieproducten, en dat er op het niveau van de Unie onvoldoende coördinatie is om het hoofd te bieden aan tekorten van producten die van cruciaal belang zijn voor de respons op opkomende crises, alsook van componenten en grondstoffen die onmisbaar zijn voor de productie ervan, wat leidt tot moeilijkheden bij de aanvoer of de verwerving van de producten, componenten en grondstoffen die nodig zijn voor de productie van de relevante producten, met het concrete risico dat daardoor hele productieketens worden belemmerd. Het is van cruciaal belang te voorkomen dat er belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel tussen de lidstaten ontstaan als gevolg van verschillen in nationaal recht, aangezien dergelijke belemmeringen het vrije verkeer van kritieke producten en van de bijbehorende componenten en grondstoffen op de interne markt beperken en de werking van de toeleveringsketens verstoren. Die moeilijkheden in de toeleveringsketens hebben ook duidelijk gemaakt dat er een gebrek is aan crisisbeheersingsinstrumenten en coördinatiemechanismen, dat er onvoldoende informatie wordt uitgewisseld en dat een overzicht van de productiecapaciteit in de hele Unie, met name voor defensieproducten, ontoereikend is.
(72)
De voortdurend verslechterende veiligheidscontext, die wordt gekenmerkt door toenemende langetermijndreigingen, de versnelde ontwikkeling van defensietechnologie en -innovatie en de waarschijnlijke stijging van de defensie-uitgaven zullen naar verwachting de vraag naar defensieproducten doen stijgen en toekomstige crises in de levering met betrekking tot dergelijke producten verergeren. Dergelijke toegenomen vraag zal naar verwachting de druk op de toeleveringsketens van de Unie voor defensieproducten zal vergroten en, indien er geen kader op het niveau van de Unie wordt vastgesteld, ertoe zal leiden dat er (opnieuw) uiteenlopende nationale maatregelen worden genomen om tekorten aan te pakken, waardoor de goede werking van de interne markt wordt belemmerd en de defensie- en veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten worden ondermijnd.
(73)
Bovendien kan de snel veranderende veiligheidsomgeving bijdragen tot andere crises in uiteenlopende vormen, zoals cyberaanvallen op de defensie-industrie of grootschalige verstoringen van kritieke infrastructuur, die een snelle en doortastende gecoördineerde respons vereisen om ernstige verstoringen van de bijbehorende defensietoeleveringsketens te voorkomen. In afwachting van de toegenomen vraag naar defensieproducten en een verhoogde druk op de toeleveringsketens ervan, is de betrouwbare werking van die toeleveringsketens derhalve van essentieel belang om de goede werking van de interne markt voor defensieproducten te waarborgen.
(74)
Zoals blijkt uit de lessen die zijn getrokken uit de werkzaamheden van de taskforce voor gezamenlijke aanbestedingen op defensiegebied voor de coördinatie van de behoeften aan aanbestedingen op defensiegebied op zeer korte termijn, en uit de uitvoering van Verordening (EU) 2023/1525, hebben de defensietoeleveringsketens van de Unie vaak een grensoverschrijdende dimensie, met name op lagere niveaus. Het is van essentieel belang te voorkomen dat de toenemende complexiteit van Uniebrede toeleveringsketens voor defensieproducten leidt tot een gebrekkige zichtbaarheid van de algehele productiecapaciteit en toeleveringsketens van de EDTIB en tot het onvermogen van de lidstaten om weloverwogen beslissingen te nemen, met name om tekorten aan te pakken of het risico daarop te beperken.
(75)
Er bestaat een concreet risico dat de op nationaal niveau vastgestelde maatregelen voor voorzieningszekerheid niet volstaan om uitdagingen in de toekomst doeltreffend aan te pakken, en dat de lidstaten de grensoverschrijdende gevolgen voor de defensietoeleveringsketens in de hele Unie niet voldoende in aanmerking kunnen nemen of op passende wijze kunnen aanpakken. Daarnaast kunnen ongecoördineerde benaderingen op nationaal niveau, met name met betrekking tot certificering en de overdracht van defensieproducten binnen de EU en de prioritering van bestellingen met een militair doeleinde, ernstige negatieve gevolgen hebben voor de werking van de interne markt voor defensieproducten, met name door de grensoverschrijdende handel te belemmeren, en kunnen ze de algemene tekorten en verstoringen in de toeleveringsketens verergeren.
(76)
In het licht van die uitdagingen lijkt het noodzakelijk en passend een regeling voor Uniebrede voorzieningszekerheid op te richten die erop gericht is de voorzieningszekerheid van defensieproducten te vergroten, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen en deze schokbestendig te maken. In dat verband is het van essentieel belang te voorzien in coördinatiemaatregelen en zich voor te bereiden en te reageren op de gevolgen van toekomstige voorzieningscrises voor de interne markt voor defensieproducten; de voorzieningszekerheid te waarborgen van defensieproducten, componenten en grondstoffen daarvan, en van alle producten en diensten die van cruciaal belang zijn voor de productie daarvan, waarvan de beschikbaarheid onontbeerlijk is met het oog op de goede werking van de interne markt en de toeleveringsketens ervan en die moet worden gewaarborgd om te kunnen reageren op een voorzieningscrisis (“crisisrelevante producten”); en de goede werking van de interne markt voor defensieproducten te waarborgen, onder meer door te voorkomen dat er belemmeringen voor die markt ontstaan. Die maatregelen moeten gebaseerd zijn op artikel 114 VWEU.
(77)
Richtlijn 2009/81/EG heeft onder meer betrekking op de vaststelling, als voorwaarde voor de totstandbrenging van een Europese markt voor defensiematerieel, van een passend wetgevingskader betreffende de coördinatie van de aanbestedingsprocedures voor het plaatsen van opdrachten om te voldoen aan de veiligheidseisen van de lidstaten en aan de verplichtingen die voortvloeien uit het VWEU. Om dat doel te bereiken, voorziet Richtlijn 2009/81/EG met name in het aanpakken van crisissituaties, meer bepaald door te voorzien in specifieke bepalingen voor dringende gevallen als gevolg van een crisis, zoals bepalingen over het verkorten van termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen en over de mogelijkheid om gebruik te maken van de procedure van gunning door onderhandelingen, zonder voorafgaande oproep tot mededinging. In bepaalde dringende gevallen kunnen die regels echter ontoereikend zijn, met name wanneer de urgentie die het gevolg is van de crisis, alleen kan worden aangepakt door twee of meer lidstaten te laten deelnemen aan een gemeenschappelijke aanbesteding. In dergelijke gevallen kunnen de veiligheidsbelangen van die lidstaten vaak alleen worden gewaarborgd door een bestaande raamovereenkomst open te stellen voor aanbestedende diensten van lidstaten die er oorspronkelijk geen partij bij waren, ook al was in de oorspronkelijke raamovereenkomst niet in die mogelijkheid voorzien. Aangezien Richtlijn 2009/81/EG ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening niet in die mogelijkheden voorziet, biedt deze verordening de mogelijkheid om in dringende gevallen als gevolg van een crisis de bepaling van die richtlijn aan te vullen of ervan af te wijken, mits de onderneming die de raamovereenkomst heeft gesloten, daarmee akkoord gaat.
(78)
Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten wijzigingen van een overheidsopdracht strikt beperkt blijven tot hetgeen in de gegeven omstandigheden absoluut noodzakelijk is, waarbij de beginselen van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid zoveel mogelijk in acht worden genomen. In dat verband moet van Richtlijn 2009/81/EG kunnen worden afgeweken door de bij de raamovereenkomst vastgestelde hoeveelheden met maximaal 100 % van de waarde van die raamovereenkomst te verhogen wanneer deze wordt opengesteld voor aanbestedende diensten van andere lidstaten, voor zover een dergelijke verhoging strikt noodzakelijk is voor de openstelling van de raamovereenkomst voor die aanbestedende diensten. Wat die extra hoeveelheden betreft, moeten voor die aanbestedende diensten dezelfde voorwaarden gelden als voor de oorspronkelijke aanbestedende dienst die de oorspronkelijke raamovereenkomst heeft gesloten. Daarnaast moeten er passende transparantiemaatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat alle potentieel geïnteresseerde partijen op de hoogte worden gebracht.
(79)
De afgelopen jaren hebben de lidstaten steeds meer samengewerkt op defensiegebied, met name om hun militaire vermogens op elkaar af te stemmen. Unieprocedures zoals de CARD en PESCO, hebben met name tot doel de uitvoering van relevante prioriteiten te ondersteunen door kansen voor versterkte samenwerking op defensiegebied in kaart te brengen en te benutten, teneinde het ambitieniveau van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie te realiseren. De voortdurende verslechtering van de geopolitieke situatie en de extreme volatiliteit van de internationale omgeving maken operationele samenwerking nog noodzakelijker. Voor een doeltreffende samenwerking op defensiegebied kan het noodzakelijk zijn dat de strijdkrachten van samenwerkende lidstaten gebruikmaken van precies hetzelfde defensieproduct of althans van producten die zo aan elkaar verwant zijn dat zij onderling inwisselbaar zijn. In dergelijke gevallen moet het een lidstaat die deelneemt aan de oprichting van of zich aansluit bij een dergelijk samenwerkingsinitiatief dat verder gaat dan enkel de coöperatieve aanbesteding van defensieproducten, worden toegestaan af te wijken van de beginselen van transparantie en mededinging en een opdracht zonder voorafgaande mededinging of voorafgaande oproep tot mededinging rechtstreeks te gunnen aan de onderneming van de EDTIB die dat product produceert, mits een en ander noodzakelijk is voor die samenwerking op defensiegebied.
(80)
Gezien de veiligheidscontext en de bestaande en voorzienbare spanningen en knelpunten in de interne markt voor defensieproducten en de toeleveringsketens daarvan, met name als gevolg van de discrepantie tussen de beperkte productiecapaciteit in de Unie en de toename van de vraag sinds het begin van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, moet worden voorzien in een reeks maatregelen die de Unie in staat stellen te anticiperen op, zich voor te bereiden op en het risico te beperken van ernstige verstoringen in de levering van defensieproducten die aanleiding zouden geven of waarschijnlijk aanleiding zouden geven tot het nemen van uiteenlopende nationale maatregelen, met ernstige negatieve gevolgen voor de goede werking van de interne markt.
(81)
Het vermogen van de Unie om te anticiperen op en het hoofd te bieden aan crises in de levering van defensieproducten die gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, hangt af van de kennis en de monitoring, op Unieniveau, van de structuur en de sterke en zwakke punten van de toeleveringsketens van die producten in de Unie. In het licht van de complexiteit van de defensietoeleveringsketens en van de bestaande spanningen en het risico op tekorten in deze toeleveringsketens, moet worden voorzien in instrumenten voor een continue gecoördineerde aanpak van de inventarisatie en monitoring van de toeleveringsketens van de Unie voor crisisrelevante producten. De resultaten van dergelijke inventarisatie zullen ook relevante informatie verschaffen voor de ontwikkeling van maatregelen van de Unie ter versterking van het concurrentievermogen van de EDTIB en voor de beoordeling van de positie van de Unie in de mondiale defensietoeleveringsketens. De inventarisatie en monitoring moeten in dat verband gericht zijn op producten waarvan ernstige verstoringen, of een dreigend risico op dergelijke verstoringen, zouden leiden of waarschijnlijk zouden leiden tot uiteenlopende nationale maatregelen, met ernstige negatieve gevolgen voor de goede werking van de interne markt, waaronder met name belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel.
(82)
Met het oog op de inventarisatie moet de Commissie crisisrelevante producten in kaart brengen en de lijst daarvan regelmatig actualiseren, met bijzondere aandacht voor mogelijke verstoringen of knelpunten die van invloed zijn op de voorzieningszekerheid van die producten. De Commissie moet die producten in kaart brengen op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens die voortvloeien uit een inventarisatie van de relevante productiecapaciteit en toeleveringsketens. Om ervoor te zorgen dat de geaggregeerde gegevens volledig zijn, moet de Commissie die gegevens controleren aan de hand van de beschikbare gegevens en, indien nodig, gegevens die zijn verkregen via vrijwillige informatieverzoeken aan ondernemingen.
(83)
De Commissie moet voorzien in een kader en een methode voor het inventariseren van crisisrelevante producten. Met het oog op een efficiënte inventarisatie moeten dat kader en die methode zodanig worden vastgelegd dat onnodige administratieve lasten voor de lidstaten worden vermeden. Daarom moeten ze voortbouwen op bestaande nationale kaders en methoden die de lidstaten met de Commissie zouden delen. Dat kader en die methode moeten in de eerste plaats gericht zijn op bestaande knelpunten in defensietoeleveringsketens en leiden tot een inventarisatie van de productiecapaciteit en de toeleveringsketens daarvoor.
(84)
In het kader van de inventarisatie moet de Commissie ook een lijst van indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing opstellen en uitwerken voor het in kaart brengen van factoren die de levering van dergelijke producten kunnen verstoren, in gevaar kunnen brengen of negatief kunnen beïnvloeden. Die indicatoren kunnen onder meer betrekking hebben op een atypische toename van de doorlooptijd; de beschikbaarheid van de nodige grondstoffen, halffabricaten en het nodige menselijke kapitaal voor de productie van crisisrelevante producten of van geschikte productieapparatuur; de voorspelde vraag; prijsstijgingen die normale prijsschommelingen overstijgen; ongevallen, aanvallen, natuurrampen of andere ernstige gebeurtenissen; het effect van handelsbeleid, tarieven, uitvoerbeperkingen, handelsbelemmeringen en andere handelsgerelateerde maatregelen; en het effect van bedrijfssluitingen, bedrijfsmigratie of overnames van belangrijke leveranciers van crisisrelevante producten. De monitoringactiviteiten van de Commissie moeten gericht zijn op die indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing, en kunnen, indien nodig, inhouden dat betrokken actoren om vrijwillige informatie worden verzocht.
(85)
Om de lasten voor ondernemingen die aan de monitoring meewerken, tot een minimum te beperken en ervoor te zorgen dat de verkregen informatie zinvol kan worden verwerkt, moet de Commissie voorzien in gestandaardiseerde en veilige middelen om informatie te verzamelen. Die middelen moeten ervoor zorgen dat alle verzamelde informatie vertrouwelijk wordt behandeld, waarbij het zakengeheim en de cyberveiligheid worden gewaarborgd. Evenzo moeten de lidstaten, om de administratieve lasten voor nationale overheden te beperken, de Commissie kunnen verzoeken de taken uit te voeren waarmee zij zijn belast met het oog op de inventarisatie van toeleveringsketens van defensieproducten.
(86)
Op basis van de door de Commissie opgestelde lijst van crisisrelevante producten moeten de lidstaten op hun grondgebied de belangrijkste leveranciers van dergelijke producten aanwijzen. De lijst van die leveranciers moet aan de Commissie worden toegezonden om een efficiënte gecoördineerde aanpak op het niveau van de Unie te waarborgen. Om elke gebeurtenis die negatieve en blijvende gevolgen kan hebben voor de tijdige beschikbaarheid en levering van die producten, te kunnen opsporen en er verslag over te kunnen uitbrengen, moeten de lidstaten de bekwaamheid van die leveranciers om hun activiteiten uit te voeren, monitoren in het licht van de door de Commissie vastgestelde indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing. Om dezelfde redenen moeten de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten de lidstaat op het grondgebied waarvan zij zijn gevestigd, ook op de hoogte brengen indien zij verstoringen van het leveringsproces vaststellen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor hun activiteiten in verband met de productie van crisisrelevante producten.
(87)
Als onderdeel van het kader voor crisisparaatheid moet de Commissie stresstests en simulaties uitvoeren en coördineren, met name voortbouwend op het advies van het Comité voor de voorzieningszekerheid op defensiegebied (het “Comité”) over cruciale onderwerpen voor defensietoeleveringsketens. In dat verband zou de Commissie scenario’s en parameters kunnen ontwikkelen die rekening houden met de specifieke risico’s in verband met een crisis voor de levering van crisisrelevante producten. Om de crisisparaatheid van alle betrokken actoren te waarborgen, moeten alle lidstaten en, in voorkomend geval, de hoge vertegenwoordiger, het EDA en andere betrokken actoren worden uitgenodigd vrijwillig aan die stresstests deel te nemen. In dat verband zou de Commissie de ontwikkeling van strategieën voor paraatheid bij noodsituaties kunnen faciliteren en aanmoedigen, met inbegrip van strategieën voor crisiscommunicatie en uitwisseling van informatie over de beperkingen die gelden in moeilijke omstandigheden. Gezien de gevoelige aard van informatie over knelpunten in toeleveringsketens voor de defensie- en veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten, moeten de resultaten van die stresstests worden behandeld als gerubriceerde informatie.
(88)
Door het gebrek aan transparantie over de identiteit van certificeringsinstanties en over certificeringsprocedures voor defensieproducten binnen de Unie is er slechts een beperkte wederzijdse certificering van defensieproducten, wat leidt tot de verdere versnippering van de interne markt voor defensieproducten, met name tijdens voorzieningscrises, zoals is gebleken uit de munitiecrisis van 2023. Daarom moet, in de context van het kader voor paraatheid, de transparantie van nationale certificeringsprocessen worden vergroot en de uitwisseling van informatie tussen certificeringsautoriteiten worden vergemakkelijkt, teneinde de wederzijdse certificering van defensieproducten te vergemakkelijken en het verkeer van die producten in de interne markt te bevorderen. Daartoe moet de Commissie een lijst van nationale certificeringsinstanties opstellen en actueel houden.
(89)
Om het risico op tekorten in de levering van crisisrelevante producten te verminderen, moeten de productiefaciliteiten die bij de productie ervan betrokken zijn, sneller worden opgeschaald, met name door te zorgen voor een efficiënte en tijdige administratieve behandeling van alle aanvragen met betrekking tot de planning, de bouw en de exploitatie van die faciliteiten. Daarom moeten de autoriteiten van de lidstaten ervoor zorgen dat die aanvragen zo snel als wettelijk mogelijk worden behandeld.
(90)
Om de Unie in staat te stellen het risico op een voorzieningscrisis te verminderen, moeten de bevoegde instanties van de lidstaten het Comité inlichten indien zij kennis krijgen van een risico op ernstige verstoring van de levering van crisisrelevante producten of indien zij beschikken over concrete en betrouwbare informatie over andere relevante risicofactoren of gebeurtenissen. Om te zorgen voor een gecoördineerde aanpak ter vermindering van een dergelijk risico, moet de Commissie, wanneer zij van het risico kennis krijgt, preventieve maatregelen nemen, zoals het bijeenroepen van een buitengewone vergadering van het Comité, om de ernst van de mogelijke verstoringen en mogelijke reacties te bespreken en, in voorkomend geval, betrokken derde landen en internationale organisaties te raadplegen om tot op samenwerking gebaseerde oplossingen te komen voor het voorkomen of aanpakken van verstoringen in de toeleveringsketens, in overeenstemming met internationale verplichtingen.
(91)
Deze verordening moet ook voorzien in instrumenten om op efficiënte en gecoördineerde wijze een dreigende of aan de gang zijnde voorzieningscrisis aan te pakken. Gezien de noodzaak om te voorzien in gerichte maatregelen, die afhankelijk zijn van de vraag of ernstige negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt, of een dreigend risico daarop, betrekking hebben op crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn, dan wel op crisisrelevante defensieproducten, moet deze verordening daarom voorzien in twee verschillende voorzieningscrisistoestanden.
(92)
De voorzieningscrisistoestand moet worden geactiveerd op basis van concreet en betrouwbaar bewijs, in geval van ernstige verstoringen of een dreigend risico daarop bij de levering van crisisrelevante producten, en indien dergelijke ernstige verstoringen of het dreigende risico daarop leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot de vaststelling, met betrekking tot crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn, van uiteenlopende nationale maatregelen die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, met name belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel in dergelijke crisisrelevante producten.
(93)
De veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand moet worden geactiveerd in geval van ernstige verstoringen of een dreigend risico daarop bij de levering van defensieproducten, en indien dergelijke ernstige verstoringen of het dreigende risico daarop leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot de vaststelling, met betrekking tot crisisrelevante defensieproducten, van uiteenlopende nationale maatregelen die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, met name belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel binnen de Unie in dergelijke crisisrelevante defensieproducten. Wanneer de Commissie beoordeelt of aan de voorwaarden voor het activeren van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand is voldaan, moet zij in aanmerking nemen of er op het GBVB-gebied een crisis is vastgesteld die de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten aantast, bijvoorbeeld of een lidstaat de wederzijdse hulp- en bijstandclausule op grond van artikel 42, lid 7, VEU heeft geactiveerd. In dat verband zou de Commissie in aanmerking kunnen nemen of een dergelijke crisis ook in de NAVO is vastgesteld.
(94)
Gezien de gevoelige aard van besluiten om de voorzieningscrisistoestand of de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand te activeren, met name vanwege de mogelijke gevolgen van de maatregelen die als reactie daarop kunnen worden genomen, waaronder de mogelijk aanzienlijke impact op private ondernemingen in de Unie, moet de bevoegdheid om een uitvoeringshandeling tot activering, verlenging en beëindiging van de voorzieningscrisistoestanden te nemen, worden toegekend aan de Raad. Om ervoor te zorgen dat de respons op het niveau van de Unie is afgestemd op de aard van de voorzieningscrisis, moet de Raad ook bepalen welke van de maatregelen waarin deze verordening voorziet, moeten worden geactiveerd om de aanhoudende voorzieningscrisis aan te pakken, en moet hij kunnen bepalen voor welke crisisrelevante producten die maatregelen moeten worden geactiveerd.
(95)
Om de aard en de ernst van de voorzieningscrisis en de vraag of prioriteringsmaatregelen noodzakelijk zijn, nauwkeurig en in bijna realtime te kunnen beoordelen, moet de Commissie, indien een uitvoeringshandeling van de Raad daarin voorziet in het kader van de voorzieningscrisistoestand of de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand, informatieverzoeken kunnen richten aan marktdeelnemers die bijdragen aan de productie van de betrokken crisisrelevante producten. Dergelijke informatieverzoeken mogen alleen worden gedaan indien de beschikbare informatie ontoereikend is en de verzoeken moeten beperkt blijven tot informatie over productievermogens, de productiecapaciteit of mogelijke primaire verstoringen. Gezien de gevoelige aard van de informatie waarom kan worden verzocht, moet de Commissie vooraf toestemming krijgen van de lidstaat waar de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd, en moet de gevraagde informatie via die lidstaat worden verstrekt. Indien de betrokken lidstaat instemt met het indienen van een dergelijk informatieverzoek, moet hij kunnen besluiten dat verzoek rechtstreeks aan de betrokken marktdeelnemer te richten en de Commissie daarvan in kennis te stellen. Het is ook belangrijk dat de Commissie op de hoogte is van informatieverzoeken van derde landen in verband met activiteiten van in de Unie gevestigde marktdeelnemers wat betreft de levering van crisisrelevante producten, aangezien dergelijke informatieverzoeken kunnen leiden tot prioriteringsmaatregelen van die derde landen die een aanzienlijk effect kunnen hebben op de levering van die producten in de Unie en op de goede werking van de interne markt. Daarom moet de betrokken marktdeelnemer de lidstaat op het grondgebied waarvan zijn productielocatie is gevestigd, tijdig op de hoogte brengen, en moet die lidstaat op zijn beurt de Commissie daarvan op de hoogte brengen, zodat de betrokken lidstaat en de Commissie de betrokken marktdeelnemer kunnen verzoeken soortgelijke informatie te verstrekken als die welke door het derde land wordt verzocht.
(96)
In geval van ernstige en aanhoudende tekorten aan of een uitzonderlijk grote vraag naar crisisrelevante producten, waarbij er sprake is van ernstige negatieve gevolgen voor de goede werking van de interne markt of een dreigend risico daarop, kunnen prioriteringsmaatregelen op het niveau van de Unie om de beschikbaarheid van crisisrelevante producten te waarborgen, onmisbaar blijken om de goede werking van de interne markt voor defensieproducten en de toeleveringsketens daarvan te waarborgen. De Commissie moet in dit verband, op verzoek van een lidstaat, kunnen overgaan tot als prioritair aangemerkte verzoeken om de levering van zowel crisisrelevante defensieproducten en crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn te faciliteren, en tot als prioritair aangemerkte bestellingen om de levering van crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn te waarborgen. Die prioriteringsmaatregelen moeten worden geactiveerd door de Raad.
(97)
Als prioritair aangemerkte verzoeken moeten bestaan uit verzoeken van de Commissie, op initiatief van een lidstaat, aan in de Unie gevestigde relevante marktdeelnemers om bestellingen van crisisrelevante producten te aanvaarden of daaraan voorrang te geven. Als laatste middel om te waarborgen dat defensietoeleveringsketens tijdens een voorzieningscrisis kunnen blijven functioneren, en alleen te gebruiken wanneer dit daartoe noodzakelijk en evenredig is, moeten die als prioritair aangemerkte verzoeken gericht zijn op het ondersteunen van een lidstaat die ernstige moeilijkheden ondervindt bij het plaatsen van een bestelling of bij de uitvoering van een opdracht voor de levering van crisisrelevante producten. Marktdeelnemers moeten de mogelijkheid hebben om een als prioritair aangemerkt verzoek af te wijzen. Bij het indienen van een prioritair aangemerkt verzoek moet de Commissie rekening houden met de eventuele negatieve gevolgen voor de mededinging op de interne markt en het risico dat de marktverstoring wordt verergerd. Voorts mag de keuze van de ontvangers en begunstigden van de prioritair aangemerkte verzoeken niet op discriminerende wijze gebeuren.
(98)
Gezien de toenemende verslechtering van de veiligheidscontext in de Unie als gevolg van de aanhoudende en toegenomen dreiging van Rusland in de context van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, is het van cruciaal belang om de moeilijkheden aan te pakken waarmee de lidstaten kunnen worden geconfronteerd bij het plaatsen van een bestelling of de uitvoering van een opdracht voor de levering van defensieproducten, met name wanneer die moeilijkheden het gevolg zijn van verstoringen in de levering van crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn. Defensietoeleveringsketens die toegang willen krijgen tot die crisisrelevante producten die producten voor tweeërlei gebruik of civiele producten zijn, kunnen immers te maken krijgen met concurrentie van niet-defensiegerelateerde toeleveringsketens met een aanzienlijk sterkere afnemersmacht. Daarom moet worden voorzien in een aanvullend instrument als laatste middel, voor gevallen waarin de productie of levering van die crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn niet met een andere maatregel, zoals een als prioritair aangemerkt verzoek, kan worden verwezenlijkt. Bij een als prioritair aangemerkte bestelling moet de Commissie daarom in de Unie gevestigde marktdeelnemers kunnen verplichten bepaalde crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn te produceren of te leveren na voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd, en van de lidstaat op het grondgebied waarvan de uitvoerende bestuursstructuur van de marktdeelnemer is gevestigd. De Commissie mag geen als prioritair aangemerkte bestellingen plaatsen indien de marktdeelnemer niet in staat is de bestelling uit te voeren, zelfs indien daaraan voorrang wordt gegeven, hetzij vanwege onvoldoende productievermogens of productiecapaciteit, hetzij om technische redenen, of omdat het een onredelijke economische last zou meebrengen en de marktdeelnemer bijzondere moeilijkheden zou berokkenen, met inbegrip van aanzienlijke risico’s voor de bedrijfscontinuïteit. Indien dergelijke redenen zich voordoen nadat de Commissie een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld waarbij een marktdeelnemer wordt onderworpen aan een als prioritair aangemerkte bestelling of een als prioritair aangemerkt verzoek, moet die marktdeelnemer de Commissie kunnen verzoeken de betrokken uitvoeringshandeling te wijzigen.
(99)
Als prioritair aangemerkte bestellingen of als prioritair aangemerkte verzoeken moeten gebaseerd zijn op objectieve, feitelijke, meetbare en onderbouwde gegevens. Ze moeten rekening houden met de legitieme belangen van de ondernemingen en met de kosten en inspanningen die nodig zijn voor elke wijziging in de productievolgorde. Wanneer de verplichting tot uitvoering van het als prioritair aangemerkte verzoek wordt aanvaard of opgelegd, moet deze voorrang hebben op privaatrechtelijke of publiekrechtelijke prestatieverplichtingen. Indien een als prioritair aangemerkt verzoek betrekking heeft op een defensieproduct, moet in het verzoek de reikwijdte worden gespecificeerd van de contractuele verplichtingen waarop het verzoek voorrang moet hebben. Alle als prioritair aangemerkte verzoeken of bestellingen moeten tegen een billijke en redelijke prijs worden geplaatst. Het moet mogelijk zijn die prijs te berekenen op basis van de geldende prijzen in de afgelopen jaren, mits eventuele verhogingen of verlagingen worden gemotiveerd, bijvoorbeeld rekening houdend met inflatie of inputkosten. Gezien het belang van het waarborgen van de levering van crisisrelevante producten die onontbeerlijk zijn voor de goede werking van de interne markt en de toeleveringsketens daarvan, mag uit het voldoen aan de verplichting om een als prioritair aangemerkt verzoek of een als prioritair aangemerkte bestelling uit te voeren, geen aansprakelijkheid jegens derden voortvloeien voor schade die het gevolg kan zijn van een schending van contractuele verbintenissen die onder het recht van een lidstaat vallen, voor zover de schending van contractuele verbintenissen noodzakelijk was om te voldoen aan de opgelegde prioritering. Het moet marktdeelnemers die mogelijk voor een als prioritair aangemerkt verzoek in aanmerking komen, worden toegestaan om in de voorwaarden van hun commerciële contracten voorzieningen te treffen voor de mogelijke gevolgen van een als prioritair aangemerkt verzoek.
(100)
Indien een marktdeelnemer een als prioritair aangemerkt verzoek uitdrukkelijk heeft aanvaard en de Commissie vervolgens een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld, of indien aan de marktdeelnemer op grond van een door de Commissie vastgestelde uitvoeringshandeling een als prioritair aangemerkte bestelling is opgelegd, moet die marktdeelnemer aan alle voorwaarden van die uitvoeringshandeling voldoen. Indien de marktdeelnemer de in de uitvoeringshandeling vastgelegde voorwaarden niet naleeft, moet dit ertoe leiden dat de marktdeelnemer het voordeel van de ontheffing van contractuele aansprakelijkheid verliest. Indien de niet-naleving opzettelijk is of aan grove nalatigheid te wijten is, moet de Commissie de marktdeelnemer een geldboete of dwangsom kunnen opleggen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Om te bepalen of geldboeten of dwangsommen noodzakelijk en evenredig zijn, moet de Commissie rekening houden met alle naar behoren gemotiveerde redenen die de marktdeelnemer heeft aangevoerd.
(101)
In de uitzonderlijke omstandigheid dat een in de Unie gevestigde marktdeelnemer onderworpen is aan een maatregel uit een derde land die een als prioritair aangemerkte bestelling of een als prioritair aangemerkt verzoek met betrekking tot een crisisrelevant product meebrengt, moet hij de Commissie daarvan in kennis stellen, zodat kan worden beoordeeld of een dergelijke maatregel aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de voorzieningszekerheid van crisisrelevante producten en voor de goede werking van de interne markt, alsook welke passende stappen eventueel als reactie op die maatregel moeten worden genomen.
(102)
Het verzoek of de verplichting om voorrang te geven aan de productie of levering van bepaalde producten, tast de in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”) beschermde vrijheid van ondernemerschap en contractvrijheid en het in artikel 17 van het Handvest neergelegde recht op eigendom niet onevenredig aan. Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest moet elke beperking op de uitoefening van die rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, en moet daarbij het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen.
(103)
Indien de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand wordt geactiveerd, moeten ook de in het kader van de voorzieningscrisistoestand beschikbare maatregelen beschikbaar zijn indien dit door de Raad passend wordt geacht en in de uitvoeringshandeling tot activering van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand wordt gespecificeerd.
