Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2026/1030
12.5.2026
VERORDENING (EU) 2026/1030 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 29 april 2026
betreffende de broeikasgasemissieboekhouding voor vervoersdiensten
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1, en artikel 100, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Het ondersteunen van de inspanningen voor een betere duurzaamheid en efficiëntie van het vervoerssysteem van de Unie is een eerste vereiste voor het aanhouden van een stabiel traject naar klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de noodzaak om een eerlijke en inclusieve transitie te verwezenlijken, de aanhoudende groei in stand te houden en het concurrentievermogen van de Europese industrie te versterken.
(2)
Broeikasgasemissieboekhouding wordt in verschillende economische sectoren, waaronder de vervoerssector, gebruikt om de broeikasgasemissies van specifieke activiteiten van overheidsinstanties, ondernemingen en consumenten te kwantificeren. Betere informatie over de prestaties van vervoersdiensten vormt een krachtig instrument om vervoersgebruikers de juiste prikkels te geven om duurzamere keuzes te maken, om de zakelijke beslissingen van vervoersondernemingen, organisatoren van vervoersdiensten en hubexploitanten te beïnvloeden en om de broeikasgasemissies van entiteiten die overheidsopdrachten uitvoeren, te verminderen. Betrouwbare en vergelijkbare gegevens over broeikasgasemissies zijn de onderliggende voorwaarde om die prikkels te creëren en daarmee een gedragsverandering bij overheidsinstanties, ondernemingen en consumenten te stimuleren, teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor de vervoerssector in het kader van de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld de “Europese Green Deal” en de doelstellingen van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4). Deze verordening is een van de maatregelen van de Unie voor een groene transitie, naast andere rechtshandelingen of initiatieven van de Unie, waaronder Richtlijn (EU) 2024/825 van het Europees Parlement en de Raad (5).
(3)
Ondanks de toenemende belangstelling van belanghebbenden in de vervoersector is de algemene toepassing van een broeikasgasemissieboekhouding voor vervoersdiensten nog steeds beperkt. In de meeste gevallen krijgen vervoersgebruikers geen nauwkeurige informatie over de prestaties van vervoersdiensten, voeren vervoersondernemingen, organisatoren van vervoersdiensten en hubexploitanten geen berekeningen van hun emissies uit en maken zij hun emissies niet openbaar. Met name onder micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s, ook wel midden- en kleinbedrijf of mkb genoemd), die de overgrote meerderheid vertegenwoordigen van de ondernemingen die vervoersdiensten op de interne markt aanbieden, wordt onevenredig weinig met een broeikasgasemissieboekhouding gewerkt. Kmo’s hebben namelijk te maken met onevenredig meer financiële en administratieve lasten als zij besluiten de broeikasgasemissies van hun vervoersdiensten te berekenen.
(4)
In haar witboek van 28 maart 2011 getiteld “Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte — werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem” presenteert de Commissie een visie voor de toekomst van het vervoerssysteem van de Unie en definieert zij een beleidsagenda voor het aanpakken van de toekomstige uitdagingen op het gebied van vervoer, met name de noodzaak om mobiliteit in stand te houden en verder te ontwikkelen en de broeikasgasemissies van vervoer en logistieke activiteiten aanzienlijk te verminderen.
(5)
In haar mededeling van 9 december 2020 getiteld “Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit — Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst” verwijst de Commissie naar stimulansen voor het kiezen van de meest duurzame vervoersopties binnen en tussen de vervoerswijzen. Die stimulansen omvatten de vaststelling van een Europees kader voor de geharmoniseerde meting van broeikasgasemissies in het vervoer en de logistiek op basis van mondiaal erkende normen, dat vervolgens kan worden gebruikt om bedrijven en eindgebruikers een schatting te geven van de koolstofvoetafdruk van hun keuze; zo kan de vraag van eindgebruikers en consumenten naar duurzamere vervoers- en mobiliteitsoplossingen worden vergroot en greenwashing worden vermeden.
(6)
In het kader van vervoer en logistiek worden broeikasgassen uitgestoten bij het gebruik van voertuigen, de exploitatie van vervoers- en logistieke hubs, de productie van energiedragers daarvoor, de productie van nieuwe en de verwerking van afgedankte voertuigen, en de aanleg en het onderhoud van vervoersinfrastructuur.
(7)
Het is derhalve passend geharmoniseerde regels voor een broeikasgasemissieboekhouding van diensten voor goederen- en personenvervoer vast te leggen om vergelijkbare cijfers betreffende de broeikasgasemissies van vervoersdiensten te verkrijgen en om te voorkomen dat misleidende informatie over de prestaties ervan wordt verstrekt omdat er kan worden gekozen tussen verschillende emissieberekeningsmethoden en inputgegevens. Die geharmoniseerde regels moeten zorgen voor een gelijk speelveld tussen vervoers- en hubentiteiten uit de Unie en vervoers- en hubentiteiten uit derde landen, alsook tussen vervoerswijzen, vervoerssegmenten en de nationale vervoersnetwerken. Het vaststellen van geharmoniseerde regels moet ook zorgen voor stimulansen voor gedragsverandering bij overheidsinstanties, ondernemingen en consumenten om de broeikasgasemissies van vervoersdiensten te verminderen door middel van de toepassing en het gebruik van vergelijkbare en betrouwbare gegevens over broeikasgasemissies.
(8)
Deze verordening moet voorzien in een referentiekader voor de berekening en openbaarmaking van broeikasgasemissies, op contractuele of vrijwillige basis voor commerciële doeleinden, of indien die berekening en openbaarmaking vereist zijn door toepasselijk Unierecht of nationaal recht. Dat referentiekader moet eventuele andere door overheidsinstanties en het bedrijfsleven te nemen emissiereductiemaatregelen bevorderen, waaronder het opnemen van transparantiebepalingen betreffende broeikasgasemissies in vervoerscontracten, het verstrekken van informatie over de broeikasgasemissies van een vervoersdienst aan passagiers of klanten, of het vastleggen van klimaatgerelateerde criteria voor groene aanbestedingsprocedures.
(9)
Ondanks de voordelen die voortvloeien uit de toegenomen transparantie over de prestaties van vervoersdiensten, zou de verplichte toepassing van deze verordening op alle vervoers- en hubentiteiten die vervoersdiensten op de interne markt aanbieden, onevenredig zijn en tot buitensporige kosten en lasten leiden. Deze verordening mag dan ook alleen van toepassing zijn op entiteiten die ervoor kiezen, of die uit hoofde van andere toepasselijke wetgevende en niet-wetgevende regelingen daartoe gebonden zijn, om de broeikasgasemissies van goederen- of passagiersvervoersdiensten die op het grondgebied van de Unie beginnen of eindigen, te berekenen en die informatie openbaar te maken. Dat omvat derhalve diensten waarvan de plaats van herkomst of bestemming zich in een derde land bevindt. Om ervoor te zorgen dat alle relevante vervoersdiensten in aanmerking worden genomen en om een gelijk speelveld tussen vervoers- en hubentiteiten uit de Unie en vervoers- en hubentiteiten uit derde landen te waarborgen, moet deze verordening van toepassing zijn op vervoersdiensten die buiten het grondgebied van de Unie beginnen of eindigen, maar waarbij er in de Unie een stop is om passagiers te laten in- of uitstappen of om goederen te laden of te lossen.
(10)
Deze verordening moet van toepassing zijn op entiteiten die de broeikasgasemissies van vervoersdiensten berekenen en openbaar maken, met name vervoersondernemingen, organisatoren van vervoersdiensten en hubexploitanten, alsook op verladers die een specifieke categorie vervoersgebruikers vertegenwoordigen die vervoersdiensten bestellen om hun vracht van of naar aangewezen locaties te verplaatsen en die, afhankelijk van de situatie, ook de rol van vervoersonderneming, organisator van vervoersdiensten of gegevensbemiddelingsdienst kunnen vervullen. Ontwikkelaars van externe berekeningsinstrumenten, ontwikkelaars van databanken van derden en conformiteitsbeoordelingsinstanties die ondersteunende diensten verlenen voor de berekening of verificatie van broeikasgasemissiegegevens van vervoersdiensten, moeten gebonden zijn door specifieke regels met betrekking tot respectievelijk de certificering van externe berekeningsinstrumenten, de technische kwaliteitscontrole van standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten, en verificatieactiviteiten en accreditatieprocedures. Deze verordening moet ook van toepassing zijn op gegevensbemiddelingsdiensten die informatie over broeikasgasemissies van vervoersdiensten berekenen en openbaar maken. Gegevensbemiddelingsdiensten die enkel outputgegevens van broeikasgasemissies verkrijgen of combineren en die outputgegevens vervolgens openbaar maken, mogen alleen gebonden zijn door de toepasselijke regels inzake communicatie en transparantie van de openbaar gemaakte broeikasgasemissiegegevens, om de vergelijkbaarheid van die outputgegevens op de markt te waarborgen.
