Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2026/1395
22.6.2026
VERORDENING (EU) 2026/1395 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 17 juni 2026
houdende toepassing van een algemeen stelsel van tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 978/2012
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Sinds 1971 heeft de Unie aan ontwikkelingslanden handelspreferenties toegekend in het kader van haar algemeen stelsel van tariefpreferenties (SAP).
(2)
De gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie moet berusten op de beginselen van, en de doelstellingen nastreven van, het externe optreden van de Unie zoals uiteengezet in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
(3)
Aangezien het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking ook moet worden gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie, moet de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie stroken met de hoofddoelstellingen van het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking zoals neergelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name het terugdringen en uitbannen van armoede, moet zij bijdragen tot de consolidatie van deze doelstellingen en moet zij ook duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied alsook goed bestuur in ontwikkelingslanden bevorderen. De gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie moet ook in overeenstemming zijn met de voorschriften van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en in het bijzonder met het Besluit betreffende een gedifferentieerde en gunstigere behandeling, reciprociteit en vollediger deelneming van ontwikkelingslanden (“machtigingsclausule”), dat is vastgesteld in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (General Agreement on Tariffs and Trade – GATT) in 1979, uit hoofde waarvan de WTO-leden een gedifferentieerde en gunstiger behandeling voor ontwikkelingslanden kunnen toestaan.
(4)
Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/2663 van het Europees Parlement en de Raad (3), voorziet in de toepassing van het SAP tot en met 31 december 2027, behalve wat de bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen betreft, waarvoor die einddatum niet geldt. Daarna moet het SAP van toepassing blijven voor een volgende periode van tien jaar vanaf de datum van toepassing van de tariefpreferenties waarin deze verordening voorziet, behalve wat de bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen betreft, die zonder einddatum moet worden voortgezet.
(5)
De algemene doelstellingen van het SAP zijn het ondersteunen van de uitbanning van armoede in al haar vormen, in overeenstemming met Resolutie A/RES/70/1 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) getiteld “Transforming our World: the 2030 Agenda for Sustainable Development” (Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling) (de “Agenda 2030 van de VN”), met name handelsgerelateerde duurzameontwikkelingsdoelstelling 17, streefdoel 12, en het bevorderen van de Agenda 2030 van de VN, waarbij moet worden voorkomen dat de belangen van het bedrijfsleven in de Unie worden geschaad. In de in 2018 verrichte evaluatie halverwege van het stelsel van algemene tariefpreferenties en de in 2021 uitgevoerde studie ter ondersteuning van een effectbeoordeling ter voorbereiding van de herziening van SAP-verordening (EU) nr. 978/2012 werd geconcludeerd dat het SAP-kader als vastgesteld in Verordening (EU) nr. 978/2012 die algemene doelstellingen, die centraal stonden bij de hervorming van het SAP in 2012, heeft verwezenlijkt.
(6)
De algemene doelstellingen van het SAP zijn in de huidige mondiale context nog steeds relevant en zijn verenigbaar met de analyse die de Commissie heeft verricht en de zienswijzen die zij heeft geformuleerd in haar mededeling van 18 februari 2021 getiteld “Evaluatie van het handelsbeleid – Een open, duurzaam en assertief handelsbeleid”. Volgens die mededeling heeft de Unie er “strategisch belang bij de integratie in de wereldeconomie van kwetsbare ontwikkelingslanden te ondersteunen” en moet zij “ten volle gebruikmaken van de kracht die voortvloeit uit haar openheid en de aantrekkelijkheid van haar eengemaakte markt” teneinde multilateralisme te ondersteunen en ervoor te zorgen dat de universele waarden worden geëerbiedigd. Wat specifiek het SAP betreft, wordt in de mededeling gewezen op de belangrijke rol die het SAP speelt bij “het bevorderen van de eerbiediging van fundamentele mensenrechten en rechten van werknemers” en wordt als doelstelling van het SAP vastgelegd “het verder vergroten van de handelsmogelijkheden voor ontwikkelingslanden om de armoede terug te dringen en banen te scheppen op basis van internationale waarden en beginselen”. Bovendien moet het SAP de begunstigde landen helpen hun economieën op duurzame wijze te versterken, onder meer met inachtneming van de internationale normen op het gebied van mensenrechten, rechten van werkenden, klimaat- en milieubescherming en goed bestuur. Er moet worden gezorgd voor samenhang tussen de doelstellingen van het SAP, enerzijds, en de aan de begunstigde landen verleende bijstand, anderzijds, in overeenstemming met artikel 208 VWEU en met de beleidscoherentie van de Unie voor ontwikkeling, die een belangrijke pijler vormt onder de inspanningen van de Unie om het positieve effect en de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking te vergroten. De ontwikkelingshulp van de Unie die onder Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad (4) valt, en het SAP hebben dezelfde doelstelling, namelijk duurzame ontwikkeling. Het gebruik door de begunstigde landen van de tariefpreferenties waarin deze verordening voorziet, en de ratificatie en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van internationale verdragen en overeenkomsten inzake mensenrechten, rechten van werkenden, klimaat- en milieubescherming en goed bestuur kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van die doelstelling. Daarom moet bij de uitvoering van deze verordening worden gezorgd voor synergieën en complementariteit met de acties die worden ondernomen in het kader van Verordening (EU) 2021/947.
(7)
Door ontwikkelingslanden preferentiële toegang tot de markt van de Unie te verlenen, moet het SAP deze landen ondersteunen bij hun inspanningen om de armoede terug te dringen en om goed bestuur en duurzame ontwikkeling te verwezenlijken en te bevorderen, door ze te helpen door middel van internationale handel aanvullende inkomsten te genereren, die zij dan ten behoeve van hun eigen ontwikkeling opnieuw kunnen investeren, en daarnaast hun economie te diversifiëren. De tariefpreferenties in het kader van het SAP moeten afgestemd zijn op de ontwikkelingslanden waar de ontwikkelings-, handels- en financiële behoeften het grootst zijn.
(8)
Gendergelijkheid in al het beleid van de Unie is stevig verankerd in artikel 8 VWEU en staat ook centraal in de Agenda 2030 van de VN, zoals vastgelegd in duurzameontwikkelingsdoelstelling 5 ervan. Wegens structurele genderongelijkheden hebben handels- en investeringsovereenkomsten echter vaak andere gevolgen voor vrouwen dan voor mannen. Het SAP heeft het potentieel een positieve bijdrage te leveren aan de werkgelegenheid en de emancipatie van vrouwen.
(9)
Het SAP moet een basisregeling (“het standaard-SAP”) omvatten alsook twee bijzondere regelingen, namelijk de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+) en de bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen, Alles behalve wapens (Everything But Arms – EBA). Daarom wordt met het SAP de structuur van de vorige periode voortgezet, aangezien die afgestemd is op de meest behoeftige landen en tegemoetkomt aan de uiteenlopende ontwikkelingsbehoeften van de begunstigde landen. Het SAP moet regionale integratie tussen ontwikkelingslanden bevorderen en moet gelden voor het gehele grondgebied van het begunstigde land, ook voor speciale economische zones en voor exportverwerkingszones.