(104)
Overdrachten van defensieproducten binnen de EU zijn geregeld bij Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (30), die tot doel heeft die overdrachten te vereenvoudigen om de goede werking van de interne markt voor defensieproducten te waarborgen. Zoals blijkt uit eerdere evaluaties van die richtlijn, blijft het verlenen van voorafgaande globale en individuele overdrachtsvergunningen grotendeels de norm voor het verkeer van defensieproducten binnen de interne markt en verschilt de gemiddelde termijn voor de behandeling van aanvragen soms aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. Indien de Raad dit nodig acht, moet het tijdens een veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisis mogelijk zijn om in een uitvoeringshandeling van de Raad tot activering van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand een termijn van ten hoogste twee weken vast te stellen waarbinnen de betrokken nationale autoriteiten de aanvragen moeten behandelen zodra deze volledig zijn ontvangen, teneinde het verkeer van die producten op de interne markt verder te vergemakkelijken. Daarnaast heeft deze verordening tot doel de overdracht van crisisrelevante producten binnen de EU tijdens een voorzieningscrisis te vergemakkelijken. Daarom moet worden verduidelijkt dat een lidstaat die uitvoerbeperkingen oplegt voor componenten die crisisrelevante producten zijn en die hij gevoelig acht in de zin van Richtlijn 2009/43/EG, geen verdere vergunningen mag vereisen voor de overdracht binnen de EU van de betrokken componenten indien de ontvanger in een verklaring over het gebruik aangeeft dat de in de overdrachtsvergunning bedoelde componenten zijn ingebouwd of moeten worden ingebouwd in een defensieproduct en niet als zodanig kunnen worden overgedragen of uitgevoerd. Een dergelijke maatregel mag geen afbreuk doen aan de bestaande Unie- en nationale regels inzake de overdracht en uitvoer van defensieproducten.
(105)
Aangezien de certificering van defensieproducten van cruciaal belang is voor de goede werking van de interne markt voor defensieproducten, met name tijdens een veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisis, moet deze verordening, naast de versnelling van bestaande nationale procedures, de verplichte wederzijdse erkenning mogelijk maken van een crisisrelevant defensieproduct dat in een lidstaat rechtmatig is gecertificeerd.
(106)
Naast andere maatregelen waarin deze verordening voorziet voor het aanpakken van een veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand, moeten de lidstaten, indien de Raad die maatregelen activeert, per geval overwegen om gebruik te maken van defensiegerelateerde vrijstellingen of afwijkingen krachtens het nationale recht en het toepasselijke Unierecht met het oog op het verlenen van vergunningen in verband met de planning, de bouw en de exploitatie van productiefaciliteiten voor crisisrelevante defensieproducten of met het oog op de continuïteit van de productie van dergelijke producten, indien zij van oordeel zijn dat het gebruik van dergelijke vrijstellingen of afwijkingen de voorzieningszekerheid van crisisrelevante defensieproducten ten goede zou komen. Dat zou met name kunnen gelden voor het Unierecht op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid, dat onontbeerlijk is om de menselijke gezondheid en het milieu beter te beschermen en een duurzame en veilige ontwikkeling tot stand te brengen. Aangezien veiligheidsgerelateerde voorzieningscrises worden gekenmerkt door belemmeringen van het verkeer van crisisrelevante defensieproducten op de interne markt, is het passend om in dergelijke omstandigheden financiële steun in het kader van het programma toe te staan voor innovatieacties, zodat defensieproducten bijzonder snel op de markt beschikbaar zijn. Steun voor dergelijke acties zou immers bijdragen tot het aanpakken van de betrokken belemmeringen, met name door een zeer sterke verkorting van de doorlooptijd voor de levering van defensieproducten of de massaproductie ervan mogelijk te maken. Daarom moet de Raad de mogelijkheid hebben om, wanneer hij de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand activeert, dergelijke innovatieacties subsidiabel te maken uit hoofde van het programma.
(107)
De naleving van de uit hoofde van deze verordening opgelegde verplichtingen moet door middel van geldboeten en dwangsommen kunnen worden afgedwongen. Daartoe moeten er passende geldboeten worden vastgesteld voor niet-inwilliging van informatieverzoeken en niet -naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit een als prioritair aangemerkt verzoek en van de kennisgevingsverplichting die van toepassing is wanneer een in de Unie gevestigde marktdeelnemer onderworpen is aan een prioriteringsmaatregel van een derde land, ermee rekening houdend dat bij de ene verplichting niet-naleving niet even ernstig is als bij de andere, en er voorzien moet worden in andere maxima voor kmo’s. Voorts moeten dwangsommen worden ingesteld, en evenredig zijn, voor niet-naleving van de verplichting om als prioritair aangemerkte bestellingen te aanvaarden en uit te voeren, waarbij voor kmo’s andere maxima moeten gelden. Naast de verjaringstermijnen voor de uitvoering van sancties moeten verjaringstermijnen gelden voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen. Daarnaast moet de Commissie de betrokken marktdeelnemers het recht geven te worden gehoord.
(108)
Tot de uitdagingen die tijdens de COVID-19-crisis zijn geconstateerd, behoren het ontbreken van een netwerk voor het waarborgen van paraatheid, alsmede de ontoereikende informatie-uitwisseling over en coördinatie van responsmaatregelen tussen de lidstaten enerzijds en tussen de lidstaten en de Commissie anderzijds. Daarom moet de met deze verordening nagestreefde doelstelling om voorbereid te zijn op en te reageren op de gevolgen van toekomstige voorzieningscrises voor de interne markt voor defensieproducten, worden ondersteund door een governancemechanisme. Bij deze verordening moet een Comité worden opgericht om de samenwerking, de uitwisseling van informatie en de vlotte, doeltreffende en geharmoniseerde uitvoering van de maatregelen waarin deze verordening voorziet ter waarborging van de voorzieningszekerheid van defensieproducten, te faciliteren. Het Comité moet bestaan uit vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie. Aangezien het waarborgen van de goede werking van de interne markt voor defensieproducten tijdens een voorzieningscrisis of het voorbereiden op dergelijke voorzieningscrises vereist dat rekening wordt gehouden met het vermogen van de lidstaten om hun defensievermogens te ontwikkelen, te verwerven en te beheren en hun defensiegereedheid te vergroten, is het passend dat het Comité gezamenlijk wordt voorgezeten door de Commissie en de lidstaat die het roulerende voorzitterschap van de Raad bekleedt. Gezien de bijdrage van de regeling voor voorzieningszekerheid aan het vermogen van de Unie om haar veiligheids- en defensiebelangen te verdedigen, moeten daarnaast ook de hoge vertegenwoordiger en het EDA lid zijn van het Comité. Met name kunnen de lopende werkzaamheden van het EDA op het gebied van de voorzieningszekerheid van defensieproducten van nut zijn voor de uitvoering van deze verordening. Het EDA faciliteert de uitwisseling van beste praktijken en versterkt de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van defensiegerelateerde voorzieningszekerheid. Het verschaft ook inzicht in knelpunten in de toeleveringsketens van defensieproducten. Daarom moet het EDA zijn standpunten en deskundigheid kunnen delen, onder meer in het Comité, om zo bij te dragen tot de voorbereiding en de respons op de gevolgen van voorzieningscrises voor de interne markt voor defensieproducten. Geassocieerde landen moeten het recht hebben om lid van het Comité zonder stemrecht te worden overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Vertegenwoordigers van het Europees Parlement moeten als waarnemers worden uitgenodigd voor de vergaderingen van het Comité. Het Comité moet de coördinatie tussen de lidstaten vergemakkelijken en de Commissie aanbevelingen doen en haar bijstaan bij de uitvoering van de bij deze verordening ingestelde mechanismen die gericht zijn op het waarborgen van de voorzieningszekerheid, met name door te anticiperen op en voorbereidingen te treffen voor crises bij de levering van crisisrelevante producten en door dergelijke crises te voorkomen en aan te pakken.
(109)
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van werkprogramma’s ter bepaling van de financieringsprioriteiten en de toepasselijke financieringsvoorwaarden, de toekenning van financiering voor specifieke acties, de oprichting van SEAP’s, de aanwijzing van crisisrelevante producten en de actualisering in dat verband, het opstellen en actueel houden van een lijst van nationale certificeringsinstanties, te nemen prioriteringsmaatregelen en het opleggen van sancties. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de defensiesector, met name met de verantwoordelijkheid van de lidstaten, de geassocieerde landen of Oekraïne voor het plannings- en aankoopproces. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (31).
(110)
Het moet mogelijk zijn vertegenwoordigers van Oekraïne uit te nodigen voor vergaderingen van het comité indien hun input nodig is in verband met uitvoeringsmaatregelen die betrekking hebben op Oekraïne, zoals de uitvoeringshandelingen met betrekking tot het instrument voor steun aan Oekraïne. Dat zou die vertegenwoordigers in staat stellen hun standpunt te delen en vragen van de lidstaten te beantwoorden. Het mag hen echter niet worden toegestaan aanwezig te zijn bij de beraadslagingen of deel te nemen aan stemmingen in het comité.
(111)
Deze verordening moet van toepassing zijn onverminderd de mededingingsregels van de Unie, en met name de artikelen 101 tot en met 109 VWEU en de rechtshandelingen die uitvoering geven aan die artikelen.
(112)
De Uniefinanciering uit hoofde van deze verordening mag alleen de kosten dekken die nodig zijn om de doelstellingen van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne na te streven en kan niet worden aangewend om de kosten van het GBVB te dekken. De Uniefinanciering uit het programma en uit het instrument voor steun aan Oekraïne mag derhalve niet worden aangewend om de kosten te dekken van de aankoop of het onderhoud van defensieproducten voor militaire of defensiedoeleinden, onder meer in het kader van het aanleggen, beheren en onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie. Het moet echter mogelijk zijn financiering van de Unie in het kader van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne te gebruiken ter dekking van de kosten die worden gemaakt in het kader van de aankoop of het onderhoud van dergelijke producten indien die kosten nodig zijn voor de versterking van het concurrentievermogen van de EDTIB of voor het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB, in het bijzonder niet-recurrente kosten.
(113)
Overeenkomstig artikel 241 VWEU kan de Raad de Commissie verzoeken alle studies te verrichten die de Raad wenselijk acht voor de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen, en haar passende voorstellen voor te leggen. De Commissie zal dergelijke verzoeken tot het indienen van voorstellen onverwijld en in detail bestuderen.
(114)
Deze verordening moet van toepassing zijn onverminderd het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten.
(115)
Deze verordening doet geen afbreuk aan de bestaande Unie- en nationale regels inzake de uitvoer van defensieproducten en aan de verplichtingen van Richtlijn 2009/43/EG.
(116)
Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het technologisch leiderschap, de innovatie, de gereedheid, het concurrentievermogen op lange termijn, de veerkracht, de integratie en de paraatheid van de EDTIB te versterken, waardoor de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten wordt gewaarborgd en wordt bijgedragen aan het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTBI, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
(117)
Opdat de uitvoering van deze verordening zo spoedig mogelijk van start kan gaan, ter verwezenlijking van de doelstellingen ervan, moet zij met spoed in werking treden,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Algemene doelstellingen en onderwerp
1. Deze verordening heeft tot doel het technologische leiderschap, de innovatie, de gereedheid, het concurrentievermogen op lange termijn, de veerkracht, de integratie en de paraatheid van de Europese technologische en industriële defensiebasis (European Defence Technological and Industrial Base – EDTIB) te versterken, wat de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten zal waarborgen en zal bijdragen tot het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense technologische en industriële defensiebasis (de “Oekraïense DTIB”).
2. Bij deze verordening wordt een begroting voor de periode 2025-2027 vastgesteld, alsook:
1)
het programma voor de Europese defensie-industrie (het “programma”), dat maatregelen omvat ter versterking van het concurrentievermogen, het reactievermogen en het vermogen van de EDTIB, zoals uiteengezet in hoofdstuk II;
2)
het instrument voor steun aan Oekraïne, een programma voor samenwerking met Oekraïne met het oog op het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB, rekening houdend met de mogelijke toekomstige integratie van de Oekraïense DTIB in de EDTIB, zoals uiteengezet in hoofdstuk III;
3)
een rechtskader voor Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang (European Defence Projects of Common Interest – EDPGB’s), zoals uiteengezet in hoofdstuk IV;
4)
een Europees mechanisme voor militaire verkoop, zoals uiteengezet in hoofdstuk V;
5)
een rechtskader voor structuren voor Europese bewapeningsprogramma’s (Structures for European Armament Programmes – SEAP’s), zoals uiteengezet in hoofdstuk VI;
6)
een rechtskader om voorbereid te zijn en te kunnen reageren op de gevolgen van voorzieningscrises voor de interne markt, zoals uiteengezet in hoofdstuk VII, dat gericht is op de waarborging van:
a)
de voorzieningszekerheid van crisisrelevante producten; en
b)
de goede werking van de interne markt voor defensieproducten, onder meer door te voorkomen dat er belemmeringen voor die markt ontstaan.
3. Deze verordening doet geen afbreuk aan de uitsluitende verantwoordelijkheid die elke lidstaat heeft voor zijn nationale veiligheid, als bepaald in artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), noch aan het recht van elke lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen overeenkomstig artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)
“aankoopovereenkomst”: een overheidsopdracht aan een of meer marktdeelnemers die tot doel heeft de snelle ontwikkeling of productie van een product te ondersteunen en op grond waarvan het recht om binnen een bepaalde termijn en tegen een bepaalde prijs een bepaald aantal producten aan te kopen, afhangt van de voorfinanciering van een deel van de aanloopkosten waarmee de betrokken marktdeelnemers worden geconfronteerd; een aankoopovereenkomst is weliswaar juridisch bindend voor de deelnemende aanbestedende diensten en voor de contractant, maar moet verder worden uitgevoerd door het sluiten van overeenkomsten met de betrokken contractanten;
2)
“entiteit uit een ander derde land”: een juridische entiteit die in een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne is gevestigd of een juridische entiteit die in de Unie, in Oekraïne of een in geassocieerd land is gevestigd, maar waarvan de uitvoerende bestuursstructuren zich in een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne bevinden;
3)
“geassocieerde landen”: leden van de Europese Vrijhandelsassociatie die lid zijn van de Europese Economische Ruimte en die deze verordening toepassen overeenkomstig de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte;
4)
“knelpunt”: een congestiepunt in een productiesysteem waardoor de productie wordt stopgezet of ernstig wordt vertraagd;
5)
“blendingverrichting”: een door de Uniebegroting ondersteunde actie, onder meer in het kader van een blendingfaciliteit of -platform, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6), van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun of financieringsinstrumenten uit de Uniebegroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun door instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, of door commerciële financiële instellingen en investeerders;
6)
“gerubriceerde informatie”: informatie of materiaal in ongeacht welke vorm waarvan de openbaarmaking zonder machtiging de belangen van de Unie of van een of meer van haar lidstaten in meerdere of mindere mate kan schaden en die/dat een EU-rubricering of een overeenkomstige rubricering draagt die strookt met de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (32);
7)
“aanbestedende diensten”: aanbestedende diensten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (33) en artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (34);
8)
“zeggenschap”: het vermogen om ofwel direct, ofwel indirect via een of meer intermediaire juridische entiteiten, beslissende invloed uit te oefenen op een juridische entiteit;
9)
“crisisrelevante producten”: defensieproducten of componenten of grondstoffen daarvan of producten of diensten die van cruciaal belang zijn voor de productie ervan, waarvan de beschikbaarheid onontbeerlijk is voor het waarborgen van de goede werking van de interne markt en de toeleveringsketens daarvan, en die gewaarborgd moeten zijn om op een voorzieningscrisis te reageren;
10)
“innovatieactie op defensiegebied”: een actie die hoofdzakelijk bestaat uit activiteiten met als rechtstreeks doel het creëren van plannen en regelingen of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde defensieproducten, -procedés of -diensten, eventueel met inbegrip van prototypering, tests, demonstraties, proefprojecten, grootschalige productvalidatie en marktreplicatie;
11)
“defensieproducten”: alle defensiegerelateerde producten als bedoeld in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG, alsmede werken, leveringen en diensten die rechtstreeks met die producten verband houden, voor alle fasen van de levenscyclus ervan in de zin van artikel 2, punt c), van Richtlijn 2009/81/EG;
12)
“dynamisch beschikbaarheidsbeheer”: de tijdige levering van een defensieproduct op de overeengekomen locatie en de overeengekomen beschikbaarheidsniveaus, alsmede het beheer van beschikbaarheidsrisico’s die kunnen leiden tot tekorten van het defensieproduct in kwestie; in dat verband wordt onder beschikbaarheid verstaan het vermogen van het defensieproduct om onder welbepaalde voorwaarden foutloos te functioneren en wanneer nodig gebruiksklaar te zijn;
13)
“uitvoerende bestuursstructuur”: een overeenkomstig nationaal recht aangewezen orgaan van een juridische entiteit dat in voorkomend geval aan de bestuursvoorzitter rapporteert en gemachtigd is om de strategie, doelstellingen en algemene richting van de juridische entiteit te bepalen, en dat belast is met het toezicht op en de monitoring van de bestuurlijke besluitvorming van de juridische entiteit;
14)
“voorgrondinformatie”: gegevens, knowhow of informatie in welke vorm en van welke aard dan ook, die in het kader van een bepaalde actie uit hoofde van deze verordening worden gegenereerd;
15)
“doorlooptijd”: de periode tussen het plaatsen van een kooporder en het voltooien van de order door de fabrikant;
16)
“juridische entiteit”: een uit hoofde van het Unierecht, nationaal recht of internationaal recht opgerichte en erkende rechtspersoon, die rechtspersoonlijkheid bezit en de bekwaamheid bezit in eigen naam te handelen, rechten uit te oefenen en verplichtingen te hebben, dan wel een in artikel 200, lid 2, punt c), van het Financieel Reglement bedoelde entiteit zonder rechtspersoonlijkheid;
17)
“levenscyclus”: alle mogelijke opeenvolgende fasen van een product, van onderzoek en ontwikkeling tot buitengebruikstelling en verwijdering;
18)
“onderhoud”: alle maatregelen die worden genomen om de paraatheid en het operationele vermogen van een defensieproduct te waarborgen, met name om de uitrusting in een gespecificeerde toestand te houden of te herstellen tot het einde van het gebruik ervan, met inbegrip van de paraatheid voor de missie, levensduur en upgrades, aanpassing en specialisatie, inspectie, revisie, tests, onderhoud, wijzigingen, classificatie van de onderhoudbaarheid, reparatie, terugwinning, heropbouw, regeneratie, redding en kannibalisatie;
19)
“middelgrote beursgenoteerde onderneming” of “midcap”: onderneming die geen kleine of middelgrote onderneming is en die ten hoogste 3 000 werknemers telt, waarvan het aantal werkzame personen wordt berekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (35);
20)
“entiteit uit een niet-geassocieerd derde land”: een juridische entiteit die in een niet-geassocieerd derde land is gevestigd of een juridische entiteit die in de Unie of een geassocieerd land is gevestigd, maar waarvan de uitvoerende bestuursstructuren zich in een niet-geassocieerd derde land bevinden;
21)
“niet-recurrente kosten”: kosten die eenmalig of met onregelmatige tussenpozen worden gemaakt, met name ontwerp-, ontwikkelings- en investeringskosten die nodig zijn voor de productie of het onderhoud van defensieproducten of voor de reservering van productiecapaciteit;
22)
“afnameovereenkomst”: een contractuele overeenkomst tussen, enerzijds ten minste drie lidstaten en, in voorkomend geval, geassocieerde landen of Oekraïne en, anderzijds, ten minste één fabrikant van defensieproducten, die ofwel een verbintenis van de lidstaten en, in voorkomend geval, geassocieerde landen of Oekraïne bevat om gedurende een bepaalde periode een bepaalde hoeveelheid defensieproducten aan te kopen, ofwel een verbintenis van de fabrikant van defensieproducten om de lidstaten en, in voorkomend geval, geassocieerde landen of Oekraïne de mogelijkheid te bieden een dergelijke aanbesteding te verrichten;
23)
“opsteller”: de instelling, het agentschap of het orgaan van de Unie, of de lidstaat of de entiteit die krachtens deze verordening is opgericht en onder het gezag waarvan gerubriceerde informatie is aangemaakt;
24)
“aanbestedingsagent”: een aanbestedende dienst die gevestigd is in een lidstaat of in een geassocieerd land, een structuur voor een Europees bewapeningsprogramma (SEAP), het Europees Defensieagentschap (EDA) of een internationale organisatie die door lidstaten, geassocieerde landen, Oekraïne of een SEAP is aangewezen om namens hen een gemeenschappelijke aanbesteding uit te voeren;
25)
“grondstoffen”: grondstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad (36);
26)
“resultaten”: een materieel of immaterieel gevolg van een bepaalde actie, zoals gegevens, knowhow of informatie in welke vorm en van welke aard dan ook en ongeacht of deze kunnen worden beschermd, alsook alle daaraan verbonden rechten, met inbegrip van intellectuele-eigendomsrechten;
27)
“excellentiekeurmerk”: kwaliteitskeurmerk dat aantoont dat een voorstel dat is ingediend naar aanleiding van een in het kader van het programma of van het instrument voor steun aan Oekraïne gedane oproep tot het indienen van voorstellen, alle in het werkprogramma vastgelegde drempelwaarden voor beoordeling heeft gehaald, maar bij gebrek aan beschikbare middelen in het werkprogramma voor die oproep tot het indienen van voorstellen niet kon worden gefinancierd, en steun zou kunnen ontvangen uit andere Unie- of nationale financieringsbronnen;
28)
“gevoelige informatie”: niet-gerubriceerde informatie en gegevens die tegen ongeoorloofde toegang of openbaarmaking moeten worden beschermd op grond van verplichtingen die zijn vastgelegd in het Unierecht of het nationale recht, indien van toepassing, dan wel om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of veiligheid van een natuurlijke persoon of rechtspersoon te waarborgen;
29)
“kleine en middelgrote ondernemingen” (kmo’s): kleine en middelgrote ondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 2 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;
30)
“kleine middelgrote beursgenoteerde onderneming” of “kleine midcap”: heeft de betekenis die daaraan is toegekend in de bijlage bij Aanbeveling (EU) 2025/1099 van de Commissie (37);
31)
“subcontractant”: een marktdeelnemer die door een gegadigde, inschrijver of contractant wordt voorgesteld om onder toezicht van de hoofdcontractant specifieke taken of diensten te verrichten die bijdragen aan het ontwerp of de vervaardiging van andere defensieproducten dan die welke door leveranciers worden geleverd met het oog op de uitvoering van de opdracht, waaraan ten minste 15 % van de waarde van de opdracht wordt toegewezen en die voor de uitvoering van die opdracht toegang tot gerubriceerde informatie nodig heeft; oor de toepassing van deze definitie wordt onder “leverancier” verstaan een marktdeelnemer die onderdelen van zijn eigen ontwerp of productie aan de contractant levert.
Artikel 3
Begroting
1. De financiële middelen voor de uitvoering van het programma in de periode van 30 december 2025 tot en met 31 december 2027 bestaan uit:
a)
1 200 000 000 EUR in lopende prijzen; en
b)
aanvullende bijdragen overeenkomstig artikel 5.
2. De financiële middelen voor de uitvoering van het instrument voor steun aan Oekraïne in de periode van 30 december 2025 tot en met 31 december 2027 bestaan uit:
a)
300 000 000 EUR in lopende prijzen; en
b)
aanvullende bijdragen overeenkomstig artikel 23, voor zover daarvoor gereserveerd.
3. De Uniefinanciering uit hoofde van deze verordening dekt alleen de kosten die nodig zijn om de doelstellingen van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne na te streven. De Uniefinanciering uit het programma en uit het instrument voor steun aan Oekraïne mag derhalve niet worden aangewend om de kosten te dekken van de aankoop of het onderhoud van defensieproducten voor militaire of defensiedoeleinden, onder meer in het kader van het aanleggen, beheren en onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie als bedoeld in artikel 38 (“pools voor de gereedheid van de defensie-industrie”). De Uniefinanciering uit hoofde van deze verordening kan de kosten dekken die worden gemaakt in het kader van de aankoop of het onderhoud van dergelijke producten indien die kosten nodig zijn voor de versterking van het concurrentievermogen van de EDTIB of voor het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB, in het bijzonder niet-recurrente kosten.
4. Ten minste 15 % van de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde financiële middelen wordt toegewezen aan de in artikel 11 bedoelde acties, en ten minste 30 % van die financiële middelen wordt toegewezen aan de in artikel 12 bedoelde. Maximaal 25 % van die financiële middelen kan worden toegewezen aan de in artikel 35 bedoelde acties.
5. Om in te spelen op onvoorziene situaties of op nieuwe ontwikkelingen en behoeften, kan de Commissie de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde bedragen overhevelen tussen het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne, overeenkomstig het Financieel Reglement.
6. Maximaal 3,5 % van het in lid 1 en lid 2 van dit artikel bedoelde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor de uitvoering van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van prijsonderzoeken en institutionele informatietechnologiesystemen en -platforms, en alle andere uitgaven in verband met technische en administratieve bijstand of personeel die de Commissie doet voor het beheer van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne.
7. Vastleggingen in de begroting voor activiteiten waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, kunnen in jaartranches worden verdeeld.
8. Indien nodig voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, kunnen tot 2033 kredieten in de Uniebegroting worden opgenomen ter dekking van de uitgaven die nodig zijn voor het vervullen van de doelstellingen van artikel 4 voor het programma of, in voorkomend geval, artikel 22 voor het instrument voor steun aan Oekraïne, met het oog op het beheer van acties die aan het eind van het programma of het instrument voor steun aan Oekraïne nog niet zijn voltooid, en ter dekking van de uitgaven met betrekking tot kritieke operationele activiteiten en diensten.
HOOFDSTUK II
HET PROGRAMMA
AFDELING 1
ALGEMENE BEPALINGEN VOOR HET PROGRAMMA
Artikel 4
Doelstellingen
1. Het programma heeft tot doel het concurrentievermogen, de veerkracht en de paraatheid van de EDTIB te vergroten door de aanpassing van de industrie aan structurele veranderingen als gevolg van de veranderende veiligheidsomgeving te initiëren en te versnellen. Het programma heeft met name tot doel:
a)
de samenwerking bij aanbestedingen op defensiegebied te versterken door de lidstaten te stimuleren de vraag naar defensieproducten te bundelen, de defensievermogensvereisten te harmoniseren en de onderlinge solidariteit te versterken, wat uiteindelijk zal leiden tot meer interoperabiliteit en onderlinge uitwisselbaarheid, en door de voorspelbaarheid van de vraag voor de EDTIB te verbeteren, overeenkomstig de behoeften van de lidstaten op het gebied van defensieproducten;
b)
de aanpassingscapaciteit van de industriële defensietoeleveringsketens te verbeteren en te versnellen, toeleveringsketens open te stellen voor grensoverschrijdende samenwerking, met name voor kmo’s en midcaps, de productiecapaciteit te vergroten, de productiedoorlooptijd van defensieproducten te verkorten en de industrialisering en commercialisering te ondersteunen van defensieproducten die worden ondersteund via door de Unie gefinancierde acties of door andere samenwerkingsactiviteiten van de Unie die worden uitgevoerd met steun van de lidstaten om de beschikbaarheid en levering van defensieproducten in de hele Unie te waarborgen, en rekening te houden met de specifieke behoeften van de lidstaten in geval van concrete conventionele militaire dreigingen;
c)
de voorzieningszekerheid en de veerkracht van de EDTIB te verbeteren door de ontwikkeling en aanwezigheid van de EDTIB in de hele Unie te ondersteunen.
2. Het programma wordt uitgevoerd met inachtneming van de doelstellingen van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie en is in overeenstemming met de defensievermogensprioriteiten die de lidstaten gezamenlijk zijn overeengekomen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), met name in het kader van het vermogensontwikkelingsplan, en met de samenwerkingsmogelijkheden die in kaart zijn gebracht in de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (Coordinated Annual Review on Defence – CARD).
3. Het programma is in overeenstemming met de samenwerking van de lidstaten in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), de initiatieven en projecten van het EDA en de civiele en militaire bijstand van de Unie aan Oekraïne. Het programma houdt terdege rekening met relevante activiteiten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en andere partners, indien deze activiteiten de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie dienen.
Artikel 5
Aanvullende financiële middelen
1. De lidstaten, instellingen, organen en agentschappen van de Unie, derde landen, internationale organisaties, internationale financiële instellingen of andere derden kunnen overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het Financieel Reglement aanvullende financiële bijdragen aan het programma leveren, ook aan het in artikel 14 van deze verordening bedoelde fonds voor de versnelde transformatie van defensietoeleveringsketens (Fund Accelerating Defence Supply Chains Transformation – FAST). Dergelijke financiële bijdragen vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2, punt a), d) of e), of artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.
2. Op voorwaarde dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van een of meer van de in artikel 4 van Verordening (EU) 2021/241 genoemde doelstellingen, worden de door de herstel- en veerkrachtfaciliteit ondersteunde bijdragen van de lidstaten gebruikt ten behoeve van de betrokken lidstaat en kunnen zij, in afwijking van artikel 20, lid 6, van deze verordening en van artikel 193, lid 1, van het Financieel Reglement, worden gebruikt om tot 100 % van de subsidiabele kosten bij te dragen aan de financiering van subsidiabele acties uit hoofde van artikel 12 van deze verordening.
In afwijking van artikel 5, lid 2, artikel 18, lid 4, punt d), en artikel 19, lid 3, punt d), van Verordening (EU) 2021/241 en criterium 2.4 van bijlage V daarbij, bij is het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” niet van toepassing op de door de herstel- en veerkrachtfaciliteit ondersteunde bijdragen van de lidstaten, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat in de desbetreffende bijdrageovereenkomst met de Commissie aantoont dat het niet haalbaar of passend is ervoor te zorgen dat het soort activiteiten dat uit hoofde van deze verordening wordt ondersteund, voldoet aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.
3. Eventuele aanvullende bedragen die worden ontvangen in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten die zijn gesloten op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2025/1106 van de Raad (38), vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement en worden overeenkomstig deze verordening gebruikt voor het programma.
4. Aan de lidstaten in gedeeld beheer toegewezen middelen kunnen, op verzoek van de betrokken lidstaat, onder de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/1060 worden overgedragen naar het instrument. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Die middelen worden ten voordele van de betrokken lidstaat gebruikt.
5. Wat betreft de bedragen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel worden bijgedragen, kan de betrokken lidstaat besluiten nemen over het aandeel van die bedragen dat ter beschikking moet worden gesteld aan alle entiteiten die uit hoofde van deze verordening voor financiering in aanmerking komen, die alleen ten behoeve van de betrokken lidstaat of daarnaast ten behoeve van andere lidstaten ter beschikking moeten worden gesteld. Indien de bedragen ten behoeve van de betrokken lidstaat of daarnaast ten behoeve van andere lidstaten ter beschikking worden gesteld, kunnen die bedragen, in afwijking van artikel 20, lid 6, van deze verordening en van artikel 193, lid 1, van het Financieel Reglement, worden gebruikt om tot 100 % van de subsidiabele kosten bij te dragen aan de financiering van subsidiabele acties uit hoofde van artikel 12 van deze verordening.
6. Indien de Commissie geen juridische verbintenis in direct of indirect beheer voor overeenkomstig lid 4 van dit artikel overgedragen middelen is aangegaan, en uiterlijk op 31 december 2028, kunnen de overeenkomstige niet-vastgelegde middelen op verzoek van de betrokken lidstaat weer naar een of meer van de respectieve bronprogramma’s worden overgedragen, overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/1060.
Artikel 6
Alternatieve, gecombineerde en cumulatieve financiering
1. Het programma wordt uitgevoerd in synergie met andere programma’s van de Unie. Aan een actie waaraan een bijdrage uit een ander programma van de Unie is toegekend, kan ook een bijdrage uit hoofde van het programma worden toegekend, mits die bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van het desbetreffende programma van de Unie zijn van toepassing op de overeenkomstige bijdrage, of er kan één reeks regels van een van de bijdragende programma’s van de Unie op alle bijdragen worden toegepast, en er kan één juridische verbintenis worden aangegaan. De cumulatieve steun uit de Uniebegroting mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en kan op een pro-ratabasis worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgelegd.
2. Om in het kader van het programma een excellentiekeurmerk toegekend te krijgen, voldoen acties aan alle volgende voorwaarden:
a)
zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;
b)
zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;
c)
zij worden wegens budgetbeperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen gefinancierd.
3. Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) 2021/1060 mag het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) of het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) voorstellen ondersteunen die zijn ingediend naar aanleiding van een uit hoofde van het programma gedane oproep tot het indienen van voorstellen en die een excellentiekeurmerk toegekend hebben gekregen.