(11)
Broeikasgasemissies in het kader van deze verordening moeten op het niveau van vervoersdiensten op uitgesplitste wijze worden berekend en openbaar gemaakt overeenkomstig de in deze verordening bedoelde methode voor de berekening van broeikasgasemissies van vervoersdiensten. Bijgevolg mag deze verordening niet van toepassing zijn indien broeikasgasemissies in geaggregeerde vorm worden berekend en openbaar gemaakt. Dat omvat situaties waarin de verplichte openbaarmaking van milieugerelateerde informatie voor duurzaamheidsrapportage en de opstelling van milieurekeningen voor statistische doeleinden zijn afgeleid van andere rechtshandelingen van de Unie, zoals de situaties uit hoofde van Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6) en Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad (7). Omgekeerd moet het mogelijk zijn om op basis van deze verordening verkregen informatie te gebruiken als input voor geconsolideerde emissieverslagen die uit hoofde van ander toepasselijk Unierecht vereist zijn, op voorwaarde dat de respectieve methoden en verzamelde gegevens voldoende compatibel zijn.
(12)
Een van de belangrijkste aspecten van het bij deze verordening vastgelegde geharmoniseerde Uniekader bestaat in een geschikte methode voor de berekening van de broeikasgasemissies van vervoersdiensten. De methode, die bestaat uit één enkele reeks methodologische stappen, moet ervoor zorgen dat de emissieberekeningen die in een vervoersketen worden uitgevoerd, vergelijkbare en nauwkeurige broeikasgasemissiegegevens opleveren. In de methode moet ook voldoende rekening worden gehouden met de behoeften van de vervoersmarkt om onnodige complexiteit en buitensporige lasten en kosten te voorkomen, met name voor kmo’s, en de methode moet werkbaar zijn voor belanghebbenden.
(13)
De in april 2023 door het Europees Comité voor normalisatie gepubliceerde norm EN ISO 14083:2023 “Broeikasgassen — Kwantificering en rapportage van emissies van broeikasgassen ten gevolge van transportketenactiviteiten” (de “EN-ISO-norm”) moet de gemeenschappelijke methode zijn voor de berekening van broeikasgasemissies van vervoersdiensten in het kader van deze verordening. Door de toepassing ervan in de Unie te stimuleren, wordt de internationale compatibiliteit van de broeikasgasemissieboekhouding bevorderd en een grotere wereldwijde harmonisering van de toegepaste methode vergemakkelijkt. Uit een analyse van de Commissie blijkt dat de EN-ISO-norm de meest relevante en evenredige norm is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, waaronder een grotere marktacceptatie en de vergelijkbaarheid van broeikasgasemissiegegevens. De broeikasgasemissies worden berekend op basis van het “van bron tot wiel”-beginsel, met inbegrip van broeikasgasemissies die voortvloeien uit de energievoorziening en het gebruik van voertuigen tijdens vervoers- en hubexploitaties.
(14)
De Commissie verbindt zich ertoe om in samenwerking met het Europees Comité voor normalisatie en de nationale normalisatie-instellingen van de lidstaten deze verordening volledig toegankelijk te maken.
(15)
Overeenkomstig Aanbeveling (EU) 2021/2279 van de Commissie (8) worden onder emissies gedurende de levenscyclus in het algemeen verstaan de broeikasgasemissies van bron tot wiel en de emissies van de productie, het onderhoud en de verwijdering van voertuigen, alsook, voor zover relevant, de emissies in verband met vervoersinfrastructuur. Levenscyclusbeoordeling kan echter leiden tot hoge uitvoeringskosten en kan vervoers- en hubentiteiten onderwerpen aan complexe boekhoudkundige procedures, met name voor emissies in verband met vervoersinfrastructuur. Om redenen van evenredigheid en omvang mag deze verordening niet vereisen dat een levenscyclusbeoordeling wordt uitgevoerd zonder beoordeling door de Commissie. Om ervoor te zorgen dat het verband tussen deze verordening en de wereldwijd erkende normen behouden blijft, moet de Commissie, bij de evaluatie van deze verordening, bovendien de vooruitgang binnen de Internationale Organisatie voor Normalisatie in die beoordeling opnemen.
(16)
Het is zaak niet af te wijken van de methodologische keuzes uit hoofde van de EN-ISO-norm, teneinde inconsistenties in de berekening van broeikasgasemissies van vervoersdiensten op de markt te voorkomen, met name in de context van internationale vervoersketens. Het is voor de Commissie echter passend te beoordelen of een aanpassing van de EN-ISO-norm vanuit het oogpunt van het beleid van de Unie, met inbegrip van toekomstige wetgeving, noodzakelijk is. Indien uit de beoordeling van de Commissie blijkt dat een wijziging van de norm of een onderdeel daarvan een duidelijk risico op onverenigbaarheid met de doelstellingen van deze verordening of ander toepasselijk Unierecht, met name met Verordening (EU) 2021/1119, meebrengt, moet de Commissie de nodige gedelegeerde handelingen vaststellen om de toepassing van die wijziging te verbieden. Indien uit die beoordeling blijkt dat het risico bestaat dat een wijziging van de norm of een onderdeel daarvan kan leiden tot onnodige onevenwichtigheden bij de berekening van broeikasgasemissies van vervoersdiensten in specifieke marktsegmenten of tot discrepanties tussen die norm en de doelstellingen van deze verordening of ander toepasselijk Unierecht, moet de Commissie de nodige gedelegeerde handelingen vaststellen om het Europees Comité voor normalisatie te verzoeken de norm dienovereenkomstig te herzien.
(17)
Om de verspreiding van onjuiste informatie op de markt te voorkomen, kan het nodig zijn de gemeenschappelijke methode inzake de parameters en aannames betreffende broeikasgasemissies die worden gehanteerd om broeikasgasemissies voorafgaand aan de verlening van een dienst te berekenen, te verduidelijken. Hetzelfde geldt voor andere relevante technische parameters in verband met de toewijzing van broeikasgasemissies of de aggregatie van gegevenselementen indien het gebruik van die parameters niet expliciet in die gemeenschappelijke methode wordt verduidelijkt.
(18)
Er kunnen verschillende soorten inputgegevens, waaronder primaire en secundaire gegevens, worden gebruikt voor de berekening van de broeikasgasemissies van vervoersdiensten. Het gebruik van primaire gegevens levert de meest betrouwbare en nauwkeurige resultaten op, en daarom moet prioriteit worden gegeven aan de geleidelijke toepassing van die primaire gegevens in de processen voor de berekening van broeikasgasemissies. Primaire gegevens kunnen onhaalbaar of buitensporig kostbaar zijn voor bepaalde belanghebbenden, met name kmo’s. Het gebruik van secundaire gegevens moet dan ook, onder duidelijke voorwaarden, worden toegestaan. Met het oog op een nauwkeurigere broeikasgasemissieboekhouding moet een lidstaat echter het gebruik van primaire gegevens voor vervoersexploitaties op zijn grondgebied kunnen verplichten voor vervoers- en hubentiteiten waarvan het aantal werknemers een specifieke bij nationaal recht vastgelegde drempel overschrijdt, indien de vervoersdienst op zijn grondgebied begint en eindigt. Om de internationale vervoersdiensten en de ontwikkeling van kmo’s niet te belemmeren, mogen de lidstaten een dergelijke verplichting niet toepassen op grensoverschrijdende vervoersexploitaties, met inbegrip van transitvervoersexploitaties over hun grondgebied, of op kmo’s.
(19)
Onverminderd de staatssteunregels moeten de lidstaten administratieve, financiële of operationele stimuleringsmaatregelen kunnen invoeren om het gebruik van primaire gegevens te bevorderen.
(20)
Wat secundaire gegevens betreft, kunnen de broeikasgasemissies van een vervoersdienst worden berekend aan de hand van standaardwaarden of gemodelleerde gegevens. De vaststelling van standaardwaarden en de ontwikkeling en actualisering van gemodelleerde gegevens moeten op een neutrale en objectieve wijze plaatsvinden, op basis van betrouwbare bronnen en adequate parameters. Databanken mogen geen standaardwaarden bevatten die ertoe leiden dat de resulterende broeikasgasemissies structureel te laag zijn in vergelijking met bekende reële waarden van vergelijkbare diensten. In die gevallen mogen databanken van derden na de technische kwaliteitscontrole geen positieve beoordeling krijgen.
(21)
Er moet een basisdatabank van de Unie met standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten (“basisdatabank van de Unie”) worden opgezet om de vergelijkbaarheid te verbeteren van de broeikasgasemissiegegevens die bij de toepassing van deze verordening worden verkregen. Die basisdatabank van de Unie moet voldoende gedetailleerd zijn en de specifieke sectorale, regionale en nationale kenmerken in de hele Unie weerspiegelen, en moet afzonderlijke tabellen bevatten voor elke vervoerswijze. De Commissie moet ervoor zorgen dat de basisdatabank van de Unie regelmatig wordt geactualiseerd en moet ten minste eenmaal per jaar beoordelen of dat noodzakelijk is. De gegevens betreffende de zeevaart moeten worden overgenomen uit de THETIS-MRV-databank en, indien van toepassing, worden aangevuld met andere informatiebronnen, zoals de FuelEU-databank. Gezien de specifieke sectorale, regionale en nationale kenmerken van die standaardwaarden in de Unie, moeten echter andere relevante, door derden beheerde databanken en datasets worden toegestaan, op voorwaarde dat zij aan een technische kwaliteitscontrole op het niveau van de Unie worden onderworpen.