(10)
Het standaard-SAP moet gelden voor alle ontwikkelingslanden die gemeenschappelijke ontwikkelingsbehoeften hebben en die in een soortgelijk stadium van economische ontwikkeling verkeren. Er bestaat op het niveau van de WTO geen definitie van “ontwikkelingslanden”, en het wordt aan de landen die preferenties toekennen overgelaten om de lijst van voor het SAP in aanmerking komende ontwikkelingslanden vast te stellen. Landen die met succes de overgang van een centraal geleide economie naar een markteconomie hebben gemaakt en vandaag de dag economische mogendheden zijn die een sterke positie in de internationale handel innemen, mogen in de context van het SAP niet als ontwikkelingslanden worden beschouwd en moeten daarom van de lijst van in aanmerking komende landen worden geschrapt. Landen die door de Wereldbank worden gerangschikt als hooginkomenslanden of hogermiddeninkomenslanden, hebben een inkomen per hoofd van de bevolking waarmee zij ook zonder de tariefpreferenties in het kader van het SAP een hoger diversificatieniveau kunnen bereiken. Die landen bevinden zich in een ander stadium van economische ontwikkeling en hebben dus niet dezelfde ontwikkelings-, handels- en financiële behoeften als laaginkomenslanden of meer kwetsbare ontwikkelingslanden. Om ongerechtvaardigde discriminatie te voorkomen, mogen zij dus niet in aanmerking komen voor het standaard-SAP. Bovendien mogen hooginkomenslanden en hogermiddeninkomenslanden niet in aanmerking komen voor de tariefpreferenties in het kader van het SAP omdat dit de concurrentiedruk op de uitvoer van armere, meer kwetsbare landen zou verhogen, zodat dit een ongerechtvaardigde belasting voor deze meer kwetsbare ontwikkelingslanden zou kunnen vormen. Bij de toepassing van het standaard-SAP moet rekening worden gehouden met het feit dat de behoeften van een land op het gebied van ontwikkeling, handel en financiën aan verandering onderhevig zijn. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat het standaard-SAP kan worden aangepast.
(11)
Ter wille van de samenhang mogen de in het kader van het standaard-SAP toegekende tariefpreferenties niet worden uitgebreid tot ontwikkelingslanden die een preferentiële markttoegangsregeling met de Unie genieten die ten minste hetzelfde niveau van tariefpreferenties biedt als het standaard-SAP voor vrijwel alle handel. Om een begunstigd land en de marktdeelnemers echter de tijd te geven zich op een ordelijke wijze aan te passen, moet het standaard-SAP nog twee jaar worden voortgezet vanaf de datum van toepassing van een preferentiële markttoegangsregeling voor dat begunstigde land.
(12)
Het SAP+ stoelt op het integrale concept van duurzame ontwikkeling, zoals erkend in internationale verdragen en instrumenten als de VN-Verklaring over het recht op ontwikkeling van 1986, de Verklaring van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling van 1992, de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk van 1998, de Millenniumverklaring van de VN van 2000, de Verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling van 2002, de Eeuwfeestverklaring van de IAO over de toekomst van werk van 2019, de Agenda 2030 van de VN, de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten van 2011, en de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”). Bijgevolg moeten de aanvullende tariefpreferenties waarin het SAP+ voorziet, worden toegekend aan ontwikkelingslanden die wegens een gebrek aan diversificatie economisch kwetsbaar zijn, die de internationale verdragen en overeenkomsten inzake mensenrechten, rechten van werkenden, klimaat- en milieubescherming en goed bestuur hebben geratificeerd en die zich ertoe verbinden de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan te waarborgen. Het SAP+ moet die landen helpen de extra verantwoordelijkheden op zich te nemen die voortvloeien uit de ratificatie en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die internationale verdragen en overeenkomsten. De Unie moet met SAP+-begunstigde landen regelmatige monitoring- en dialoogmissies uitvoeren om de universele waarden van de mensenrechten te bevorderen, met inbegrip van vooruitgang inzake afschaffing van de doodstraf, inzake verantwoordingsplicht voor oorlogsmisdrijven en andere ernstige misdrijven, en inzake afdwingbaarheid van de bestaande mensenrechten. Voorts moet de dialoog met SAP+-begunstigde landen de fundamentele principes en rechten op het werk, milieubescherming en goed bestuur bevorderen.
(13)
De lijst van de voor het SAP relevante internationale verdragen in bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 978/2012 moet worden geactualiseerd om beter rekening te houden met de ontwikkeling van die internationale instrumenten en normen en om te zorgen voor een proactieve aanpak met betrekking tot duurzame ontwikkeling in overeenstemming met de Agenda 2030 van de VN en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen daarvan. In dat verband moeten de volgende overeenkomsten en verdragen worden toegevoegd: de Overeenkomst van Parijs, die het Protocol van Kyoto van 1997 bij het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering vervangt; het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 2006; het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten van 2000; het IAO-Verdrag (nr. 81) betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel van 1947; het IAO-Verdrag (nr. 144) betreffende tripartiete raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van internationale arbeidsnormen van 1976; en het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van 2000. De Commissie moet, in voorkomend geval samen met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), via de bestaande dialoog met standaard-SAP-begunstigde landen of EBA-begunstigde landen, hun vooruitgang evalueren wat betreft de ratificatie van de internationale verdragen en overeenkomsten inzake mensenrechten, rechten van werkenden, klimaat- en milieubescherming en goed bestuur die relevant zijn voor het SAP en zijn opgenomen in bijlage VI bij deze verordening (de “desbetreffende verdragen”), en die vooruitgang verder aanmoedigen met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van duurzame ontwikkeling.
(14)
Landen die de door de VN vastgestelde categorie van minst ontwikkelde landen ontgroeien, moeten worden gestimuleerd om koers naar duurzame ontwikkeling te blijven zetten. Daartoe moeten de economischekwetsbaarheidscriteria om voor het SAP+ in aanmerking te komen worden versoepeld ten opzichte van Verordening (EU) nr. 978/2012, om de toegang voor een groter aantal landen die de categorie van minst ontwikkelde landen ontgroeien, te vergemakkelijken.
(15)
De tariefpreferenties moeten zodanig worden vormgegeven dat zij verdere duurzame economische groei van de begunstigde landen stimuleren en aldus positief inspelen op de behoefte aan duurzame ontwikkeling. In het kader van het SAP+ moeten de ad-valoremrechten voor de betrokken begunstigde landen dan ook worden geschorst. Ook de specifieke rechten moeten worden geschorst, tenzij zij gecombineerd zijn met een ad-valoremrecht.
(16)
Landen die voldoen aan de criteria om voor het SAP+ in aanmerking te komen, moeten de aanvullende tariefpreferenties kunnen genieten indien de Commissie op hun verzoek vaststelt dat aan de relevante voorwaarden is voldaan.