Artikel 7
Uitvoering en vormen van Uniefinanciering
1. Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer overeenkomstig het Financieel Reglement of in indirect beheer met in artikel 62, lid 1, punt c), van het Financieel Reglement bedoelde entiteiten.
2. Onverminderd artikel 20, lid 3, van deze verordening kan Uniefinanciering worden verstrekt in een van de vormen die zijn vastgelegd in het Financieel Reglement, met name in de vorm van subsidies, prijzen, aanbestedingen en financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen uit hoofde van het InvestEU-programma overeenkomstig titel X van het Financieel Reglement.
3. Met betrekking tot de in artikel 12, lid 1, van deze verordening bedoelde acties, waarvoor Uniefinanciering in de vorm van een subsidie wordt verstrekt en waarbij winst wordt gemaakt, is de Commissie gerechtigd om het percentage van de winst dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie aan de subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door de begunstigde die de actie uitvoert, terug te vorderen tot het definitieve bedrag van de bijdrage van de Unie. In afwijking van artikel 195, lid 2, van het Financieel Reglement wordt de winst berekend als het overschot van de ontvangsten ten opzichte van de subsidiabele kosten van de actie, waarbij de ontvangsten beperkt zijn tot Uniefinanciering, financiering door de lidstaten, met inbegrip van aanbestedingen, andere tijdens de actie gegenereerde inkomsten en eventuele inkomsten uit de actie. De in artikel 21 van deze verordening bedoelde werkprogramma’s kunnen nadere bijzonderheden bevatten.
4. In afwijking van artikel 196, lid 2, van het Financieel Reglement kunnen financiële bijdragen, indien voor de uitvoering van een actie relevant en noodzakelijk, betrekking hebben op acties die zijn gestart en kosten die zijn gemaakt vóór de datum van indiening van het voorstel voor die acties, mits die acties niet vóór 5 maart 2024 van start zijn gegaan en niet zijn voltooid vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst.
Artikel 8
Met het programma geassocieerde derde landen
Het programma staat open voor deelname door geassocieerde landen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgelegd in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Artikel 9
In aanmerking komende juridische entiteiten
1. Alleen juridische entiteiten die in de Unie of in een geassocieerd land zijn gevestigd en die hun uitvoerende bestuursstructuren in de Unie of in een geassocieerd land hebben, komen in aanmerking voor ontvangst van Uniefinanciering uit hoofde van deze verordening.
2. Naast de overeenkomstig het Financieel Reglement vastgestelde criteria zijn de in de leden 3 tot en met 9 van dit artikel vastgelegde criteria om in aanmerking te komen van toepassing.
3. De infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen van de bij een actie betrokken ontvangers van Uniefinanciering die worden gebruikt voor de doeleinden van die actie, bevinden zich tijdens de gehele duur van de actie op het grondgebied van een lidstaat of een geassocieerd land.
4. In afwijking van lid 3 van dit artikel kunnen bij een actie betrokken ontvangers van Uniefinanciering, indien zij in de Unie of in een geassocieerd land niet over onmiddellijk beschikbare alternatieven of relevante infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen beschikken, hun infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen gebruiken die zich buiten het grondgebied van de lidstaten of van de geassocieerde landen bevinden of aldaar worden gehouden, mits dat gebruik niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, en strookt met de in artikel 4 vastgelegde doelstellingen. De kosten in verband met activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van deze infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen komen niet in aanmerking voor steun uit het programma.
5. De ontvangers van Uniefinanciering in het kader van het programma staan niet onder zeggenschap van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land.
6. In afwijking van lid 5 van dit artikel komt een in de Unie of een geassocieerd land gevestigde juridische entiteit die onder zeggenschap staat van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, in aanmerking als ontvanger van Uniefinanciering indien garanties die zijn goedgekeurd overeenkomstig de nationale procedures van een lidstaat of geassocieerd land waarin zij is gevestigd, zoals gepaste maatregelen in het kader van screening, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad (39), ter beschikking van de Commissie zijn gesteld.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde garanties bieden de waarborg dat de betrokkenheid bij een actie van een juridische entiteit als bedoeld in die alinea niet strijdig is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten zoals vastgesteld in het kader van het GBVB op grond van titel V van het VEU, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, noch met de in artikel 4 van deze verordening vastgelegde doelstellingen. Die garanties moeten met name aantonen dat er voor de uitvoering van een actie maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat:
a)
de zeggenschap over de juridische entiteit niet zodanig wordt uitgeoefend dat het vermogen ervan om de actie uit te voeren en resultaten te boeken wordt belemmerd of beperkt, dat er beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de infrastructuur, faciliteiten, activa, middelen, intellectuele eigendom of knowhow die nodig zijn voor de actie, of dat de vermogens en normen die nodig zijn voor de uitvoering van de actie, worden ondermijnd;
b)
de toegang van een niet-geassocieerd derde land of van een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land tot gerubriceerde of gevoelige informatie met betrekking tot de actie wordt voorkomen, en de werknemers of andere personen die bij de actie zijn betrokken, in voorkomend geval beschikken over een door een lidstaat of geassocieerd land afgegeven nationale veiligheidsmachtiging, overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving;
c)
het bezit van intellectuele eigendom dat voortvloeit uit in artikel 12, lid 1, punt d), bedoelde acties, niet is onderworpen aan beperkingen door een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, noch wordt overgedragen aan entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten of geassocieerde landen zijn gevestigd, zonder de goedkeuring van de lidstaat of het geassocieerde land waarin de juridische entiteit is gevestigd. Die goedkeuring mag niet in strijd zijn met de doelstellingen van artikel 4.
Indien de lidstaat of het geassocieerde land van vestiging van de juridische entiteit dit passend acht, kunnen aanvullende garanties worden verstrekt.
De Commissie informeert het in artikel 77 bedoelde comité over juridische entiteiten die overeenkomstig dit lid in aanmerking komen als ontvanger van Uniefinanciering.
7. De in lid 6 van dit artikel vermelde garanties kunnen gebaseerd zijn op een gestandaardiseerd model dat door de Commissie, bijgestaan door het in artikel 77 bedoelde comité, is verstrekt ter waarborging van een geharmoniseerde aanpak in de hele Unie.
8. Bij het uitvoeren van een subsidiabele actie kunnen de ontvangers ook samenwerken met juridische entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten of van geassocieerde landen zijn gevestigd of onder zeggenschap staan van een niet-geassocieerd derde land of van een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, onder meer door gebruik te maken van de activa, infrastructuur, faciliteiten en middelen van deze juridische entiteiten, mits dergelijk gebruik niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, of met de in artikel 4 vastgelegde doelstellingen.
Een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land krijgt zonder toestemming geen toegang tot gerubriceerde informatie in verband met de uitvoering van de actie, en mogelijke negatieve effecten op het gebied van de voorzieningszekerheid ten aanzien van inputs die essentieel zijn voor de actie, worden vermeden.
De kosten in verband met de samenwerking met juridische entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten of geassocieerde landen zijn gevestigd, of onder zeggenschap staan van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, komen niet in aanmerking voor steun uit het programma.
9. De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op:
a)
aanbestedende diensten van lidstaten en geassocieerde landen;
b)
internationale organisaties;
c)
SEAP’s;
d)
het EDA.
AFDELING 2
SUBSIDIABELE ACTIES
Artikel 10
Subsidiabele acties
1. Acties die in aanmerking komen voor financiering uit het programma, dienen ter verwezenlijking van de in artikel 4 genoemde doelstellingen en kunnen een van de volgende vormen of een combinatie daarvan aannemen:
a)
gemeenschappelijke aanbestedingsacties zoals bedoeld in artikel 11, onder meer met het oog op het aanleggen, beheren of onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie;
b)
acties ter versterking van de industrie zoals bedoeld in artikel 12;
c)
ondersteunende acties zoals bedoeld in artikel 13;
d)
de uitrol van EDPGB’s zoals bedoeld in artikel 35.
2. De volgende acties zijn in het kader van het programma niet subsidiabel:
a)
acties in verband met defensieproducten die krachtens het toepasselijke internationale recht verboden zijn;
b)
acties in verband met dodelijke autonome systemen die buiten een verantwoordelijke keten van menselijke bevelvoering en controle opereren of die niet kunnen worden gebruikt in overeenstemming met het internationaal humanitair recht;
c)
acties in verband met clustermunitie;
d)
acties of delen daarvan die al volledig uit andere publieke of particuliere bronnen worden gefinancierd.
3. Voor aanbestedingen die worden uitgevoerd op grond van de artikelen 11, 13 en 35 en die door Uniefinanciering worden ondersteund, bedragen de kosten van componenten die afkomstig zijn van buiten de Unie en geassocieerde landen niet meer dan 35 % van de geraamde kosten van de componenten van het eindproduct. Er worden geen componenten aangekocht in derde landen die de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten schaden.
4. Voor acties die worden uitgevoerd op grond van artikel 12 en voor activiteiten die worden uitgeoefend op grond van artikel 35, met uitzondering van aanbestedingsactiviteiten, bedragen de kosten van componenten die afkomstig zijn van buiten de Unie en geassocieerde landen niet meer dan 35 % van de geraamde kosten van de componenten van het product waarvoor de productiecapaciteit wordt verhoogd met behulp van Uniefinanciering. Voor het product waarvoor de productiecapaciteit wordt verhoogd met behulp van Uniefinanciering worden geen componenten aangekocht in derde landen die de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten schaden.
5. Ontvangers van Uniefinanciering of, in voorkomend geval, contractanten hebben de mogelijkheid om, zonder door niet-geassocieerde derde landen of door entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen opgelegde beperkingen, te beslissen over de definitie, aanpassing en ontwikkeling van het ontwerp van de betrokken defensieproducten, met inbegrip van de wettelijke bevoegdheid om componenten te vervangen of te verwijderen die onderworpen zijn aan door niet-geassocieerde derde landen of door entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen opgelegde beperkingen.
6. Onverminderd artikel 5 van Richtlijn 2009/43/EG kunnen de lidstaten algemene overdrachtsvergunningen openbaar maken voor de overdracht aan andere lidstaten van producten die verband houden met door het programma ondersteunde acties.
Artikel 11
Gemeenschappelijke aanbestedingsacties
1. Gemeenschappelijke aanbestedingsacties bestaan uit activiteiten in verband met de samenwerking tussen juridische entiteiten bij de aanbesteding van defensieproducten, op elk moment in de levenscyclus van dergelijke defensieproducten, onder meer met het oog op het aanleggen, beheren en onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie.
2. Slechts de volgende juridische entiteiten komen in aanmerking voor gemeenschappelijke aanbestedingsacties:
a)
aanbestedende diensten van lidstaten of geassocieerde landen;
b)
internationale organisaties;
c)
SEAP’s;
d)
het EDA.
3. Gemeenschappelijke aanbestedingsacties worden uitgevoerd door:
a)
een consortium van juridische entiteiten zoals bedoeld in lid 2, met inbegrip van ten minste drie in lid 2, punt a), bedoelde entiteiten, uit ten minste drie lidstaten of geassocieerde landen waarvan er ten minste twee aanbestedende diensten van twee lidstaten zijn, of
b)
een SEAP.
4. De lidstaten en geassocieerde landen die een gemeenschappelijke aanbestedingsactie uitvoeren, wijzen met eenparigheid van stemmen een aanbestedingsagent aan die namens hen optreedt met het oog op die gemeenschappelijke aanbesteding. De aanbestedingsagent voert namens de deelnemende landen de aanbestedingsprocedures uit en sluit de daaruit voortvloeiende overeenkomsten met de contractanten. De aanbestedingsagent kan aan de actie deelnemen als een begunstigde en optreden als de coördinator van het consortium van juridische entiteiten, en kan derhalve middelen uit het programma en van de deelnemende lidstaten en geassocieerde landen beheren en combineren.
5. De in lid 4 vermelde aanbestedingsprocedures zijn gebaseerd op een overeenkomst die door de deelnemende lidstaten en geassocieerde landen met de aanbestedingsagent moet worden ondertekend onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in het werkprogramma. In de overeenkomst worden met name de praktische regelingen bepaald die van toepassing zijn op de gemeenschappelijke aanbesteding en op het besluitvormingsproces met betrekking tot de keuze van de procedure, de beoordeling van de inschrijvingen en de gunning van de opdracht.
6. De aanbestedingsagent past criteria toe die gelijk zijn aan de criteria die zijn vastgelegd in artikel 9 van zijn aanbestedingsprocedures en overeenkomsten met contractanten, en verlangt dat die criteria worden toegepast op subcontractanten.
7. Teneinde rekening te houden met industriële samenwerking met niet-geassocieerde derde landen komen, in afwijking van lid 6, gemeenschappelijke aanbestedingen waarbij een subcontractant is betrokken aan wie tussen 15 % en 35 % van de waarde van de opdracht is toegewezen en die niet is gevestigd in of zijn uitvoerende bestuursstructuren niet heeft in de Unie of een geassocieerd land, in aanmerking voor steun uit hoofde van het programma, mits er vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening een rechtstreekse contractuele relatie met betrekking tot het defensieproduct tussen de contractant en die subcontractant is aangegaan.
8. De aanbestedingsagenten stellen de Commissie in kennis van de garanties zoals bedoeld in artikel 9, lid 6. Verdere informatie over die garanties wordt op verzoek ter beschikking gesteld aan de Commissie. De Commissie informeert het in artikel 77 bedoelde comité over elke overeenkomstig dit lid verstrekte kennisgeving.
9. Alvorens een aanbestedingsprocedure voor een gemeenschappelijke aanbestedingsactie uit hoofde van deze verordening uit te schrijven, stelt de aanbestedingsagent de lidstaten die niet aan de geplande procedure deelnemen, daarvan in kennis en stelt hij hen in de gelegenheid om, binnen een redelijke termijn, bij de aanbestedingsagent een met redenen omkleed verzoek in te dienen om aanvullende hoeveelheden defensieproducten voor hen aan te schaffen. Indien een dergelijk verzoek wordt ingediend, hebben de deelnemende aanbestedende diensten krachtens de gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst het recht om aanvullende hoeveelheden defensieproducten voor die lidstaten aan te schaffen, onverminderd de toepasselijke Unie- en nationale regels inzake de uitvoer van defensieproducten.
10. Alvorens een aanbestedingsprocedure voor een gemeenschappelijke aanbestedingsactie uit hoofde van deze verordening uit te schrijven, stelt de aanbestedingsagent, waar mogelijk, ook geassocieerde landen en Oekraïne in kennis stellen van de geplande procedure en stelt hij hen in de gelegenheid om bij de aanbestedingsagent een met redenen omkleed verzoek in te dienen om aanvullende hoeveelheden defensieproducten voor hen aan te schaffen. Indien een dergelijk verzoek wordt ingediend, hebben de deelnemende aanbestedende diensten krachtens de gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst het recht aanvullende hoeveelheden defensieproducten voor geassocieerde landen en Oekraïne aan te schaffen.
Artikel 12
Acties ter versterking van de industrie
1. Acties ter versterking van de industrie bestaan uit activiteiten in verband met het versnellen van de aanpassing aan structurele veranderingen van de productiecapaciteit van defensieproducten, met inbegrip van de componenten en overeenkomstige grondstoffen daarvan, voor zover zij uitsluitend bestemd zijn of worden gebruikt voor de productie van defensieproducten, met name:
a)
de optimalisering, uitbreiding, modernisering, inclusief automatisering, opwaardering of herbestemming van bestaande, of de totstandbrenging van nieuwe productiecapaciteit voor defensieproducten, componenten en overeenkomstige grondstoffen, onder meer op basis van de aanbesteding of verwerving van de benodigde gereedschapswerktuigen en alle andere noodzakelijke productiemiddelen;
b)
het opzetten van grensoverschrijdende partnerschappen in de industrie, onder meer via publiek-private partnerschappen of andere vormen van samenwerking in de industrie, inclusief kmo’s en kleine midcaps, in het kader van een gezamenlijke inspanning van de industrie, met inbegrip van activiteiten die gericht zijn op de coördinatie van het betrekken of reserveren en het aanleggen van voorraden van defensieproducten, componenten en overeenkomstige grondstoffen en op de coördinatie van productiecapaciteit en productieplannen;
c)
het opbouwen en beschikbaar stellen van gereserveerde productiecapaciteit voor een snelle toename in de vraag naar defensieproducten en de componenten en overeenkomstige grondstoffen daarvan, in overeenstemming met de bestelde of geplande productievolumes;
d)
het bevorderen van de industrialisering en commercialisering van defensieproducten die zijn ontwikkeld in het kader van door de Unie gefinancierde acties of van andere samenwerkingsactiviteiten die met steun van minstens twee lidstaten zijn uitgevoerd, ook door het aangaan van grensoverschrijdende industriële partnerschappen, publiek-private partnerschappen of andere vormen van industriële samenwerking en door het opvoeren van de initiële productie en in voorkomend geval, door productie onder licentie;
e)
het testen, met inbegrip van de nodige infrastructuur, en, indien nodig, het certificeren van het opnieuw inzetbaar maken van defensieproducten om de veroudering ervan aan te pakken en ze voor eindgebruikers bruikbaar te maken.
2. Voor de in lid 1, punt d), bedoelde activiteiten wordt de actie uitgevoerd door juridische entiteiten die samenwerken binnen een consortium van ten minste drie in aanmerking komende juridische entiteiten, waarvan er ten minste twee in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Ten minste drie van die in aanmerking komende juridische entiteiten die gevestigd zijn in ten minste twee verschillende lidstaten, staan gedurende de gehele periode waarin de actie wordt uitgevoerd niet direct of indirect onder zeggenschap van dezelfde juridische entiteit, noch mogen zij onder elkaars zeggenschap staan.
3. Niettegenstaande artikel 2, kunnen de in lid 1 bedoelde activiteiten door een SEAP worden uitgevoerd.
4. Voor de productie van munitie en raketten hebben ontvangers van Uniefinanciering of bevoegde overheidsinstanties van de betrokken lidstaten de mogelijkheid om, zonder door niet-geassocieerde derde landen of door entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen opgelegde beperkingen, te beslissen over de definitie, aanpassing en ontwikkeling van het ontwerp van het defensieproduct in kwestie, met inbegrip van de wettelijke bevoegdheid om componenten te vervangen of te verwijderen die onderworpen zijn aan door niet-geassocieerde derde landen of door entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen opgelegde beperkingen, of hebben zij, in afwijking van artikel 10, lid 5, een juridisch bindende toezegging van het betrokken niet-geassocieerde derde land of de betrokken entiteit uit een niet-geassocieerd derde land verkregen dat zij het vermogen om te beslissen zullen verkrijgen binnen een redelijke termijn die in verhouding staat tot de complexiteit van de betrokken actie en in elk geval niet later dan 31 december 2033.
Artikel 13
Ondersteunende acties
1. Ondersteunende acties bestaan uit:
a)
activiteiten ter vergroting van de interoperabiliteit en de onderlinge uitwisselbaarheid, met inbegrip van de wederzijdse certificering van defensieproducten en activiteiten die leiden tot wederzijdse erkenning van certificering, of ter facilitering van de toepassing van militaire normen, in het bijzonder NAVO-normen en andere relevante normen, waardoor buitensporige differentiatie van defensieproducten in de Unie wordt verminderd;
b)
activiteiten ter facilitering van de toegang tot de defensiemarkt voor kmo’s, midcaps en start-ups, en ondersteuning bij het verkrijgen van de nodige kwaliteits- en productiecertificaten;
c)
de capaciteitsopbouw, opleiding, omscholing of bijscholing van personeel in verband met de in artikel 10, lid 1, bedoelde activiteiten;
d)
de aanschaf van systemen voor fysieke en cyberbeveiliging in verband met de in artikel 12 bedoelde activiteiten;
e)
coördinatie- en technische ondersteuningsacties, met name om vastgestelde knelpunten in productiecapaciteit en toeleveringsketens aan te pakken teneinde de productie van crisisrelevante producten veilig te stellen en te versnellen zodat de effectieve levering en tijdige beschikbaarheid ervan kan worden gewaarborgd;
f)
de opstelling van een Europese catalogus voor militaire verkoop zoals bedoeld in hoofdstuk V;
g)
ondersteuning voor de oprichting en werking van SEAP’s, onder meer met het oog op het aanleggen, beheren en onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie;
h)
activiteiten die gericht zijn op snelle aanpassing en wijziging van civiele producten voor defensietoepassingen;
i)
innovatieacties op defensiegebied, met inbegrip van innovatieacties op defensiegebied in verband met noodgevallen wanneer de in artikel 68 bedoelde maatregel wordt geactiveerd.
2. Voor de in lid 1, punt a), bedoelde activiteiten wordt de actie uitgevoerd door juridische entiteiten die samenwerken binnen een consortium van ten minste drie in aanmerking komende juridische entiteiten, waarvan er ten minste twee in ten minste twee verschillende lidstaten zijn gevestigd. Ten minste drie van die in aanmerking komende juridische entiteiten staan gedurende de gehele periode waarin de actie wordt uitgevoerd niet direct of indirect onder zeggenschap van dezelfde juridische entiteit, noch mogen zij onder elkaars zeggenschap staan.
3. Niettegenstaande lid 2, kunnen de in lid 1 bedoelde activiteiten door een SEAP worden uitgevoerd.
AFDELING 3
FONDS VOOR DE VERSNELDE TRANSFORMATIE VAN DEFENSIETOELEVERINGSKETENS (FAST)
Artikel 14
Fonds voor de versnelde transformatie van defensietoeleveringsketens (FAST)
1. Om de benodigde investeringen voor vergroting van de productiecapaciteit op defensiegebied van kmo’s en kleine midcaps die voldoen aan criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9, lid 1, en in voorkomend geval, artikel 9, leden 3 en 4, aan te trekken, de risico’s van die investeringen te verminderen en die investeringen te versnellen, kan onder de naam “fonds voor de versnelde transformatie van defensietoeleveringsketens” (FAST) een blendingverrichting worden ingericht die steun verleent in de vorm van vreemd vermogen, eigen vermogen of beide. Het fonds wordt uitgevoerd overeenkomstig titel X van het Financieel Reglement en Verordening (EU) 2021/523.
2. De specifieke doelstellingen van het FAST zijn:
a)
een bevredigend multiplicatoreffect tot stand brengen dat overeenstemt met de mix van vreemd en eigen vermogen en dat bijdraagt tot het aantrekken van zowel publieke als private financiering;
b)
in de hele Unie steun verlenen aan kmo’s, met inbegrip van start-ups en scale-ups, en kleine midcaps die moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot financiering en die:
i)
defensieproducten industrialiseren of vervaardigen of vergevorderde plannen hebben om dit te doen; of
ii)
deel uitmaken van de defensietoeleveringsketen van de Unie of vergevorderde plannen hebben om daarvan deel te gaan uitmaken;
c)
investeringen op het gebied van de productie van defensieproducten en de ontwikkeling van defensietechnologieën versnellen, en aldus de voorzieningszekerheid van de waardeketens van de defensie-industrie van de Unie versterken.
AFDELING 4
AANBESTEDING
Artikel 15
Aanbesteding met steun van de Commissie
1. Overeenkomstig artikel 168 van het Financieel Reglement kunnen de lidstaten de Commissie verzoeken:
a)
met hen een gezamenlijke aanbesteding uit te voeren zoals bedoeld in artikel 168, lid 2, van het Financieel Reglement, waarbij lidstaten de gezamenlijk aangekochte defensieproducten volledig kunnen verwerven, huren of leasen;
b)
op te treden als aankoopcentrale zoals bedoeld in artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement om defensieproducten voor rekening van of in naam van de belangstellende lidstaten te kopen.
2. Wanneer de Commissie wordt verzocht op te treden overeenkomstig lid 1 van dit artikel worden de aanbestedende diensten van de lidstaten geacht te hebben voldaan aan de vereisten van Richtlijn 2009/81/EG.
3. In afwijking van artikel 168, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement kan een geassocieerd land de Commissie verzoeken deel te nemen aan gezamenlijke aanbestedingen, als bedoeld in lid 1, punt a), van dit artikel. De andere voorwaarden van artikel 168, lid 2, van het Financieel Reglement zijn van toepassing op dergelijke gezamenlijke aanbestedingen.
4. In afwijking van artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement kan een geassocieerd land samen met ten minste één lidstaat de Commissie verzoeken op te treden als aankoopcentrale, zoals bedoeld in lid 1, punt b), van dit artikel. Wanneer de Commissie optreedt als aankoopcentrale zijn voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement van toepassing.
5. Naast de in het Financieel Reglement vastgelegde voorwaarden voldoet de in de leden 1, 3 en 4, van dit artikel bedoelde aanbestedingsprocedure ook aan de volgende voorwaarden:
a)
deelname aan de aanbestedingsprocedure staat open voor alle lidstaten en kan, in afwijking van artikel 168, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement, openstaan voor geassocieerde landen;
b)
de Commissie nodigt uit ieder deelnemend land ten minste één deskundige met relevante ervaring voor de onderhandelingen uit om een gezamenlijk onderhandelingsteam te vormen;
c)
de deelnemende landen vermelden uitdrukkelijk of zij besluiten parallelle onderhandelingen over het product in kwestie te voeren, waarbij voor dat besluit unanieme goedkeuring door de deelnemende landen vereist is.
6. Indien de Commissie overeenkomstig lid 1, punt b, en lid 4, optreedt als aankoopcentrale, kan zij voor rekening of in naam van lidstaten of geassocieerde landen componenten en grondstoffen aankopen die nodig zijn voor de levering van defensieproducten met het oog op het aanleggen van strategische reserves door deelnemende landen, waaronder het aanleggen van voorraden.
7. Indien bijzonder dringende omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Commissie, in afwijking van artikel 175, lid 1, van het Financieel Reglement, verzoeken om levering van de defensieproducten vanaf de dag van verzending van de ontwerpopdrachten die voortvloeien uit de voor de toepassing van deze verordening uitgevoerde aanbesteding.
8. Om aankoopovereenkomsten met marktdeelnemers te sluiten, kunnen vertegenwoordigers van de Commissie of door de Commissie aangewezen deskundigen, in samenwerking met de betrokken nationale autoriteiten, bezoeken ter plaatse uitvoeren op de locaties van de productiefaciliteiten van relevante defensieproducten.
9. Dit artikel doet geen afbreuk aan bestaande Unie- en nationale regels inzake de eigendom, uitvoer en overdracht van defensieproducten.
10. De Commissie zorgt ervoor dat de deelnemende landen gelijk worden behandeld bij de uitvoering van de aanbestedingsprocedures en bij de uitvoering van de daaruit voortvloeiende overeenkomsten.
11. Naast de in het Financieel Reglement vastgelegde voorwaarden zijn criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9, leden 1, 3 en 4, van deze verordening ook van toepassing op inschrijvers, contractanten en subcontractanten in opdrachten die voortvloeien uit de overeenkomstig dit artikel uitgevoerde aanbesteding.
12. Op de overeenkomstig lid 1, punt a), en lid 3, van dit artikel uitgevoerde aanbestedingen zijn de regels van artikel 10, leden 3 en 5, van toepassing.
Artikel 16
Aankoopovereenkomsten voor defensieproducten
1. Gezamenlijke aanbestedingen zoals bedoeld in artikel 15, lid 1, punt a), kunnen de vorm aannemen van aankoopovereenkomsten voor defensieproducten die na onderhandelingen in naam of voor rekening van de deelnemende landen zijn gesloten. Dergelijke overeenkomsten kunnen voorzien in een vooruitbetalingsmechanisme voor de productie van dergelijke producten in ruil voor het recht op het resultaat, waarbij dat mechanisme slechts betrekking mag hebben op die delen van de opdracht die niet-recurrente kosten betreffen, waaronder de reservering van productiecapaciteit.
2. Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomsten een vooruitbetalingsmechanisme omvatten, kan de vooruitbetaling aan de contractant worden gedekt door de in artikel 3, lid 1, bedoelde financiële middelen. Bijdragen van de deelnemende landen als bedoeld in artikel 5 worden op gelijkwaardige basis per door de deelnemende landen besteld artikel in aanmerking genomen.
3. In gevallen waarin de na onderhandeling overeengekomen hoeveelheden de vraag overschrijden, zet de Commissie op verzoek van de betrokken deelnemende landen een mechanisme op voor de herverdeling ten gunste van nationale voorraden of voor het aanleggen van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie.
Artikel 17
Faciliteren van afnameovereenkomsten
1. De Commissie zet een systeem op om het sluiten van afnameovereenkomsten in verband met de industriële opschaling van de productiecapaciteit van de EDTIB tussen lidstaten en, in voorkomend geval, geassocieerde landen enerzijds en marktdeelnemers van de EDTIB anderzijds te faciliteren, in overeenstemming met de mededingings- en aanbestedingsregels van de Unie. De Commissie ziet erop toe dat de toegang van een niet-geassocieerd derde land of van een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land tot gerubriceerde of gevoelige informatie met betrekking tot de actie wordt voorkomen, en dat de werknemers of andere personen die bij de actie zijn betrokken over een door een lidstaat of geassocieerd land afgegeven nationale veiligheidsmachtiging beschikken.
2. Het in lid 1 bedoelde systeem stelt belangstellende lidstaten en geassocieerde landen in staat biedingen voor defensieproducten te doen onder vermelding van:
a)
het volume en de kwaliteit;
b)
de beoogde prijs of het beoogde prijsbereik;
c)
de beoogde geldigheidsduur van de afnameovereenkomst.
3. Het in lid 1 van dit artikel bedoelde systeem stelt fabrikanten van defensieproducten die voldoen aan criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9, leden 1, 3 en 4, in staat aanbiedingen te doen onder vermelding van:
a)
het volume en de kwaliteit van de defensieproducten waarvoor zij afnameovereenkomsten willen sluiten;
b)
de beoogde prijs of het beoogde prijsbereik waartegen zij willen verkopen;
c)
de verwachte doorlooptijd voor de levering van defensieproducten in het kader van de afnameovereenkomst;
d)
de beoogde geldigheidsduur van de afnameovereenkomst.
4. Op basis van de overeenkomstig de leden 2 en 3 ontvangen biedingen en aanbiedingen brengt de Commissie relevante fabrikanten van defensieproducten in contact met belangstellende lidstaten en geassocieerde landen.
5. Naar aanleiding van het in lid 4 van dit artikel bedoelde contact kunnen belangstellende landen de Commissie verzoeken een gezamenlijke aanbestedingsprocedure of een aanbestedingsprocedure in hun naam, of voor hun rekening, uit te voeren, op grond van artikel 15.
6. De in artikel 3, lid 1, bedoelde financiële middelen kunnen betrekking hebben op de delen van de opdracht die niet-recurrente kosten betreffen, waaronder de reservering van productiecapaciteit.
AFDELING 5
TOEKENNINGSCRITERIA EN WERKPROGRAMMA’S
Artikel 18
Toekenningscriteria
1. Voorstellen voor acties worden geëvalueerd in het licht van de voor de actie bepaalde doelstellingen, de verwachte resultaten van de desbetreffende actie en de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering ervan. Die evaluatie omvat met name een of meer van de volgende criteria:
a)
de bijdrage aan het concurrentievermogen;
b)
de bijdrage aan de veerkracht en de geografische spreiding van de productiecapaciteit;
c)
de verhoging van de productiecapaciteit;
d)
de toename van de interoperabiliteit;
e)
de uitbreiding van de onderlinge uitwisselbaarheid; en
f)
de bijdrage tot het verminderen van strategische afhankelijkheden.
2. Naast de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria worden voorstellen voor gemeenschappelijke aanbestedingsacties als bedoeld in artikel 11 beoordeeld op basis van de volgende criteria:
a)
het aantal deelnemende lidstaten of geassocieerde landen;
b)
de bijdrage van de actie aan de aanpassing, modernisering en ontwikkeling van de EDTIB in de hele Unie; en
c)
de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen en midcaps.
3. Naast de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria worden voorstellen voor acties ter versterking van de industrie als bedoeld in artikel 12 beoordeeld op basis van de volgende criteria:
a)
de verkorting van de productiedoorlooptijd en de toename van de productiecapaciteit in de Unie, van de gereserveerde capaciteit en van het aantal geschoolde arbeidskrachten;
b)
de bijdrage aan het waarborgen van de beschikbaarheid en voorzieningszekerheid in de hele Unie als reactie op vastgestelde risico’s, waaronder met name een hoge blootstelling aan het risico dat conventionele militaire dreigingen werkelijkheid worden; en
c)
de bijdrage aan grensoverschrijdende industriële samenwerking op defensiegebied in de hele Unie, de verbetering van de inclusie van kmo’s en midcaps, of de koppeling met bestellingen die voortvloeien uit de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten door ten minste drie lidstaten of geassocieerde landen.