(22)
Bij de vaststelling van de broeikasgasemissie-intensiteit van een vervoersdienst zijn broeikasgasemissiefactoren voor energiedragers in het vervoer nodig om ramingen van de broeikasgasemissies af te leiden die de hoeveelheid energie weerspiegelen die wordt gebruikt bij toepassing van een “van bron tot wiel”-benadering. Er moet derhalve een centrale databank van de Unie van standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren (“centrale databank van de Unie”) van energiedragers in het vervoer worden opgezet om de vergelijkbaarheid en kwaliteit van inputgegevens te waarborgen.
(23)
Bij het kwantificeren van emissies in verband met het gebruik van elektriciteit moet een locatiegebaseerde aanpak worden aangemoedigd, op voorwaarde dat geactualiseerde en nauwkeurige emissie-intensiteitswaarden beschikbaar zijn voor de verschillende lidstaten. Indien geschikt en voldoende ontwikkeld, kan een marktgebaseerde benadering worden toegepast, mits aan de voorwaarden van bijlage J bij de EN-ISO-norm is voldaan.
(24)
De basisdatabank van de Unie en de centrale databank van de Unie moeten, voor zover die beschikbaar en geschikt zijn, standaardwaarden bevatten die door de Unie of in het belang van de Unie op internationaal niveau zijn overeengekomen. Gezien de specifieke sectorale, regionale en nationale kenmerken in de hele Unie, moeten de basisdatabank van de Unie en de centrale databank van de Unie de voertuigtypen en energiedragers in het vervoer weerspiegelen die gewoonlijk worden gebruikt in de Unie, in sommige of alle lidstaten. De basisdatabank van de Unie en de centrale databank van de Unie moeten ook de unieke kenmerken van de verschillende lidstaten weerspiegelen.
(25)
De ontwikkeling en het onderhoud van de basisdatabank van de Unie en centrale databank van de Unie, alsook de technische kwaliteitscontrole op door derden beheerde databanken en datasets, moeten worden uitgevoerd door een neutraal en bevoegd orgaan dat op het niveau van de Unie actief is. Gezien zijn taak is het Europees Milieuagentschap de meest geschikte partij om de nodige technische bijstand te verlenen voor de correcte uitvoering van de toepasselijke bepalingen van deze verordening. Indien nodig moeten die werkzaamheden gebaseerd zijn op bijdragen van en worden ondersteund door andere sectorale organen van de Unie, overeenkomstig het Unierecht. Indien nodig moeten de lidstaten de Commissie een aanvullende en vrijwillige inbreng kunnen leveren.
(26)
Het moet mogelijk zijn gemodelleerde gegevens te gebruiken indien zij gebaseerd zijn op een model dat in overeenstemming is met de gemeenschappelijke methode en, indien relevant, andere bepalingen voor het gebruik van secundaire gegevens en berekeningsinstrumenten die bij deze verordening zijn vastgelegd.
(27)
Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad (9) en Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) schrijven voor dat de broeikasgasemissies van schepen en luchtvaartuigen verzameld, gemeten, berekend en jaarlijks gerapporteerd moeten worden. Verordening (EU) 2015/757 en Richtlijn 2003/87/EG zijn tot op zekere hoogte een aanvulling op deze verordening, met name wat betreft de productie van gegevens over het brandstofverbruik als input voor het kwantificeren van emissies van vervoersdiensten, voor de afgelegde afstand of de hoeveelheid vervoerde vracht. Het moet ook mogelijk zijn om, voor de berekening van de broeikasgasemissies van vervoersdiensten, gebruik te maken van inputgegevens die afkomstig zijn van de uitvoering van andere wetgevingskaders, zoals Verordening (EU) 2019/631 (11), (EU) 2019/1242 (12), (EU) 2023/1805 (13) of (EU) 2023/2405 (14) van het Europees Parlement en de Raad. Aangezien het passend is om in alle toepasselijke rechtshandelingen van de Unie op het gebied van vervoer naar een gemeenschappelijke norm te verwijzen, moet de Commissie ernaar streven de verenigbaarheid en consistentie van deze verordening met bestaande rechtshandelingen van de Unie en met toekomstige initiatieven te waarborgen. De Commissie moet er in toekomstige initiatieven en in secundaire wetgeving met name naar streven te eisen dat elke broeikasgasemissieboekhouding voor vervoersdiensten op een uitgesplitste wijze wordt gebaseerd op de in deze verordening bedoelde gemeenschappelijke methode.
(28)
Om de nauwkeurige verzameling van gegevens, de daaropvolgende berekeningen en het gebruik van primaire gegevens door kmo’s te vergemakkelijken, moet bij elk toekomstig wetgevingsvoorstel met betrekking tot de toegang tot voertuiggegevens worden overwogen toegang tot boordgegevens te verlenen.
(29)
Om de uitvoering van deze verordening te vergemakkelijken en de complexiteit van de berekeningen te beperken en tegelijkertijd de administratieve en financiële lasten te verminderen, moet de Commissie voorzien in een vereenvoudigd, gratis, openbaar toegankelijk en gebruiksvriendelijk online-berekeningsinstrument dat in het bijzonder is ontworpen voor micro-, kleine en middelgrote vervoersondernemingen. Het berekeningsinstrument moet worden ontwikkeld in overeenstemming met de bij deze verordening vastgelegde gemeenschappelijke methode, zodat bij het gebruik ervan de juistheid van de uitgevoerde berekening is gewaarborgd. Het instrument moet berekeningen op basis van primaire gegevens vergemakkelijken en het gebruik mogelijk maken van relevante secundaire gegevens, waaronder broeikasgasemissiefactoren en, indien beschikbaar, standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten die afkomstig zijn van de uit hoofde van deze verordening erkende databanken. Het berekeningsinstrument moet vergezeld gaan van een handleiding die helpt bij de uitvoering van deze verordening en uitlegt hoe het instrument werkt. Het berekeningsinstrument moet periodiek worden geactualiseerd. Het moet de gegevenskloof in de informatieketen helpen dichten, een uniforme broeikasgasemissieboekhouding voor de meest typische vervoersdiensten bevorderen, de transparantie en vergelijkbaarheid van gegevens verbeteren en bijdragen tot bewustmaking en tot de toepassing van de berekening van broeikasgasemissies op grond van deze verordening.
(30)
Het is passend voor de weergave van outputgegevens over broeikasgasemissies gemeenschappelijke maatstaven vast te leggen die de vergelijkbaarheid van die gegevens en een doeltreffende benchmarking van verschillende vervoersdiensten mogelijk maken. Gemeenschappelijke maatstaven moeten er ook voor zorgen dat gegevensverstrekkers duidelijk communiceren en dat gegevensontvangers die communicatie juist begrijpen.
(31)
Alle uitgesplitste informatie over broeikasgasemissies van een vervoersdienst die voor commerciële of regelgevingsdoeleinden aan een derde partij openbaar wordt gemaakt overeenkomstig deze verordening, moet op pertinente en in het oog springende wijze outputgegevens bevatten die zijn vastgesteld op grond van de specifieke regels voor de berekening van broeikasgasemissies van vervoersdiensten die bij deze verordening zijn vastgelegd. Indien relevant kunnen aanvullende gegevenselementen voor andere doeleinden dan die welke in deze verordening zijn gedefinieerd, worden toegevoegd.
(32)
De openbaarmaking van informatie over broeikasgasemissies voorafgaand aan de verlening van een vervoersdienst is essentieel om een geïnformeerd besluitvormingsproces door overheidsinstanties, ondernemingen en consumenten aan te moedigen, en is van invloed op overheidsopdrachten van overheidsinstanties en op de zakelijke beslissingen van vervoers- en hubentiteiten die die vervoersdiensten op de markt aanbieden en organiseren. Derhalve moet informatie over broeikasgasemissies in verband met een specifieke vervoersdienst waar mogelijk voorafgaand aan de verlening van de vervoersdienst openbaar worden gemaakt. Het moet echter mogelijk zijn om na de verlening van de vervoersdienst informatie over broeikasgasemissies openbaar te maken, met name indien de communicatie tussen ondernemingen gedetailleerder moet zijn, met name in het kader van logistieke ketens en contractuele verhoudingen met onderaannemers, of met het oog op het gebruik van primaire gegevens.
(33)
Om te kunnen aantonen dat aan de vereisten van deze verordening is voldaan, moeten vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die outputgegevens over broeikasgasemissies van een vervoersdienst berekenen en openbaar maken, de outputgegevens kunnen staven met bewijsmateriaal. Dat bewijsmateriaal moet worden verstrekt op grond van de regels inzake rapportage op het niveau van vervoersdiensten die zijn vastgelegd bij de EN-ISO-norm, en moet beschikbaar worden gemaakt op verzoek van een bevoegde autoriteit, zoals een rechtbank, of van een andere derde indien dat vereist is uit hoofde van afzonderlijke juridische of contractuele verplichtingen.
(34)
Tenzij afzonderlijke regelingen van toepassing zijn, mag een gegevensbemiddelingsdienst die informatie over broeikasgasemissies van een vervoersdienst verzamelt bij vervoers- en hubentiteiten of andere betrokken natuurlijke of rechtspersonen en die informatie op de markt openbaar maakt, niet aansprakelijk worden gesteld indien die informatie een inbreuk vormt op een van de vereisten van deze verordening met betrekking tot de berekening en verificatie van broeikasgasemissies van vervoersdiensten en de certificering van berekeningsinstrumenten. De gegevensbemiddelingsdienst moet echter trachten te voorkomen dat onnauwkeurige of onjuiste informatie openbaar wordt gemaakt, en moet de regels van deze verordening inzake de outputgegevens over broeikasgasemissies, inzake communicatie en inzake transparantie in acht nemen. Daarnaast moet de gegevensbemiddelingsdienst de bron van die informatie bekendmaken, zodat de betrokken informatieverstrekker kan worden geïdentificeerd.