(17)
Landen die op 31 december 2026 SAP+-begunstigde landen zijn uit hoofde van Verordening (EU) nr. 978/2012, zoals uiteengezet in bijlage III bij die verordening, en die het SAP+ willen blijven genieten, moeten uiterlijk op 31 december 2028 een nieuw verzoek indienen overeenkomstig de in deze verordening uiteengezette criteria om in aanmerking te komen. Om echter de continuïteit en de rechtszekerheid voor de marktdeelnemers te waarborgen, moeten de tariefpreferenties in het kader van het SAP+ waarin Verordening (EU) nr. 978/2012 voor die landen voorziet, worden gehandhaafd tijdens de periode waarin hun verzoek wordt beoordeeld. Die overgangsperiode is bedoeld om die SAP+-begunstigde landen voldoende tijd te geven om hun verzoek voor te bereiden om te voldoen aan de conditionaliteitsvereisten zoals herzien in het kader van deze verordening en in de tussentijd de preferentiële SAP+-toegang waarin Verordening (EU) nr. 978/2012 voorziet, te handhaven. Verzoeken om technische en financiële bijstand van verzoekende landen in verband met de ratificatie en de uitvoering van de desbetreffende verdragen, kunnen gunstig worden beoordeeld.
(18)
De Commissie, en in voorkomend geval de EDEO, moet toezicht houden op de stand van zaken met betrekking tot de ratificatie van de desbetreffende verdragen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan door de relevante informatie te onderzoeken, met name de conclusies en aanbevelingen van de betrokken toezichthoudende instanties die zijn opgericht uit hoofde van de desbetreffende verdragen, indien beschikbaar, en door de uitvoering van het voorgestelde toekomstgerichte en naar prioriteit geordende actieplan en van regelmatige missies ter plaatse te onderzoeken, alsook de inbreng van relevante belanghebbenden, waaronder maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers, in de begunstigde landen. De Commissie moet om de drie jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen over de stand van zaken met betrekking tot de ratificatie van de desbetreffende verdragen, de naleving door de begunstigde landen van eventuele rapportageverplichtingen in het kader van die desbetreffende verdragen en de stand van zaken met betrekking tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die desbetreffende verdragen. Dat verslag moet aanbevelingen en prioriteiten bevatten in geval van specifieke bezorgdheid over de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragen.
(19)
Het maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden moeten tijdens de gehele monitoringcyclus worden geraadpleegd, en met de door hen verstrekte informatie moet in voorkomend geval naar behoren rekening worden gehouden.
(20)
In juli 2020 heeft de Commissie de hoge ambtenaar voor handhaving van de handelsregels benoemd, die tot taak heeft de handelsregels in de EU en bij haar handelspartners te handhaven. In verband met die benoeming heeft de Commissie in november 2020 een nieuw klachtenmechanisme gelanceerd, het centrale toegangspunt (Single Entry Point – SEP), als onderdeel van de grotere inspanningen die zij levert om de uitvoering en de handhaving van de handelsverbintenissen te versterken. Via het SEP ontvangt de Commissie klachten over diverse kwesties in verband met het handelsbeleid, onder meer over schendingen van de SAP-verbintenissen. Het SEP biedt passende richtsnoeren voor het indienen van klachten en waarborgt de vertrouwelijkheid van klachten. Dat nieuwe klachtensysteem moet worden opgenomen in het kader van deze verordening.
(21)
De verslagen van de betrokken toezichthoudende instanties zijn van essentieel belang voor het toezicht op de uitvoering en, in voorkomend geval, de intrekking van tariefpreferenties. Die verslagen moeten echter kunnen worden aangevuld met andere informatie waarover de Commissie beschikt, waaronder informatie die is verkregen in het kader van bilaterale of multilaterale programma’s voor technische bijstand, en via andere informatiebronnen, mits zij nauwkeurig en betrouwbaar zijn. Daarbij zou het kunnen gaan om informatie afkomstig van instellingen, organen of instanties van de Unie, regeringen, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en sociale partners, of om via het SEP ontvangen klachten, mits zij aan de desbetreffende voorschriften voldoen. De tekortkomingen die tijdens het monitoringproces aan het licht komen, kunnen door de Commissie op een meer gerichte wijze worden meegenomen bij haar toekomstige programmering van ontwikkelingshulp.
(22)
Gezien het belang van bijdragen van het maatschappelijk middenveld moet de Commissie de standpunten van het maatschappelijk middenveld inwinnen, met name bij het onderzoeken van een SAP+-aanvraag, tijdens het toezicht op en de beoordeling van de uitvoering van de bindende verbintenis door SAP+-begunstigde landen, onder meer in samenhang met monitoringmissies, tijdens een intensief overleg en tijdens de voorbereiding van het verslag over de uitvoering van deze verordening.
(23)
EBA moet blijven voorzien in rechtenvrije toegang tot de markt van de Unie voor producten van oorsprong uit de minst ontwikkelde landen die door de VN als zodanig zijn aangemerkt, behalve wat de handel in wapens betreft. Voor landen die door de VN niet langer als minst ontwikkelde landen worden aangemerkt, moet een overgangsperiode worden ingesteld om de eventuele negatieve gevolgen van het wegvallen van de tariefpreferenties uit hoofde van EBA te ondervangen. De tariefpreferenties in het kader van EBA moeten ook in de toekomst worden toegekend aan de minst ontwikkelde landen die deelnemen aan een andere met de Unie getroffen preferentiële markttoegangsregeling.
(24)
Het onderscheid dat in het standaard-SAP wordt gemaakt tussen tariefpreferenties voor niet-gevoelige producten en tariefpreferenties voor gevoelige producten moet worden gehandhaafd, om rekening te houden met de situatie van de bedrijfstakken in de Unie die dezelfde producten vervaardigen.
(25)
De schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op niet-gevoelige producten moet worden gehandhaafd, terwijl de rechten op gevoelige producten moeten worden verlaagd, zodat er voldoende gebruik van wordt gemaakt, maar er tegelijkertijd ook rekening wordt gehouden met de situatie van de desbetreffende bedrijfstakken van de Unie.
(26)
Een dergelijke tariefverlaging moet voor de handelaren voldoende aantrekkelijk zijn om hen ertoe te bewegen gebruik te maken van de door het SAP geboden mogelijkheden. Daarom moet op de ad-valoremrechten in het algemeen een forfaitaire verlaging met 3,5 procentpunten ten opzichte van het meestbegunstigingsrecht worden toegepast, en moeten die rechten voor textielstoffen en textielwaren met 20 % worden verlaagd. Specifieke rechten moeten met 30 % worden verlaagd. Wanneer een minimumrecht is vermeld, mag dit niet worden toegepast.
(27)
De rechten moeten volledig worden geschorst wanneer voor een afzonderlijke invoeraangifte de preferentiële behandeling in een ad-valoremrecht van 1 % of minder of in een specifiek recht van 2 EUR of minder resulteert, omdat het innen van die rechten meer kan kosten dan het oplevert.
(28)
De graduatie van producten moet geschieden aan de hand van criteria die betrekking hebben op de afdelingen en hoofdstukken van het gemeenschappelijk douanetarief. De graduatie van producten moet voor een afdeling of onderafdeling worden toegepast om het aantal gevallen van graduatie van heterogene producten te beperken. Een afdeling of een onderafdeling, bestaande uit hoofdstukken, moet voor een begunstigd land worden gegradueerd wanneer de afdeling gedurende drie opeenvolgende jaren aan de criteria voor graduatie voldoet, teneinde de graduatie voorspelbaarder en billijker te maken, doordat het effect van grote en uitzonderlijke schommelingen in de invoerstatistieken wordt geneutraliseerd. De productgraduatie mag niet worden toegepast voor de begunstigde landen van het SAP+ en voor de begunstigde landen van EBA, aangezien zij een zeer soortgelijk economisch profiel hebben dat hen op grond van een zwakke, niet-gediversifieerde uitvoerbasis kwetsbaar maakt.