4. De in artikel 21 bedoelde werkprogramma’s bevatten nadere bijzonderheden over de toepassing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde criteria, met inbegrip van eventuele wegingscriteria die moeten worden toegepast. In de werkprogramma’s worden geen individuele drempels vastgelegd.
5. Het evaluatiecomité kan worden bijgestaan door onafhankelijke externe deskundigen, overeenkomstig artikel 153, lid 3, van het Financieel Reglement. De werkprogramma’s kunnen bepalen dat die deskundigen over een geldige persoonlijke veiligheidsmachtiging moeten beschikken.
Artikel 19
Selectie- en toekenningsprocedure
Met uitzondering van de in artikel 11, artikel 13, lid 1, punt g), en artikel 10, lid 1, punt d), bedoelde acties, kent de Commissie de financiering uit hoofde van dit hoofdstuk toe door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 20
Financiële bijdrage van de Unie
1. Voor de in de artikelen 13 en 35 van deze verordening bedoelde acties, en in afwijking van artikel 193, lid 1, van het Financieel Reglement, indien de financiële bijdrage van de Unie de vorm aanneemt van subsidies, kan het programma tot 100 % van de subsidiabele kosten financieren.
2. Indien de subsidie van de Unie de vorm aanneemt van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, kan, op grond van artikel 183, lid 3, van het Financieel Reglement, de hoogte van de bijdrage van de Unie die aan elke actie wordt toegekend, worden gebaseerd op factoren zoals:
a)
de mate van complexiteit van de gemeenschappelijke aanbesteding, waarvoor een deel van de geschatte waarde van de gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst en de bij gelijkaardige acties opgedane ervaring als initiële indicator kan dienen;
b)
de bijdrage van de actie aan de verbetering van de interoperabiliteitsresultaten;
c)
de kenmerken van de actie die waarschijnlijk zullen leiden tot betere langetermijninvesteringssignalen voor de industrie, met name wanneer de gemeenschappelijke aanbesteding activiteiten omvat die in aanmerking zouden komen voor financiering uit de Uniebegroting, zoals onderzoek en ontwikkeling, testen en certificering, initiële productie of activiteiten in het kader van operationele ondersteuning;
d)
het aantal deelnemende lidstaten en geassocieerde landen of de opname van extra lidstaten of geassocieerde landen in bestaande samenwerkingsverbanden;
e)
de bijdrage van de actie aan het opschalen van de nodige productiecapaciteit;
f)
de bijdrage van de actie aan de vermindering van de afhankelijkheid van niet-geassocieerde landen;
g)
de bijdrage van de actie aan het verbeteren van de samenwerking tussen lidstaten of geassocieerde landen met het oog op het aanleggen, beheren of onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie;
h)
de bijdrage van de actie aan het verbeteren van de samenwerking tussen lidstaten of geassocieerde landen die leidt tot de gemeenschappelijke aankoop van extra hoeveelheden defensieproducten voor Oekraïne of Moldavië;
i)
de complexiteit van de technologische oplossingen die nodig zijn voor de integratie van het aangeschafte defensieproduct in de strijdkrachten van een deelnemende lidstaat.
3. De in artikel 11 van deze verordening bedoelde acties worden gefinancierd met subsidies in de vorm van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, overeenkomstig artikel 183, lid 3, van het Financieel Reglement.
4. De financiële bijdrage van de Unie aan elke in artikel 11 bedoelde actie bedraagt ten hoogste 15 % van de geschatte waarde van de betrokken gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst.
5. In afwijking van lid 4 van dit artikel kan de financiële bijdrage van de Unie voor elke in artikel 11 bedoelde actie tot 25 % van de geschatte waarde van de betrokken gemeenschappelijke aanbestedingsovereenkomst bedragen mits aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de actie wordt uitgevoerd door een SEAP;
b)
de actie ondersteunt de gemeenschappelijke aanbesteding van beperkingsvrije eindproducten;
c)
de actie resulteert in de gemeenschappelijke aanbesteding van aanvullende hoeveelheden defensieproducten voor Oekraïne of Moldavië;
d)
de actie zorgt voor een ruime verdeling van leveranciers over de lidstaten, waarbij meer dan 20 % van de totale waarde van het eindproduct wordt vervaardigd door leveranciers die gevestigd zijn in ten minste één andere lidstaat dan de lidstaat waar de hoofdcontractant is gevestigd;
e)
de defensie-investeringsuitgaven van de meeste lidstaten die aan de betrokken actie deelnemen, bedroegen in het begrotingsjaar voorafgaand aan de aanvraag meer dan 30 % van hun respectieve defensie-uitgaven.
6. Voor de in artikel 12 bedoelde acties bedraagt de financiële bijdrage van de Unie niet meer dan 35 % van de subsidiabele kosten daarvan.
7. In afwijking van lid 6 van dit artikel kan de financiële bijdrage van de Unie aan elke in artikel 12 bedoelde actie tot 50 % van de subsidiabele kosten bedragen, indien de meerderheid van de begunstigden kmo’s of midcaps zijn die zijn gevestigd in lidstaten of geassocieerde landen of indien de actie wordt uitgevoerd door een SEAP, en indien ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de begunstigde toont aan een bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van nieuwe grensoverschrijdende samenwerking tussen in lidstaten of geassocieerde landen gevestigde entiteiten;
b)
de actie omvat de bouw van nieuwe infrastructuur, faciliteiten of productielijnen van onderaf of op locaties die voorheen niet voor dergelijke activiteiten werden gebruikt, en draagt bij tot de ontwikkeling van toeleveringsketens en de overdracht van technologie in de hele Unie;
c)
de actie draagt bij tot de totstandbrenging van nieuwe of de opschaling van bestaande productiecapaciteit voor in een crisis relevante producten.
8. De in artikel 21 bedoelde werkprogramma’s bevatten nadere bijzonderheden.
Artikel 21
Werkprogramma’s
1. Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma’s als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. De werkprogramma’s kunnen in voorkomend geval meerdere jaren beslaan. De werkprogramma’s bevatten een beschrijving van de acties en de desbetreffende financiële middelen die nodig zijn om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken en, waar toepasselijk, het totale bedrag dat voor blendingverrichtingen is gereserveerd.
2. De werkprogramma’s worden door de Commissie bij uitvoeringshandeling vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3. De werkprogramma’s omvatten met name:
a)
het totale bedrag van de bijdrage van de Unie aan elk type actie als bedoeld in artikel 10, lid 1, en een gedetailleerde beschrijving van elk type actie;
b)
met betrekking tot de in de artikelen 11 en 12 bedoelde acties, de minimale financiële omvang van de acties;
c)
met betrekking tot de in artikel 12 bedoelde acties, het maximumaantal juridische entiteiten dat deel uitmaakt van het consortium, dat niet meer dan 15 juridische entiteiten mag bedragen;
d)
de procedure voor de evaluatie en selectie van voorstellen, met inbegrip van, in voorkomend geval, een beschrijving van de mijlpalen die zodanig worden opgezet dat aanzienlijke vooruitgang bij de uitvoering van de acties wordt gemeten, de te behalen resultaten en de overeenkomstige uit te keren bedragen, alsmede de regelingen voor de verificatie van de mijlpalen, de vervulling van de voorwaarden en de verwezenlijking van de resultaten;
e)
het totale bedrag van de bijdrage van de Unie aan de gezamenlijke aanbesteding met steun van de Commissie als bedoeld in artikel 15, lid 1, punt a), artikel 15, lid 3, artikel 16 en artikel 17; en
f)
de methoden om de financiering te bepalen en, in voorkomend geval, aan te passen.
4. Bij de vaststelling van werkprogramma’s houdt de Commissie rekening met de noodzaak van samenhang met andere relevante programma’s en instrumenten van de Unie.
5. De in artikel 3, lid 1, bedoelde financiële middelen kunnen betrekking hebben op gezamenlijke aanbestedingen als bedoeld in artikel 15, lid 1, punt a), waarbij deze aanbestedingen slechts betrekking mogen hebben op de delen van de opdracht die niet-recurrente kosten betreffen, waaronder de reservering van productiecapaciteit.
HOOFDSTUK III
HET INSTRUMENT VOOR STEUN AAN OEKRAÏNE
AFDELING 1
ALGEMENE BEPALINGEN VOOR HET INSTRUMENT VOOR STEUN AAN OEKRAÏNE
Artikel 22
Doelstellingen
1. Het instrument voor steun aan Oekraïne draagt bij tot het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB met het oog op een grotere gereedheid van de defensie-industrie van Oekraïne, rekening houdend met de mogelijke toekomstige integratie ervan in de EDTIB, door middel van samenwerking tussen de Unie en Oekraïne, waardoor de wederzijdse stabiliteit, veiligheid, vrede, welvaart, veerkracht en duurzaamheid worden bevorderd.
2. De in lid 1 genoemde doelstelling wordt nagestreefd met de nadruk op het versterken van de grensoverschrijdende samenwerking tussen de EDTIB en de Oekraïense DTIB, rekening houdend met de behoeften van Oekraïne op het gebied van versterking van de defensie-industrie en aanbestedingen op defensiegebied, door het creëren van productiecapaciteit of het opvoeren ervan in overeenstemming met de NAVO-normen en andere relevante normen, de bescherming van activa, technische bijstand en de uitwisseling van personeel, intensievere samenwerking bij gemeenschappelijke aanbestedingen van defensieproducten waar Oekraïne en de Oekraïense DTIB bij betrokken zijn, met inbegrip van het onderhoud ervan, en het verlenen van vergunningen voor samenwerking bij productie via publiek-private partnerschappen of andere vormen van samenwerking, zoals joint ventures. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de doelstelling om Oekraïne te helpen zich geleidelijk aan te passen aan de regels, normen, beleidsmaatregelen en praktijken van de Unie met het oog op toekomstig lidmaatschap van de Unie.
Artikel 23
Aanvullende financiële middelen
1. Lidstaten, instellingen, organen en agentschappen van de Unie, derde landen, internationale organisaties, internationale financiële instellingen of andere derden kunnen aanvullende financiële bijdragen aan het instrument voor steun aan Oekraïne verstrekken overeenkomstig artikel 208, lid 2, van het Financieel Reglement. Dergelijke financiële bijdragen vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2, punt a), d) of e), of artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.
2. Eventuele aanvullende bedragen die worden ontvangen in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten die zijn gesloten op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2025/1106, vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement en worden overeenkomstig deze verordening gebruikt voor het instrument voor steun aan Oekraïne.
3. Eventuele aanvullende bedragen die in het kader van desbetreffende beperkende maatregelen van de Unie worden ontvangen, vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement en worden gebruikt voor acties ter versterking van de Oekraïense DTIB.
4. Aan de lidstaten in gedeeld beheer toegewezen middelen kunnen, op verzoek van de betrokken lidstaat, onder de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/1060 worden overgedragen naar het instrument voor steun aan Oekraïne. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Die middelen worden ten voordele van de betrokken lidstaat gebruikt.
5. Wat betreft de bedragen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel worden bijgedragen, kunnen de betrokken lidstaten besluiten nemen over het aandeel van die bedragen dat ter beschikking moet worden gesteld aan alle entiteiten die uit hoofde van deze verordening voor financiering in aanmerking komen, die alleen ten behoeve van de betrokken lidstaten of daarnaast ten behoeve van andere lidstaten of Oekraïne ter beschikking moeten worden gesteld.
6. Indien de Commissie geen juridische verbintenis in direct of indirect beheer voor overeenkomstig lid 4 van dit artikel overgedragen middelen is aangegaan, en uiterlijk op 31 december 2028, kunnen de overeenkomstige niet-vastgelegde middelen op verzoek van de betrokken lidstaat weer naar een of meer van de respectieve bronprogramma’s worden overgedragen, overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EU) 2021/1060.
Artikel 24
Alternatieve, gecombineerde en cumulatieve financiering
1. Het instrument voor steun aan Oekraïne wordt uitgevoerd in synergie met andere programma’s van de Unie. Aan een actie waaraan een bijdrage uit een ander programma van de Unie is toegekend, kan ook een bijdrage uit hoofde van het instrument voor steun aan Oekraïne worden toegekend, mits die bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van het desbetreffende programma van de Unie zijn van toepassing op de overeenkomstige bijdrage, of er kan één reeks regels van een van de bijdragende programma’s van de Unie op alle bijdragen worden toegepast, en er kan één juridische verbintenis worden aangegaan. De cumulatieve steun uit de Uniebegroting mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie en kan op een pro-ratabasis worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de steunvoorwaarden zijn vastgelegd.
2. Om in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne een excellentiekeurmerk toegekend te krijgen, voldoen acties aan alle volgende voorwaarden:
a)
zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne;
b)
zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;
c)
zij worden wegens budgetbeperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen gefinancierd.
3. Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) 2021/1060 kan het EFRO of het ESF+ voorstellen ondersteunen die zijn ingediend naar aanleiding van een krachtens het instrument voor steun aan Oekraïne gedane oproep tot het indienen van voorstellen en die een excellentiekeurmerk toegekend hebben gekregen.
Artikel 25
Uitvoering en vormen van Uniefinanciering
1. Het instrument voor steun aan Oekraïne wordt uitgevoerd in direct beheer overeenkomstig het Financieel Reglement of in indirect beheer in artikel 62, lid 1, punt c), van het Financieel Reglement bedoelde entiteiten.
2. Onverminderd artikel 33, lid 3, van deze verordening kan Uniefinanciering worden verstrekt in een van de vormen die zijn vastgelegd in het Financieel Reglement, overeenkomstig titel X ervan, met uitzondering van blendingverrichtingen uit hoofde van het InvestEU-programma.
3. Met betrekking tot de in artikel 12, lid 1, punt d), van deze verordening bedoelde activiteiten, waarvoor Uniefinanciering in de vorm van een subsidie in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne wordt verstrekt en waarbij winst wordt gemaakt, heeft de Commissie het recht het percentage van de winst terug te vorderen dat overeenkomt met de bijdrage van de Unie aan de subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt door de begunstigde die de actie uitvoert, tot het definitieve bedrag van de bijdrage van de Unie. In afwijking van artikel 195, lid 2, van het Financieel Reglement wordt de winst berekend als het overschot van de ontvangsten ten opzichte van de subsidiabele kosten van de actie, waarbij de ontvangsten beperkt zijn tot Uniefinanciering, financiering door de lidstaten, met inbegrip van aanbestedingen, andere tijdens de actie gegenereerde inkomsten en eventuele inkomsten uit de actie. De in artikel 34 van deze verordening bedoelde werkprogramma’s kan nadere bijzonderheden bevatten.
4. In afwijking van artikel 196, lid 2, van het Financieel Reglement kunnen financiële bijdragen, indien voor de uitvoering van een actie relevant en noodzakelijk, betrekking hebben op acties die zijn gestart en kosten die zijn gemaakt vóór de datum van indiening van het voorstel voor die acties, mits die acties niet vóór 5 maart 2024 van start zijn gegaan en niet zijn voltooid vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst.
Artikel 26
In aanmerking komende juridische entiteiten
1. Alleen juridische entiteiten die in de Unie of in Oekraïne zijn gevestigd en die hun uitvoerende bestuursstructuren in de Unie of in Oekraïne hebben, komen in aanmerking voor ontvangst van Uniefinanciering uit hoofde van deze verordening.
Juridische entiteiten die gevestigd zijn in de niet onder regeringsgezag vallende gebieden van Oekraïne komen niet in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.
2. Naast de overeenkomstig het Financieel Reglement vastgestelde criteria zijn de in de leden 3 tot en met 9 van dit artikel vastgelegde criteria om in aanmerking te komen van toepassing.
3. De infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen van de bij een actie betrokken ontvangers van Uniefinanciering die voor de doeleinden van die actie worden gebruikt, bevinden zich voor de gehele duur van de actie op het grondgebied van een lidstaat of van Oekraïne.
4. In afwijking van lid 3 van dit artikel kunnen bij een actie betrokken ontvangers van Uniefinanciering, indien zij niet beschikken over onmiddellijk beschikbare alternatieven of relevante infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen in de Unie of in Oekraïne, hun infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen gebruiken die zich buiten het grondgebied van de lidstaten of in een ander derde land dan Oekraïne bevinden of aldaar worden gehouden, mits dat gebruik niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, en strookt met de in artikel 22 vastgelegde doelstellingen. De kosten in verband met activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van deze infrastructuur, faciliteiten, activa of middelen komen niet in aanmerking voor steun uit het instrument voor steun aan Oekraïne.
5. In verband met de uitvoering van een door het instrument voor steun aan Oekraïne ondersteunde actie mogen de ontvangers van Uniefinanciering niet onder zeggenschap van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land staan.
6. In afwijking van lid 5 van dit artikel komt een in de Unie gevestigde juridische entiteit die onder zeggenschap staat van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of van een entiteit uit een ander derde land, in aanmerking als ontvanger van Uniefinanciering indien garanties die zijn goedgekeurd overeenkomstig de nationale procedures van een lidstaat waarin zij is gevestigd, zoals gepaste maatregelen in het kader van screenings, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2019/452, ter beschikking van de Commissie zijn gesteld.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde garanties bieden de waarborg dat de betrokkenheid bij een actie van een juridische entiteit als bedoeld in die alinea niet strijdig is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten zoals vastgesteld in het kader van het GBVB op grond van titel V van het VEU, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, noch met de in artikel 22 van deze verordening vastgelegde doelstellingen. Die garanties moeten met name aantonen dat er voor de uitvoering van een actie maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat:
a)
de zeggenschap over de juridische entiteit niet zodanig wordt uitgeoefend dat het vermogen ervan om de actie uit te voeren en resultaten te boeken wordt belemmerd of beperkt, dat er beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de infrastructuur, faciliteiten, activa, middelen, intellectuele eigendom of knowhow die nodig zijn voor de actie, of dat de vermogens en normen die nodig zijn voor de uitvoering van de actie, worden ondermijnd;
b)
de toegang van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of van een entiteit uit een ander derde land tot gerubriceerde of gevoelige informatie met betrekking tot de actie wordt voorkomen, en de werknemers of andere personen die bij de actie zijn betrokken, in voorkomend geval beschikken over een door een lidstaat, een geassocieerd land of Oekraïne afgegeven nationale veiligheidsmachtiging, overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving;
c)
het bezit van intellectuele eigendom dat voortvloeit uit acties als bedoeld in artikel 27, lid 1, punt b), met betrekking tot acties ter versterking van de industrie ter bevordering van de industrialisering en commercialisering van defensieproducten die zijn ontwikkeld in het kader van door de Unie gefinancierde acties of andere samenwerkingsactiviteiten die worden uitgevoerd met steun van lidstaten, niet is onderworpen aan beperkingen door een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land, noch wordt overgedragen aan entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten, geassocieerde landen of Oekraïne zijn gevestigd, zonder de goedkeuring van de lidstaat of het geassocieerde land waar de juridische entiteit is gevestigd, of van Oekraïne indien de juridische entiteit in Oekraïne is gevestigd. Die goedkeuring mag niet in strijd zijn met de doelstellingen van artikel 22.
Indien de lidstaat waarin de juridische entiteit is gevestigd dit als passend beschouwt, kunnen aanvullende garanties worden verstrekt.
De Commissie informeert het in artikel 77 bedoelde comité over juridische entiteiten die overeenkomstig dit lid in aanmerking komen om Uniefinanciering te ontvangen.
7. De in lid 6 van dit artikel vermelde garanties kunnen gebaseerd zijn op een gestandaardiseerd model dat door de Commissie, bijgestaan door het in artikel 77 bedoelde comité, is verstrekt ter waarborging van een geharmoniseerde aanpak in de hele Unie.
8. Bij het uitvoeren van een subsidiabele actie kunnen de ontvangers ook samenwerken met juridische entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten of van Oekraïne zijn gevestigd of onder zeggenschap staan van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of van een entiteit uit een ander derde land, onder meer door gebruik te maken van de activa, infrastructuur, faciliteiten en middelen van deze juridische entiteiten, mits dat gebruik niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen, of met de in artikel 22 vastgelegde doelstellingen.
Een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land krijgt zonder toestemming geen toegang tot gerubriceerde informatie in verband met de uitvoering van de actie, en mogelijke negatieve effecten op het gebied van de voorzieningszekerheid ten aanzien van inputs die essentieel zijn voor de actie, worden vermeden.
De kosten in verband met de samenwerking met juridische entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten of Oekraïne zijn gevestigd, of onder zeggenschap staan van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land, komen niet in aanmerking voor steun uit het instrument voor steun aan Oekraïne.
9. De leden 5 en 6 zijn niet van toepassing op:
a)
aanbestedende diensten van lidstaten en van Oekraïne;
b)
internationale organisaties;
c)
SEAP’s;
d)
het EDA.
AFDELING 2
SUBSIDIABELE ACTIES
Artikel 27
Subsidiabele acties
1. Acties die in aanmerking komen voor financiering in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne, verwezenlijken de in artikel 22 vastgelegde doelstellingen en kunnen een van de volgende vormen of een combinatie daarvan aannemen:
a)
gemeenschappelijke aanbestedingsacties als bedoeld in artikel 11, onder meer voor het aanleggen, beheren en onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie;
b)
acties ter versterking van de industrie zoals bedoeld in artikel 12;
c)
ondersteunende acties zoals bedoeld in artikel 13.
2. De volgende acties komen niet in aanmerking voor financiering in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne:
a)
acties in verband met defensieproducten die krachtens het toepasselijke internationale recht verboden zijn;
b)
acties in verband met dodelijke autonome systemen die buiten een verantwoordelijke keten van menselijke bevelvoering en controle opereren of die niet kunnen worden gebruikt in overeenstemming met het internationaal humanitair recht;
c)
acties in verband met clustermunitie;
d)
acties, of delen daarvan, die al volledig uit andere publieke of particuliere bronnen worden gefinancierd.
3. Voor aanbestedingen die worden uitgevoerd op grond van lid 1, punten a) en c), en die door Uniefinanciering worden ondersteund, bedragen de kosten van componenten van buiten de Unie en Oekraïne niet meer dan 35 % van de geraamde kosten van de componenten van het eindproduct. Er worden geen componenten aangekocht in derde landen die de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten schaden.
4. Voor acties die worden uitgevoerd op grond van lid 1, punt b), bedragen de kosten van componenten die afkomstig zijn van buiten de Unie en Oekraïne niet meer dan 35 % van de geraamde kosten van de componenten van het product waarvoor de productiecapaciteit wordt verhoogd met behulp van Uniefinanciering. Voor het product waarvoor de productiecapaciteit wordt verhoogd met behulp van Uniefinanciering worden geen componenten aangekocht in derde landen die de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten schaden.
5. Ontvangers van Uniefinanciering of, in voorkomend geval, contractanten hebben de mogelijkheid om, zonder door andere niet-geassocieerde derde landen dan Oekraïne of entiteiten uit andere derde landen opgelegde beperkingen, te beslissen over de definitie, aanpassing en ontwikkeling van het ontwerp van de betrokken defensieproducten, met inbegrip van de wettelijke bevoegdheid om componenten te vervangen of te verwijderen die onderworpen zijn aan door andere niet-geassocieerde derde landen dan Oekraïne of door entiteiten uit andere derde landen opgelegde beperkingen.
6. Onverminderd artikel 5 van Richtlijn 2009/43/EG kunnen de lidstaten algemene overdrachtsvergunningen bekendmaken voor de overdracht aan andere lidstaten van producten die verband houden met door het instrument voor steun aan Oekraïne ondersteunde acties.
7. Acties die in aanmerking komen voor financiering in het kader van het instrument voor steun aan Oekraïne, worden uitgevoerd door, of met betrokkenheid van, ten minste, Oekraïne of één juridische entiteit die in Oekraïne is gevestigd en haar uitvoerende bestuursstructuur in Oekraïne heeft.
8. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden verwijzingen naar de lidstaten in de artikelen 11, 12, 13 en 38 geacht ook Oekraïne te omvatten. Verwijzingen naar geassocieerde landen in de artikelen 11, 12, 13 en 38 zijn niet van toepassing op dit hoofdstuk. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de in artikel 11 vervatte verwijzingen naar artikel 9 geacht te verwijzen naar artikel 26 en worden de in artikel 12 vervatte verwijzingen naar artikel 10, lid 5 geacht te verwijzen naar lid 5 van dit artikel.
AFDELING 3
AANBESTEDING
Artikel 28
Aanbesteding met steun van de Commissie
1. In afwijking van artikel 168, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement kan Oekraïne, samen met ten minste één lidstaat, de Commissie verzoeken deel te nemen aan gezamenlijke aanbestedingen zoals bedoeld in artikel 168, lid 2, van het Financieel Reglement, waarbij de lidstaten en Oekraïne de gezamenlijk aangekochte defensieproducten kunnen verwerven, huren of volledig leasen. De andere voorwaarden van artikel 168, lid 2, van het Financieel Reglement zijn wel van toepassing op dergelijke gezamenlijke aanbestedingen.
2. In afwijking van artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement kan Oekraïne, samen met ten minste één lidstaat, de Commissie verzoeken op te treden als aankoopcentrale zoals bedoeld in artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement om namens hen of in hun naam defensieproducten aan te kopen. Wanneer de Commissie optreedt als aankoopcentrale, zijn voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 168, lid 3, van het Financieel Reglement van toepassing.
3. Wanneer de Commissie wordt verzocht op te treden overeenkomstig lid 1 van dit artikel, worden de aanbestedende diensten van de lidstaten geacht te hebben voldaan aan de vereisten van Richtlijn 2009/81/EG.
4. Naast de in het Financieel Reglement vastgelegde voorwaarden voldoet de in leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde aanbestedingsprocedure ook aan de volgende voorwaarden:
a)
deelname aan de aanbestedingsprocedure staat open voor alle lidstaten;
b)
de Commissie nodigt uit ieder deelnemend land ten minste één deskundige met relevante ervaring voor de onderhandelingen uit om een gezamenlijk onderhandelingsteam te vormen;
c)
de deelnemende landen vermelden uitdrukkelijk of zij besluiten parallelle onderhandelingen over het product in kwestie te voeren, waarbij geldt dat voor het besluit unanieme goedkeuring door de deelnemende landen vereist is.
5. Indien de Commissie overeenkomstig lid 2 optreedt als aankoopcentrale, kan zij, in het kader van de aanbesteding, componenten en grondstoffen aankopen die nodig zijn voor de levering van defensieproducten met het oog op het aanleggen van strategische reserves door deelnemende landen, waaronder het aanleggen van voorraden.
6. Indien bijzonder dringende omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Commissie, in afwijking van artikel 175, lid 1, van het Financieel Reglement, verzoeken om levering van de producten vanaf de dag van verzending van de ontwerpopdrachten die voortvloeien uit de voor de toepassing van deze verordening uitgevoerde aanbesteding.
7. Om aankoopovereenkomsten met marktdeelnemers te sluiten, kunnen vertegenwoordigers van de Commissie of door de Commissie aangewezen deskundigen, in samenwerking met de betrokken nationale autoriteiten, bezoeken ter plaatse uitvoeren op de locaties van de productiefaciliteiten van relevante defensieproducten.
8. Dit artikel doet geen afbreuk aan bestaande Unie- en nationale regels inzake de eigendom, uitvoer en overdracht van defensieproducten.
9. De Commissie zorgt ervoor dat de deelnemende landen gelijk worden behandeld bij de uitvoering van de aanbestedingsprocedures en bij de uitvoering van de daaruit voortvloeiende overeenkomsten.
10. Naast de in het Financieel Reglement vastgelegde voorwaarden zijn criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 26, leden 1, 3 en 4, van deze verordening, ook van toepassing op inschrijvers, contractanten en subcontractanten in opdrachten die voortvloeien uit de overeenkomstig dit artikel uitgevoerde aanbesteding.
11. Op overeenkomstig lid 1 van dit artikel uitgevoerde aanbestedingen zijn de regels van artikel 27, leden 3 en 5, van toepassing.
Artikel 29
Aankoopovereenkomsten voor defensieproducten
1. Gezamenlijke aanbestedingen zoals bedoeld in artikel 28 kunnen de vorm aannemen van aankoopovereenkomsten voor defensieproducten die na onderhandelingen in naam of voor rekening van de deelnemende landen zijn gesloten. Dergelijke overeenkomsten kunnen voorzien in een vooruitbetalingsmechanisme voor de productie van dergelijke producten in ruil voor het recht op het resultaat, waarbij dat mechanisme slechts betrekking mag hebben op die delen van de opdracht die niet-recurrente kosten betreffen, waaronder de reservering van productiecapaciteit.
2. Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde overeenkomsten een vooruitbetalingsmechanisme omvatten, kan de vooruitbetaling aan de contractant worden gedekt door de in artikel 3, lid 2, bedoelde financiële middelen. Bijdragen van de deelnemende landen als bedoeld in artikel 23 worden op gelijkwaardige basis per door de deelnemende landen besteld artikel in aanmerking genomen.
3. In gevallen waarin de na onderhandeling overeengekomen hoeveelheden de vraag overschrijden, zet de Commissie op verzoek van de betrokken deelnemende landen een mechanisme op voor de herverdeling ten gunste van nationale voorraden of voor het aanleggen van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie.
Artikel 30
Faciliteren van afnameovereenkomsten
1. De Commissie zet een systeem op om het sluiten van afnameovereenkomsten tussen lidstaten en Oekraïne enerzijds en marktdeelnemers van de Oekraïense DTIB anderzijds in verband met de industriële opschaling van de productiecapaciteit van de Oekraïense DTIB te faciliteren, in overeenstemming met de mededingings- en aanbestedingsregels van de Unie. De Commissie ziet erop toe dat de toegang van een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of van een entiteit uit een ander derde land tot gerubriceerde of gevoelige informatie met betrekking tot de actie wordt voorkomen, en dat de werknemers of andere personen die bij de actie zijn betrokken over een door een lidstaat, een geassocieerd land of Oekraïne afgegeven nationale veiligheidsmachtiging beschikken.
2. Het in lid 1 bedoelde systeem stelt belangstellende lidstaten en Oekraïne in staat biedingen voor defensieproducten te doen onder vermelding van:
a)
het volume en de kwaliteit;
b)
de beoogde prijs of het beoogde prijsbereik;
c)
de beoogde geldigheidsduur van de afnameovereenkomst.
3. Het in lid 1 van dit artikel bedoelde systeem stelt fabrikanten van defensieproducten die voldoen aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 26, leden 1, 3 en 4, in staat aanbiedingen te doen onder vermelding van:
a)
het volume en de kwaliteit van de defensieproducten waarvoor zij afnameovereenkomsten willen sluiten;
b)
de beoogde prijs of het beoogde prijsbereik waartegen zij willen verkopen;
c)
de verwachte doorlooptijd voor de levering van defensieproducten in het kader van de afnameovereenkomst;
d)
de beoogde geldigheidsduur van de afnameovereenkomst.
4. Op basis van de overeenkomstig de leden 2 en 3 ontvangen biedingen en aanbiedingen brengt de Commissie relevante fabrikanten van defensieproducten in contact met belangstellende lidstaten en Oekraïne.
5. Naar aanleiding van het in lid 4 van dit artikel bedoelde contact kunnen Oekraïne en belangstellende lidstaten de Commissie verzoeken een gezamenlijke aanbestedingsprocedure of een aanbestedingsprocedure in hun naam, of voor hun rekening, uit te voeren, overeenkomstig artikel 28.
6. De in artikel 3, lid 2, bedoelde financiële middelen kunnen betrekking hebben op de delen van de opdracht die niet-recurrente kosten betreffen, waaronder de reservering van productiecapaciteit.
AFDELING 4
TOEKENNINGSCRITERIA EN WERKPROGRAMMA’S
Artikel 31
Toekenningscriteria
1. De voorstellen voor acties worden geëvalueerd in het licht van de voor de acties bepaalde doelstellingen, zoals bedoeld in artikel 22, de verwachte resultaten van de desbetreffende actie, en de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering ervan.