(35)
Externe berekeningsinstrumenten die door een derde op de markt worden aangeboden voor breder commercieel en niet-commercieel gebruik, kunnen de broeikasgasemissieboekhouding van vervoersdiensten vergemakkelijken, waardoor het gebruik ervan door een bredere groep belanghebbenden wordt ondersteund. Externe berekeningsinstrumenten moeten worden gecertificeerd om te garanderen dat zij voldoen aan de vereisten van deze verordening, met name wat betreft het gebruik van de gemeenschappelijke methode en een passende reeks inputgegevens.
(36)
Een goed ontworpen systeem voor het verifiëren van de naleving van de vereisten van deze verordening door de op de markt openbaar gemaakte outputgegevens over broeikasgasemissies en de onderliggende berekeningsprocessen, moet het vertrouwen in de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van die gegevens aanzienlijk vergroten. Het systeem moet met name gedetailleerde voorwaarden voor de verificatie vastleggen, ongeacht of het een eenmalige dan wel een geregelde vervoersdienst betreft, met inbegrip van een passende controlefrequentie, alsook procedurele regelingen, rekening houdend met de aard en de omvang van de betrokken vervoersdiensten en de noodzaak om onevenredige administratieve lasten te voorkomen. Vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die de conformiteitsbeoordeling met succes hebben doorlopen, moeten bewijs van overeenstemming kunnen verkrijgen dat in de hele Unie algemeen wordt erkend. Indien primaire gegevens werden opgenomen, moet dat in het bewijs van overeenstemming worden aangegeven, vooral om het verzamelen en gebruik van primaire gegevens door onder deze verordening vallende entiteiten te stimuleren. De verificatie van outputgegevens moet ook de vergelijkbaarheid van dergelijke outputgegevens omvatten, onder meer met betrekking tot de berekening van de afstand, waarbij er moet worden gecontroleerd of afwijkingen van de grootcirkelafstand en de kortst haalbare afstand in overeenstemming zijn met de EN-ISO-norm.
(37)
De administratieve lasten in verband met de verificatie kunnen onevenredig zijn voor kleinere ondernemingen en moeten daarom worden beperkt. Daartoe moeten kmo’s worden vrijgesteld van de vereisten in verband met de verificatie, tenzij die kmo’s een bewijs van overeenstemming wensen te verkrijgen. Daarnaast moeten grote ondernemingen rekening houden met het evenredigheidsbeginsel wanneer zij overwegen partners in de waardeketen, met name kmo’s, om verificatie van de conformiteit te verzoeken.
(38)
Er bestaan reeds rechtshandelingen van de Unie in de vervoerssector waarin regels inzake emissieverificatievereisten zijn vastgelegd, met name de Verordeningen (EU) 2015/757 en (EU) 2023/1805 voor de maritieme sector, en Richtlijn 2003/87/EG voor de luchtvaartsector. Ter vermindering van de administratieve lasten moeten verificateurs die uit hoofde van die handelingen zijn geaccrediteerd, worden geacht uit hoofde van deze verordening geaccrediteerd te zijn om verificatieactiviteiten te verrichten in de betrokken sector waarin zij actief zijn, mits zij de aangewezen nationale autoriteiten in kennis stellen van hun voornemen om dergelijke activiteiten ook uit hoofde van deze verordening te verrichten. Conformiteitsbeoordelingsinstanties moeten onafhankelijke en bevoegde juridische entiteiten zijn, geaccrediteerd door nationale accreditatie-instanties die zijn opgericht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (15). Verordening (EG) nr. 765/2008 inzake de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties is horizontaal van toepassing, onder meer op verificateurs die zijn geaccrediteerd uit hoofde van de Verordeningen (EU) 2015/757 en (EU) 2023/1805 en Richtlijn 2003/87/EG en op conformiteitsbeoordelingsinstanties die zijn geaccrediteerd uit hoofde van deze verordening. Verordening (EG) nr. 765/2008 heeft ook betrekking op situaties waarin nationale accreditatie-instanties de bevoegdheid hebben om passende maatregelen te nemen indien een conformiteitsbeoordelingsinstantie niet langer bekwaam is om een specifieke conformiteitsbeoordelingsactiviteit te verrichten of ernstig is tekortgeschoten in haar verplichtingen.
(39)
Indien uitgesplitste outputgegevens over broeikasgasemissies van vervoersdiensten reeds zijn geverifieerd overeenkomstig specifieke regels die zijn vastgelegd in andere rechtshandelingen van de Unie, waaronder, voor de maritieme sector, Verordening (EU) 2015/757 en de op basis daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen, of Verordening (EU) 2023/1805 en de op basis daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen, en, voor de luchtvaartsector, Richtlijn 2003/87/EG en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringshandelingen, moeten de gegevens in kwestie worden geacht te zijn geverifieerd op grond van deze verordening.
(40)
Teneinde de efficiënte werking van deze verordening mogelijk te maken en deze verordening indien nodig aan te vullen met aanvullende regels, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het beoordelen van een wijziging van de EN-ISO-norm en, indien nodig, het verbieden van de toepassing van toekomstige wijzigingen, het beoordelen en uitsluiten van bepaalde elementen van de gemeenschappelijke methode, het aanpassen van gemeenschappelijke maatstaven voor outputgegevens over broeikasgasemissies en het vaststellen van aanvullende methoden en criteria voor de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (16). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(41)
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om gedetailleerde bepalingen vast te stellen ten aanzien van aan het Europees Comité voor normalisatie gerichte verzoeken tot herziening van de EN-ISO-norm, de verduidelijking van de gemeenschappelijke methode, de vaststelling van regels en voorwaarden voor het uitvoeren van de technische kwaliteitscontrole van databanken van derden, de vaststelling van het EU-berekeningsinstrument, de certificering van externe berekeningsinstrumenten en de verificatie van de outputgegevens. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (17).
(42)
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het stimuleren van gedragsverandering bij overheidsinstanties, ondernemingen en consumenten om de broeikasgasemissies van vervoersdiensten te verminderen door de invoering en het gebruik van vergelijkbare en betrouwbare broeikasgasemissiegegevens van vervoersdiensten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt zonder het risico te lopen administratieve belemmeringen op de interne markt op te werpen die extra kosten en administratieve lasten voor bedrijfstakken meebrengen, maar vanwege het harmoniserende effect van de bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke methode voor de berekening van broeikasgasemissies van vervoersdiensten beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de broeikasgasemissieboekhouding voor vervoersdiensten die op het grondgebied van de Unie beginnen of eindigen, indien er uitgesplitste gegevens over die emissies worden berekend en openbaar gemaakt, op contractuele of vrijwillige basis voor commerciële doeleinden, of indien die berekening en openbaarmaking vereist zijn door toepasselijk Unierecht of nationaal recht.