(29)
De tariefpreferenties waarin deze verordening voorziet, moeten van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de begunstigde landen overeenkomstig de oorsprongsregels die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) en de rechtshandelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de op grond van die verordening toegekende bevoegdheden, met name Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (6) en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (7). Cumulatie tussen landen van verschillende regionale groepen en uitgebreide cumulatie uit hoofde van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 moeten worden toegestaan op voorwaarde dat het verzoekende begunstigde land voldoende bewijs levert waaruit blijkt dat de cumulatie aan zijn ontwikkelings-, financierings- en handelsbehoeften tegemoetkomt, en dus onder meer tot economische groei, de uitbanning van armoede, diversificatie van de uitvoer en industrialisering zou leiden, en op voorwaarde dat de cumulatie geen negatieve gevolgen heeft voor de situatie van andere landen, met name EBA-begunstigde landen. Wanneer de Commissie beoordeelt of het toestaan van de cumulatie aan de ontwikkelings-, financierings- en handelsbehoeften van het verzoekende land tegemoetkomt, moet zij de afhankelijkheid van het begunstigde land ten opzichte van het land van levering en de toekomstperspectieven wat de producten in kwestie betreft in aanmerking nemen.
(30)
In geval van tekortkomingen bij de toepassing van de beginselen die zijn neergelegd in de desbetreffende verdragen, met inbegrip van bepaalde beginselen van het internationaal humanitair recht, moet de Commissie, teneinde de doelstellingen van die desbetreffende verdragen te bevorderen en indien dit nuttig zou zijn, een intensief overleg met het begunstigde land aangaan om de situatie aan te pakken. In geval van ernstige en systematische schendingen van de beginselen die zijn neergelegd in de desbetreffende verdragen en, indien van toepassing, indien de dialoog met het begunstigde land niet leidt tot een verbetering van de situatie, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om tariefpreferenties van het begunstigde land in te trekken. De tariefpreferenties in het kader van het SAP+ moeten tijdelijk worden ingetrokken indien het begunstigde land zich niet houdt aan zijn bindende verbintenis om de ratificatie van de desbetreffende verdragen te handhaven en aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragen vast te houden of om aan de door de desbetreffende verdragen opgelegde rapportageverplichtingen te voldoen dan wel indien het begunstigde land niet samenwerkt in het kader van de in deze verordening neergelegde monitoringprocedures van de Unie. De tijdelijke intrekking moet worden gehandhaafd totdat de daaraan ten grondslag liggende redenen niet langer van toepassing zijn. In situaties die worden gekenmerkt door buitengewoon ernstige schendingen, moet de Commissie de bevoegdheid hebben snel te reageren door binnen een kortere termijn maatregelen vast te stellen. In het kader van de nultolerantiebenadering van de Unie voor kinderarbeid moeten de redenen voor tijdelijke intrekking de uitvoer omvatten van goederen die zijn vervaardigd door internationaal verboden kinderarbeid, alsook dwangarbeid, met inbegrip van slavernij en gevangenisarbeid, zoals vastgesteld in de desbetreffende verdragen. Het uitbannen van kinderarbeid is echter een langdurig proces, vooral in landen waar geen fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, geen gratis onderwijs of geen sociaal vangnet voorhanden zijn. In dat verband moet de Commissie rekening kunnen houden met de vraag of het begunstigde land beleidsmaatregelen heeft genomen om kinderarbeid terug te dringen, en of uit de controle daarop concrete vooruitgang en stappen naar volledige naleving van de desbetreffende verdragen blijken. De tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen waarin deze verordening voorziet, moet als laatste redmiddel worden beschouwd.
(31)
In duurzameontwikkelingsdoelstelling 10, streefdoel 7, van de Agenda 2030 van de VN wordt opgeroepen tot het faciliteren van ordelijke, veilige en verantwoorde migratie en mobiliteit van mensen, onder meer door de uitvoering van gepland en goed beheerd migratiebeleid. Dergelijk beleid kan een positieve bijdrage leveren aan inclusieve groei en duurzame ontwikkeling. In dat verband is het van essentieel belang dat zowel de landen van herkomst als de landen van bestemming gemeenschappelijke uitdagingen aanpakken, zoals het intensiveren van de samenwerking op het gebied van de overname van eigen onderdanen en hun duurzame re-integratie in het land van herkomst, met volledige inachtneming van de internationale mensenrechtennormen.
(32)
Het terugkeer- en overnamebeleid van de Unie eerbiedigt ten volle het beginsel van non-refoulement en wordt uitgevoerd in overeenstemming met de fundamentele internationale mensenrechtenbeginselen. Vrijwillige terugkeer blijft een cruciaal onderdeel van het gemeenschappelijke systeem van de Unie voor terugkeer, dat de humane, doeltreffende en duurzame terugkeer van irreguliere migranten mogelijk maakt. Het migratiebeleid van de Unie ondersteunt ook de verbetering van duurzame re-integratie en capaciteitsopbouw in partnerlanden, wat dan weer de lokale ontwikkeling in die landen aanzienlijk kan versterken.
(33)
Terugkeer, overname en re-integratie vormen voor de Unie en haar partners gemeenschappelijke uitdagingen. Met name is elke staat op grond van het internationaal gewoonterecht verplicht zijn eigen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een andere staat verblijven, over te nemen. In multilaterale internationale verdragen, zoals het op 7 december 1944 te Chicago ondertekende Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, is ook sprake van de verplichting van staten om hun onderdanen die het grondgebied van een andere staat zijn uitgezet, tot hun grondgebied toe te laten. Die aanpak en de nodige maatregelen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de fundamentele internationale mensenrechtenbeginselen.
(34)
Een tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen wegens ernstige en systematische tekortkomingen van een begunstigd land met betrekking tot de verplichting om zijn eigen onderdanen over te nemen, mag alleen worden overwogen met betrekking tot begunstigde landen: waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 25 bis van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (8) (de “Visumcode”) van oordeel is dat zij onvoldoende medewerking verlenen op het gebied van overname; waarvoor maatregelen op het gebied van visumbeleid zijn voorgesteld overeenkomstig artikel 25 bis, lid 5, punt a), van de Visumcode; en waarvoor de Commissie, na een periode van specifiek intensief overleg, van oordeel is dat er nog steeds onvoldoende medewerking wordt verleend op het gebied van overname.
(35)
In het licht van hun specifieke situatie, hun sociaal-economische situatie, hun ontwikkelingsniveaus en hun capaciteitsbeperkingen moeten EBA-begunstigde landen in aanmerking komen voor een aanvullende overgangsperiode van 24 maanden voordat voor die landen de mogelijkheid bestaat om de preferentiële regelingen tijdelijk in te trekken wegens ernstige en systematische tekortkomingen met betrekking tot de verplichting om hun eigen onderdanen over te nemen. Bovendien mag de intrekking van de preferentiële regelingen in het kader van EBA alleen mogelijk zijn wanneer er na de vaststelling van maatregelen op grond van artikel 25 bis, lid 5, punt a), van de Visumcode nog steeds onvoldoende medewerking wordt verleend op het gebied van overname.