2. Naast de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria kunnen voorstellen voor gemeenschappelijke aanbestedingsacties zoals bedoeld in artikel 11 worden beoordeeld op basis van een of meer van de volgende criteria:
a)
de geschatte waarde van de gemeenschappelijke aanbesteding;
b)
de bijdrage van de actie aan het herstel, de wederopbouw en de modernisering van de Oekraïense DTIB;
c)
de bijdrage van de actie aan de versnelling van de aanbesteding van, en de verkorting van de productie- en leveringsdoorlooptijden voor, defensieproducten.
3. Naast de in lid 1 van dit artikel genoemde criteria kunnen voorstellen voor acties ter versterking van de industrie zoals bedoeld in artikel 12 worden beoordeeld op basis van een of meer van de volgende criteria:
a)
de vermindering van de productiedoorlooptijd en de verhoging van de productiecapaciteit in Oekraïne;
b)
de bijdrage tot het waarborgen van de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten in heel Oekraïne;
c)
de bijdrage aan grensoverschrijdende industriële samenwerking op defensiegebied tussen Oekraïne en de Unie.
4. De in artikel 34 bedoelde werkprogramma’s bevatten nadere bijzonderheden over de toepassing van de toekenningscriteria, met inbegrip van eventuele wegingscriteria die moeten worden toegepast. In de werkprogramma’s worden geen individuele drempels vastgelegd.
5. Het evaluatiecomité kan worden bijgestaan door onafhankelijke externe deskundigen, overeenkomstig artikel 153, lid 3, van het Financieel Reglement. De werkprogramma’s kunnen bepalen dat die deskundigen over een geldige persoonlijke veiligheidsmachtiging moeten beschikken.
Artikel 32
Selectie- en toekenningsprocedure
Met uitzondering van de in artikel 11 en artikel 13, lid 1, punt g), bedoelde acties, kent de Commissie de financiering uit hoofde van dit hoofdstuk toe door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 33
Financiële bijdrage van de Unie
1. Indien de bijdrage van de Unie de vorm aanneemt van subsidies, kan het instrument voor steun aan Oekraïne op grond van artikel 193, lid 3, van het Financieel Reglement tot 100 % van de subsidiabele kosten financieren voor acties als bedoeld in artikel 27, lid 1, punten b) en c), van deze verordening.
2. Indien de subsidie van de Unie de vorm aanneemt van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, kan de hoogte van de bijdrage van de Unie aan elke actie worden gebaseerd op factoren zoals:
a)
de mate van complexiteit van de gemeenschappelijke aanbesteding, waarvoor een deel van de geschatte waarde van de actie en de bij gelijkaardige acties opgedane ervaring als initiële indicator kunnen dienen;
b)
de bijdrage van de actie aan de verbetering van de interoperabiliteitsresultaten;
c)
de kenmerken van de actie die waarschijnlijk zullen leiden tot betere langetermijninvesteringssignalen voor de industrie;
d)
de bijdrage van de actie aan het opvoeren van de nodige productiecapaciteit in Oekraïne;
e)
de mate van complexiteit voor Oekraïne om vooruitgang te boeken met het proces richting toetreding tot de Unie, met inbegrip van structurele hervormingen en maatregelen ter bevordering van convergentie met de regels, normen, beleidsmaatregelen en praktijken van de Unie;
f)
de mate van complexiteit voor Oekraïne om zijn aanbestedingsprocedures op defensiegebied en het klimaat van de Oekraïense defensie-industrie aan te passen, onder meer om te voldoen aan de NAVO-normen en andere relevante normen;
g)
het leed en de risico’s in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, rekening houdend met de noodzaak om de door die oorlog beschadigde infrastructuur op veerkrachtige wijze te herstellen en te moderniseren en de noodzaak om dergelijke schade te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren.
3. De in artikel 27, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde acties worden gefinancierd door middel van subsidies in de vorm van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, overeenkomstig artikel 183, lid 3, van het Financieel Reglement.
4. Voor acties als bedoeld in artikel 27, lid 1, punt a), bedraagt de steun uit het instrument voor steun aan Oekraïne niet meer dan 25 % van de geschatte waarde van de gemeenschappelijke-aanbestedingsopdracht.
5. De in artikel 34 bedoelde werkprogramma’s bevatten nadere bijzonderheden.
Artikel 34
Werkprogramma’s
1. Het instrument voor steun aan Oekraïne wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma’s als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. De werkprogramma’s kunnen in voorkomend geval meerdere jaren beslaan. De werkprogramma’s bevatten de acties en de bijbehorende begroting die nodig zijn om de doelstellingen van het instrument voor steun aan Oekraïne te verwezenlijken.
2. De werkprogramma’s worden door de Commissie bij uitvoeringshandeling vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3. De werkprogramma’s omvatten met name:
a)
het totale bedrag van de bijdrage van de Unie aan elk type actie als bedoeld in artikel 27, lid 1, en een gedetailleerde beschrijving van elk type actie;
b)
met betrekking tot de in artikel 27, lid 1, punten a) en b), bedoelde acties, de minimale financiële omvang van de acties;
c)
met betrekking tot de in artikel 27, lid 1, punt b), bedoelde acties, het maximumaantal juridische entiteiten dat deel uitmaakt van het consortium, dat niet meer dan 15 juridische entiteiten mag bedragen;
d)
de procedure voor de evaluatie en selectie van voorstellen, met inbegrip van, in voorkomend geval, een beschrijving van de mijlpalen die zodanig worden opgezet dat aanzienlijke vooruitgang bij de uitvoering van de acties wordt gemeten, de te behalen resultaten en de overeenkomstige uit te keren bedragen, alsmede de regelingen voor de verificatie van de mijlpalen, de vervulling van de voorwaarden en de verwezenlijking van de resultaten;
e)
het totale bedrag van de bijdrage van de Unie aan de gezamenlijke aanbesteding met steun van de Commissie als bedoeld in artikel 28, lid 1, artikel 29 en artikel 30; en
f)
de methoden om de financiering te bepalen en, in voorkomend geval, aan te passen.
4. Bij de vaststelling van werkprogramma’s houdt de Commissie rekening met de noodzaak van samenhang met andere relevante programma’s en instrumenten van de Unie.
HOOFDSTUK IV
EUROPESE DEFENSIEPROJECTEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG
Artikel 35
Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang
1. Europese defensieprojecten van gemeenschappelijk belang (EDPGB’s) bestaan uit industriële samenwerkingsprojecten die beogen het concurrentievermogen van de EDTIB in de gehele Unie te versterken, en bij te dragen aan de ontwikkeling van de militaire vermogens van de lidstaten die van essentieel belang zijn voor de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie, waaronder de vermogens die de toegang beveiligen tot alle operationele domeinen, met name land, zee, lucht, ruimtevaart en cyber.
2. EDPGB’s voldoen aan alle volgende criteria:
a)
zij versterken het concurrentievermogen, de efficiëntie en de innovatiecapaciteit van de EDTIB aanzienlijk, met name door:
i)
bij te dragen aan de totstandbrenging van nieuwe of de uitbreiding van bestaande grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden, onder meer met kmo’s en midcaps;
ii)
positieve overloopeffecten in de interne markt te creëren;
iii)
aanzienlijk bij te dragen aan de marktintegratie en de vermindering van de marktfragmentatie;
iv)
de interoperabiliteit en uitwisselbaarheid van defensieproducten te verbeteren; en
v)
ernaar te streven strategische afhankelijkheden af te bouwen, onder meer door middel van diversificatie van de toelevering, en door capaciteiten op te schalen;
b)
zij dragen bij aan de ontwikkeling van militaire vermogens van de lidstaten die van essentieel belang zijn voor de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en zijn in overeenstemming met de doelstellingen van het strategisch kompas voor veiligheid en defensie, met de prioriteiten inzake defensievermogens die de lidstaten gezamenlijk zijn overeengekomen in het kader van het GBVB, met name in de context van het CDP, en met de samenwerkingsmogelijkheden die in kaart zijn gebracht in het kader van de CARD;
c)
zij houden rekening met de samenwerking van de lidstaten in het kader van de initiatieven en projecten van de PESCO en het EDA;
d)
zij houden rekening met de relevante activiteiten van de NAVO, zoals het NAVO-defensieplanningsproces, indien deze activiteiten de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie dienen;
e)
er zijn ten minste vier lidstaten bij betrokken, en alle lidstaten en geassocieerde landen, evenals Oekraïne, worden daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld aan het EDPGB deel te nemen;
f)
de voordelen ervan strekken zich uit tot een groter deel van de Unie;
g)
zij zijn bijzonder significant qua omvang of reikwijdte of zijn gericht op het beperken van aanzienlijke technologische en financiële risico’s, of beide;
h)
de potentiële algehele voordelen van het project wegen op tegen de kosten, ook op langere termijn.
3. De Raad kan, op voorstel van de Commissie, uitvoeringshandelingen vaststellen tot aanwijzing van EDPGB’s.
4. De lidstaten werken samen om projectvoorstellen voor mogelijke EDPGB’s op inclusieve wijze voor te bereiden, zo nodig met de steun van het EDA.
5. De Commissie controleert voordat zij de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen voorstelt, of de in lid 4 bedoelde projectvoorstellen voldoen aan alle criteria van lid 2, en:
a)
raadpleegt de lidstaten op inclusieve wijze en houdt rekening met hun standpunten en projectvoorstellen voor mogelijke EDPGB’s;
b)
vraagt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de “hoge vertegenwoordiger”) en het EDA om hun expertise ter beschikking te stellen, teneinde samenhang met de in lid 2, punten b), c) en d), bedoelde prioriteiten en doelstellingen te waarborgen, in het bijzonder de prioriteiten inzake defensievermogens die de lidstaten gezamenlijk zijn overeengekomen in het kader van het GBVB, in het bijzonder de prioriteiten die gezamenlijk zijn geformuleerd in de context van het CDP, ter aanvulling van de door de lidstaten verstrekte informatie over de projectvoorstellen; en
c)
gaat na of alle lidstaten en geassocieerde landen, en Oekraïne in voorkomend geval, op de hoogte zijn gebracht van de totstandbrenging van het project en in de gelegenheid zijn gesteld om deel te nemen.
6. In de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen doet de Raad het volgende:
a)
de doelstellingen en kenmerken van het EDPGB met betrekking tot de in lid 2 vastgelegde criteria uiteenzetten;
b)
de lijst opstellen van de landen die op de datum van vaststelling van de uitvoeringshandeling deelnemen aan het EDPGB; en
c)
de totale financiële omvang van het EDPGB ramen.
7. De Raad stelt de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandelingen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. De Raad mag de in lid 4 bedoelde projectvoorstellen wijzigen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
8. De uitrol van een EDPGB die in aanmerking komt voor de in artikel 10, lid 1, punt d), bedoelde Uniefinanciering, bestaat uitsluitend uit een of meer activiteiten die verband houden met:
a)
de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten;
b)
het versnellen van de aanpassing aan structurele veranderingen in de productiecapaciteit van defensieproducten, en daarmee verband houdende ondersteunende activiteiten;
c)
de industriële ontwikkeling van nieuwe defensieproducten of de verbetering van bestaande defensieproducten;
d)
de ontwikkeling en aanbesteding van de nodige infrastructuur.
9. De deelnemende lidstaten zorgen ervoor dat in de opdrachten in verband met EDPGB-activiteiten die worden ondersteund met Uniefinanciering criteria worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9. Op de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten die worden ondersteund met Uniefinanciering in het kader van EDPGB’s is tevens artikel 11, lid 6, van toepassing.
10. Lidstaten die deelnemen aan een EDPGB zorgen ervoor dat de EDPGB-activiteiten, met inbegrip van activiteiten die niet worden ondersteund met Uniefinanciering, stroken met de doelstellingen van artikel 4 en lid 1 van dit artikel, en geen afbreuk doen aan de naleving van de criteria van lid 2 van dit artikel door het EDPGB.
11. Een EDPGB kan betrekking hebben op de ontwikkeling van vermogens voor tweeërlei gebruik voor de Unie.
12. Een EDPGB, en de specifieke activiteiten ervan, kunnen worden opgezet in het kader van een SEAP.
13. Alleen lidstaten en geassocieerde landen, alsook SEAP’s die bestaan uit lidstaten of uit lidstaten en geassocieerde landen komen in aanmerking voor financiering in het kader van EDPGB-activiteiten.
14. De Commissie wordt in voorkomend geval in de gelegenheid gesteld aan het project deel te nemen. De deelnemende lidstaten kunnen besluiten de hoge vertegenwoordiger en het EDA als waarnemer te betrekken bij een EDPGB.
15. De lidstaten kunnen, onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU, steunregelingen toepassen en administratieve steun verlenen aan EDPGB’s.
16. De planning, bouw en exploitatie van productiefaciliteiten in verband met een EDPGB kunnen worden beschouwd als een dwingende reden van groot openbaar belang in de zin van artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, punt c), van Richtlijn 92/43/EEG (40) en artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (41), in het belang van defensie in de zin van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (42), en in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid in de zin van artikel 9, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (43), mits aan de overige voorwaarden van deze bepalingen is voldaan.
17. De lidstaten die deelnemen aan een EDPGB dienen bij de Commissie jaarlijks een gezamenlijk verslag in over de uitvoering van de EDPGB-activiteiten, onder meer over de verwezenlijking van de vereisten van lid 10 van dit artikel.
18. Op voorstel van de Commissie kan de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de op grond van lid 3 vastgestelde uitvoeringshandelingen wijzigen, onder meer door een project te schrappen als EDPGB of door wijzigingen in de elementen van lid 6 door te voeren.
19. Alle lidstaten en geassocieerde landen, en Oekraïne, hebben de mogelijkheid om zich aan te sluiten bij het EDPGB nadat dit is opgezet, onder voorbehoud van goedkeuring door alle lidstaten die eraan deelnemen.
HOOFDSTUK V
EUROPEES MECHANISME VOOR MILITAIRE VERKOOP
Artikel 36
Europees mechanisme voor militaire verkoop
1. Om het concurrentievermogen van de EDTIB en, in voorkomend geval, van de Oekraïense DTIB te versterken, met name door ervoor te zorgen dat de EDTIB beter in staat is defensieproducten tijdig en in de juiste hoeveelheden beschikbaar te maken, wordt hierbij een Europees mechanisme voor militaire verkoop opgezet.
2. Het Europees mechanisme voor militaire verkoop bestaat uit het volgende:
a)
de opstelling van een Europese catalogus voor militaire verkoop;
b)
de mogelijkheid tot de aanleg, het beheer en het onderhoud van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie; en
c)
maatregelen die bijdragen tot de bevordering van procedures voor de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten.
Artikel 37
Europese catalogus voor militaire verkoop
1. De Commissie stelt, na raadpleging van het EDA, één gecentraliseerde catalogus van defensieproducten op die door de EDTIB en de Oekraïense DTIB is ontwikkeld (de “catalogus”), en houdt deze actueel. De Commissie raadpleegt het EDA en houdt rekening met zijn standpunten bij het opstellen van de technische specificaties voor de catalogus, en schaft in voorkomend geval het institutionele IT-platform aan dat nodig is om de catalogus op te stellen. De lidstaten, Oekraïne en de marktdeelnemers worden verzocht de catalogus op vrijwillige basis in te vullen.
2. De defensieproducten in de catalogus worden vervaardigd door marktdeelnemers die voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria van artikel 9, leden 1, 3 en 4, of artikel 26, leden 1, 3 en 4. Daarnaast wordt in de catalogus aangegeven of de marktdeelnemer de mogelijkheid heeft om, zonder door niet-geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen opgelegde beperkingen, te beslissen over de definitie, aanpassing en ontwikkeling van het ontwerp van het defensieproduct, met inbegrip van de wettelijke bevoegdheid om componenten te vervangen of te verwijderen die onderworpen zijn aan door niet-geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen opgelegde beperkingen. In de catalogus kan tevens worden aangegeven welke steun is ontvangen uit hoofde van het programma, het instrument voor steun aan Oekraïne of Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad (44), Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad (45), Verordening (EU) 2023/1525 of (EU) 2023/2418.
Artikel 38
Pools voor de gereedheid van de defensie-industrie
1. Een consortium van lidstaten, geassocieerde landen of Oekraïne, of een SEAP kan pools voor de gereedheid van de defensie-industrie aanleggen, beheren en onderhouden en kan daartoe het EDA verzoeken zijn expertise ter beschikking te stellen.
Voor de toepassing van de eerste alinea bestaat een consortium van lidstaten, geassocieerde landen of Oekraïne uit ten minste drie van die landen, waarvan er ten minste twee lidstaten zijn.
2. Lidstaten die een pool voor de gereedheid van de defensie-industrie aanleggen, zorgen ervoor dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van die pool in overeenstemming zijn met de doelstellingen van artikel 36, lid 1, en de doelstellingen van artikel 4 en, in voorkomend geval, artikel 22.
3. Lidstaten, geassocieerde landen, Oekraïne en SEAP’s die een pool voor de gereedheid van de defensie-industrie aanleggen, zorgen voor een onmiddellijke en preferentiële aankoops-, gebruiks- of lease-optie voor lidstaten, geassocieerde landen en Oekraïne voor defensieproducten die deel uitmaken van die pool voor de gereedheid van de defensie-industrie.
4. Indien een pool voor de gereedheid van de defensie-industrie wordt aangelegd in het kader van een SEAP, kunnen het programma of het instrument voor steun aan Oekraïne financiële ondersteuning bieden voor:
a)
de gemeenschappelijke aanbesteding van aanvullende hoeveelheden defensieproducten via gemeenschappelijke aanbestedingsacties die worden uitgevoerd door de SEAP overeenkomstig artikel 11;
b)
de oprichting en de werking van de SEAP voor het beheer en het onderhoud van een pool voor de gereedheid van de defensie-industrie overeenkomstig artikel 13, lid 1, punt g).
5. Wanneer lidstaten of, in voorkomend geval, geassocieerde landen aankopen doen uit de door een SEAP aangelegde, beheerde en onderhouden pool voor de gereedheid van de defensie-industrie, wordt de aanbesteding beschouwd als een door een regering aan een andere regering gegunde opdracht zoals bedoeld in artikel 13, punt f), van Richtlijn 2009/81/EG.
Artikel 39
Bevordering van procedures voor de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten
Indien lidstaten een overeenkomst aangaan om gezamenlijk defensieproducten aan te kopen, kunnen zij de regels en procedures van artikel 11, leden 9 en 10, artikel 52 en artikel 53 toepassen, onder de daarin vastgelegde voorwaarden.
HOOFDSTUK VI
STRUCTUUR VOOR EEN EUROPEES BEWAPENINGSPROGRAMMA
Artikel 40
Specifieke doelstelling en activiteiten van een structuur voor een Europees bewapeningsprogramma
1. Een structuur voor een Europees bewapeningsprogramma (SEAP) bevordert het concurrentievermogen van de EDTIB en, in voorkomend geval, van de Oekraïense DTIB. Dat wordt bereikt door de vraag naar en de tijdige beschikbaarheid en levering van defensieproducten gedurende hun hele levenscyclus te bundelen en door grensoverschrijdende industriële samenwerking te stimuleren.
2. Om de in lid 1 genoemde doelstelling te verwezenlijken, zijn de belangrijkste taken van een SEAP ten minste een van de volgende:
a)
de gemeenschappelijke ontwikkeling van defensieproducten en -technologieën, met inbegrip van onderzoek en ontwikkeling, testen en certificering op defensiegebied; industriële capaciteitsopbouw, onder meer door industrialisering en commercialisering; en steun voor eenmalige investeringen in verband met initiële productie of ondersteuning tijdens het gebruik, met name indien de defensieproducten worden of zijn ontwikkeld in het kader van acties die door de Unie uit het overeenkomstige Unieprogramma worden gefinancierd;
b)
de gemeenschappelijke aanbesteding van defensieproducten en -technologieën, onder meer met het oog op het aanleggen, beheren of onderhouden van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie;
c)
het gemeenschappelijke levenscyclusbeheer van defensieproducten, met inbegrip van de aankoop van reserveonderdelen, logistieke of onderhoudsdiensten en, in voorkomend geval, het aangaan van publiek-private partnerschappen om de efficiëntie en ruime beschikbaarheid van defensieproducten te waarborgen; of
d)
het dynamische beschikbaarheidsbeheer van aanvullende hoeveelheden, waarbij wordt gezorgd voor een onmiddellijke en preferentiële aankoops-, gebruiks- of lease-optie voor lidstaten, geassocieerde landen en Oekraïne in het kader van pools voor de gereedheid van de defensie-industrie.
3. Een SEAP kan, door middel van delegatieovereenkomsten, een of meer van de in artikel 11, lid 2, bedoelde in aanmerking komende entiteiten belasten met de uitvoering van een of meer van de in lid 2 van dit artikel bedoelde taken. Het is de verantwoordelijkheid van de SEAP om ervoor te zorgen dat haar verplichtingen uit hoofde van het Unierecht, en met name uit hoofde van deze verordening, worden nagekomen.
Artikel 41
Vereisten met betrekking tot de oprichting van een SEAP
1. Om het concurrentievermogen van de EDTIB of de Oekraïense DTIB te versterken, voldoet een SEAP aan alle volgende vereisten:
a)
de samenwerking ondersteunen tot aan het einde van de levenscyclus van een defensieproduct of tot aan de ontbinding van de SEAP;
b)
de gemeenschappelijke ontwikkeling, aanschaf of ondersteuning tijdens het gebruik van defensieproducten ondersteunen in overeenstemming met de prioriteiten inzake defensievermogens die de lidstaten gemeenschappelijk zijn overeengekomen in het kader van het GBVB, met name in het kader van het CDP;
c)
rekening houden met relevante activiteiten van de NAVO, zoals het NAVO-defensieplanningsproces, indien deze activiteiten de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie dienen; en
d)
ten minste drie leden hebben, waarvan er ten minste twee lidstaten zijn.
2. Een SEAP maakt gebruik van gestandaardiseerde procedures voor het opzetten en beheren van samenwerkingsprogramma’s op het gebied van bewapening. De Commissie kan, rekening houdend met de standpunten van de lidstaten, richtsnoeren of modellen voor die procedures vastleggen, met inbegrip van richtsnoeren voor projectbeheer, aanbestedingen, financieel beheer en verslaglegging.
Artikel 42
Aanvragen voor de oprichting van een SEAP
1. Aanvragen voor de oprichting van een SEAP worden ingediend bij de Commissie. De aanvraag bevat het volgende:
a)
een aan de Commissie gericht verzoek om oprichting van de SEAP;
b)
de in artikel 45 bedoelde voorgestelde statuten van de SEAP, die naar behoren zijn ondertekend en goedgekeurd door alle leden van de voorgestelde SEAP;
c)
een beknopte beschrijving van de defensieproducten die door de SEAP moeten worden ontwikkeld, aanbesteed of beheerd, waarbij met name wordt ingegaan op de vereisten van artikel 41, lid 1, punten a) en b);
d)
een verklaring van de lidstaat op het grondgebied waarvan de SEAP naar verwachting haar statutaire zetel zal hebben, dat hij de SEAP vanaf het tijdstip van oprichting erkent als internationale instelling in de zin van artikel 143, lid 1, punt g), en artikel 151, lid 1, punt b), van Richtlijn 2006/112/EG en artikel 11, lid 1, van Richtlijn (EU) 2020/262;
e)
indien een geassocieerd land of Oekraïne lid zal worden van de SEAP, een verklaring van erkenning van de ruimste handelingsbevoegdheid van de SEAP overeenkomstig artikel 44, lid 2.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt d), van dit lid worden de beperkingen en voorwaarden voor de in artikel 143, lid 1, punt g, en artikel 151, lid 1, punt b), van Richtlijn 2006/112/EG en in artikel 11, lid 2, van Richtlijn (EU) 2020/262 bedoelde vrijstellingen, vastgelegd in een overeenkomst tussen de leden van de SEAP.
2. Na ontvangst van de in lid 1 bedoelde volledige aanvraag beoordeelt de Commissie die aanvraag onverwijld, overeenkomstig de vereisten van deze verordening en daartoe kan zij het EDA verzoeken zijn expertise ter beschikking te stellen. Het resultaat van de beoordeling wordt meegedeeld aan de aanvragers, die zo nodig wordt verzocht de aanvraag aan te vullen of te wijzigen.
3. De Commissie zal door middel van een uitvoeringshandeling, rekening houdend met de resultaten van de in lid 2 bedoelde beoordeling:
a)
de SEAP oprichten nadat zij tot de conclusie is gekomen dat aan de vereisten van deze verordening is voldaan; of
b)
de aanvraag afwijzen indien zij tot de conclusie komt dat niet aan de vereisten van deze verordening is voldaan, onder meer wanneer de in lid 1, punt d), bedoelde verklaring ontbreekt, na de aanvragers in de gelegenheid te hebben gesteld de aanvraag te vervolledigen of aan te passen.
4. Het besluit inzake de aanvraag wordt ter kennis gebracht van de aanvragers. Een besluit tot afwijzing wordt in heldere en nauwkeurige bewoordingen aan de aanvragers toegelicht.
5. De in lid 3, punt a) van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling tot oprichting van de SEAP wordt vastgesteld volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure en wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 43
Status en zetel van een SEAP
1. Een SEAP heeft rechtspersoonlijkheid vanaf de datum waarop de uitvoeringshandeling tot oprichting ervan in werking treedt.
2. Een SEAP heeft in elke lidstaat de ruimste handelingsbevoegdheid die krachtens het recht van die lidstaat aan juridische entiteiten wordt toegekend, met name de bevoegdheid om roerende en onroerende goederen en intellectuele eigendom te verwerven, te bezitten en te vervreemden, overeenkomsten te sluiten en in rechte op te treden. Alle nationale financieringsinstanties van de lidstaten beschouwen een SEAP als een in aanmerking komende ontvanger van nationale financiële bijdragen.
3. Een SEAP heeft een statutaire zetel, die zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt.
Artikel 44
Vereisten voor lidmaatschap van een SEAP
1. De volgende landen kunnen lid zijn van een SEAP:
a)
lidstaten;
b)
geassocieerde landen;
c)
Oekraïne.
2. Geassocieerde landen of Oekraïne kunnen lid zijn van een SEAP op voorwaarde dat zij, ten behoeve van de SEAP, de ruimste handelingsbevoegdheid erkennen die krachtens het recht van dat land aan juridische entiteiten wordt toegekend, onder meer met het oog op het sluiten van overeenkomsten en het optreden in rechte.
3. De lidstaten, geassocieerde landen of Oekraïne kunnen te allen tijde na de oprichting van een SEAP lid worden van die SEAP onder billijke en redelijke voorwaarden die in de in artikel 45 bedoelde statuten zijn vastgelegd, of toetreden als waarnemer zonder stemrecht onder de in die statuten vastgelegde voorwaarden.
4. Een SEAP kan ook samenwerken met een ander niet-geassocieerd derde land dan Oekraïne of een entiteit uit een ander derde land, onder meer door gebruik te maken van de activa, infrastructuur, faciliteiten en middelen van dergelijke juridische entiteiten, mits die samenwerking niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, met inbegrip van de eerbiediging van het beginsel van goede nabuurschapsbetrekkingen.
Artikel 45
Statuten van een SEAP
1. De statuten van een SEAP bevatten ten minste het volgende:
a)
een lijst van leden van de SEAP, waarnemers en, in voorkomend geval, juridische entiteiten die leden vertegenwoordigen, alsook de voorwaarden en de procedure voor wijzigingen in het lidmaatschap en de vertegenwoordiging van de SEAP, conform artikel 44;
b)
de specifieke doelstellingen, taken en activiteiten van de SEAP, conform de artikelen 40 en 41, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de defensieproducten die door de SEAP zullen worden ontwikkeld, aanbesteed of beheerd;
c)
een lijst van de defensieproducten die eigendom van de SEAP zullen zijn, indien van toepassing, en die in aanmerking komen voor vrijstelling van btw of accijnzen;
d)
de statutaire zetel van de SEAP, conform artikel 43, lid 3;
e)
de vermelding van het nationale recht van de lidstaat dat bepaalt welk gerecht bevoegd is voor de beslechting van geschillen tussen de leden van de SEAP met betrekking tot de SEAP, tussen de leden en de SEAP, en tussen de SEAP en derden, overeenkomstig artikel 49, lid 2;
f)
de naam van de SEAP;
g)
de duur en de ontbindingsprocedure van de SEAP, conform artikel 50;
h)
een beschrijving van de belangrijkste criteria die de SEAP zal toepassen bij de aankoop van defensieproducten om de verwezenlijking van de doelstelling van artikel 40, lid 1, te waarborgen;
i)
de aansprakelijkheidsregeling, met inbegrip van de mogelijkheid om effecten uit te geven, indien daartoe wordt besloten, conform artikel 48;
j)
de rechten en verplichtingen van de leden van de SEAP, waaronder de verplichting bij te dragen aan een sluitende begroting en stemrechten;
k)
de bestuursorganen van de SEAP, hun rol en verantwoordelijkheden, de wijze waarop zij zijn opgericht en het besluitvormingsproces binnen de SEAP, met inbegrip van de toepasselijke stemregels, met name betreffende de wijziging van de statuten conform artikel 46;
l)
de vermelding van de werktaal of -talen van de SEAP;
m)
verwijzingen naar de uitvoeringsvoorschriften van de statuten van de SEAP;
n)
voorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie;
o)
de vermelding van de regels van de Unie en de nationale regels die van toepassing zijn op het omgaan met de defensieproducten die door het SEAP moeten worden ontwikkeld, aangekocht of beheerd, en van de administratieve capaciteit waarin is voorzien om de naleving van deze regels te waarborgen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt k), van dit lid zijn de stemregels die van toepassing zijn op wijzigingen die betrekking hebben op de aanpak van de uitvoer van defensieproducten, indien opgenomen in de statuten, en op de regeling inzake financiële aansprakelijkheid, in overeenstemming met respectievelijk lid 4 van dit artikel en artikel 48, lid 5.
2. Indien de leden van een SEAP besluiten een pool voor de gereedheid van de defensie-industrie aan te leggen, bevatten de statuten bovendien de regels voor het beheer van die pool voor de gereedheid van de defensie-industrie.
3. De statuten, die overeenkomstig artikel 42, lid 1, punt b), door alle leden van een SEAP zijn ondertekend en met eenparigheid van stemmen zijn goedgekeurd, kunnen een aanpak voor de uitvoer van defensieproducten bevatten.
4. Elke wijziging in de aanpak voor de in lid 3 bedoelde uitvoer van defensieproducten gebeurt met eenparigheid van stemmen van de leden van een SEAP.
Artikel 46
Wijziging van de statuten van een SEAP
1. Elke wijziging van de statuten van een SEAP met betrekking tot de in artikel 45, lid 1, punten a) tot en met k), bedoelde aangelegenheden wordt vastgesteld overeenkomstig de stemregel die in de statuten is vastgelegd overeenkomstig artikel 45, lid 1, punt k), en wordt door de SEAP ter goedkeuring voorgelegd aan de Commissie.
2. Elke wijziging van de statuten met betrekking tot de in artikel 45, lid 3, bedoelde aangelegenheden wordt vastgesteld overeenkomstig de stemregels die in de statuten zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 45, lid 1, punt k), en wordt binnen 10 dagen vanaf de datum van vaststelling ervan door de SEAP ter kennis van de Commissie gebracht.
3. Elke wijziging van de statuten, met uitzondering van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde wijzigingen, wordt vastgesteld volgens de stemregels die overeenkomstig artikel 45, lid 1, punt k), in de statuten zijn vastgelegd, en wordt binnen 10 dagen vanaf de datum van vaststelling ervan door de SEAP aan de Commissie voorgelegd.
4. De Commissie kan binnen 30 dagen vanaf de datum dat een wijziging van de statuten zoals bedoeld in lid 3 is voorgelegd, daartegen bezwaar maken onder opgave van de redenen waarom de wijziging niet voldoet aan de vereisten van deze verordening.
5. Een in lid 3 bedoelde wijziging van de statuten treedt niet in werking voordat de in lid 4 bedoelde bezwaartermijn is verstreken, de Commissie van die termijn afstand heeft gedaan, of de gemaakte bezwaren heeft ingetrokken.
6. Een in de leden 1, 2 en 3 bedoeld verzoek tot wijziging van de statuten bevat het volgende:
a)
de tekst van de voorgestelde wijziging of, in voorkomend geval, de tekst van de wijziging zoals deze is vastgesteld; en
b)
de gewijzigde, geconsolideerde versie van de statuten.