Deze verordening is van toepassing op:
a)
vervoersondernemingen, organisatoren van vervoersdiensten en hubexploitanten;
b)
gegevensbemiddelingsdiensten;
c)
ontwikkelaars van berekeningsinstrumenten;
d)
ontwikkelaars van databanken van derden, en
e)
conformiteitsbeoordelingsinstanties.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)
“broeikasgas”: een gasvormig bestanddeel van de atmosfeer, zowel natuurlijk als antropogeen, dat straling absorbeert en afgeeft bij specifieke golflengten binnen het spectrum van infrarode straling die wordt afgegeven door het aardoppervlak, de atmosfeer en de wolken;
2)
“broeikasgasemissie”: de uitstoot van een broeikasgas in de atmosfeer, uitgedrukt in massa kooldioxide-equivalent;
3)
“broeikasgasemissieboekhouding”: de maatregelen die worden getroffen voor het kwantificeren van broeikasgasemissies, door middel van metingen en berekeningen, ten behoeve van rapportage;
4)
“vervoersdienst”: het vervoer van goederen of passagiers vanaf een vertrekpunt naar een bestemming; een vervoersdienst kan één of meer elementen van de vervoersketen betreffen waarvoor vervoersexploitaties en hubexploitaties vereist zijn;
5)
“vervoersexploitatie”: de exploitatie van een voertuig voor het vervoer van personen en/of goederen;
6)
“hubexploitatie”: een exploitatie om vracht of passagiers via een hub over te brengen;
7)
“vervoersketen”: een reeks vervoerselementen in verband met goederen of een (groep) passagier(s) die, samen beschouwd, een verplaatsing van een plaats van vertrek naar een bestemming inhoudt;
8)
“element van de vervoersketen”: een deel van een vervoersketen waarbinnen goederen of een (groep) passagier(s) door één enkel voertuig wordt/worden vervoerd, of waarbinnen het vervoer via één enkele hub plaatsvindt;
9)
“primaire gegevens”: de gekwantificeerde waarde van een proces of activiteit die wordt verkregen door middel van een directe meting of van een berekening op basis van directe metingen;
10)
“secundaire gegevens”: gemodelleerde gegevens of standaardwaarden die niet voldoen aan de vereisten voor primaire gegevens, met inbegrip van gegevens uit databanken en gepubliceerde literatuur, standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren uit nationale inventarissen, berekende gegevens, ramingen of andere representatieve gegevens en gegevens die zijn verkregen uit aanverwante processen of ramingen;
11)
“organisator van vervoersdiensten”: een entiteit die vervoersdiensten aanbiedt waarbinnen de exploitatie van bepaalde elementen van de vervoersketen is uitbesteed aan een of meer entiteiten die die exploiteren;
12)
“vervoersonderneming”: een entiteit die vervoersexploitaties verricht waarbij vracht en/of passagiers worden vervoerd;
13)
“hubexploitant”: een entiteit die hubexploitaties verricht waarbij vracht of passagiers worden vervoerd;
14)
“vervoers- en hubentiteiten”: organisatoren van vervoersdiensten, vervoersondernemingen en hubexploitanten;
15)
“gegevensbemiddelingsdienst”: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die informatie verstrekt over broeikasgasemissies van vervoersdiensten die op het grondgebied van de Unie beginnen of eindigen, maar die die diensten niet verleent of organiseert;
16)
“micro-, kleine en middelgrote ondernemingen” of “kmo’s” (ook wel “midden- en kleinbedrijf” of “mkb” genoemd): micro-, kleine en middelgrote ondernemingen zoals bedoeld in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (18);
17)
“standaardwaarde”: een secundaire gegevenswaarde die uit een gepubliceerde bron is afgeleid en die als standaard wordt gebruikt indien primaire of gemodelleerde gegevens ontbreken;
18)
“energiedrager”: een stof die, of een verschijnsel dat, kan worden gebruikt om een mechanische kracht of warmte te produceren of om chemische of fysische processen teweeg te brengen;
19)
“gemodelleerde gegevens”: secundaire gegevens die zijn vastgesteld aan de hand van een model waarin rekening wordt gehouden met primaire gegevens en/of parameters betreffende broeikasgasemissies van een vervoers- of hubexploitatie, onder meer door gebruik te maken van een op een berekeningsinstrument gebaseerd model;
20)
“outputgegevens”: uitgesplitste gegevens over broeikasgasemissies van een vervoersdienst die zijn vastgesteld aan de hand van de in deze verordening vastgelegde gemeenschappelijke methode en inputgegevens;
21)
“voertuig”: een middel voor het vervoer van personen en/of goederen in alle vervoerswijzen;
22)
“broeikasgasactiviteit”: een activiteit die leidt tot de uitstoot van een broeikasgas;
23)
“gegevens over de broeikasgasactiviteit”: een kwantitatieve maatstaf voor een broeikasgasactiviteit;
24)
“broeikasgasemissie-intensiteit”: een coëfficiënt die de vervoers- of hubactiviteit koppelt aan de broeikasgasemissie;
25)
“broeikasgasemissiefactor”: een coëfficiënt die gegevens over de broeikasgasactiviteit koppelt aan de broeikasgasemissie;
26)
“broeikasgasemissies van bron tot wiel”: emissies die de broeikasgaseffecten vertegenwoordigen die afkomstig zijn van het gebruik van voertuigen en de exploitatie van vervoershubs, en van de levering van energie aan die diensten;
27)
“berekeningsinstrument”: een toepassing, een model of software waarmee de broeikasgasemissies van een vervoersdienst automatisch kunnen worden berekend;
28)
“extern berekeningsinstrument”: een berekeningsinstrument dat door een derde partij op de markt wordt aangeboden voor breed commercieel of niet-commercieel gebruik;
29)
“kooldioxide-equivalent (CO2e)”: een eenheid voor het vergelijken van de stralingsforcering van een broeikasgas met die van kooldioxide;
30)
“conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een conformiteitsbeoordelingsinstantie zoals bedoeld in artikel 2, punt 13, van Verordening (EG) nr. 765/2008.
HOOFDSTUK II
GEMEENSCHAPPELIJKE METHODE
Artikel 3
Gemeenschappelijke methode voor de berekening van de broeikasgasemissies van vervoersdiensten
1. De broeikasgasemissies van vervoersdiensten worden berekend op basis van de gemeenschappelijke methode in de zin van de geactualiseerde versie van EN ISO 14083:2023 “Broeikasgassen — Kwantificering en rapportage van emissies van broeikasgassen ten gevolge van transportketenactiviteiten” (de “EN-ISO-norm”), zoals gespecificeerd in dit hoofdstuk.
2. Uiterlijk op 3 december 2033 beoordeelt de Commissie of een aanpassing van enig onderdeel van de EN-ISO-norm nodig is.
3. De Commissie kan op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat een nalevingscontrole uitvoeren ter beoordeling van een wijziging van de EN-ISO-norm.
4. In afwijking van lid 1 van dit artikel stelt de Commissie overeenkomstig artikel 17 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening door wijzigingen van de EN-ISO-norm of van enig in lid 2 van dit artikel bedoeld onderdeel daarvan in kaart te brengen die een duidelijk risico op onverenigbaarheid met de doelstellingen van deze verordening en ander toepasselijk Unierecht, met name Verordening (EU) 2021/1119, meebrengen en die derhalve niet van toepassing zijn.
5. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om het Europees Comité voor normalisatie te verzoeken de EN-ISO-norm te herzien, op basis van het resultaat van de in lid 2 van dit artikel bedoelde beoordeling en de in lid 3 van dit artikel bedoelde nalevingscontrole. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
6. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met nadere regels om de in lid 1 van dit artikel bedoelde gemeenschappelijke methode te verduidelijken en om de uniforme toepassing ervan op de markt te waarborgen waar het de aanpak betreft voor het bepalen van passende emissierelevante parameters die worden gehanteerd om broeikasgasemissies voorafgaand aan de verlening van een vervoersdienst te berekenen en, indien toepasselijk, en met andere technische parameters in verband met de toewijzing van broeikasgasemissies of de aggregatie van gegevenselementen die niet uitdrukkelijk in die gemeenschappelijke methode worden toegelicht. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
HOOFDSTUK III
INPUTGEGEVENS EN DE BRONNEN ERVAN
Artikel 4
Gebruik van primaire en secundaire gegevens
1. Vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten geven voorrang aan het gebruik van primaire gegevens voor de berekening van de broeikasgasemissies van vervoersdiensten.
Een lidstaat kan echter bepalen dat het gebruik van primaire gegevens verplicht is voor vervoersexploitaties die op zijn grondgebied worden verricht door vervoers- en hubentiteiten waarvan het aantal werknemers een specifieke bij nationaal recht vastgelegde drempel overschrijdt, indien de vervoersdienst op zijn grondgebied begint en eindigt. De lidstaat past een dergelijke verplichting niet toe op grensoverschrijdende vervoersexploitaties, met inbegrip van transitvervoersexploitaties over zijn grondgebied, of op kmo’s.
2. Onverminderd de staatssteunregels kunnen de lidstaten administratieve, financiële of operationele stimuleringsmaatregelen invoeren om het gebruik van primaire gegevens te bevorderen.
3. Het gebruik van secundaire gegevens voor de berekening van de broeikasgasemissies van een vervoersdienst is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
a)
de standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten zijn afkomstig van:
i)
de in artikel 5 bedoelde basisdatabank van de Unie met standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten (de “basisdatabank van de Unie”), of
ii)
door derden beheerde databanken en datasets met standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten, overeenkomstig artikel 6;
b)
de standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren voor energiedragers in het vervoer zijn afkomstig van de in artikel 7 bedoelde centrale databank van de Unie met standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren (de “centrale databank van de Unie”);
c)
de gemodelleerde gegevens zijn gebaseerd op een model dat is vastgelegd overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke methode en, indien passend, overeenkomstig de in de punten a) en b) van dit lid vastgelegde voorwaarden voor het gebruik van secundaire gegevens en overeenkomstig de in de artikelen 8 en 11 vastgelegde bepalingen betreffende het gebruik van berekeningsinstrumenten.
Overeenkomstig de gemeenschappelijke methode kunnen vervoers- en hubentiteiten, wanneer zij de broeikasgasemissies van een specifieke vervoersdienst vooraf berekenen, standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten gebruiken die zijn bepaald op basis van primaire gegevens van een vervoersdienst met soortgelijke kenmerken die in het jaar voorafgaand aan de berekening vooraf door dezelfde entiteiten is uitgevoerd.
4. Wanneer vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten de primaire gegevens die reeds zijn gebruikt als basis voor de vaststelling van outputgegevens die uit hoofde van andere rechtshandelingen van de Unie door een in artikel 16 bedoelde geaccrediteerde instantie zijn geverifieerd, als inputgegevens gebruiken, hoeft de in artikel 12, lid 1, bedoelde verificatie geen betrekking te hebben op de bronnen van de inputgegevens die voor de in artikel 13, lid 2, punt b), bedoelde berekening zijn gebruikt.
5. Bij de berekening van de broeikasgasemissies van de verbruikte elektriciteit kunnen vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten ervoor kiezen de marktgebaseerde benadering te gebruiken in plaats van de locatiegebaseerde secundaire gegevens, mits aan de voorwaarden van bijlage J bij de EN-ISO-norm is voldaan.