(36)
Om te beoordelen of er sprake is van ernstige en systematische tekortkomingen met betrekking tot de verplichting van het begunstigde land om zijn eigen onderdanen over te nemen, moet de Commissie zich baseren op relevante en objectieve elementen als bedoeld in artikel 25 bis, lid 2, van de Visumcode, met inbegrip van betrouwbare, door de lidstaten en door de instellingen, organen en instanties van de Unie verstrekte gegevens. Bij het overwegen van een tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen in verband met ernstige en systematische tekortkomingen met betrekking tot de verplichting van het begunstigde land om zijn eigen onderdanen over te nemen, moet de Commissie rekening houden met alle maatregelen die zijn genomen om de medewerking van dat begunstigde land op het gebied van overname te verbeteren.
(37)
Op grond van Verordening (EU) nr. 978/2012 en de voorlopers daarvan zijn de preferentiële regelingen voor de invoer van producten van oorsprong uit Belarus (volledig) en Cambodja (gedeeltelijk) ingetrokken wegens ernstige en systematische schendingen van de beginselen die zijn neergelegd in enkele van de desbetreffende verdragen. Aangezien de redenen voor de intrekking van de preferentiële regelingen nog steeds gelden, moet de tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen wat Belarus en Cambodja betreft in het kader van deze verordening van kracht blijven.
(38)
Wanneer de invoer van een bepaald product in het kader van een van de preferentiële regelingen waarop deze verordening betrekking heeft, ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de betrokken producenten in de Unie, moet het mogelijk zijn de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op dat product geheel of gedeeltelijk opnieuw in te stellen. Bij de beoordeling van het bestaan van ernstige moeilijkheden voor de betrokken producenten in de Unie kunnen ook de gevolgen van die invoer voor de sector als geheel, met inbegrip van de productie van upstream- of downstreamproducten, relevant zijn. Dit kan met name relevant zijn in de landbouwsector of wanneer er een groot aantal kleine en middelgrote ondernemingen bij betrokken is. De vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van deze verordening wijken niet af van de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Integendeel, deze verordening herstelt tijdelijk de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief in de handelsbetrekkingen met een bepaald land door de eenzijdig door de Unie toegekende bijzondere voordelen op te heffen. De vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van deze verordening vormen geen handelsbeschermingsinstrument of vrijwaringsmaatregel in de zin van de Verordeningen (EU) 2015/478 (9) en (EU) 2015/755 (10) van het Europees Parlement en de Raad, noch een vrijwaringsmaatregel in de zin van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, waarin de regels voor de toepassing van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel XIX van de GATT 1994 zijn vastgesteld. Het is passend dat een vrijwaringsonderzoek kan worden geopend op verzoek van een lidstaat, van een rechtspersoon of van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die optreedt namens producenten in de Unie, of op initiatief van de Commissie.
(39)
Rekening houdend met de specifieke uitdagingen waarmee de rijstproducenten in de Unie worden geconfronteerd, is het passend een voorspelbaar mechanisme in te voeren dat leidt tot de automatische toepassing van een mechanisme van tariefcontingenten. Het automatische mechanisme moet de levensvatbaarheid van de rijstsector van de Unie beschermen en tegelijkertijd aanzienlijke voordelen voor de minst ontwikkelde landen in het kader van deze verordening waarborgen. Dit gerichte mechanisme voor rijst vormt een aanvulling op de andere vrijwaringsinstrumenten waarin deze verordening voorziet en die in gelijke mate beschikbaar blijven voor die sector. Het mechanisme moet situaties van uitzonderlijke druk op de markt aanpakken door onmiddellijk opnieuw meestbegunstigingstarieven in te voeren en preferentiële invoer te beperken door middel van een tariefcontingent in het volgende jaar zodra de invoervolumes van bepaalde rijstproducten de vastgestelde drempels met meer dan 45 % overschrijden. De drempels worden per land bepaald als het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse invoervolumes in de Unie van oorsprong uit een begunstigd land gedurende de tien kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van berekening. Met het oog op de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid moet bij de berekening van de volumes die van toepassing zijn tijdens het eerste jaar van toepassing van deze verordening, rekening worden gehouden met de referentieperiode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2024. Voor 2027 bedragen de daaruit voortvloeiende drempels 216 047 ton voor Cambodja en 171 862 ton voor Myanmar. De invoer van de betrokken rijstproducten uit andere begunstigde landen overschreed tijdens die referentieperiode de in deze verordening vastgestelde drempel van 6 % van de totale invoer in de Unie niet. Na de datum van inwerkingtreding van deze verordening moeten de drempels elk jaar worden herzien voor het volgende jaar.
(40)
Om te komen tot een evenwicht tussen de noodzaak van betere afstemming, grotere samenhang en transparantie, enerzijds, en een betere bevordering van duurzame ontwikkeling en goed bestuur door middel van een unilateraal stelsel van handelspreferenties, anderzijds, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de bijlagen bij deze verordening, het nemen van besluiten over tijdelijke intrekkingen van tariefpreferenties, het intrekken van een tijdelijke intrekking, het uitstellen van de datum van toepassing van een tijdelijke intrekking of het wijzigen van het toepassingsgebied ervan. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (11). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(41)
Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12).
(42)
Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen tot intrekking of schorsing van de tariefpreferenties van bepaalde SAP-afdelingen voor de begunstigde landen en van besluiten tot inleiding van een procedure voor tijdelijke intrekking moet, rekening houdend met de aard en de gevolgen van die handelingen, de raadplegingsprocedure worden toegepast. In het licht van de ontwikkelingsniveaus van EBA-begunstigde landen moet de onderzoeksprocedure worden toegepast voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen betreffende de inleiding van een procedure voor tijdelijke intrekking voor die landen wegens ernstige en systematische tekortkomingen met betrekking tot hun verplichting om hun eigen onderdanen over te nemen.
(43)
Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen inzake vrijwaringsonderzoeken en van besluiten tot schorsing van de tariefpreferentie wanneer invoer de markten van de Unie kan verstoren of ernstig kan verstoren, moet de onderzoeksprocedure worden toegepast.
(44)
Teneinde de integriteit en de ordelijke werking van het SAP te waarborgen moet de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met tijdelijke intrekking wegens niet-naleving van douaneprocedures en -verplichtingen, om dwingende redenen van urgentie vereist is.
(45)
Teneinde in een stabiel kader voor de marktdeelnemers te voorzien moet de Commissie, vóór het einde van de maximumperiode van zes maanden, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de beëindiging of de verlenging van de tijdelijke intrekking wegens niet-naleving van douaneprocedures en -verplichtingen, om dwingende redenen van urgentie vereist is.
(46)
De Commissie moet ook onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met vrijwaringsonderzoeken, vereist is om dwingende redenen van urgentie die verband houden met de moeilijk ongedaan te maken verslechtering van de economische of financiële situatie van de producenten in de Unie.
(47)
De Commissie moet via de bevoegde institutionele organen aan het Europees Parlement en de Raad regelmatig verslag uitbrengen over de gevolgen van het SAP.