Artikel 47
Specifieke voorwaarden inzake aanbestedingen
1. Overeenkomstig artikel 40, lid 3, kan een SEAP een in aanmerking komende entiteit als bedoeld in artikel 11, lid 2, belasten met de uitvoering van aanbestedingsacties. Een dergelijke entiteit treedt op in naam of voor rekening van die SEAP.
2. Voor de aanbesteding van defensieproducten moeten SEAP’s worden beschouwd als internationale organisaties in de zin van artikel 12, punt c), van Richtlijn 2009/81/EG. SEAP’s stellen hun aanbestedingsregels vast conform de beginselen inzake overheidsopdrachten, met name die van non-discriminatie, gelijke behandeling, evenredigheid en transparantie.
3. Bij de aanbesteding van defensieproducten past een SEAP op haar aanbestedingsprocedures en -contracten criteria toe die waarborgen dat haar aanbestedingsbeleid in overeenstemming is met de in artikel 40, lid 1, bedoelde doelstellingen. Een SEAP streeft er actief naar meerdere juridische entiteiten uit verschillende lidstaten op te nemen in de toeleveringsketens van defensieproducten.
4. Indien een delegatieovereenkomst als bedoeld in artikel 40, lid 3, wordt gesloten, kunnen de partijen bij die overeenkomst besluiten dat de aanbestedingsregels van de entiteit die de aanbesteding uitvoert van toepassing zijn, mits die regels in overeenstemming zijn met de in lid 2 van dit artikel bedoelde beginselen, met name die van non-discriminatie, gelijke behandeling, evenredigheid en transparantie.
5. Indien lidstaten of, in voorkomend geval, geassocieerde landen defensieproducten aanschaffen van een SEAP, onder meer uit een pool voor de gereedheid van de defensie-industrie, wordt die aanbesteding beschouwd als een door een regering aan een andere regering gegunde opdracht zoals bedoeld in artikel 13, punt f), van Richtlijn 2009/81/EG.
Artikel 48
Aansprakelijkheid en verzekering
1. Een SEAP is aansprakelijk voor haar schulden.
2. De financiële aansprakelijkheid van de leden van een SEAP voor de schulden van de SEAP is beperkt tot hun respectieve bijdragen aan de SEAP. De leden kunnen in de statuten van een SEAP bepalen dat zij een vooraf vastgestelde aansprakelijkheid aanvaarden die verder gaat dan hun respectieve bijdragen of dat zij een onbeperkte aansprakelijkheid aanvaarden.
3. In geval van beperkte financiële aansprakelijkheid van haar leden sluit de SEAP de nodige verzekeringen af tegen alle aan de totstandbrenging en het beheer van de vermogens van de SEAP inherente risico’s.
4. Indien haar leden daartoe met eenparigheid van stemmen besluiten, kan een SEAP effecten uitgeven overeenkomstig het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij haar statutaire zetel heeft. De SEAP is aansprakelijk voor dergelijke effecten.
5. Elke wijziging van de aansprakelijkheidsregeling of elke maatregel die van invloed is op de financiële aansprakelijkheid van de leden van een SEAP, wordt door die leden met eenparigheid van stemmen vastgesteld.
6. De Unie is niet aansprakelijk voor eventuele schulden van een SEAP.
Artikel 49
Toepasselijk recht en rechterlijke bevoegdheid
1. De oprichting en de interne werking van een SEAP worden beheerst door:
a)
het recht van de Unie, met name deze verordening en de in artikel 42, lid 3, punt a), bedoelde uitvoeringshandeling;
b)
haar statuten en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften;
c)
het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de SEAP haar statutaire zetel heeft, met betrekking tot kwesties die niet of slechts gedeeltelijk worden geregeld door de in punten a) en b) bedoelde rechtshandelingen.
2. Onverminderd gevallen waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van de Verdragen bevoegd is, bepaalt het nationale recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de SEAP haar statutaire zetel heeft welk gerecht bevoegd is voor de beslechting van geschillen tussen SEAP-leden met betrekking tot de SEAP, tussen SEAP-leden en de SEAP, en tussen de SEAP en derden.
3. De in artikel 40, lid 3, bedoelde delegatieovereenkomsten, bepalen welk gerecht van een lidstaat bevoegd is voor de beslechting van geschillen in verband met de desbetreffende delegatieovereenkomst. Delegatieovereenkomsten kunnen ook voorzien in mechanismen voor de minnelijke schikking van geschillen. Dit laat gevallen waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens de Verdragen bevoegd is, onverlet.
Artikel 50
Ontbinding en insolventie
1. In de statuten van een SEAP wordt de procedure vastgelegd die moet worden toegepast in geval van ontbinding van de SEAP naar aanleiding van een besluit van de ledenvergadering of indien de Commissie de in artikel 51, lid 7, bedoelde uitvoeringshandeling tot oprichting van de SEAP intrekt. Ontbinding kan de overdracht van activiteiten, evenals van de eigendom van defensieproducten, aan een andere juridische entiteit omvatten.
2. De SEAP stelt de Commissie zonder onnodige vertraging en uiterlijk tien dagen na de vaststelling door de ledenvergadering van een besluit tot ontbinding van de SEAP van dat besluit in kennis en wijst een vertegenwoordiger aan voor de ontbinding. De Commissie maakt een passende kennisgeving van het besluit tot ontbinding bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
3. De ontbindingsprocedure wordt niet afgesloten vóór de voltooiing van de eigendomsoverdracht van de defensieproducten die eigendom zijn van de SEAP.
4. De SEAP-vertegenwoordiger stelt de Commissie zonder onnodige vertraging en uiterlijk tien dagen na afsluiting van de ontbindingsprocedure van die afsluiting in kennis. De Commissie maakt een passende kennisgeving van de afsluiting bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. De SEAP houdt op te bestaan op de datum van bekendmaking van die kennisgeving.
5. Indien de SEAP op enig moment niet in staat is haar schulden te betalen, stelt zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De Commissie maakt een passende kennisgeving bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 51
Verslaglegging en controle
1. Een SEAP stelt een jaarlijks activiteitenverslag op met een technische beschrijving en een financieel verslag betreffende haar activiteiten als bedoeld in artikel 40. Dat verslag wordt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Commissie toegezonden. De Commissie doet het verslag aan alle lidstaten toekomen.
2. De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad een geaggregeerd jaarverslag over de activiteiten van alle actieve SEAP’s.
3. De Commissie kan een SEAP aanbevelingen doen met betrekking tot de onderwerpen die in het in lid 1 bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag aan de orde komen.
4. Een SEAP en de betrokken lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke omstandigheid die de goede uitvoering van de taak van de SEAP ernstig in gevaar dreigt te brengen of die haar vermogen om de in het kader van deze verordening vastgestelde voorwaarden na te leven, dreigt te belemmeren.
5. Indien de Commissie over aanwijzingen komt te beschikken dat een SEAP een ernstige inbreuk pleegt op deze verordening, op de uitvoeringshandeling waarbij zij is opgericht, op haar statuten of op andere toepasselijke rechtsvoorschriften, zal zij de SEAP of haar leden om uitleg verzoeken.
6. Indien de Commissie, na de SEAP of haar leden in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van ten minste twee maanden opmerkingen in te dienen, tot de conclusie komt dat de SEAP een ernstige inbreuk pleegt op deze verordening, op de uitvoeringshandeling waarbij zij is opgericht, op haar statuten of op andere toepasselijke rechtsvoorschriften, kan zij aan de SEAP en haar leden corrigerende maatregelen voorstellen.
7. Indien geen corrigerende maatregelen als bedoeld in lid 6 van dit artikel worden genomen, kan de Commissie de uitvoeringshandeling tot oprichting van het SEAP intrekken. De intrekkingshandeling wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. De bekendmaking van de intrekkingshandeling leidt tot de ontbinding van de SEAP, als bedoeld in artikel 50.
HOOFDSTUK VII
VOORZIENINGSZEKERHEID
AFDELING 1
COÖPERATIEVE AANBESTEDINGEN OP DEFENSIEGEBIED
Artikel 52
Wijziging van raamovereenkomsten in het kader van een crisis in de zin van Richtlijn 2009/81/EG
1. Indien ten minste twee lidstaten een overeenkomst sluiten om gemeenschappelijk defensieproducten voor zichzelf of voor Oekraïne aan te kopen en indien gerechtvaardigd door een urgentie als gevolg van een crisis zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 10, van Richtlijn 2009/81/EG, kunnen de regels van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel worden toegepast op raamovereenkomsten die geen regels bevatten betreffende de mogelijkheid om de overeenkomst ingrijpend te wijzigen. Bij de toepassing van de regels in leden 2 en 3 van dit artikel komt de aanbestedende dienst die de raamovereenkomst heeft gesloten tot overeenstemming met de onderneming waarmee hij de raamovereenkomst heeft gesloten.
2. Een aanbestedende dienst van een lidstaat kan een bestaande raamovereenkomst voor defensieproducten wijzigen indien die raamovereenkomst werd gesloten met een onderneming die voldoet aan criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9, leden 1, 3 en 4, van deze verordening, teneinde nieuwe aanbestedende diensten als partij bij die raamovereenkomst toe te voegen, zodat de bepalingen ervan van toepassing zijn op aanbestedende diensten die oorspronkelijk geen partij waren bij de raamovereenkomst. Artikel 29, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2009/81/EG is niet van toepassing op aanbestedende diensten die oorspronkelijk geen partij waren bij de raamovereenkomst.
3. In afwijking van artikel 29, lid 2, derde alinea, van Richtlijn 2009/81/EG kan een aanbestedende dienst van een lidstaat bij de gunning van opdrachten op basis van een raamovereenkomst met een geschatte waarde boven de drempel in artikel 8 van die richtlijn, de in die raamovereenkomst vastgelegde hoeveelheden substantieel wijzigen tot 100 % van de waarde van de raamovereenkomst, indien die raamovereenkomst werd gesloten met een onderneming die voldoet aan criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9, leden 1, 3 en 4, van deze verordening en voor zover de wijziging strikt noodzakelijk is voor de toepassing van lid 2 van dit artikel.
4. Voor de berekening van de in lid 3 vermelde waarde wordt, voor zover de opdracht in een indexeringsclausule voorziet, de geactualiseerde waarde als referentie gehanteerd.
5. In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen is het beginsel van gelijke rechten en verplichtingen van toepassing op de betrekkingen tussen de aanbestedende diensten die partij zijn bij de raamovereenkomst, met name wat betreft de kosten van de extra aangekochte hoeveelheden.
6. Een aanbestedende dienst die in de in de leden 2 of 3 van dit artikel bedoelde gevallen een raamovereenkomst heeft gewijzigd, maakt hiervan een kennisgeving bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Een dergelijke kennisgeving wordt overeenkomstig artikel 32 van Richtlijn 2009/81/EG bekendgemaakt.
Artikel 53
Gevallen waarin het gebruik van de procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van een opdracht in het kader van een samenwerkingsinitiatief op defensiegebied gerechtvaardigd is
Een aanbestedende dienst van een lidstaat kan, met het oog op convergentie van militaire vermogens, bij het opzetten van een nieuw of het zich aansluiten bij een bestaand samenwerkingsinitiatief op defensiegebied dat is ingesteld bij een internationale overeenkomst of een regeling tussen lidstaten en, in voorkomend geval, een of meer geassocieerde landen of Oekraïne, met betrekking tot een defensieproduct een opdracht gunnen aan of een raamovereenkomst sluiten met een onderneming, overeenkomstig artikel 28, lid 1, punt e), van Richtlijn 2009/81/EG, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
de betrokken onderneming voldoet aan criteria die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 9, leden 1, 3 en 4;
b)
het in de inleidende zin van dit artikel bedoelde samenwerkingsinitiatief op defensiegebied is vóór de aanvang van de aanbestedingsprocedure door de aanbestedende dienst van de betrokken lidstaat geïnitieerd;
c)
een van de andere lidstaten die aan het in de inleidende zin van dit artikel bedoelde samenwerkingsinitiatief op defensiegebied deelnemen, heeft met betrekking tot een defensieproduct reeds een opdracht gegund aan of een raamovereenkomst gesloten met die onderneming;
d)
het aan te besteden defensieproduct is identiek aan het in punt c) van dit artikel bedoelde product of is dat op slechts kleine wijzigingen na;
e)
de gunning van de opdracht of de sluiting van de raamovereenkomst is noodzakelijk voor de uitvoering van het in punt b) van dit artikel bedoelde samenwerkingsinitiatief op defensiegebied.
AFDELING 2
PARAATHEID
Artikel 54
Versnelling van de vergunningsprocedure met het oog op de tijdige beschikbaarheid en levering van crisisrelevante producten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat administratieve aanvragen met betrekking tot de planning, de bouw en de exploitatie van productiefaciliteiten, de overdracht van productiemiddelen binnen de Unie en de kwalificering en certificering van eindproducten efficiënt en tijdig worden verwerkt. Daartoe zorgen alle betrokken nationale autoriteiten ervoor dat die aanvragen zo snel als wettelijk mogelijk worden behandeld.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat in de plannings- en vergunningsprocedure voorrang wordt gegeven aan de bouw en exploitatie van fabrieken en installaties voor de productie van crisisrelevante producten, wanneer juridische belangen worden afgewogen in een individueel geval.
Artikel 55
Vergemakkelijking van het proces van wederzijdse certificering
1. De lidstaten stellen een lijst van nationale certificeringsinstanties voor defensiedoeleinden vast en delen deze mee aan de Commissie, die deze op haar beurt aan de lidstaten ter beschikking stelt.
2. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen en rekening houdend met het standpunt van het EDA, een officiële lijst op van de aldus door de lidstaten aangewezen nationale certificeringsinstanties voor defensiedoeleinden en houdt deze actueel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3. Een certificeringsinstantie van een lidstaat kan de certificeringsinstantie van een andere lidstaat om informatie vragen over het toepassingsgebied van de certificering van een bepaald defensieproduct.
4. De in lid 1 bedoelde nationale certificeringsinstanties werken met elkaar samen bij de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening en verlenen de autoriteiten van de andere lidstaten daartoe alle nodige ondersteuning. De Commissie, die, in voorkomend geval, het EDA uitnodigt zijn expertise ter beschikking te stellen, ondersteunt een dergelijke samenwerking teneinde een efficiënt en doeltreffend verkeer van defensieproducten op de interne markt te vergemakkelijken.
Artikel 56
Inventariseren van defensietoeleveringsketens
1. Het inventariseren van de defensietoeleveringsketens van de Unie heeft tot doel de sterke en zwakke punten van dergelijke toeleveringsketens te analyseren, met bijzondere aandacht voor de knelpunten. In voorkomend geval wordt informatie verstrekt over de ontwikkeling van de werkprogramma’s van het programma en het instrument voor steun aan Oekraïne zoals bedoeld in de artikelen 21 en 34.
2. Het inventariseren van de defensietoeleveringsketens van de Unie bestaat uit de volgende activiteiten, die regelmatig moeten worden uitgevoerd:
a)
vaststelling van de relevante productiecapaciteit en toeleveringsketens van defensieproducten overeenkomstig lid 5;
b)
vaststelling van crisisrelevante producten en de bijbehorende productiecapaciteit, overeenkomstig lid 9;
c)
aggregatie, vergelijking en beoordeling van overeenkomstig de leden 6, 7 en 8 verzamelde gegevens;
d)
vaststelling van indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing, overeenkomstig lid 11; en
e)
in kaart brengen van de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten en hun productiecapaciteit, overeenkomstig de leden 12 en 13.
3. De Commissie voert, in samenwerking met het Comité voor de voorzieningszekerheid op defensiegebied (het “Comité”), de in lid 2, punten b), c) en d), bedoelde activiteiten uit. De lidstaten voeren de in lid 2, punten a) en e), bedoelde activiteiten uit. Elke lidstaat kan de Commissie verzoeken om namens hem de in lid 2, punten a) en e), bedoelde activiteiten uit te voeren.
4. De Commissie ontwikkelt, na raadpleging van het Comité, een kader en een methode voor het vaststellen van crisisrelevante producten, waarbij de nadruk ligt op bestaande knelpunten, en van de bijbehorende productiecapaciteit in de Unie, en voor het inventariseren van de toeleveringsketens van die producten. Die methode bouwt voort op eventuele kaders of methoden die reeds in de lidstaten bestaan. Daartoe kan het Comité aanbevelingen doen over het soort informatie dat geschikt is voor het inventariseren van toeleveringsketens van crisisrelevante producten, over de technische specificaties en formaten voor het delen van die informatie en over de periodiciteit van die communicatie.
5. Op basis van het kader en de methode die op grond van lid 4 zijn ontwikkeld, stellen de lidstaten op hun grondgebied de betrokken productiecapaciteit en toeleveringsketens van defensieproducten vast en verstrekken zij het resultaat van die vaststelling aan de Commissie.
6. De Commissie bundelt de door de lidstaten overeenkomstig lid 5 verstrekte gegevens en vergelijkt ze om een lijst van crisisrelevante producten en de bijbehorende productiecapaciteit vast te stellen, en om de sterke en zwakke punten van de toeleveringsketens voor dergelijke producten in de Unie te beoordelen.
7. Om de gegevens van de lidstaten aan te vullen, maakt de Commissie gebruik van openbaar en commercieel beschikbare gegevens en relevante niet-vertrouwelijke informatie van marktdeelnemers, evenals van de resultaten van soortgelijke analyses, onder meer in de context van het recht van de Unie inzake grondstoffen, halfgeleiders en hernieuwbare energie, de resultaten van de desbetreffende activiteiten van het EDA, de resultaten van de overeenkomstig artikel 58 uitgevoerde stresstests en de resultaten van de overeenkomstig artikel 85, lid 2, uitgevoerde evaluatie.
8. Indien de in de leden 6 en 7 bedoelde gegevens niet volstaan om de taken uit hoofde van lid 6 uit te voeren, kan de Commissie de actoren die betrokken zijn bij de desbetreffende toeleveringsketens en in de Unie zijn gevestigd, verzoeken om vrijwillig informatie te verstrekken aan de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de aangezochte marktdeelnemer is gevestigd. In het verzoek van de Commissie wordt uitdrukkelijk vermeld dat het de marktdeelnemer vrijstaat een dergelijk verzoek af te wijzen. Het verzoek om informatie bevat de contactgegevens van de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de aangezochte marktdeelnemer is gevestigd, en waaraan het antwoord moet worden toegezonden. Indien de marktdeelnemer besluit de gevraagde informatie aan de betrokken lidstaat te verstrekken, stelt de betrokken lidstaat die informatie ter beschikking van de Commissie.
9. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling de lijst van crisisrelevante producten op en werkt deze regelmatig bij. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
10. De Commissie stelt het Comité jaarlijks of op verzoek van een van de leden van het Comité, zoals bedoeld in artikel 76, lid 5, in kennis van alle resultaten van het inventariseren. Die resultaten zijn gerubriceerde informatie.
11. De Commissie stelt, op basis van de resultaten van de overeenkomstig de leden 4, 6 en 7 uitgevoerde activiteiten en na overleg met het Comité, een lijst op van indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing die bedoeld is om vast te stellen welke factoren de levering van crisisrelevante producten kunnen verstoren, in gevaar kunnen brengen of negatief kunnen beïnvloeden. De Commissie herziet, na overleg met het Comité, regelmatig, en ten minste om de twee jaar, de lijst van indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing.
12. De lidstaten brengen in voorkomend geval, in samenwerking met de Commissie en het EDA, onverwijld na de vaststelling van de in lid 9 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling de op hun grondgebied gevestigde belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten in kaart. Iedere lidstaat stelt de belangrijkste op zijn grondgebied gevestigde leveranciers van crisisrelevante producten ervan in kennis dat zij op grond van dit lid in kaart zijn gebracht en informeert hen over de in artikel 57, lid 1, punt c), vastgelegde verplichting om verstoringen in de levering van crisisrelevante producten te melden. Die kennisgeving bevat ook de contactgegevens van de nationale bevoegde autoriteiten waaraan die melding moet worden toegezonden.
13. Bij het in kaart brengen van de belangrijkste leveranciers als bedoeld in lid 12 kan rekening worden gehouden met de volgende elementen:
a)
het marktaandeel van de leverancier op de markt voor dat crisisrelevante product;
b)
het belang van de leverancier om een toereikend voorzieningsniveau ten aanzien van een crisisrelevant product in de Unie te handhaven, rekening houdend met de beschikbaarheid in de Unie van alternatieve middelen voor het leveren van dat product; of
c)
de gevolgen die een verstoring van de levering van het door de leverancier geleverde crisisrelevante product zou kunnen hebben voor de werking van de interne markt.
14. Onverminderd lid 10 van dit artikel wordt alle op grond van dit artikel verkregen informatie behandeld met inachtneming van de vertrouwelijkheidsverplichtingen van artikel 80.
15. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt a), VWEU.
Artikel 57
Monitoring
1. De lidstaten en de Commissie voorzien, in samenwerking met het Comité, in de regelmatige monitoring van de productiecapaciteiten in de Unie die nodig zijn voor de levering van crisisrelevante producten, als vastgesteld overeenkomstig artikel 56, lid 9, teneinde mogelijke risico’s voor de levering van die producten in kaart te brengen. Bij de uitvoering van die monitoring:
a)
monitort de Commissie, in samenwerking met het Comité, de overeenkomstig artikel 56, lid 11, vastgestelde indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing, onder meer door bundeling van de van de lidstaten ontvangen input, die is gebaseerd op op nationaal niveau verzamelde informatie;
b)
monitoren de lidstaten, in het licht van de indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing, de bekwaamheid van de in artikel 56, lid 12, bedoelde belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten om hun activiteiten uit te voeren en brengen aan het Comité verslag uit over alle gebeurtenissen die negatieve en blijvende gevolgen kunnen hebben voor de tijdige beschikbaarheid en levering van die producten;
c)
indien de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten verstoringen van het leveringsproces vaststellen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor hun activiteiten in verband met de productie van die producten, melden zij dit aan de lidstaat op het grondgebied waarvan zij zijn gevestigd en deelt de betrokken lidstaat die informatie op zijn beurt onverwijld mee aan de Commissie;
d)
de Commissie stelt, na raadpleging van het Comité, de beste praktijken vast voor preventieve risicobeperking en meer transparantie van de productiecapaciteiten in de Unie die nodig zijn voor de levering van crisisrelevante producten.
De Commissie bepaalt, na raadpleging van het Comité, de frequentie van de in de eerste alinea bedoelde monitoring.
2. De Commissie en de lidstaten besteden bijzondere aandacht aan kmo’s om de administratieve lasten als gevolg van de in lid 1 bedoelde monitoring tot een minimum te beperken en kunnen, indien nodig, specifieke bijstand verlenen.
3. De Commissie kan, na raadpleging van het Comité, de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten als bedoeld in artikel 56, lid 12, lidstaten, nationale brancheorganisaties in de defensiesector en andere belanghebbenden verzoeken om vrijwillig informatie te verstrekken met het oog op de uitvoering van monitoringactiviteiten overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punt a), van dit artikel.
4. Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, punt b), van dit artikel kunnen de lidstaten, indien dat nodig en evenredig is, vrijwillig informatie opvragen bij de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten als bedoeld in artikel 56, lid 12.
5. Voor de toepassing van lid 3 stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een lijst op van contactpersonen van de belangrijkste leveranciers van de crisisrelevante producten die op hun grondgebied zijn gevestigd, en houden deze lijst bij. De lijst wordt aan de Commissie toegezonden. Binnen het Comité voorziet de Commissie in een model voor die lijst van contactpersonen.
6. Onverminderd de bescherming van commercieel vertrouwelijke informatie verstrekken de lidstaten het Comité aanvullende relevante informatie, met name informatie over het in kaart brengen van kwesties die verband houden met de levering van crisisrelevante producten in de hele Unie en over relevante toekomstige maatregelen op nationaal niveau voor de aanbesteding, aankoop of vervaardiging van crisisrelevante producten.
7. Op basis van de informatie die werd verzameld middels de monitoringactiviteiten die op grond van dit artikel zijn uitgevoerd, brengt de Commissie regelmatig aan het Comité over alle bevindingen verslag uit. Dat verslag vormt gerubriceerde informatie. Het Comité vergadert om de resultaten van dat verslag te beoordelen en, in voorkomend geval, mogelijke oplossingen voor kwesties van gemeenschappelijk belang in kaart te brengen. In voorkomend geval kan de Commissie, na raadpleging van het Comité, nationale brancheorganisaties in de defensiesector, de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten als bedoeld in artikel 56, lid 12, en deskundigen uit de academische wereld en het maatschappelijk middenveld voor dergelijke vergaderingen uitnodigen.
8. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt a), VWEU.
Artikel 58
Stresstests
1. De Commissie brengt, na raadpleging van het Comité, de onderwerpen in kaart die relevant zijn voor de uitvoering van stresstests.
2. De Commissie voert, rekening houdend met de relevante onderwerpen die op grond van lid 1 van dit artikel in kaart zijn gebracht, stresstests uit en coördineert die, met inbegrip van simulaties die tot doel hebben te anticiperen en zich voor te bereiden op een voorzieningscrisis als bedoeld in artikel 60, en kan met name:
a)
scenario’s en parameters ontwikkelen die rekening houden met de specifieke risico’s in verband met een voorzieningscrisis, teneinde de mogelijke gevolgen voor de levering van crisisrelevante producten en de goede werking van de interne markt te beoordelen;
b)
de ontwikkeling van strategieën voor paraatheid bij noodsituaties faciliteren en stimuleren;
c)
na voltooiing van de stresstests, in samenwerking met het Comité, risicobeperkende maatregelen vaststellen.
3. De Commissie kan de in lid 2 bedoelde stresstests regelmatig uitvoeren. Het Comité doet aanbevelingen met betrekking tot de frequentie voor het uitvoeren van dergelijke stresstests.
4. De Commissie nodigt vertegenwoordigers van alle lidstaten uit om aan de in lid 2 bedoelde stresstests deel te nemen. Na raadpleging van het Comité kan de Commissie ook vertegenwoordigers van de hoge vertegenwoordiger, het EDA of andere relevante actoren uitnodigen om deel te nemen aan die stresstests.
5. Op verzoek van twee of meer lidstaten kan de Commissie stresstests uitvoeren in specifieke geografische gebieden of grensregio’s in die lidstaten.
6. Na voltooiing van de overeenkomstig dit artikel uitgevoerde stresstests deelt de Commissie de resultaten mee aan de deelnemende lidstaten. De Commissie deelt onverwijld een verslag met aanbevelingen op basis van de resultaten van die stresstests met het Comité. Die resultaten en dat verslag vormen gerubriceerde informatie.
Artikel 59
Waarschuwingen en preventieve maatregelen
1. Een bevoegde instantie van een lidstaat die kennis krijgt van een risico op een ernstige verstoring van de levering van een crisisrelevant product, of over concrete en betrouwbare informatie beschikt over een andere relevante risicofactor of gebeurtenis met materiële gevolgen voor de levering van een crisisrelevant product, waarschuwt onverwijld het Comité.
2. Om te bepalen of een risico op ernstige verstoring van de levering van een crisisrelevant product aanleiding moet geven tot een waarschuwing als bedoeld in lid 1, houden de lidstaten rekening met het volgende:
a)
de marktpositie van de marktdeelnemers die door de verstoring kunnen worden getroffen;
b)
de verwachte duur van de mogelijke verstoring;
c)
het geografische gebied en het aandeel van de interne markt dat door de mogelijke verstoring en de mogelijke grensoverschrijdende gevolgen ervan wordt getroffen, evenals de mogelijke gevolgen ervan voor bijzonder kwetsbare of blootgestelde geografische gebieden; en
d)
de gevolgen van de mogelijke verstoring voor de levering van crisisrelevante producten.
3. Indien het Comité of de Commissie, onder meer op basis van indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing, na een waarschuwing op grond van lid 1 of via internationale partners, kennis krijgt van een risico op een ernstige verstoring van de levering van een crisisrelevant product, of beschikt over concrete en betrouwbare informatie over een andere relevante risicofactor of gebeurtenis met materiële gevolgen voor de levering van een crisisrelevant product, neemt de Commissie onverwijld de volgende preventieve maatregelen:
a)
een buitengewone vergadering bijeenroepen van het Comité om de volgende acties te coördineren:
i)
de ernst van de mogelijke verstoringen van de beschikbaarheid en levering van de betrokken crisisrelevante producten bespreken;
ii)
de Commissie aanbevelen actie te ondernemen overeenkomstig de hoofdstukken II en III;
iii)
de aanpak van de bevoegde instanties van de lidstaten bespreken en hun beste praktijken uitwisselen, onder meer om de mate van paraatheid van de belangrijkste leveranciers van crisisrelevante producten te beoordelen;
iv)
de lidstaten verzoeken een dialoog aan te gaan met belanghebbenden op het gebied van de productiecapaciteiten in de Unie die nodig zijn voor de levering van crisisrelevante producten, teneinde preventieve maatregelen te bepalen, voor te bereiden en eventueel te coördineren;
v)
bespreken of de activering van de in artikel 60 bedoelde voorzieningscrisistoestand nodig en evenredig is;
b)
na overleg met het Comité namens de Unie overleg plegen of samenwerken met relevante derde landen en internationale organisaties teneinde, in overeenstemming met internationale verplichtingen, naar op samenwerking gebaseerde oplossingen voor het vermijden of aanpakken van verstoringen van de toeleveringsketens te zoeken, die in voorkomend geval coördinatie in relevante internationale fora kunnen omvatten;
c)
zorgen voor synergieën met relevante programma’s en rechtshandelingen van de Unie.
4. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt a), VWEU.
AFDELING 3
BEPERKING VAN EEN VOORZIENINGSCRISIS
Artikel 60
Activering van de voorzieningscrisistoestand
1. Een voorzieningscrisis wordt geacht zich voor te doen indien:
a)
er sprake is van ernstige verstoringen of van een dreigend risico op dergelijke verstoringen in de levering van crisisrelevante producten; en
b)
dergelijke ernstige verstoringen of het dreigende risico daarop leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot de vaststelling, met betrekking tot crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn, van uiteenlopende nationale maatregelen die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, met name belemmeringen vormen voor de grensoverschrijdende handel in dergelijke crisisrelevante producten, en voor de werking van de defensietoeleveringsketens van de Unie.
2. Indien de Commissie of het Comité overeenkomstig artikel 59 kennis krijgt van een risico op een ernstige verstoring van de levering van crisisrelevante producten of over concrete en betrouwbare informatie beschikt over andere relevante risicofactoren of gebeurtenissen met materiële gevolgen voor de levering van dergelijke producten, beoordeelt de Commissie na overleg met het Comité of is voldaan aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel. Bij die beoordeling wordt rekening gehouden met de potentiële effecten en gevolgen van de voorzieningscrisistoestand voor de toeleveringsketens van de betrokken crisisrelevante producten in de Unie, met de resultaten van overeenkomstig artikel 58 uitgevoerde stresstests en met aan de hand van andere relevante kaders voor crisisbeheersing van de Unie uitgevoerde beoordelingen. Indien die beoordeling concrete en betrouwbare aanwijzingen oplevert, kan de Commissie, na overleg met het Comité, de Raad voorstellen de voorzieningscrisistoestand te activeren. Wanneer zij de Raad voorstelt de voorzieningscrisistoestand te activeren, stelt de Commissie het Parlement daarvan in kennis.
3. De Raad kan door middel van een uitvoeringshandeling, op voorstel van de Commissie, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt aangenomen, de voorzieningscrisistoestand activeren. De duur van de voorzieningscrisistoestand wordt vermeld in de uitvoeringshandeling en bedraagt aanvankelijk maximaal twaalf maanden. In die uitvoeringshandeling wordt ook bepaald welke van de in de artikelen 62 en 63 bedoelde maatregelen worden geactiveerd. Daarnaast kan in de uitvoeringshandeling worden bepaald voor welke crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn deze maatregelen moeten worden geactiveerd.
4. De Raad kan het in lid 3 bedoelde voorstel wijzigen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
5. De Commissie brengt regelmatig, en ten minste om de drie maanden, aan de Raad en het Europees Parlement verslag uit over de stand van zaken met betrekking tot de voorzieningscrisis.