Artikel 5
Basisdatabank van de Unie met standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten
1. De Commissie stelt, technisch bijgestaan door het Europees Milieuagentschap en, indien nodig, met aanvullende en vrijwillige inbreng van de lidstaten, uiterlijk op 2 december 2029 een basisdatabank van de Unie in. De Commissie streeft ernaar in de basisdatabank van de Unie standaardwaarden op te nemen voor broeikasgasemissie-intensiteiten voor voertuigtypen die gewoonlijk worden gebruikt in de Unie, in sommige of alle lidstaten.
2. Indien beschikbaar en passend, bevat de basisdatabank van de Unie de standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten die door de Unie of, in het belang van de Unie, op internationaal niveau zijn overeengekomen.
3. De basisdatabank van de Unie bevat een afzonderlijke tabel voor elke vervoerswijze, en met name voor de standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten van de zeevaart. De gegevens betreffende de zeevaart worden overgenomen uit de THETIS-MRV-databank en worden, indien van toepassing, aangevuld met andere informatiebronnen, zoals de op grond van artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2023/1805 ontwikkelde FuelEU-databank.
4. Bij het opstellen van de standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten:
a)
past de Commissie de locatiegebaseerde aanpak toe van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke methode en houdt zij, indien passend, rekening met de unieke kenmerken van de verschillende lidstaten;
b)
houdt de Commissie rekening met de broeikasgasemissiefactoren die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (19) zijn bepaald.
5. De Commissie zorgt, technisch bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, voor het onderhoud, de regelmatige actualisering, de voortdurende ontwikkeling en een passend niveau van beveiliging, van de basisdatabank van de Unie op grond van lid 1, rekening houdend met de stand van de techniek in de vervoerssector, en nieuwe methoden voor de berekening van broeikasgasemissies. De Commissie zorgt ervoor dat de basisdatabank van de Unie verenigbaar en in overeenstemming is met bestaande rechtshandelingen van de Unie. De Commissie beoordeelt ten minste eenmaal per jaar of het nodig is dat de basisdatabank van de Unie wordt geactualiseerd.
Wanneer de standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten in de basisdatabank van de Unie worden geactualiseerd, maakt de Commissie zonder onnodige vertraging de geactualiseerde standaardwaarden openbaar. Vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten gebruiken, binnen 18 maanden na de datum waarop de actualisering openbaar wordt gemaakt, de meest recente beschikbare gegevens om hun informatie over broeikasgasemissies te berekenen en openbaar te maken.
De verplichting om de in de tweede alinea bedoelde geactualiseerde standaardwaarden te gebruiken, is alleen van toepassing op nieuwe outputgegevens die na de actualisering moeten worden berekend en openbaar gemaakt, zonder dat de reeds gepubliceerde informatie met terugwerkende kracht moet worden herzien.
6. Het publiek krijgt gratis toegang tot de basisdatabank van de Unie in alle officiële talen van de instellingen van de Unie om standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten te raadplegen of te gebruiken.
Artikel 6
Door derden beheerde databanken en datasets met standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten
1. Een ontwikkelaar van een databank of dataset van derden dient bij de Commissie een aanvraag in voor een technische kwaliteitscontrole op de standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten die in die databank of dataset zijn opgenomen. De Commissie beoordeelt die aanvraag met de technische bijstand van het Europees Milieuagentschap door een dergelijke technische kwaliteitscontrole uit te voeren overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke methode.
2. Alleen databanken en datasets van derden met standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten die positief zijn beoordeeld op grond van lid 1 van dit artikel worden gebruikt voor het afleiden van secundaire gegevens overeenkomstig artikel 4, lid 3, punt a), ii). De Commissie publiceert een geactualiseerde lijst van de door derden beheerde databanken met standaardwaarden voor de broeikasgasemissie-intensiteiten die zij positief heeft beoordeeld, en houdt die actueel. Die geactualiseerde lijst is openbaar en kan via een speciaal daarvoor bestemde website worden geraadpleegd.
3. De in lid 1 vastgelegde verplichting om een technische kwaliteitscontrole uit te voeren, is van toepassing met ingang van 3 december 2031. Een positieve beoordeling op grond van lid 2 is twee jaar geldig.
4. Uiterlijk op 2 juni 2030 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om nadere regels en voorwaarden vast te leggen voor het uitvoeren van de in lid 1 van dit artikel bedoelde technische kwaliteitscontrole, alsook voorwaarden voor een positieve beoordeling op grond van lid 2 van dit artikel. In de uitvoeringshandelingen wordt de termijn bepaald waarbinnen de technische kwaliteitscontroles moeten worden uitgevoerd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 7
Centrale databank van de Unie met standaardwaarden voor de broeikasgasemissiefactoren
1. Uiterlijk op 2 juni 2028 stelt de Commissie, technisch bijgestaan door het Europees Milieuagentschap en, indien nodig, met aanvullende en vrijwillige inbreng van de lidstaten, relevante belanghebbenden en andere sectorale organen van de Unie, een centrale databank van de Unie in. De Commissie streeft ernaar om in de centrale databank van de Unie standaardwaarden op te nemen voor broeikasgasemissiefactoren voor energiedragers in het vervoer die gewoonlijk worden gebruikt in de Unie, in sommige of alle lidstaten.
2. Bij het opstellen van de standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren past de Commissie de locatiegebaseerde benadering toe van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke methode, en houdt zij, indien passend, rekening met de unieke kenmerken van de verschillende lidstaten.
Onverminderd de eerste alinea van dit lid houdt de Commissie rekening met de overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 bepaalde broeikasgasemissiefactoren.
3. Indien beschikbaar en passend, bevat de centrale databank van de Unie de standaardwaarden voor de broeikasgasemissiefactoren die door de Unie of, in het belang van de Unie, op internationaal niveau zijn overeengekomen.
4. De Commissie zorgt, technisch bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, voor het onderhoud, de regelmatige actualisering, de voortdurende ontwikkeling en een passend niveau van beveiliging van de centrale databank van de Unie op grond van lid 1 van dit artikel, rekening houdend met de noodzaak voor een wijziging van enig onderdeel van de in artikel 3, lid 1, bedoelde norm, de stand van de techniek in de vervoerssector en nieuwe methoden voor de berekening van broeikasgasemissies. De Commissie zorgt ervoor dat de centrale databank van de Unie verenigbaar en in overeenstemming is met bestaande rechtshandelingen van de Unie.
Wanneer de standaardwaarden voor de broeikasgasemissiefactoren in de centrale databank van de Unie worden geactualiseerd, maakt de Commissie zonder onnodige vertraging de geactualiseerde waarden openbaar. Vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten gebruiken, uiterlijk 18 maanden na de datum waarop de actualisering openbaar wordt gemaakt, de meest recente beschikbare gegevens om hun informatie over broeikasgasemissies te berekenen en openbaar te maken.
De verplichting om de in de tweede alinea bedoelde geactualiseerde standaardwaarden te gebruiken, is alleen van toepassing op nieuwe outputgegevens die na de actualisering moeten worden berekend en openbaar gemaakt, zonder dat de reeds gepubliceerde informatie met terugwerkende kracht moet worden herzien.
5. Het publiek krijgt gratis toegang tot de centrale databank van de Unie in alle officiële talen van de instellingen van de Unie om standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren voor energiedragers in het vervoer te raadplegen of te gebruiken.
Artikel 8
EU-berekeningsinstrument
1. Uiterlijk op 2 juni 2030 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast om ervoor te zorgen dat een gebruiksvriendelijk, kosteloos en vereenvoudigd EU-berekeningsinstrument dat berekeningen op basis van primaire gegevens vergemakkelijkt en het gebruik van standaardwaarden voor broeikasgasemissie-intensiteiten, indien beschikbaar en relevant, en van standaardwaarden voor broeikasgasemissiefactoren mogelijk maakt overeenkomstig artikel 4, lid 3, respectievelijk punt a) en punt b), openbaar toegankelijk wordt gemaakt voor vervoersondernemingen en is ontworpen om in het bijzonder micro-, kleine en middelgrote vervoersondernemingen te ondersteunen. Dat EU-berekeningsinstrument wordt periodiek geactualiseerd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
2. Wanneer vervoersondernemingen het EU-berekeningsinstrument gebruiken voor de vaststelling van outputgegevens, hoeft de in artikel 12, lid 1, bedoelde verificatie geen betrekking te hebben op de in artikel 13, lid 2, punt c), bedoelde juistheid van de uitgevoerde berekening.
3. Om de wijdverbreide toepassing van de EN-ISO-norm door vervoersondernemingen, en met name door kmo’s, te bevorderen, gaat het EU-berekeningsinstrument vergezeld van een handleiding die kmo’s helpt bij de uitvoering van deze verordening en waarin duidelijk wordt uitgelegd hoe de functionaliteiten van het EU-berekeningsinstrument moeten worden gebruikt. Die handleiding wordt beschikbaar gesteld in alle officiële talen van de instellingen van de Unie.
HOOFDSTUK IV
OUTPUTGEGEVENS EN TRANSPARANTIE
Artikel 9
Vaststelling van outputgegevens over de broeikasgasemissies van een vervoersdienst
1. De outputgegevens worden vastgesteld aan de hand van de gemeenschappelijke methode en inputgegevens van de artikelen 3 tot en met 7.