(48)
Bij de uitvoering van deze verordening moet de Commissie het Europees Parlement en de Raad tijdig informatie verstrekken over belangrijke procedurele stappen, zoals toetreding tot het SAP+, de gevolgen voor de minst ontwikkelde landen die EBA ontgroeien, de inleiding van een procedure voor tijdelijke intrekking, een vrijwaringsonderzoek of een wijziging in de codes van de gecombineerde nomenclatuur die in deze verordening zijn vastgesteld, waarin wordt aangegeven voor welke producten een bijzondere vrijwaringsmaatregel kan gelden. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad ook op de hoogte houden van activiteiten op het gebied van intensief overleg, met inbegrip van de resultaten van monitoringmissies naar SAP+-begunstigde landen, en van de start en de resultaten van een specifiek intensief overleg met het betrokken begunstigde land met als doel dat begunstigde land beter te doen meewerken op het gebied van de internationale verplichting om zijn eigen onderdanen over te nemen. Om de samenhang tussen de betrokken beleidsdoelstellingen te waarborgen, moet de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stellen wanneer zij besluit de preferentiële regelingen van een begunstigd land tijdelijk in te trekken in geval van ernstige en systematische tekortkomingen van dat begunstigd land met betrekking tot de verplichting om zijn eigen onderdanen over te nemen. De Commissie moet met name de relevante informatie verstrekken die is opgenomen in de verslagen en beoordelingen in het kader van de toepassing van artikel 25 bis van de Visumcode met betrekking tot het betrokken begunstigde land. Om het gebruik van de overnamevoorwaarden te onderbouwen, moet de Commissie passende gegevens verstrekken over de trends op het gebied van overname met betrekking tot het betrokken begunstigde land. Indien nodig moeten de procedures voor de doorgifte van vertrouwelijke informatie worden toegepast.
(49)
Uiterlijk op 1 januari 2033 moet de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de toepassing van deze verordening halverwege de looptijd ervan en beoordelen of een herziening van het SAP noodzakelijk is. Dat verslag is nodig om de gevolgen van het SAP voor de ontwikkelings-, handels- en financiële behoeften van de begunstigde landen alsook voor de bilaterale handel en voor de Unie-inkomsten uit tarieven te kunnen analyseren, met bijzondere aandacht voor de Agenda 2030 van de VN. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de minst ontwikkelde landen die EBA ontgroeien, en aan alle relevante ontwikkelingen met betrekking tot de voorwaarden, met name wat betreft de fundamentele rechten op het werk en de lijst van desbetreffende verdragen. Er kan ook rekening worden gehouden met relevante ontwikkelingen, met name in de WTO, op het gebied van het faciliteren en bevorderen van de handel in goederen en diensten die bijdragen tot de verwezenlijking van de milieu- en klimaatdoelstellingen.
(50)
Verordening (EU) nr. 978/2012 moet derhalve worden ingetrokken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Het algemeen stelsel van tariefpreferenties (SAP), waarmee de Unie preferentiële toegang tot haar markt verleent, is van toepassing overeenkomstig deze verordening.
2. Deze verordening voorziet in de volgende preferentiële regelingen binnen het SAP:
a)
een standaardregeling (“standaard-SAP”);
b)
een bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+);
c)
een bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen (Alles behalve wapens (Everything But Arms – EBA)).
Artikel 2
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)
“landen”: landen en gebieden die beschikken over een douaneadministratie;
2)
“minst ontwikkelde landen”: de minst ontwikkelde landen die door de VN als zodanig zijn aangemerkt;
3)
“begunstigde landen”: landen die een van de preferentiële regelingen in het kader van het SAP genieten;
4)
“standaard-SAP-begunstigde landen”: landen die het standaard-SAP genieten zoals opgenomen in bijlage I en als zodanig aangegeven in kolom C van die bijlage;
5)
“SAP+-begunstigde landen”: landen die het SAP+ genieten zoals opgenomen in bijlage I en als zodanig aangegeven in kolom C van die bijlage;
6)
“EBA-begunstigde landen”: landen die EBA genieten zoals opgenomen in bijlage I en als zodanig aangegeven in kolom C van die bijlage;
7)
“rechten van het gemeenschappelijk douanetarief”: de douanerechten die zijn vermeld in het Tweede deel van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 (13) van de Raad, met uitzondering van de rechten die als deel van tariefcontingenten zijn vastgesteld;
8)
“SAP-afdeling”: een afdeling die is genoemd in bijlagen III en VII en die is vastgesteld op basis van afdelingen en hoofdstukken van het gemeenschappelijk douanetarief;
9)
“preferentiële markttoegangsregeling”: preferentiële toegang tot de markt van de Unie door middel van een handelsovereenkomst die ofwel voorlopig wordt toegepast ofwel van kracht is, of door middel van door de Unie toegekende autonome preferenties;
10)
“actieplan”: een lijst van maatregelen waarin een SAP+-verzoekend land voorziet met het oog op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragen;
11)
“intensief overleg”: een continu proces dat tot doel heeft de begunstigde landen te helpen en te stimuleren om vooruitgang te boeken bij de uitvoering van de voorwaarden van deze verordening of om tekortkomingen bij de naleving van de beginselen van de desbetreffende verdragen aan te pakken;
12)
“daadwerkelijke tenuitvoerlegging”: de volledige tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen in het kader van de desbetreffende verdragen, waardoor wordt gewaarborgd dat de in de desbetreffende verdragen vastgestelde beginselen, doelstellingen en rechten op het gehele grondgebied van het begunstigde land worden nageleefd, ook in delen van dat grondgebied die het begunstigde land als speciale economische zone of exportverwerkingszone heeft aangemerkt;
13)
“klacht”: een klacht die bij de Commissie is ingediend via het centrale toegangspunt (SEP).
Artikel 3
1. Een lijst van landen die in aanmerking komen voor een van de preferentiële regelingen bedoeld in artikel 1, lid 2 (de “in aanmerking komende landen”), is vastgesteld in bijlage I, kolommen A en B.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage I, teneinde rekening te houden met veranderingen in de internationale status of classificatie van landen, hun economische ontwikkeling of hun handels-, financierings- en ontwikkelingsbehoeften.
3. De Commissie stelt een in aanmerking komend land in kennis van relevante wijzigingen in zijn status in het kader van het SAP.
HOOFDSTUK II
Standaard-SAP
Artikel 4
1. Een in aanmerking komend land geniet de tariefpreferenties waarin is voorzien in het standaard-SAP tenzij het:
a)
gedurende de drie opeenvolgende jaren onmiddellijk vóór de actualisering van de lijst van begunstigde landen, door de Wereldbank als hooginkomensland of hogermiddeninkomensland is ingedeeld; of
b)
een preferentiële markttoegangsregeling met de Unie geniet die ten minste hetzelfde niveau van tariefpreferenties biedt als het SAP voor vrijwel alle handel.
2. Lid 1, punten a) en b), is niet van toepassing op de minst ontwikkelde landen.
Artikel 5
1. De standaard-SAP-begunstigde landen die aan de criteria van artikel 4 voldoen, zijn opgenomen in bijlage I en zijn als zodanig aangegeven in kolom C van die bijlage.