6. Vóór het verstrijken van de duur van de voorzieningscrisistoestand beoordeelt de Commissie, rekening houdend met de aanbeveling van het Comité, of het gerechtvaardigd is deze te verlengen. Indien deze beoordeling concrete en betrouwbare aanwijzingen oplevert dat er nog steeds aan de voorwaarden voor activering van de voorzieningscrisistoestand wordt voldaan, kan de Commissie, na overleg met het Comité, de Raad voorstellen de voorzieningscrisistoestand te verlengen.
7. De Raad kan door middel van een uitvoeringshandeling, op voorstel van de Commissie, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt aangenomen, de voorzieningscrisistoestand verlengen. De duur van de verlenging wordt beperkt tot maximaal twaalf maanden en wordt in de uitvoeringshandeling vermeld.
8. Tijdens de voorzieningscrisistoestand beoordeelt de Commissie, na overleg met het Comité, of een vroegtijdige beëindiging van de voorzieningscrisistoestand passend is. Indien de beoordeling daar aanleiding toe geeft, kan de Commissie aan de Raad voorstellen de voorzieningscrisistoestand te beëindigen.
9. De Raad kan door middel van een uitvoeringshandeling, op voorstel van de Commissie, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt aangenomen, de voorzieningscrisistoestand beëindigen vóór de vervaldatum die is bepaald in de in lid 3 of lid 7 bedoelde uitvoeringshandeling.
10. Tijdens de voorzieningscrisistoestand roept de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, indien nodig buitengewone vergaderingen van het Comité bijeen. Overeenkomstig artikel 76, lid 10, nodigt het Comité, in voorkomend geval, hooggeplaatste vertegenwoordigers van de industrie uit om in een bijzondere samenstelling bijeen te komen teneinde kwesties in verband met crisisrelevante producten te bespreken. De lidstaten werken in het kader van het Comité nauw samen met de Commissie om de coördinatie te waarborgen van alle Unie- en nationale maatregelen met betrekking tot de toeleveringsketens van de betrokken crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn.
11. Na het verstrijken van de periode waarvoor de voorzieningscrisistoestand was geactiveerd of verlengd, of na de vroegtijdige beëindiging ervan, houden de overeenkomstig de artikelen 62 en 63 genomen maatregelen onmiddellijk op van toepassing te zijn. De overeenkomstig artikel 63, leden 7 en 9, vastgestelde uitvoeringshandelingen blijven niettemin van toepassing tot de betrokken als prioritair aangemerkte verzoeken of als prioritair aangemerkte bestellingen zijn afgehandeld.
12. De Commissie en de lidstaten actualiseren de inventarisatie en de monitoring van de defensietoeleveringsketens van de Unie op grond van de artikelen 56 en 57, rekening houdend met de ervaring die in de voorzieningscrisis is opgedaan, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van de duur, of na de vroegtijdige beëindiging, van de voorzieningscrisistoestand.
Artikel 61
Bij een voorzieningscrisis te gebruiken instrumentarium
1. Indien de voorzieningscrisistoestand wordt geactiveerd op grond van artikel 60 en indien dit nodig is om de voorzieningscrisis in de Unie aan te pakken, kan de Commissie de in de artikelen 62 en 63 bedoelde maatregelen nemen, zoals gespecificeerd in de overeenkomstig artikel 60, lid 3, door de Raad vastgestelde uitvoeringshandeling.
2. De Commissie moet, na overleg met het Comité, de toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen beperken tot de crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn waarvan de voorziening als gevolg van de voorzieningscrisis ernstig wordt verstoord of het dreigende risico loopt ernstig te worden verstoord. De toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen is evenredig en beperkt tot wat noodzakelijk is om ernstige verstoringen die van invloed zijn op de toeleveringsketens van de betrokken crisisrelevante producten in de Unie aan te pakken of om een dreigend risico van dergelijke verstoringen te verminderen, en is in het belang van de Unie. Bij de toepassing van die maatregelen wordt voorkomen dat met name kmo’s onevenredige administratieve lasten worden opgelegd.
3. Indien de voorzieningscrisistoestand wordt geactiveerd overeenkomstig artikel 60 en indien gepast om de voorzieningscrisis in de Unie aan te pakken, overweegt het Comité passende en doeltreffende maatregelen en verstrekt het daarover advies.
4. De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad regelmatig op de hoogte van alle overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen en licht de redenen voor haar optreden toe.
5. De Commissie verstrekt, rekening houdend met de aanbeveling van het Comité, richtsnoeren over de uitvoering en het gebruik van de maatregelen waarin de artikelen 62 en 63 voorzien.
Artikel 62
Informatieverzoeken
1. Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 60, lid 3, activeert, kan de Commissie, indien de beschikbare informatie onvoldoende is, een marktdeelnemer die bijdraagt tot de productie van crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn, met voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van die marktdeelnemer is gevestigd, verzoeken om binnen een bepaalde termijn aan die lidstaat informatie te verstrekken over zijn productievermogen en productiecapaciteit en over de huidige primaire verstoringen. De betrokken lidstaat stelt de gevraagde informatie ter beschikking van de Commissie. De gevraagde informatie blijft beperkt tot wat noodzakelijk is om de aard van de voorzieningscrisis te beoordelen of om mogelijke verzachtende maatregelen te bepalen en te beoordelen.
2. Alvorens een verzoek om informatie overeenkomstig lid 1 te versturen, kan de Commissie, met voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd, vrijwillig een representatief aantal relevante marktdeelnemers raadplegen om de passende en evenredige inhoud van een dergelijk verzoek vast te stellen. De Commissie stelt het verzoek om informatie op in overleg met het Comité.
3. De Commissie zendt zonder onnodige vertraging een afschrift van het verzoek om informatie aan de nationale bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd.
4. Het verzoek om informatie:
a)
vermeldt de rechtsgrondslag;
b)
beperkt zich tot het strikt noodzakelijke minimum, is evenredig wat betreft de gedetailleerdheid en de omvang van de gevraagde gegevens en de frequentie van de toegang tot de gevraagde gegevens;
c)
houdt rekening met de legitieme belangen van de marktdeelnemer en de kosten en inspanningen die noodzakelijk zijn om de gegevens beschikbaar te stellen;
d)
omvat de contactinformatie van de nationale bevoegde instanties van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd waarnaar het antwoord moet worden gezonden;
e)
vermeldt de termijn waarbinnen de informatie aan de betrokken lidstaat moet worden verstrekt; en
f)
vermeldt eveneens de in artikel 72 bedoelde sancties.
5. Indien de betrokken lidstaat ermee instemt een verzoek om informatie overeenkomstig lid 1 te versturen, kan hij besluiten dat verzoek, zoals opgesteld door de Commissie overeenkomstig de leden 2 en 4, rechtstreeks aan de betrokken marktdeelnemer te richten.
6. Elke betrokken marktdeelnemer of persoon die naar behoren gemachtigd is om die marktdeelnemer te vertegenwoordigen, verstrekt de gevraagde informatie op individuele basis aan de betrokken lidstaat.
7. De betrokken lidstaat zorgt ervoor dat de gevraagde informatie onverwijld ter beschikking van de Commissie wordt gesteld.
8. Een in de Unie gevestigde marktdeelnemer die vanuit een derde land een verzoek om informatie ontvangt over zijn activiteiten voor de levering van crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn, informeert de lidstaat op het grondgebied waarvan zijn productielocatie is gevestigd daar tijdig over. Die lidstaat meldt dit aan de Commissie, en wel op een zodanige wijze dat de betrokken lidstaat en de Commissie de mogelijkheid krijgen om soortgelijke informatie op te vragen bij de marktdeelnemer. De Commissie informeert het Comité dat er sprake is van een dergelijk verzoek uit een derde land.
9. Indien een marktdeelnemer in antwoord op een verzoek op grond van dit artikel onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekt of de informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt, wordt hem een geldboete opgelegd overeenkomstig artikel 72, tenzij de marktdeelnemer voldoende redenen heeft om de gevraagde informatie niet of niet binnen de voorgeschreven termijn te verstrekken, met name indien de verwerking van het verzoek om informatie door een marktdeelnemer zijn werking op aanzienlijke wijze kan verstoren, indien de informatie gerubriceerd is en uitsluitend voor nationaal gebruik is aangemerkt of indien de openbaarmaking van die informatie de bedrijfsactiviteiten van de marktdeelnemer aanzienlijk zou kunnen schaden.
10. De Commissie en de betrokken lidstaten gebruiken beveiligde middelen om het verzoek om informatie te versturen en alle verkregen informatie overeenkomstig artikel 80 te behandelen.
11. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt a), VWEU.
Artikel 63
Prioritering van producten die geen defensieproducten zijn
1. Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 60, lid 3, activeert, kan een lidstaat die ernstige moeilijkheden ondervindt bij het plaatsen van een bestelling of bij de uitvoering van een opdracht in verband met de levering van crisisrelevante producten bij de Commissie een verzoek indienen om een marktdeelnemer te verzoeken een bepaalde bestelling van crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn te aanvaarden of te prioriteren.
2. Bij een in lid 1 bedoeld verzoek kan de Commissie, indien de productie of levering van crisisrelevante producten die geen defensieproducten zijn, niet kan worden verwezenlijkt met andere maatregelen waarin dit hoofdstuk voorziet, een verzoek richten tot de betrokken marktdeelnemer na:
a)
raadpleging en voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd; en
b)
raadpleging van de lidstaat op het grondgebied waarvan de uitvoerende bestuursstructuur van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd.
3. Het in lid 2 bedoelde verzoek bevat informatie over de rechtsgrondslag van het verzoek, details inzake de betrokken producten en hun specificaties en hoeveelheden, het tijdschema en de termijn waarbinnen de bestelling moet worden uitgevoerd en voltooid, en vermeldt de redenen die het gebruik van het als prioritair aangemerkte verzoek rechtvaardigen.
4. De Commissie toont aan dat de keuze van de ontvangers en begunstigden van het in lid 2 bedoelde verzoek niet-discriminerend is en voldoet aan de mededingingsregels van de Unie.
5. De Commissie baseert het in lid 2 bedoelde verzoek op objectieve, feitelijke, meetbare en onderbouwde gegevens waaruit blijkt dat een dergelijke prioritering onontbeerlijk is om de goede werking van de interne markt te waarborgen, en rekening houdt met de legitieme belangen van de betrokken marktdeelnemer en met de kosten en inspanningen die nodig zijn voor elke wijziging in de productievolgorde van de toeleveringsketen.
6. De betrokken marktdeelnemer antwoordt de Commissie binnen vijf werkdagen na ontvangst van het in lid 2 bedoelde verzoek en geeft aan of hij het verzoek aanvaardt of afwijst. Indien de urgentie van de situatie dit vereist, kan de Commissie, op basis van een motivering van die urgentie, de marktdeelnemer verzoeken binnen een kortere termijn te antwoorden.
7. Indien de marktdeelnemer waaraan het in lid 2 bedoelde verzoek is gericht, dat verzoek uitdrukkelijk heeft aanvaard, stelt de Commissie bij uitvoeringshandeling een als prioritair aangemerkt verzoek vast dat voorziet in:
a)
de rechtsgrond van het als prioritair aangemerkte verzoek waaraan de marktdeelnemer moet voldoen;
b)
de lijst van crisisrelevante producten waarvoor het als prioritair aangemerkte verzoek geldt, de bepalingen waaraan ze moeten voldoen, de prijs en de hoeveelheden die daarvan moeten worden geleverd;
c)
de termijnen waarbinnen het als prioritair aangemerkte verzoek moet worden afgehandeld;
d)
de begunstigden van het als prioritair aangemerkte verzoek;
e)
de vrijstelling van contractuele aansprakelijkheid onder de in lid 12 van dit artikel vastgelegde voorwaarden; en
f)
de sancties waarin artikel 72 voorziet bij niet-naleving van de verplichtingen die uit die uitvoeringshandeling voortvloeien.
8. Indien de marktdeelnemer het in lid 2 bedoelde verzoek afwijst, verstrekt hij de Commissie een gedetailleerde motivering van die afwijzing.
9. Terdege rekening houdend met de door de marktdeelnemer overeenkomstig lid 8 van dit artikel verstrekte motivering en na raadpleging en voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd en van de lidstaat op het grondgebied waarvan de uitvoerende bestuursstructuur van de marktdeelnemer is gevestigd, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling een als prioritair aangemerkte bestelling vaststellen waarbij de betrokken marktdeelnemer wordt verplicht die bestelling uit te voeren. De Commissie motiveert, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten van de marktdeelnemer uit hoofde van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het licht van de in lid 1 beschreven omstandigheden, waarom het noodzakelijk was de uitvoeringshandeling vast te stellen. In een dergelijke uitvoeringshandeling wordt de in lid 7 bedoelde informatie verstrekt.
10. De Commissie plaatst de als prioritair aangemerkte bestelling niet in een van de volgende gevallen:
a)
de marktdeelnemer wegens een ontoereikend productievermogen of onvoldoende productiecapaciteit of om technische redenen niet in staat is de als prioritair aangemerkte bestelling uit te voeren, zelfs niet bij preferentiële behandeling van de bestelling; of
b)
de uitvoering van de bestelling een onredelijke economische last zou meebrengen en de marktdeelnemer bijzondere moeilijkheden zou berokkenen, waaronder aanzienlijk risico’s voor de bedrijfscontinuïteit.
11. De in lid 7 bedoelde als prioritair aangemerkte verzoeken en de in lid 9 bedoelde als prioritair aangemerkte bestellingen:
a)
worden ingediend respectievelijk geplaatst tegen een billijke en redelijke prijs, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de alternatieve kosten van de marktdeelnemer bij het vervullen van de als prioritair aangemerkte verzoeken of de als prioritair aangemerkte bestellingen in vergelijking met bestaande contractuele verplichtingen;
b)
hebben voorrang op elke privaatrechtelijke of publiekrechtelijke prestatieverplichting betreffende de crisisrelevante producten die het voorwerp zijn van een als prioritair aangemerkt verzoek of van een als prioritair aangemerkte bestelling, met uitzondering van verplichtingen die rechtstreeks verband houden met bestellingen met een militair doeleinde.
12. Marktdeelnemers ten aanzien waarvan op grond van lid 7 een als prioritair aangemerkt verzoek of op grond van lid 9 een als prioritair aangemerkte bestelling is ingediend respectievelijk geplaatst, zijn niet aansprakelijk voor een schending van een contractuele verbintenis die onder het recht van een lidstaat valt, mits:
a)
de schending van een contractuele verbintenis noodzakelijk is om te voldoen aan de vereiste prioritering;
b)
is voldaan aan de in lid 7 of lid 9 bedoelde uitvoeringshandeling; en
c)
in voorkomend geval, de aanvaarding van het als prioritair aangemerkte verzoek niet uitsluitend was bedoeld om ten onrechte een eerdere contractuele verbintenis te ontlopen.
13. Elk conflict tussen een als prioritair aangemerkt verzoek of een als prioritair aangemerkte bestelling en een maatregel in het kader van een ander prioriteringsmechanisme van de Unie wordt besproken binnen het Comité en opgelost door de Commissie, op basis van een afweging van het algemeen belang.
14. Een marktdeelnemer ten aanzien waarvan een op grond van lid 7 als prioritair aangemerkt verzoek of een op grond van lid 9 als prioritair aangemerkte bestelling is ingediend respectievelijk geplaatst, kan de Commissie verzoeken de in lid 7 of lid 9 bedoelde uitvoeringshandeling te wijzigen indien hij van oordeel is dat dit naar behoren gerechtvaardigd is om een van de volgende redenen:
a)
de marktdeelnemer is wegens ontoereikende productievermogens of productiecapaciteiten niet in staat het als prioritair aangemerkte verzoek of de als prioritair aangemerkte bestelling uit te voeren, zelfs niet indien het verzoek of de bestelling met voorrang wordt behandeld;
b)
de afhandeling van het verzoek of van de bestelling zou een onredelijke economische last meebrengen en zou de marktdeelnemer bijzondere moeilijkheden berokkenen.
15. De marktdeelnemer verstrekt alle relevante en onderbouwde informatie aan de hand waarvan de Commissie de gegrondheid van het in lid 14 bedoelde verzoek tot wijziging kan beoordelen.
16. Op basis van het onderzoek van de door de marktdeelnemer aangevoerde redenen en bewijzen kan de Commissie, na raadpleging van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd en de lidstaat waar de uitvoerende bestuursstructuur van die marktdeelnemer is gevestigd, haar uitvoeringshandeling wijzigen om de marktdeelnemer geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel.
17. Een in de Unie gevestigde marktdeelnemer die onderworpen is aan een maatregel van een derde land die een als prioritair aangemerkte bestelling of een als prioritair aangemerkt verzoek inhoudt van een crisisrelevant product dat geen defensieproduct is, stelt de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt vervolgens het Comité in kennis van het bestaan van een dergelijke maatregel.
18. Indien een marktdeelnemer ten aanzien waarvan een op grond van lid 7 als prioritair aangemerkt verzoek is ingediend of een op grond van lid 9 als prioritair aangemerkte bestelling is geplaatst, opzettelijk of door grove nalatigheid geen gevolg geeft aan dat verzoek of die bestelling, wordt hem een geldboete opgelegd overeenkomstig artikel 72, tenzij:
a)
de marktdeelnemer wegens ontoereikende productievermogens of productiecapaciteiten, of om technische redenen, niet in staat is het als prioritair aangemerkte verzoek of de als prioritair aangemerkte bestelling uit te voeren; of
b)
de uitvoering of afhandeling van de bestelling een onredelijke economische last zou meebrengen en de marktdeelnemer bijzondere moeilijkheden zou berokkenen, waaronder aanzienlijk risico’s voor de bedrijfscontinuïteit.
19. De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast met de praktische en operationele regelingen voor de werking van als prioritair aangemerkte verzoeken en als prioritair aangemerkte bestellingen, met inbegrip van een methode voor de bepaling van de prijs van crisisrelevante producten die het voorwerp zijn van als prioritair aangemerkte bestellingen.
20. De in dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
21. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt b), VWEU.
AFDELING 4
VEILIGHEIDSGERELATEERDE VOORZIENINGSCRISISTOESTAND
Artikel 64
Activering van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand
1. Een veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisis wordt geacht zich voor te doen indien:
a)
er sprake is van ernstige verstoringen of een dreigend risico op dergelijke verstoringen bij de levering van defensieproducten, zoals verstoringen als gevolg van gebeurtenissen die verband houden met de veiligheid van de Unie; en
b)
dergelijke ernstige verstoringen of het dreigend risico daarop leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot de vaststelling van uiteenlopende nationale maatregelen met betrekking tot crisisrelevante defensieproducten die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de goede werking van de interne markt, met name belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel in dergelijke crisisrelevante defensieproducten binnen de Unie met aanzienlijke tekorten aan defensieproducten tot gevolg.
2. Indien de Commissie of het Comité overeenkomstig artikel 59 kennis krijgt van een risico op een ernstige verstoring van de levering van crisisrelevante defensieproducten of over concrete en betrouwbare informatie beschikt over andere relevante risicofactoren of gebeurtenissen met materiële gevolgen voor de levering van dergelijke producten, beoordeelt de Commissie na overleg met het Comité of is voldaan aan de voorwaarden uiteengezet in lid 1 van dit artikel. Bij die beoordeling wordt rekening gehouden met de potentiële effecten en gevolgen van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand voor de defensietoeleveringsketens in de Unie, met de resultaten van overeenkomstig artikel 58 uitgevoerde stresstests en met aan de hand van andere relevante kaders voor crisisbeheersing van de Unie uitgevoerde beoordelingen. Indien die beoordeling concrete en betrouwbare aanwijzingen oplevert, kan de Commissie, na overleg met het Comité, de Raad voorstellen de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand te activeren. Wanneer zij de Raad voorstelt de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand te activeren, stelt de Commissie het Parlement daarvan in kennis.
3. Bij het beoordelen of overeenkomstig lid 2 aan de voorwaarden uiteengezet in lid 1 van dit artikel is voldaan, houdt de Commissie er met name rekening mee of er een crisis op GBVB-gebied is vastgesteld die de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten aantast, en of die crisis heeft geleid tot activering van de wederzijdse hulp- en bijstandclausule op grond van artikel 42, lid 7, VEU.
4. De Raad kan door middel van een uitvoeringshandeling, op voorstel van de Commissie, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt aangenomen, de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand activeren. De duur van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand wordt vermeld in de uitvoeringshandeling en bedraagt aanvankelijk maximaal twaalf maanden. In die uitvoeringshandeling wordt ook bepaald welke van de in de artikelen 65 tot en met 71 bedoelde maatregelen worden geactiveerd. Daarnaast kan in de uitvoeringshandeling worden bepaald voor welke crisisrelevante defensieproducten deze maatregelen worden geactiveerd.
5. De Raad kan het in lid 4 bedoelde voorstel wijzigen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
6. De Commissie brengt regelmatig, en ten minste om de drie maanden, aan de Raad en het Europees Parlement verslag uit over de stand van zaken met betrekking tot de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisis.
7. Uiterlijk drie weken voor het verstrijken van de duur van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand, dient de Commissie, rekening houdend met de aanbeveling van het Comité, bij de Raad een verslag in waarin zij beoordeelt of die duur moet worden verlengd. In het verslag analyseert de Commissie met name het effect van de eerder in het kader van dit hoofdstuk geactiveerde maatregelen. Indien die beoordeling concrete en betrouwbare aanwijzingen oplevert dat er nog steeds aan de voorwaarden voor activering van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand wordt voldaan, kan de Commissie, na overleg met het Comité, de Raad voorstellen de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand te verlengen.
8. De Raad kan door middel van een uitvoeringshandeling, op voorstel van de Commissie, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt aangenomen, besluiten tot verlenging van de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand. De duur van de verlenging wordt beperkt tot maximaal 6 maanden en wordt in de uitvoeringshandeling vermeld. In die uitvoeringshandeling wordt ook bepaald welke van de in de artikelen 65 tot en met 71 bedoelde maatregelen van toepassing blijven of, in voorkomend geval, worden geactiveerd. De Raad kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, herhaaldelijk besluiten om de periode waarvoor de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand is geactiveerd te verlengen, indien dat gerechtvaardigd is om de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisis aan te pakken.
9. De Commissie kan de Raad voorstellen de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand zo vaak te verlengen als nodig wordt geacht om de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisis aan te pakken, onder de in lid 7 gestelde voorwaarden. Indien de Commissie dat voorstelt, is lid 8 van toepassing.
10. Tijdens de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand beoordeelt de Commissie, na overleg met het Comité, of het passend is de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand vroegtijdig te beëindigen. Indien de beoordeling daar aanleiding toe geeft, stelt de Commissie de Raad voor de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand te beëindigen.
11. De Raad kan door middel van een uitvoeringshandeling, op voorstel van de Commissie, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt aangenomen, de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand beëindigen vóór de vervaldatum die is bepaald in de in lid 4 of lid 8 bedoelde uitvoeringshandeling.
12. Onmiddellijk na het verstrijken van de periode waarvoor de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand is geactiveerd of verlengd of na het verstrijken ervan, zijn de overeenkomstig de artikelen 65 tot en met 71 genomen maatregelen niet langer van toepassing. De overeenkomstig artikel 66, lid 6, vastgestelde uitvoeringshandelingen blijven niettemin van toepassing tot de betrokken als prioritair aangemerkte verzoeken zijn afgerond.
Bij de voorbereiding en uitvoering van de in de artikelen 65 tot en met 71 genoemde maatregelen handelt de Commissie waar mogelijk in nauwe samenwerking met het Comité, dat tijdig advies verstrekt. De Commissie stelt het Comité in kennis van de genomen maatregelen. Tijdens de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand roept de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, indien nodig buitengewone vergaderingen van het Comité bijeen. Overeenkomstig artikel 76, lid 10, nodigt het Comité, in voorkomend geval, hooggeplaatste vertegenwoordigers van de industrie uit om in een bijzondere samenstelling bijeen te komen teneinde kwesties in verband met de betrokken defensieproducten te bespreken. De lidstaten werken in het kader van het Comité nauw samen met de Commissie met het oog op de coördinatie van alle Unie- en nationale maatregelen met betrekking tot de defensietoeleveringsketens in verband met de betrokken crisisrelevante defensieproducten.
13. Indien de veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand is geactiveerd, kan de Commissie de Raad voorstellen de in de artikelen 62 en 63 bedoelde maatregelen te activeren, onder de daarin en in de artikelen 60 en 61 bepaalde voorwaarden.
Artikel 65
Informatieverzoeken
Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, activeert, kan de Commissie de in artikel 62 bedoelde maatregelen nemen met betrekking tot crisisrelevante defensieproducten, overeenkomstig de daarin bepaalde voorwaarden.
Artikel 66
Prioritering van defensieproducten
1. Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, activeert, kan een lidstaat bij de Commissie een verzoek indienen om een marktdeelnemer waarvan de productielocatie op het grondgebied van die lidstaat is gevestigd, te verzoeken een bepaalde bestelling van crisisrelevante defensieproducten te aanvaarden of te prioriteren om de ernstige moeilijkheden aan te pakken waarmee deze lidstaat of een andere lidstaat wordt geconfronteerd bij het plaatsen van een bestelling of bij de uitvoering van een opdracht voor de levering van dergelijke producten.
2. Bij een in een lid 1 bedoeld verzoek kan de Commissie, indien de productie of levering van crisisrelevante defensieproducten niet kan worden verwezenlijkt met andere maatregelen waarin dit hoofdstuk voorziet, een verzoek richten tot de betrokken marktdeelnemer na:
a)
raadpleging en voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd; en
b)
raadpleging en voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de uitvoerende bestuursstructuur van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd.
In het verzoek van de Commissie wordt uitdrukkelijk vermeld dat het de marktdeelnemer vrijstaat het verzoek af te wijzen.
3. Het in lid 2 bedoelde verzoek bevat informatie over de rechtsgrondslag van het verzoek, details inzake de betrokken producten en hun specificaties en hoeveelheden, het tijdschema en de termijn waarbinnen de bestelling moet worden uitgevoerd, en vermeldt de redenen die het gebruik van het als prioritair aangemerkte verzoek rechtvaardigen.
4. De Commissie toont aan dat de keuze van de ontvangers en begunstigden van de in lid 2 bedoelde verzoeken niet-discriminerend is en voldoet aan de mededingingsregels van de Unie.
5. De Commissie baseert de in lid 2 bedoelde verzoeken op objectieve, feitelijke, meetbare en onderbouwde gegevens waaruit blijkt dat een dergelijke prioritering onontbeerlijk is om de goede werking van de interne markt te waarborgen, en rekening houdt met de legitieme belangen van de betrokken marktdeelnemer en met de kosten en inspanningen die nodig zijn voor elke wijziging in de productievolgorde van de toeleveringsketen.
6. Indien de marktdeelnemer waaraan het in lid 2 bedoelde verzoek is gericht, dat verzoek uitdrukkelijk heeft aanvaard, stelt de Commissie, bij een uitvoeringshandeling en na raadpleging en voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd en van de lidstaat op het grondgebied waarvan de uitvoerende bestuursstructuur van de marktdeelnemer is gevestigd, een als prioritair aangemerkt verzoek vast dat voorziet in:
a)
de rechtsgrond van het als prioritair aangemerkte verzoek waaraan de marktdeelnemer moet voldoen;
b)
de lijst van crisisrelevante producten waarvoor het als prioritair aangemerkte verzoek geldt, de bepalingen waaraan ze moeten voldoen, en de hoeveelheden die moeten worden geleverd;
c)
de termijnen waarbinnen het als prioritair aangemerkte verzoek moet worden afgehandeld;
d)
de begunstigden van het als prioritair aangemerkte verzoek;
e)
de reikwijdte van de contractuele verplichtingen waarop het als prioritair aangemerkte verzoek voorrang heeft;
f)
de vrijstelling van contractuele aansprakelijkheid onder de in lid 8 van dit artikel vastgelegde voorwaarden; en
g)
de sancties waarin artikel 72 voorziet bij niet-naleving van de verplichtingen die uit die uitvoeringshandeling voortvloeien.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
7. De in lid 6 bedoelde als prioritair aangemerkte verzoeken:
a)
worden ingediend tegen een billijke en redelijke prijs, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de alternatieve kosten van de marktdeelnemer bij het vervullen van de als prioritair aangemerkte verzoeken vergeleken met bestaande contractuele verplichtingen; en
b)
hebben voorrang op alle contractuele verplichtingen uit hoofde van het privaat- of publiekrecht met betrekking tot de crisisrelevante producten waarop het als prioritair aangemerkte verzoek van toepassing is, onder de voorwaarden van de in lid 6 bedoelde uitvoeringshandeling.
8. De marktdeelnemer ten aanzien waarvan op grond van lid 6 een als prioritair aangemerkt verzoek is ingediend, is niet aansprakelijk voor een schending van een contractuele verbintenis die onder het recht van een lidstaat valt, mits:
a)
de niet-nakoming van een contractuele verplichting strikt noodzakelijk is voor de naleving van de vereiste prioritering;
b)
de in lid 6 bedoelde uitvoeringshandeling is nageleefd; en
c)
de aanvaarding van het als prioritair aangemerkte verzoek niet uitsluitend was bedoeld om ten onrechte een eerdere prestatieverplichting te ontlopen.
9. Een marktdeelnemer ten aanzien waarvan een als prioritair aangemerkt verzoek is ingediend, kan de Commissie verzoeken de in lid 6 bedoelde uitvoeringshandeling te wijzigen indien hij van oordeel is dat dit naar behoren gerechtvaardigd is om een van de volgende redenen:
a)
de marktdeelnemer is wegens ontoereikende productievermogens of productiecapaciteiten niet in staat het als prioritair aangemerkte verzoek uit te voeren, zelfs niet wanneer het verzoek met voorrang wordt behandeld;
b)
de afhandeling van het verzoek zou een onredelijke economische last meebrengen en zou de marktdeelnemer bijzondere moeilijkheden berokkenen.
10. De marktdeelnemer verstrekt alle relevante en onderbouwde informatie aan de hand waarvan de Commissie de gegrondheid van het in lid 9 bedoelde verzoek tot wijziging kan beoordelen.
11. Op basis van het onderzoek van de door de marktdeelnemer aangevoerde redenen en bewijzen kan de Commissie, na raadpleging en voorafgaande toestemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan de desbetreffende productielocatie van de betrokken marktdeelnemer is gevestigd en van de lidstaat op het grondgebied waarvan de uitvoerende bestuursstructuur van die betrokken marktdeelnemer is gevestigd, haar uitvoeringshandeling wijzigen om de marktdeelnemer geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel.
12. Indien een marktdeelnemer, nadat deze er uitdrukkelijk mee heeft ingestemd om de bestellingen te prioriteren waar de Commissie om heeft verzocht, opzettelijk of door grove nalatigheid niet voldoet aan de verplichting om die bestellingen te prioriteren, wordt hem overeenkomstig artikel 72 een geldboete opgelegd, tenzij:
a)
de marktdeelnemer wegens ontoereikende productievermogens of productiecapaciteiten, of om technische redenen, niet in staat is het als prioritair aangemerkte verzoek uit te voeren; of
b)
de uitvoering of afhandeling van het verzoek een onredelijke economische last zou meebrengen en de marktdeelnemer bijzondere moeilijkheden zou berokkenen, waaronder aanzienlijk risico’s voor de bedrijfscontinuïteit.
13. Een in de Unie gevestigde marktdeelnemer die onderworpen is aan een maatregel van een derde land die een als prioritair aangemerkt verzoek inhoudt met betrekking tot een crisisrelevant defensieproduct, stelt de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt het Comité in kennis van het bestaan van dergelijke maatregelen. In voorkomend geval kan de Commissie met het Comité overleg plegen over alle passende stappen die als reactie op die maatregel moeten worden genomen.
14. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt b), VWEU.
Artikel 67
Overdrachten van crisisrelevante defensieproducten binnen de EU
1. Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, van deze verordening activeert, en onverminderd Richtlijn 2009/43/EG en de prerogatieven van de lidstaten uit hoofde van die richtlijn, zorgen de lidstaten ervoor dat aanvragen in verband met overdrachten binnen de EU efficiënt en tijdig worden verwerkt. Daartoe zorgen alle betrokken nationale autoriteiten ervoor dat die aanvragen zo snel als wettelijk mogelijk worden behandeld. In de in artikel 64, lid 4, van deze verordening, bedoelde uitvoeringshandeling van de Raad wordt de termijn vastgelegd waarbinnen de betrokken nationale autoriteiten de aanvragen moeten behandelen zodra ze alle informatie van de aanvrager hebben ontvangen. Die termijn is niet langer dan twee weken.