2. De outputgegevens mogen worden vastgesteld met behulp van berekeningsinstrumenten. Externe berekeningsinstrumenten voldoen aan de in artikel 11 uiteengezette vereisten.
3. De outputgegevens bestaan ten minste uit de totale massa kooldioxide-equivalent (CO2e) per vervoersdienst en, voor de betreffende soort vervoersdienst, ten minste uit een van de volgende gemeenschappelijke maatstaven:
a)
massa CO2e per tonkilometer, of equivalente eenheden, voor goederenvervoer;
b)
massa CO2e per ton, of equivalente eenheden, voor vervoer via goederenhubs;
c)
massa CO2e per passagierskilometer, of equivalente eenheden, voor passagiersvervoer;
d)
massa CO2e per passagier, of equivalente eenheden, voor vervoer via passagiershubs.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening om de in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst van gemeenschappelijke maatstaven voor outputgegevens aan te vullen.
Artikel 10
Communicatie en transparantie
1. De vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten maken de outputgegevens op duidelijke en ondubbelzinnige wijze openbaar, waar mogelijk, voorafgaand aan de verlening van een vervoersdienst of de sluiting van een vervoerscontract. Wanneer vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten outputgegevens openbaar maken, nemen zij in de begeleidende mededeling bij die openbaarmaking in ten minste een van de officiële talen van de instellingen van de Unie en, indien mogelijk, ook in een officiële taal van de lidstaat op het grondgebied waarvan de dienst wordt verricht, de verklaring “Broeikasgasemissies berekend overeenkomstig Verordening (EU) 2026/1030” op.
2. Vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten kunnen ervoor kiezen zichtbaar weer te geven:
a)
of hun gegevens onderworpen zijn aan de in artikel 12, lid 1, bedoelde verificatie;
b)
of zij uitsluitend primaire gegevens hebben gebruikt voor hun berekeningen van outputgegevens;
c)
of zij gebruik hebben gemaakt van het in artikel 8 bedoelde EU-berekeningsinstrument.
3. Indien outputgegevens worden verkregen en openbaar gemaakt door een gegevensbemiddelingsdienst die emissies niet op basis van afzonderlijke regelingen berekent, zijn lid 1 van dit artikel en artikel 9, lid 3, van toepassing. Bij de openbaarmaking van outputgegevens neemt de gegevensbemiddelingsdienst een verwijzing naar de bron van die outputgegevens op.
4. Indien primaire gegevens worden gebruikt, hebben de vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten het recht dat aan derden mee te delen op voorwaarde dat het gebruik van primaire gegevens is nagegaan in overeenstemming met de in de artikelen 12 en 13 bedoelde verificatie.
5. Vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die broeikasgasemissies berekenen, kunnen bewijs voorleggen waaruit blijkt hoe de outputgegevens zijn vastgesteld. Dat bewijs wordt verstrekt overeenkomstig de in artikel 3, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke methode, en:
a)
dient als basis voor de verificatie die werd verricht overeenkomstig de artikelen 12 en 13;
b)
wordt beschikbaar gesteld op verzoek van een uit hoofde van het Unierecht of het nationaal recht aangewezen bevoegde autoriteit of een andere derde, voor zover afzonderlijke wettelijke of contractuele verplichtingen van toepassing zijn;
c)
indien de verificatie overeenkomstig de artikelen 12 en 13 wordt verricht, bevat een verwijzing naar het in artikel 13, lid 6, bedoelde bewijs van overeenstemming en de contactgegevens van de conformiteitsbeoordelingsinstantie die het bewijs van overeenstemming heeft opgesteld;
d)
indien de outputgegevens worden vastgesteld met behulp van een in artikel 9, lid 2, bedoeld extern berekeningsinstrument, wordt daarin een verwijzing naar dat berekeningsinstrument opgenomen.
6. De outputgegevens en het in lid 5 bedoelde bewijs worden op duidelijke en ondubbelzinnige wijze vastgesteld, in ten minste één van de officiële talen van de instellingen van de Unie. Indien mogelijk worden zij beschikbaar gesteld in de vorm van een weblink, QR-code of een daaraan gelijkwaardige vorm.
7. Persoonsgegevens worden verwerkt in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (20).
8. Elke ontvanger van outputgegevens en van het in lid 5 bedoelde bewijs neemt maatregelen om de vertrouwelijkheid te waarborgen van relevante commerciële gegevens die overeenkomstig deze verordening worden verwerkt en meegedeeld, en zorgt ervoor dat die outputgegevens en dat bewijs alleen na toestemming kunnen worden geraadpleegd, verwerkt en openbaar gemaakt.
HOOFDSTUK V
AANVULLENDE MAATREGELEN
Artikel 11
Certificering van externe berekeningsinstrumenten
1. Externe berekeningsinstrumenten worden gecertificeerd door een in artikel 14 bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstantie.
2. Op aanvraag van ontwikkelaars van externe berekeningsinstrumenten beoordeelt een in artikel 14 bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstantie of het externe berekeningsinstrument voldoet aan de eisen van de artikelen 3 tot en met 9. Als het resultaat van de beoordeling positief is, geeft de conformiteitsbeoordelingsinstantie een conformiteitscertificaat af waaruit blijkt dat het externe berekeningsinstrument in overeenstemming met deze verordening is. Het certificaat is twee jaar geldig. Als het resultaat van de beoordeling negatief is, deelt de conformiteitsbeoordelingsinstantie de redenen voor de negatieve beoordeling mee aan de aanvrager.
3. De betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie houdt een geactualiseerde lijst bij van de externe berekeningsinstrumenten die zij heeft gecertificeerd en van de berekeningsinstrumenten waarvoor zij de certificering heeft beperkt, geschorst of ingetrokken. Zij maakt die lijst openbaar op haar website en deelt het adres van die website onverwijld aan de Commissie mee.
4. De Commissie publiceert op haar officiële website een gemakkelijk toegankelijke lijst van alle externe berekeningsinstrumenten die overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn gecertificeerd, alsook een link naar de in lid 3 bedoelde websites.
5. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om regels vast te leggen voor de certificering van externe berekeningsinstrumenten en voor het bijbehorende conformiteitscertificaat, met inbegrip van regels voor de beperking, verlenging, schorsing en intrekking van certificering. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
HOOFDSTUK VI
VERIFICATIE VAN BROEIKASGASEMISSIEGEGEVENS EN BEREKENINGEN
Artikel 12
Reikwijdte van de verificatie
1. De naleving van de vereisten van de artikelen 3 tot en met 9 door de in artikel 9 bedoelde outputgegevens wordt gecontroleerd door een in artikel 14 bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstantie.
2. Lid 1 is van toepassing op vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die emissies berekenen, met uitzondering van kmo’s. Kmo’s kunnen op grond van deze verordening op eigen verzoek een verificatie ondergaan.
Artikel 13
Verificatieactiviteiten
1. De in artikel 14 bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstantie verifieert de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid, verenigbaarheid en nauwkeurigheid van de outputgegevens die worden openbaar gemaakt door vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die emissies berekenen.
2. De conformiteitsbeoordelingsinstantie verifieert of de openbaar gemaakte outputgegevens voldoen aan de eisen van de artikelen 3 tot en met 9, op basis van het in artikel 10, lid 5, bedoelde bewijs. Die verificatie heeft betrekking op:
a)
de gebruikte berekeningsmethode;
b)
de bronnen van de voor de berekening gebruikte inputgegevens;
c)
de juistheid van de uitgevoerde berekening;
d)
de toegepaste gemeenschappelijke maatstaven.
3. Indien externe berekeningsinstrumenten worden gebruikt, houdt de conformiteitsbeoordelingsinstantie rekening met de desbetreffende in artikel 11, lid 2, bedoelde conformiteitscertificaten.
4. Indien uit de verificatie blijkt dat er sprake is van onjuiste berekeningen of niet-naleving van de artikelen 3 tot en met 9, stelt de conformiteitsbeoordelingsinstantie de vervoers- en hubentiteiten en de betrokken gegevensbemiddelingsdiensten daarvan zonder onnodige vertraging in kennis. Die vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten corrigeren vervolgens de berekening of verhelpen eventuele non-conformiteiten om de verificatie te kunnen voltooien.
5. De vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten verstrekken aan de conformiteitsbeoordelingsinstantie alle voor het verrichten van de verificatie benodigde aanvullende informatie. De conformiteitsbeoordelingsinstantie kan tijdens de verificatie controles uitvoeren om de betrouwbaarheid van gegevens en berekeningen te bepalen.
6. Na voltooiing van de verificatie stelt de conformiteitsbeoordelingsinstantie, indien passend, een bewijs van overeenstemming op waarin wordt bevestigd dat de outputgegevens voldoen aan de relevante eisen van deze verordening en waarin wordt gespecificeerd of de vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten gebruikmaken van primaire gegevens.
7. De betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie stelt een geactualiseerde lijst op van de vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die de verificatie op grond van dit artikel hebben ondergaan, en houdt die lijst bij. Uiterlijk op 31 maart van elk jaar stelt de conformiteitsbeoordelingsinstantie de Commissie in kennis van die lijst.