2. Uiterlijk op 1 januari van elk jaar na 12 juli 2026 herziet de Commissie bijlage I. Om een standaard-SAP-begunstigd land en de marktdeelnemers tijd te geven zich op een ordelijke wijze aan te passen aan de veranderde status van een land in het kader van het SAP:
a)
is het besluit om een land niet langer als standaard-SAP-begunstigd land aan te merken, in overeenstemming met lid 3 van dit artikel en op basis van artikel 4, lid 1, punt a), van toepassing vanaf 1 januari van het tweede kalenderjaar na het kalenderjaar van de datum waarop niet langer aan de relevante criteria wordt voldaan;
b)
is het besluit om een land niet langer als standaard-SAP-begunstigd land aan te merken, in overeenstemming met lid 3 van dit artikel en op basis van artikel 4, lid 1, punt b), van toepassing vanaf 1 januari van het derde kalenderjaar na het kalenderjaar van de datum van toepassing van een preferentiële markttoegangsregeling.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I, kolom C, te wijzigen op basis van de in artikel 4 genoemde criteria.
4. De Commissie stelt een standaard-SAP-begunstigd land in kennis van wijzigingen in zijn status in het kader van het SAP.
Artikel 6
1. De producten die onder het standaard-SAP vallen, zijn opgenomen in bijlage III.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage III, teneinde wijzigingen op te nemen die noodzakelijk zijn als gevolg van veranderingen in de gecombineerde nomenclatuur.
Artikel 7
1. De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die van toepassing zijn op de producten die in bijlage III als niet-gevoelig zijn aangemerkt, worden volledig geschorst, met uitzondering van agrarische elementen.
2. De ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief die van toepassing zijn op de producten die in bijlage III als gevoelig zijn aangemerkt, worden met 3,5 procentpunten verlaagd. Voor producten van de SAP-afdelingen S-11a en S-11b van bijlage III bedraagt de verlaging 20 %.
3. Wanneer de preferentiële rechten die overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 978/2012 werden toegepast op de ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief zoals van toepassing op 12 juli 2026, een tariefverlaging van meer dan 3,5 procentpunten opleveren voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde producten, blijven die preferentiële rechten van toepassing.
4. De specifieke rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, andere dan minimum- of maximumrechten, voor de producten die in bijlage III als gevoelig zijn aangemerkt, worden met 30 % verlaagd.
5. Wanneer de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die van toepassing zijn op de producten die in bijlage III als gevoelig zijn aangemerkt, zowel ad-valoremrechten als specifieke rechten omvatten, worden de specifieke rechten niet verlaagd.
6. Wanneer de overeenkomstig de leden 2 en 4 verlaagde rechten een maximumrecht vermelden, wordt dat maximumrecht niet verlaagd. Indien dergelijke rechten een minimumrecht vermelden, wordt dat minimumrecht niet toegepast.
Artikel 8
1. De in artikel 7 genoemde tariefpreferenties worden geschorst voor producten van een SAP-afdeling van oorsprong uit een standaard-SAP-begunstigd land, indien de gemiddelde waarde van de invoer in de Unie van dergelijke producten uit dat standaard-SAP-begunstigde land gedurende drie opeenvolgende jaren de in bijlage IV opgenomen drempelwaarden overschrijdt. Die drempelwaarden worden berekend als percentage van de totale waarde van de invoer in de Unie van hetzelfde product uit alle begunstigde landen.
2. Voordat de tariefpreferenties in het kader van het SAP worden toegepast, stelt de Commissie, overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een uitvoeringshandeling vast, waarin een lijst van SAP-afdelingen wordt vastgesteld waarvoor de in artikel 7 bedoelde tariefpreferenties voor een standaard-SAP-begunstigd land worden geschorst. Die uitvoeringshandeling is van toepassing vanaf 1 januari 2027.
3. De Commissie evalueert om de drie jaar de in lid 2 van dit artikel genoemde lijst en stelt, overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, uitvoeringshandelingen vast om de in artikel 7 bedoelde tariefpreferenties te schorsen of weer in te voeren. Die uitvoeringshandelingen zijn van toepassing vanaf 1 januari van het jaar volgend op dat van hun datum van inwerkingtreding.
4. De in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde lijst wordt vastgesteld overeenkomstig de gegevens die beschikbaar zijn op 1 september van het jaar waarin de evaluatie wordt uitgevoerd en van de twee aan het evaluatiejaar voorafgaande jaren. De lijst houdt rekening met invoer uit SAP-begunstigde landen zoals op dat moment van toepassing. Met de waarde van de invoer uit SAP-begunstigde landen die op de datum van toepassing van de schorsing niet langer de tariefpreferenties in het kader van artikel 4, lid 1, punt b), genieten, wordt echter geen rekening gehouden.
5. De Commissie stelt het betrokken land in kennis van de overeenkomstig de leden 2 en 3 vastgestelde uitvoeringshandelingen.
6. Indien bijlage I wordt gewijzigd in overeenstemming met de in artikel 4 vastgestelde criteria, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage IV om de in die bijlage genoemde voorwaarden aan te passen, teneinde proportioneel hetzelfde gewicht van de SAP-afdelingen waarvoor de tariefpreferenties krachtens lid 1 van dit artikel zijn geschorst te behouden.
HOOFDSTUK III
SAP+
Artikel 9
1. Een begunstigd land kan de tariefpreferenties in het kader van het SAP+ genieten indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a)
het wordt kwetsbaar geacht, zoals gedefinieerd in bijlage V, als gevolg van onvoldoende diversificatie;
b)
het heeft alle desbetreffende verdragen geratificeerd en de Commissie heeft op basis van de beschikbare informatie, met name de recentst beschikbare conclusies van de toezichthoudende instanties in het kader van die desbetreffende verdragen, geen ernstig verzuim tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een van de desbetreffende verdragen geconstateerd;
c)
het heeft met betrekking tot de desbetreffende verdragen geen voorbehoud geformuleerd dat door dat desbetreffende verdrag is verboden of dat voor de toepassing van dit artikel als onverenigbaar met het voorwerp en doel van de desbetreffende verdragen wordt beschouwd;
d)
het gaat een bindende verbintenis aan om de ratificatie van de desbetreffende verdragen niet ongedaan te maken en hun daadwerkelijke tenuitvoerlegging na te streven en te waarborgen, geschraagd door een actieplan;
e)
het aanvaardt zonder voorbehoud de door elk van de desbetreffende verdragen opgelegde rapportageverplichtingen na te komen en gaat de bindende verbintenis aan regelmatig toezicht op en evaluatie van zijn staat van dienst inzake de tenuitvoerlegging toe te staan overeenkomstig de desbetreffende verdragen;
f)
het gaat de bindende verbintenis aan deel te nemen aan en samen te werken in het kader van de in artikel 13 bedoelde rapportage- en monitoringsprocedure van de Unie.
2. Voor de toepassing van lid 1, punt c), wordt een voorbehoud als onverenigbaar met het voorwerp en het doel van een desbetreffend verdrag beschouwd indien:
a)
zulks is bepaald in een in het kader van het desbetreffende verdrag daartoe uitdrukkelijk ingestelde procedure; of
b)
bij gebrek aan een dergelijke procedure, de Unie, indien zij partij is bij het desbetreffende verdrag, of een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten die partij zijn bij het desbetreffende verdrag, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden als vastgesteld in de Verdragen, tegen het voorbehoud bezwaar hebben gemaakt omdat het onverenigbaar is met het voorwerp en het doel van het desbetreffende verdrag en zich daarbij verzetten tegen de inwerkingtreding van het desbetreffende verdrag tussen hen en het voorbehoud makende land in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969.