2. Een lidstaat die overeenkomstig artikel 4, lid 8, van Richtlijn 2009/43/EG uitvoerbeperkingen oplegt voor componenten die crisisrelevante producten zijn, vereist geen verdere vergunningen voor de overdracht binnen de EU van de betrokken componenten indien de afnemer in een verklaring over het gebruik aangeeft dat de in de overdrachtsvergunning bedoelde componenten zijn of moeten worden ingebouwd in een defensieproduct en niet als zodanig kunnen worden overgedragen of uitgevoerd. Dit laat de verplichtingen van afnemers uit hoofde van artikel 10 van Richtlijn 2009/43/EG onverlet.
Artikel 68
Steun voor innovatieacties op defensiegebied in verband met noodgevallen
Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, activeert, worden innovatieacties in verband met een van de volgende activiteiten geacht subsidiabel te zijn uit hoofde van het programma:
a)
activiteiten die gericht zijn op een zeer sterke verkorting van de doorlooptijd voor de levering van defensieproducten;
b)
activiteiten die gericht zijn op een aanzienlijke vereenvoudiging van de technische specificaties van defensieproducten om de massaproductie ervan mogelijk te maken;
c)
activiteiten die gericht zijn op een aanzienlijke vereenvoudiging van het productieproces van defensieproducten om de massaproductie ervan mogelijk te maken; of
d)
activiteiten die gericht zijn op het vervangen van componenten door alternatieven die in de Unie beschikbaar zijn of die eenvoudig kunnen worden aangepast of tijdig kunnen worden ontwikkeld door in de Unie gevestigde marktdeelnemers.
Artikel 69
Certificering
1. Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, activeert, zorgen de lidstaten ervoor dat de administratieve procedures in verband met de certificering van crisisrelevante defensieproducten en, indien nodig, technische aanpassingen van die producten zo snel mogelijk worden doorlopen, conform hun toepasselijke nationale wet- en regelgeving.
2. Indien het nationale recht in een dergelijke status voorziet, wordt aan certificering van crisisrelevante defensieproducten de hoogst mogelijke status van belang verleend.
3. Indien deze maatregel wordt geactiveerd, worden crisisrelevante defensieproducten die in een bepaalde lidstaat zijn gecertificeerd, geacht in een andere lidstaat te zijn gecertificeerd zonder dat zij aan aanvullende controle worden onderworpen.
4. De in artikel 64, lid 4, bedoelde uitvoeringshandeling kan preciezere bepalingen inzake de reikwijdte van deze maatregel bevatten.
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan het recht van iedere lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, overeenkomstig artikel 346, lid 1, punt b), VWEU.
Artikel 70
Nationale versnelde procedures voor het verlenen van vergunningen
Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, van deze verordening activeert, kan de voorzieningszekerheid van crisisrelevante defensieproducten worden beschouwd als een dwingende reden van groot openbaar belang in de zin van artikel 6, lid 4, en artikel 16, lid 1, punt c), van Richtlijn 92/43/EEG en van artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG. Daarom kunnen de planning, de bouw en de exploitatie van desbetreffende productiefaciliteiten worden beschouwd als zijnde van groot openbaar belang, mits aan de overige voorwaarden van die bepalingen is voldaan.
Artikel 71
Continuïteit van de productie van crisisrelevante defensieproducten
1. Indien de Raad de maatregel uit hoofde van dit artikel overeenkomstig artikel 64, lid 4, van deze verordening activeert en indien Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad (46) van toepassing is op de desbetreffende productieactiviteiten, kunnen de lidstaten besluiten gebruik te maken van, of marktdeelnemers waarvan de productielocaties op hun grondgebied zijn gevestigd en die de betrokken crisisrelevante defensieproducten produceren, aanmoedigen gebruik te maken van, de afwijkingen waarin artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2003/88/EG voorziet teneinde uitbreiding van werkploegendiensten mogelijk te maken en zo de continuïteit van de productie van de betrokken crisisrelevante defensieproducten te faciliteren, indien zij dat nodig achten om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.
2. Alle betrokken nationale autoriteiten zorgen ervoor dat, indien voorafgaande toestemming vereist is, de aanvragen van marktdeelnemers die crisisrelevante defensieproducten produceren om van de in lid 1 bedoelde afwijkingen gebruik te maken zo snel als wettelijk mogelijk worden behandeld.
AFDELING 5
SANCTIES
Artikel 72
Sancties
1. Indien zij dit noodzakelijk en evenredig acht, kan de Commissie, bij uitvoeringshandelingen, aan marktdeelnemers waaraan een informatieverzoek is gericht op grond van artikel 62 of waarop een van de verplichtingen rust om de Commissie in kennis te stellen van een verplichting vanuit een derde land op grond van artikel 63, lid 17, en artikel 66, lid 13, dan wel om de productie van crisisrelevante producten te prioriteren op grond van de artikelen 63 en 66, de volgende geldboeten of dwangsommen opleggen:
a)
geldboeten van ten hoogste 300 000 EUR indien de marktdeelnemer opzettelijk of door grove nalatigheid onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekt in antwoord op een verzoek op grond van artikel 62, lid 1, of de informatie, overeenkomstig artikel 62, lid 9, niet binnen de gestelde termijn verstrekt;
b)
geldboeten van ten hoogste 150 000 EUR indien de marktdeelnemer opzettelijk of door grove nalatigheid niet voldoet aan de verplichting om de Commissie in kennis te stellen van een verplichting vanuit een derde land op grond van artikel 63, lid 17, en artikel 66, lid 13;
c)
dwangsommen van ten hoogste 1,5 % van de gemiddelde dagomzet in het voorgaande boekjaar voor elke werkdag waarin de marktdeelnemer opzettelijk of door grove nalatigheid niet voldoet aan de verplichting om op grond van artikel 63, lid 9, overeenkomstig artikel 63, lid 18, de productie van crisisrelevante producten te prioriteren, met ingang van de datum die is vastgelegd in het besluit waarbij de als prioritair aangemerkte bestelling is geplaatst en indien de marktdeelnemer aan wie op grond van dit punt een dwangsom wordt opgelegd een kmo is, bedragen de opgelegde dwangsommen niet meer dan 0,5 % van zijn gemiddelde dagomzet in het voorgaande boekjaar;
d)
geldboeten van ten hoogste 300 000 EUR indien de marktdeelnemer opzettelijk of door grove nalatigheid niet voldoet aan de verplichting om de productie van crisisrelevante producten te prioriteren op grond van artikel 63, lid 8, en artikel 66, lid 6, respectievelijk overeenkomstig artikel 63, lid 18, en artikel 66, lid 12.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 77, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. Alvorens een besluit op grond van lid 1 van dit artikel te nemen, stelt de Commissie de betrokken marktdeelnemer in de gelegenheid te worden gehoord overeenkomstig artikel 75. Om te bepalen of geldboeten of dwangsommen noodzakelijk en evenredig zijn, houdt de Commissie rekening met alle naar behoren gemotiveerde redenen die de marktdeelnemer heeft aangevoerd.
3. Bij het bepalen van het bedrag van de geldboete of de dwangsom houdt de Commissie rekening met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, ook met betrekking tot gevallen van niet-naleving van de in artikel 63, lid 9, vastgelegde verplichting om een als prioritair aangemerkte bestelling, of van de in artikel 63, lid 7, of artikel 66, lid 6, vastgelegde verplichting om een als prioritair aangemerkt verzoek te aanvaarden of te prioriteren, en met de vraag of de marktdeelnemer de als prioritair aangemerkte bestelling of het als prioritair aangemerkt verzoek ten dele is nagekomen.
4. De boeten vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement en worden bestemd voor het instrument voor steun aan Oekraïne.
Artikel 73
Verjaringstermijn voor de oplegging van sancties
1. Voor de bevoegdheid van de Commissie uit hoofde van artikel 72 gelden de volgende verjaringstermijnen:
a)
twee jaar in geval van inbreuken op de bepalingen inzake verzoeken om informatie overeenkomstig artikel 62, lid 1;
b)
twee jaar in geval van inbreuken op de bepalingen inzake de kennisgevingsverplichtingen uit hoofde van artikel 63, lid 17, en artikel 66, lid 13;
c)
drie jaar in het geval van inbreuken op bepalingen inzake de verplichting tot prioritering van de productie van crisisrelevante producten overeenkomstig de artikelen 63 en 66.
2. De in lid 1 bedoelde verjaringstermijnen gaan in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of herhaalde inbreuken gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de laatste inbreuk werd gepleegd.
3. De verjaring wordt gestuit door de maatregelen die de Commissie of de bevoegde instanties van de lidstaten nemen om de naleving van deze verordening te waarborgen.
4. De stuiting van de verjaring geldt voor alle partijen die aansprakelijk worden gesteld voor deelname aan de inbreuk.
5. Na elke stuiting van de verjaringstermijn begint die verjaringstermijn opnieuw te lopen. De verjaring treedt echter uiterlijk in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Die termijn wordt verlengd met de periode waarin de verjaring is gestuit omdat tegen het besluit van de Commissie een procedure aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Artikel 74
Verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van sancties
1. De verjaringstermijn voor de aan de Commissie verleende bevoegdheid om overeenkomstig artikel 72 genomen besluiten ten uitvoer te leggen, bedraagt drie jaar.
2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop het besluit niet meer kan worden aangevochten.
3. De verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit door:
a)
een kennisgeving van een besluit waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;
b)
elke handeling van de Commissie of van een lidstaat op verzoek van de Commissie tot inning van de geldboete of de dwangsom.
4. Na elke in lid 3 bedoelde stuiting begint de verjaringstermijn opnieuw te lopen.
5. De verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang:
a)
een betalingstermijn is toegestaan;
b)
de invordering van de betaling krachtens een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie is opgeschort.
Artikel 75
Recht om te worden gehoord met betrekking tot het opleggen van geldboeten en dwangsommen
1. Alvorens een besluit op grond van artikel 72 vast te stellen, ziet de Commissie erop toe dat de betrokken marktdeelnemers in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken over:
a)
de voorlopige bevindingen van de Commissie, met inbegrip van alle zaken waartegen de Commissie bezwaren heeft gemaakt;
b)
de maatregelen die de Commissie eventueel voornemens is te nemen in het licht van de voorlopige bevindingen als bedoeld in punt a) van dit lid.
2. De betrokken marktdeelnemers kunnen hun opmerkingen over de voorlopige bevindingen van de Commissie bij de Commissie indienen binnen een termijn die de Commissie in haar voorlopige bevindingen bepaalt en die niet minder dan 14 werkdagen bedraagt.
3. De Commissie legt de geldboeten of dwangsommen uitsluitend op op basis van bezwaren waarover de betrokken marktdeelnemers opmerkingen hebben kunnen maken.
4. Indien de Commissie de betrokken marktdeelnemers in kennis heeft gesteld van haar voorlopige bevindingen als bedoeld in lid 1, verleent zij desgevraagd toegang tot haar dossier volgens de voorwaarden van een overeengekomen inzageverlening, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van de marktdeelnemers bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen of dat van personen bij de bescherming van bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie. Het recht tot inzage van het dossier geldt niet voor vertrouwelijke informatie en interne documenten van de Commissie of de autoriteiten van de lidstaten, met name correspondentie tussen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten. Niets in dit lid belet de Commissie om voor het bewijs van een inbreuk noodzakelijke informatie bekend te maken of te gebruiken.
AFDELING 6
COMITÉ VOOR DE VOORZIENINGSZEKERHEID OP DEFENSIEGEBIED
Artikel 76
Comité voor de voorzieningszekerheid op defensiegebied
1. Hierbij wordt het Comité voor de voorzieningszekerheid op defensiegebied (het “Comité”) opgericht.
2. De algemene taak van het Comité bestaat erin de Commissie bij te staan en haar aanbevelingen te doen op grond van dit hoofdstuk.
3. De Commissie zorgt voor een regelmatige informatiestroom naar het Comité over geplande maatregelen en over maatregelen die na de activering van de voorzieningscrisistoestanden op grond van artikel 60 of 64 zijn genomen. De Commissie verstrekt de nodige informatie via een beveiligd IT-systeem.
4. Voor het voorbereiden op en het aanpakken van een in artikel 60 of 64 bedoelde voorzieningscrisistoestand, verleent het Comité de Commissie bijstand bij:
a)
het analyseren van door de lidstaten of de Commissie verzamelde crisisrelevante informatie;
b)
het beoordelen van mogelijke paraatheidsmaatregelen;
c)
het beoordelen of is voldaan aan de criteria voor activering of deactivering van de in artikel 60 of 64 bedoelde voorzieningscrisistoestanden;
d)
het faciliteren van een gecoördineerd optreden met de lidstaten;
e)
het verstrekken van richtsnoeren voor de uitvoering van de maatregelen die zijn gekozen om te reageren op de in artikel 60 of 64 bedoelde voorzieningscrises op Unieniveau, met inbegrip van de activering van de in de artikelen 62 en 63 en de artikelen 65 tot en met 71 bedoelde maatregelen;
f)
het bepalen van specifieke responsmaatregelen voor de lidstaten, teneinde de tijdige beschikbaarheid en levering van crisisrelevante producten te waarborgen;
g)
het faciliteren van het uitwisselen en delen van informatie, onder meer met andere crisisrelevante organen op het niveau van de Unie, alsook in voorkomend geval met derde landen, internationale organisaties en vertegenwoordigers van de industrie, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld;
h)
het identificeren van relevante onderwerpen voor de uitvoering van stresstests;
i)
het ontwikkelen van een kader en een methode om crisisrelevante producten te bepalen, en het opstellen van de lijst van indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing;
j)
het inventariseren van crisisrelevante producten en indicatoren voor vroegtijdige waarschuwing;
k)
het beoordelen of verlenging van de voorzieningscrisistoestand noodzakelijk en evenredig is en of beëindiging passend is;
l)
het beoordelen van de resultaten van het monitoren en, in voorkomend geval, het in kaart brengen van mogelijke oplossingen voor kwesties van gemeenschappelijk belang; en
m)
het bepalen van een passende frequentie voor de uitvoering van stresstests.
5. Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van alle lidstaten, van de Commissie, van de hoge vertegenwoordiger en van het EDA. Het wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en een van de lidstaat die het roulerende voorzitterschap van de Raad bekleedt. Het secretariaat van het Comité wordt verzorgd door de Commissie. Enkel de lidstaten zijn stemgerechtigd.
6. De medevoorzitters nodigen vertegenwoordigers van het Europees Parlement uit om de vergaderingen van het Comité als waarnemer bij te wonen.
7. Geassocieerde landen hebben het recht om lid van het Comité zonder stemrecht te worden overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
8. Het Comité komt telkens wanneer de situatie dat vereist bijeen, op verzoek van de Commissie, van een lidstaat of van een geassocieerd land dat lid van het Comité is geworden. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast op grond van een voorstel van de Commissie. Dat reglement van orde voorziet in mechanismen om de goede werking van het Comité te waarborgen bij het uitvoeren van zijn taken, onder meer door middel van geschillenbeslechtingsprocedures met betrekking tot mogelijke geschillen tussen de medevoorzitters.
9. Het Comité kan op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief aanbevelingen doen. Het Comité streeft ernaar oplossingen te vinden die de ruimst mogelijke steun genieten.
10. Het Comité nodigt ten minste eenmaal per jaar vertegenwoordigers van de nationale brancheorganisaties in de defensiesector en geselecteerde vertegenwoordigers van de industrie uit om als waarnemer deel te nemen aan zijn werkzaamheden, rekening houdend met de noodzaak om voor een evenwichtige geografische vertegenwoordiging te zorgen. Indien een in artikel 60 of 64 bedoelde voorzieningscrisistoestand is geactiveerd, nodigt het Comité indien nodig hooggeplaatste vertegenwoordigers van de industrie uit om als waarnemer deel te nemen aan zijn werkzaamheden wanneer het in een bijzondere configuratie bijeenkomt teneinde kwesties in verband met crisisrelevante producten, of in verband met de betrokken defensieproducten, indien uit hoofde van artikel 64 een veiligheidsgerelateerde voorzieningscrisistoestand is geactiveerd, te bespreken.
11. Het Comité nodigt de vertegenwoordigers van andere crisisrelevante organen op Unieniveau als waarnemer uit voor zijn desbetreffende vergaderingen.
12. Het Comité nodigt, in voorkomend geval, overeenkomstig zijn reglement van orde en met inachtneming van de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, een vertegenwoordiger van Oekraïne uit om als waarnemer vergaderingen bij te wonen.
13. De Commissie zorgt voor inclusiviteit en biedt alle leden van het Comité gelijke toegang tot informatie zodat het besluitvormingsproces van het Comité de situatie en de behoeften van alle lidstaten weerspiegelt. Het Comité neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat gerubriceerde en gevoelige informatie veilig wordt behandeld en verwerkt overeenkomstig de artikelen 79 en 80.
14. De Commissie kan, op eigen initiatief of op voorstel van het Comité, op ad-hocbasis werkgroepen oprichten om het Comité te ondersteunen bij zijn werkzaamheden met het oog op het onderzoeken van specifieke kwesties op basis van de in lid 1 bedoelde taken. De lidstaten wijzen deskundigen aan voor die werkgroepen. Het EDA kan worden uitgenodigd om vergaderingen van die werkgroepen bij te wonen.
15. De Commissie richt een werkgroep in de zin van lid 14 op die zich bezighoudt met juridische, regelgevende en administratieve belemmeringen. De doelstellingen van die werkgroep zijn:
a)
het in kaart brengen van bestaande of potentiële juridische, regelgevende en administratieve belemmeringen op internationaal, Unie- en nationaal niveau voor de verwezenlijking van de in artikel 1, lid 2, punt 6, genoemde doelstellingen;
b)
het in kaart brengen van mogelijke oplossingen en verzachtende maatregelen als antwoord op vastgestelde belemmeringen.
HOOFDSTUK VIII
GOVERNANCE, EVALUATIE EN ZEGGENSCHAP
Artikel 77
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Het EDA wordt uitgenodigd om de vergaderingen van het comité bij te wonen als waarnemer, teneinde zijn standpunten kenbaar te maken en zijn deskundigheid te delen. De Europese Dienst voor extern optreden wordt eveneens uitgenodigd om de vergaderingen van het comité bij te wonen.
3. De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van een of meer lidstaten, in voorkomend geval vertegenwoordigers van Oekraïne uitnodigen om de vergaderingen van het comité bij te wonen. De vertegenwoordigers van Oekraïne zijn niet aanwezig bij de beraadslagingen en nemen niet deel aan de stemming in het comité.
4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
5. Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 78
Financieringsovereenkomst met Oekraïne
1. De Commissie sluit met Oekraïne een financieringsovereenkomst in de zin van artikel 114, lid 2, van het Financieel Reglement voor de uitvoering van de in deze verordening vastgelegde acties die betrekking hebben op Oekraïne of in Oekraïne gevestigde juridische entiteiten die middelen van de Unie ontvangen.
2. De met Oekraïne gesloten financieringsovereenkomst en de opdrachten en overeenkomsten die zijn gesloten met in Oekraïne gevestigde juridische entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, waarborgen dat aan de in artikel 129 van het Financieel Reglement vastgelegde verplichtingen kan worden voldaan.
3. In de financieringsovereenkomst worden de verplichtingen vastgelegd van de Oekraïense autoriteiten en organen waaraan taken tot uitvoering van de begroting zijn toevertrouwd, om alle nodige maatregelen te nemen, ook van juridische, regelgevende en administratieve aard, teneinde de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie te eerbiedigen, de zichtbaarheid van het optreden van de Unie bij het beheer van de middelen van de Unie te waarborgen, de passende zeggenschaps- en auditverplichtingen na te komen en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich te nemen, en de financiële belangen van de Unie te beschermen, met name door middel van gedetailleerde bepalingen inzake:
a)
de activiteiten in verband met zeggenschap, toezicht, monitoring, evaluatie, verslaglegging en audit van Uniefinanciering uit hoofde van het instrument voor steun aan Oekraïne, alsmede activiteiten met betrekking tot onderzoeken, fraudebestrijdingsmaatregelen en samenwerking;
b)
regels inzake belastingen, rechten en heffingen overeenkomstig artikel 27, leden 9 en 10, van Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad (47);
c)
het recht van de Commissie om, gedurende de hele projectcyclus, toezicht te houden op de activiteiten uit hoofde van deze verordening die door de in Oekraïne gevestigde juridische entiteiten worden uitgevoerd, waaronder ook die met betrekking tot de samenwerking voor gezamenlijke aanbestedingen, om in voorkomend geval aan die activiteiten deel te nemen als waarnemer en om aanbevelingen te doen ter verbetering van die activiteiten, en een toezegging van de Oekraïense autoriteiten om hun uiterste best te doen om dergelijke aanbevelingen van de Commissie uit te voeren en over die uitvoering verslag uit te brengen;
d)
de in artikel 83, lid 2, bedoelde verplichtingen, met inbegrip van nauwkeurige regels en een tijdschema met betrekking tot het verzamelen van gegevens door Oekraïne en toegang tot die gegevens door de Commissie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);
e)
de bescherming en behandeling van gerubriceerde informatie overeenkomstig de toepasselijke regels;
f)
bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
4. De financiering wordt pas aan Oekraïne toegekend nadat de financieringsovereenkomst in werking is getreden en de partijen de acties hebben uitgevoerd die nodig zijn om de daarin vastgelegde eisen uit te voeren.
5. De Commissie zorgt ervoor dat van haar kant alle nodige maatregelen worden genomen opdat de financieringsovereenkomst uiterlijk op 1 juli 2026 van kracht wordt.
Artikel 79
Bescherming van gerubriceerde informatie
1. Gerubriceerde informatie die in het kader van deze verordening wordt aangemaakt, verwerkt, opgeslagen, uitgewisseld of gedeeld, wordt beschermd overeenkomstig de veiligheidsvoorschriften die zijn vastgelegd in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (48) of in de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie.
2. De deelnemende lidstaten bepalen wie de opsteller is van gerubriceerde voorgrondinformatie die wordt gegenereerd bij de uitvoering van de in artikel 10 vermelde subsidiabele acties.
3. De Commissie heeft toegang tot de gerubriceerde informatie die nodig is voor het uitvoeren van de taken die haar uit hoofde van deze verordening zijn toegewezen met betrekking tot de in artikel 10 vermelde subsidiabele acties.
4. In de context van een SEAP voldoen de in artikel 45, lid 1, punt n), bedoelde voorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie aan lid 1 van dit artikel.
5. Een SEAP die geassocieerde landen of Oekraïne als lid of waarnemer omvat, zorgt voor een beschermingsniveau dat gelijk is aan dat geboden door de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie.
6. De deelnemende lidstaten stellen het toepasselijke beveiligingskader voor een actie in vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst of de opdracht. De desbetreffende documenten maken integrerend deel uit van de subsidieovereenkomst of de opdracht.
7. De Commissie zet een systeem met veiligheidsaccreditatie overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2015/444 op ter facilitering van de uitwisseling van gerubriceerde informatie tussen de Commissie en de lidstaten en geassocieerde landen, en in voorkomend geval met de aanvragers en de ontvangers.
Artikel 80
Vertrouwelijkheid van informatie
1. Informatie die naar aanleiding van de toepassing van deze verordening wordt ontvangen, wordt slechts gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd.
2. De lidstaten, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en het EDA waarborgen de bescherming van handels- en bedrijfsgeheimen en andere gevoelige informatie die bij de toepassing van deze verordening wordt verkregen en opgesteld, overeenkomstig het recht van de Unie en het toepasselijke nationale recht.
3. De Commissie behandelt informatie die gegevens van een entiteit of bedrijfsgeheimen bevat, op een wijze die niet minder streng is dan de behandeling van gevoelige informatie, met inbegrip van de toepassing van het “need-to-know”-beginsel en van het gebruik van passende versleutelde omgevingen voor het verwerken en uitwisselen van die informatie.
Artikel 81
Bescherming van persoonsgegevens
Deze verordening doet geen afbreuk aan Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (49) noch aan de Verordeningen (EU) 2016/679 (50) en (EU) 2018/1725 (51) van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 82
Audits
Audits naar het gebruik van de bijdrage van de Unie uitgevoerd door personen of entiteiten, met inbegrip van andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen, organen en instanties van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel 127 van het Financieel Reglement. Overeenkomstig artikel 287 VWEU onderzoekt de Europese Rekenkamer de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie.
Artikel 83
Bescherming van de financiële belangen van de Unie
1. Indien een geassocieerd land aan het programma deelneemt door middel van een op grond van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of op basis van een ander rechtsinstrument vastgesteld besluit, verleent het geassocieerde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het OLAF en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van het OLAF omvatten dergelijke rechten het recht om onderzoeken, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, uit te voeren als bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.
2. De in artikel 78 genoemde overeenkomst voorziet in de verplichtingen van Oekraïne om:
a)
passende maatregelen te nemen om onregelmatigheden, fraude, corruptie en belangenconflicten die de financiële belangen van de Unie schaden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, om dubbele financiering op te sporen en te voorkomen, en om juridische stappen te ondernemen om middelen waaraan geen wettige bestemming is gegeven, terug te vorderen;
b)
regelmatig te controleren of de verstrekte financiering is gebruikt overeenkomstig de toepasselijke voorschriften, met name wat betreft het voorkomen, opsporen en corrigeren van onregelmatigheden, fraude, corruptie en belangenconflicten;
c)
een betalingsverzoek uit hoofde van het instrument voor steun aan Oekraïne vergezeld te laten gaan van een verklaring dat de middelen zijn gebruikt in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer en voor het beoogde doel, en op passende wijze zijn beheerd, met name in overeenstemming met Oekraïense voorschriften aangevuld met internationale normen inzake het voorkomen, opsporen en corrigeren van onregelmatigheden, fraude, corruptie en belangenconflicten;
d)
de Commissie, het OLAF, de Europese Rekenkamer en, in voorkomend geval, het Europees Openbaar Ministerie expliciet toe te staan hun in artikel 129, lid 1, van het Financieel Reglement vastgelegde rechten uit te oefenen, bij toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Artikel 84
Informatie, communicatie en publiciteit
1. De ontvangers van Uniefinanciering erkennen de oorsprong van de middelen en geven zichtbaarheid aan die financiering, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
2. De Commissie onderneemt informatie- en communicatieacties in verband met deze verordening, de op grond van deze verordening ondernomen acties en de behaalde resultaten.
3. De aan het programma en aan het instrument voor steun aan Oekraïne toegewezen financiële middelen dragen bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die prioriteiten verband houden met de in de artikelen 4 en 22 bedoelde doelstellingen.
4. De aan het programma en aan het instrument voor steun aan Oekraïne toegewezen financiële middelen kunnen bijdragen aan de organisatie van verspreidingsactiviteiten, netwerkevenementen en bewustmakingsactiviteiten, met name om de toeleveringsketens open te stellen teneinde de grensoverschrijdende deelname van kmo’s te bevorderen.
Artikel 85
Monitoring, evaluatie en toetsing
1. De Commissie monitort regelmatig de uitvoering van het programma en van het instrument voor steun aan Oekraïne, en brengt aan het Europees Parlement en de Raad jaarlijks verslag uit over de geboekte vooruitgang, onder meer over de mate van betrokkenheid van kmo’s en kleine midcaps en over de totale uitgaven van het programma en van het instrument voor steun aan Oekraïne, uitgesplitst naar type actie en vorm van Uniebijdrage.
De Commissie treft de nodige monitoringregelingen om ervoor te zorgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma en van het instrument voor steun aan Oekraïne efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe kunnen evenredige verslagleggingsvereisten worden opgelegd aan de ontvangers van financiële middelen van de Unie en, in voorkomend geval, aan de lidstaten.
2. Uiterlijk op 30 juni 2027 stelt de Commissie een verslag op, in voorkomend geval op basis van indicatoren, waarin zij de uitvoering van de in deze verordening vervatte maatregelen en de resultaten daarvan evalueert en de noodzaak van een eventuele herziening van deze verordening beoordeelt. Het evaluatieverslag bouwt voort op raadplegingen van de lidstaten en belangrijke belanghebbenden, en bevat een evaluatie van de bijdrage van deze verordening aan de geboekte vooruitgang met het verhogen van: de waarde van defensiematerieel dat via samenwerking is aangekocht in de Unie; de waarde van de defensiehandel binnen de EU; en de waarde van de defensie-investeringen van de lidstaten in aankopen binnen de Unie.
3. De Commissie legt dit verslag, eventueel vergezeld van wetgevingsvoorstellen, aan het Europees Parlement en de Raad voor.
Artikel 86
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 16 december 2025.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. BJERRE
(1) PB C, C/2025/805, 31.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/805/oj.
(2) PB C, C/2024/4662, 9.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4662/oj.
(3) PB C, C/2025/1705, 26.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1705/oj.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 25 november 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 december 2025.
(5) Verordening (EU) 2023/1525 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 2023 betreffende de ondersteuning van de productie van munitie (PB L 185 van 24.7.2023, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1525/oj).
(6) Verordening (EU) 2023/2418 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot vaststelling van een instrument voor de versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (EDIRPA) (PB L, 2023/2418, 26.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2418/oj).
(7) Verordening (EU) 2024/792 van het Europees Parlement en de Raad van 29 februari 2024 tot instelling van de faciliteit voor Oekraïne (PB L, 2024/792, 29.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/792/oj).
(8) Besluit (GBVB) 2021/509 van de Raad van 22 maart 2021 tot oprichting van een Europese Vredesfaciliteit, en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2015/528 (PB L 102 van 24.3.2021, blz. 14, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/509/oj).
(9) Verordening (EU) 2024/2773 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2024 tot instelling van het samenwerkingsmechanisme voor leningen aan Oekraïne en tot toekenning van buitengewone macrofinanciële bijstand aan Oekraïne (PB L, 2024/2773, 28.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2773/oj).
(10) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
(11) Besluit (GBVB) 2017/2315 van de Raad van 11 december 2017 tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO) en tot opstelling van de lijst van de deelnemende lidstaten (PB L 331 van 14.12.2017, blz. 57, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2017/2315/oj).
(12) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2020/1222/oj.
(13) Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1060/oj).
(14) Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1058/oj).
(15) Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1057/oj).
(16) Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17; ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj).
(17) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/852/oj).
(18) PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/1994/1/oj.
(19) PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_internation/2014/295/oj.
(20) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/oj).
(21) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1995/2988/oj).
(22) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2185/oj).
(23) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj).
(24) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1371/oj).
(25) Besluit (EU) 2021/1764 van de Raad van 5 oktober 2021 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds (Besluit betreffende de LGO-associatie, met inbegrip van Groenland) (PB L 355 van 7.10.2021, blz. 6, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2021/1764/oj).
(26) Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/523/oj).
(27) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/112/oj).
(28) Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB L 58 van 27.2.2020, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2020/262/oj).
(29) Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/81/oj).
(30) Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/43/oj).
(31) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(32) PB C 202 van 8.7.2011, blz. 13.
(33) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/24/oj).
(34) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/25/oj).
(35) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj).
(36) Verordening (EU) 2024/1252 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1724 en (EU) 2019/1020 (PB L, 2024/1252, 3.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1252/oj).
(37) Aanbeveling (EU) 2025/1099 van de Commissie van 21 mei 2025 betreffende de definitie van kleine midcapondernemingen (PB L, 2025/1099, 28.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2025/1099/oj).
(38) Verordening (EU) 2025/1106 van de Raad van 27 mei 2025 tot vaststelling van het instrument “Optreden voor de veiligheid van Europa (Safe) door middel van versterking van de Europese defensie-industrie” (PB L, 2025/1106, 28.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/1106/oj).
(39) Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PB L 79 I van 21.3.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/452/oj).
(40) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj).
(41) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).
(42) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1907/oj).
(43) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/147/oj).
(44) Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de Unie (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1092/oj).
(45) Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het Europees Defensiefonds en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1092 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 149, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/697/oj).
(46) Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/88/oj).
(47) Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad (PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/947/oj).
(48) Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2015/444/oj).
(49) Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/58/oj).
(50) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
(51) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
Met betrekking tot deze verordening zijn drie verklaringen afgelegd, die te vinden zijn in PB C, C/2025/6783, 29.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6783/oj, PB C, C/2025/6784, 29.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6784/oj en PB C, C/2025/6785, 29.12.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6785/oj.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2643/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top