8. In gevallen waarin outputgegevens reeds zijn geverifieerd uit hoofde van andere rechtshandelingen van de Unie met specifieke regels voor de verificatie van outputgegevens die de naleving van de voorschriften van deze verordening waarborgen, worden dergelijke outputgegevens geacht te zijn geverifieerd op grond van dit artikel.
9. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde voorschriften voor de verificatie van de outputgegevens, de passende frequentie van die verificatie en het daarmee verband houdende bewijs van overeenstemming. Die voorschriften omvatten bepalingen met betrekking tot het in artikel 10, lid 5, bedoelde bewijs en de in artikel 10, lid 4, bedoelde mededelingsrechten in verband met het gebruik van primaire gegevens. Door die regels houdt de Commissie terdege rekening met objectieve criteria, waaronder de aard en de omvang van de betrokken vervoersdienst, het relatieve risico van niet-naleving en de noodzaak om onevenredige administratieve lasten te voorkomen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
HOOFDSTUK VII
ACCREDITATIE
Artikel 14
Conformiteitsbeoordelingsinstanties
1. Conformiteitsbeoordelingsinstanties zijn geaccrediteerd om de in de artikelen 11, 12 en 13 bedoelde certificerings- of verificatieactiviteiten te verrichten.
2. De conformiteitsbeoordelingsinstantie is onafhankelijk van de vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten die de in de artikelen 11, 12 en 13 bedoelde certificerings- of verificatieactiviteiten aanvragen.
3. De conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat verantwoordelijk is voor het verrichten van de certificerings- of verificatieactiviteiten, mogen geen activiteiten verrichten die in strijd kunnen zijn met hun onafhankelijk oordeel of integriteit betreffende de certificerings- of verificatieactiviteiten.
4. De conformiteitsbeoordelingsinstantie en haar personeel verrichten de certificerings- of verificatieactiviteiten met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid en zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van die activiteiten kunnen beïnvloeden, in het bijzonder van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van die activiteiten.
5. De conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over de deskundigheid, uitrusting en infrastructuur die nodig zijn voor het verrichten van de certificerings- of verificatieactiviteiten waarvoor zij is geaccrediteerd.
6. Het personeel van een conformiteitsbeoordelingsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij het verrichten van de certificerings- of verificatieactiviteiten.
7. Indien een conformiteitsbeoordelingsinstantie activiteiten in verband met certificering of verificatie uitbesteedt of een beroep doet op dochterondernemingen, neemt zij de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de door onderaannemers en dochterondernemingen verrichte activiteiten, waar dan ook die activiteiten worden verricht, onder meer door de kwalificaties van de onderaannemer of dochteronderneming en de door hen verrichte werkzaamheden te beoordelen en te monitoren.
Artikel 15
Accreditatieprocedures
1. De in artikel 14, lid 1, van deze verordening bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstanties worden geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie op grond van Verordening (EG) nr. 765/2008.
2. Elke lidstaat wijst een autoriteit aan die een geactualiseerde lijst van geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties bijhoudt. Die aangewezen nationale autoriteiten maken die lijst openbaar op een officiële overheidswebsite. Een lidstaat kan besluiten dat die taak door de in lid 1 bedoelde nationale accreditatie-instantie moet worden uitgevoerd.
3. Uiterlijk op 31 maart van elk jaar stelt de in lid 1 bedoelde nationale accreditatie-instantie de Commissie in kennis van de lijst van geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties, inclusief alle relevante contactgegevens.
4. Indien in deze verordening geen specifieke bepalingen betreffende de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties zijn vastgelegd, is Verordening (EG) nr. 765/2008 van toepassing.
5. Onverminderd artikel 16, is de Commissie overeenkomstig artikel 17 bevoegd om ter aanvulling van deze verordening nadere methoden en criteria voor de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen.
Artikel 16
Verificatie uit hoofde van andere rechtshandelingen van de Unie betreffende onder meer de maritieme sector en de luchtvaartsector
1. De verificateurs die zijn geaccrediteerd op grond van artikel 16 van Verordening (EU) 2015/757 en de op basis daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen, of op grond van artikel 14 van Verordening (EU) 2023/1805 en de op basis daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen, mogen de verificatieactiviteiten van de conformiteitsbeoordelingsinstanties uit hoofde van artikel 13 van deze verordening verrichten. Die verificateurs worden geacht te zijn geaccrediteerd op grond van de artikelen 14 en 15 van deze verordening om verificatieactiviteiten voor de maritieme sector te verrichten.
2. De verificateurs die zijn geaccrediteerd op grond van artikel 15 van Richtlijn 2003/87/EG en de op basis daarvan vastgestelde uitvoeringshandelingen, mogen de verificatieactiviteiten van de conformiteitsbeoordelingsinstanties uit hoofde van artikel 13 van deze verordening verrichten. Die verificateurs worden geacht te zijn geaccrediteerd op grond van de artikelen 14 en 15 van deze verordening om verificatieactiviteiten voor de luchtvaartsector te verrichten.
3. De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde verificateurs stellen de in artikel 15, lid 2, bedoelde autoriteit in kennis van hun voornemen om de verificatieactiviteiten van conformiteitsbeoordelingsinstanties uit hoofde van deze verordening te verrichten voordat zij hun eerste verificatie uit hoofde van deze verordening verrichten.
HOOFDSTUK VIII
GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN
Artikel 17
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 3, lid 4, artikel 9, lid 4, en artikel 15, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 1 juni 2026.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 4, artikel 9, lid 4, en artikel 15, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een op grond van artikel 3, lid 4, artikel 9, lid 4, en artikel 15, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 18
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
HOOFDSTUK IX
SLOTBEPALINGEN
Artikel 19
Evaluatie en verslag
De Commissie verricht een evaluatie van deze verordening in het licht van de doelstelling die zij nastreeft en brengt uiterlijk op 3 december 2034 verslag uit over de belangrijkste bevindingen aan het Europees Parlement en de Raad.
Het in de eerste alinea bedoelde verslag bevat:
a)
een analyse van de gevolgen van de uitvoering van deze verordening voor vervoers- en hubentiteiten en gegevensbemiddelingsdiensten, met betrekking tot de administratieve kosten;
b)
een beoordeling van de wijze waarop het gebruik van primaire gegevens verder kan worden gestimuleerd;
c)
een analyse van de effecten van een verplichte kwantificering en openbaarmaking van broeikasgasemissies, overeenkomstig deze verordening zoals die toepasselijk is op vervoers- en hubentiteiten;
d)
een beoordeling van de haalbaarheid van een boekhouding van de luchtverontreiniging die wordt veroorzaakt door vervoersdiensten;
e)
een beoordeling van de maatregelen die zijn genomen om deze verordening volledig toegankelijk te maken;
f)
een analyse van de wijze waarop gegevensbemiddelingsdiensten outputgegevens openbaar maken op grond van deze verordening en van de mogelijke effecten van die openbaarmaking op de keuzes van overheidsinstanties, ondernemingen en consumenten;
g)
een beoordeling van de haalbaarheid om de gemeenschappelijke methode aan te vullen zodat ook rekening wordt gehouden met broeikasgasemissies die verband houden met de productie, het onderhoud en de verwijdering van voertuigen; die beoordeling bevat een verslag over de vooruitgang van de Internationale Organisatie voor Normalisatie bij de ontwikkeling van een wereldwijd aanvaarde norm op basis van levenscyclusemissies.
Artikel 20
Inwerkingtreding en toepassing
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. De verordening is van toepassing met ingang van 2 december 2030.
Artikel 3, leden 4, 5 en 6, artikel 5, lid 1, artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 1, artikel 8, leden 1 en 3, artikel 9, lid 4, artikel 11, lid 5, artikel 13, lid 9, en artikel 15, lid 5, zijn echter van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 29 april 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. RAOUNA
(1) PB C, C/2024/890, 6.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/890/oj.
(2) PB C, C/2024/1982, 18.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1982/oj.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 10 april 2024 (PB C, C/2025/1313, 13.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/1313/oj) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 26 februari 2026 (PB C, C/2026/2277, 17.4.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/2277/oj). Standpunt van het Europees Parlement van 28 april 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(4) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).
(5) Richtlijn (EU) 2024/825 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2005/29/EG en 2011/83/EU wat betreft het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie door middel van betere informatie en door middel van bescherming tegen oneerlijke praktijken (PB L, 2024/825, 6.3.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/825/oj).
(6) Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PB L 192 van 22.7.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/691/oj).
(7) Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 537/2014, Richtlijn 2004/109/EG, Richtlijn 2006/43/EG en Richtlijn 2013/34/EU, met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (PB L 322 van 16.12.2022, blz. 15, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2464/oj).
(8) Aanbeveling (EU) 2021/2279 van de Commissie van 15 december 2021 betreffende het gebruik van milieuvoetafdrukmethoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 471 van 30.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2021/2279/oj).
(9) Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/757/oj).
(10) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).
(11) Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/631/oj).
(12) Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 202, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1242/oj).
(13) Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 234 van 22.9.2023, blz. 48, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1805/oj).
(14) Verordening (EU) 2023/2405 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake het waarborgen van een gelijk speelveld voor duurzaam luchtvervoer (ReFuelEU Luchtvaart) (PB L, 2023/2405, 31.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2405/oj).
(15) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/765/oj).
(16) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj).
(17) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(18) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36, ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2003/361/oj).
(19) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj).
(20) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1030/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top