3. Het in lid 1, punt d), bedoelde actieplan wordt gebaseerd op de beschikbare informatie, met name de recentste conclusies van de toezichthoudende instanties van de desbetreffende verdragen. In dat actieplan worden ook passende en indicatieve tijdschema’s voorgesteld en worden, in voorkomend geval, de verantwoordelijke instellingen in het begunstigde land aangewezen. Het actieplan is toekomstgericht en naar prioriteit geordend. Het actieplan wordt gepubliceerd zodra het land een SAP+-begunstigd land wordt.
Artikel 10
1. Het SAP+ wordt toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)
een SAP-begunstigd land heeft daartoe een verzoek ingediend;
b)
de Commissie is op basis van een onderzoek van het verzoek van mening dat het betrokken land aan de voorwaarden van artikel 9 voldoet.
2. Het verzoekende land dient zijn verzoek schriftelijk bij de Commissie in. Het verzoek biedt alomvattende informatie over de ratificatie van de desbetreffende verdragen en omvat de in artikel 9, lid 1, punten d), e) en f), bedoelde bindende verbintenissen, met inbegrip van het actieplan.
3. Na ontvangst van een verzoek stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.
4. Na het verzoek te hebben onderzocht, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I teneinde een verzoekend land de status van SAP+-begunstigd land toe te kennen door dat land als zodanig aan te merken in kolom C van die bijlage.
5. Wanneer een SAP+-begunstigd land niet langer aan de in artikel 9, lid 1, punt a) of punt c), bedoelde voorwaarden voldoet of een van zijn in artikel 9, lid 1, punten d), e) en f), bedoelde bindende verbintenissen intrekt, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van bijlage I teneinde dit land niet langer als een SAP+-begunstigd land aan te merken.
6. Na de bekendmaking van een in de leden 4 en 5 bedoelde gedelegeerde handeling in het Publicatieblad van de Europese Unie stelt de Commissie het verzoekende land in kennis van het overeenkomstig die leden genomen besluit. Wanneer aan het verzoekende land de status van SAP+-begunstigd land wordt toegekend, stelt de Commissie dat land in kennis van de datum waarop die gedelegeerde handeling van toepassing wordt.
7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door regels te bepalen voor de procedure voor toekenning van de status van SAP+-begunstigd land, met name wat de termijnen en de indiening en verwerking van verzoeken betreft.
Artikel 11
1. De producten die onder het SAP+ vallen, zijn opgenomen in de bijlagen III en VII.
2. Onverminderd artikel 6, lid 2, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen III en VII, teneinde rekening te houden met wijzigingen in de gecombineerde nomenclatuur die van invloed zijn op de in die bijlagen opgenomen producten.
Artikel 12
1. De ad-valoremrechten van het gemeenschappelijk douanetarief op alle in de bijlagen III en VII opgenomen producten van oorsprong uit een SAP+-begunstigd land worden geschorst.
2. De specifieke rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor de in lid 1 bedoelde producten worden volledig geschorst, behalve voor producten waarvoor de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief ad-valoremrechten omvatten. Voor producten bedoeld bij code 1704 10 90 van de gecombineerde nomenclatuur wordt het specifieke recht beperkt tot 16 % van de douanewaarde.
Artikel 13
1. Vanaf de datum van toekenning van de tariefpreferenties in het kader van het SAP+ treedt de Commissie in regelmatige monitoringcycli van drie jaar met elk SAP+-begunstigd land in overleg en evalueert en monitort zij voortdurend de stand van de ratificatie van de desbetreffende verdragen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan en de samenwerking van het SAP+-begunstigd land met de betrokken toezichthoudende instanties, alsook de door elk SAP+-begunstigd land geboekte vooruitgang bij de uitvoering van zijn actieplan. Daarbij onderzoekt de Commissie alle relevante informatie, met name de conclusies en aanbevelingen van de betrokken toezichthoudende instanties.
2. Een SAP+-begunstigd land werkt met de Commissie samen en verstrekt de Commissie alle informatie die zij nodig heeft om te kunnen beoordelen of dat land de in artikel 9, lid 1, punten d), e) en f), bedoelde bindende verbintenissen nakomt, en wat zijn situatie met betrekking tot artikel 9, lid 1, punten b) en c), is.
3. De Commissie voert, in voorkomend geval samen met de EDEO, per monitoringcyclus ten minste één monitoringbezoek aan elk SAP+-begunstigd land uit om de vooruitgang te beoordelen die elk SAP+-begunstigd land heeft geboekt met betrekking tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragen, rekening houdend met de stappen die zijn ondernomen overeenkomstig het desbetreffende actieplan.
Artikel 14
1. Uiterlijk op 1 januari 2030 en vervolgens om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de stand van de ratificatie van de desbetreffende verdragen, de naleving door de SAP+-begunstigde landen van rapportageverplichtingen in het kader van die desbetreffende verdragen en de stand van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan.
2. Het in lid 1 bedoelde verslag omvat:
a)
de conclusies of aanbevelingen van de betrokken toezichthoudende instanties voor alle SAP+-begunstigde landen; en
b)
de conclusies van de Commissie, en in voorkomend geval van de EDEO, met betrekking tot de vraag of elk SAP+-begunstigd land zijn bindende verbintenissen om aan de rapportageverplichtingen te voldoen, om met de betrokken toezichthoudende instanties overeenkomstig de desbetreffende verdragen samen te werken en om te zorgen voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan naleeft, rekening houdend met de uitvoering van zijn actieplan.
Het verslag kan alle informatie bevatten die de Commissie passend acht, uit eender welke bron.
Indien er specifieke punten van zorg zijn, bevat het verslag aanbevelingen over kwesties en maatregelen die in de volgende monitoringcyclus prioriteit moeten krijgen om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragen als bedoeld in de overeenkomstige bindende verbintenissen te verbeteren.
3. Wanneer de Commissie, en in voorkomend geval de EDEO, conclusies trekken betreffende de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de desbetreffende verdragen, beoordelen zij de conclusies en aanbevelingen van de betrokken toezichthoudende instanties alsmede, onverminderd andere bronnen, eventuele informatie van het Europees Parlement of de Raad of van derden, waaronder regeringen en internationale organisaties, maatschappelijke organisaties en sociale partners.
Artikel 15
1. Het SAP+ wordt tijdelijk ingetrokken voor alle of bepaalde producten van oorsprong uit een SAP+-begunstigd land, indien dat SAP+-begunstigde land zijn bindende verbintenissen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, punten d), e) en f), niet nakomt, of indien het SAP+-begunstigde land een voorbehoud heeft geformuleerd dat door het desbetreffende verdrag wordt verboden of dat overeenkomstig artikel 9, lid 1, punt c), onverenigbaar is met het voorwerp en het doel van het desbetreffende verdrag.
2. De bewijslast voor de nakoming van zijn bindende verbintenissen als bedoeld in artikel 9, lid 1, punten d), e) en f), en voor zijn situatie als bedoeld in artikel 9, lid 1, punt c), rust op het SAP+-begunstigde land.
3. Indien de Commissie, hetzij op grond van de conclusies van het in artikel 14 bedoelde verslag, hetzij op grond van de beschikbare bewijzen, waaronder bij een klacht ingediende bewijzen, en rekening houdend met het in artikel 20 bedoelde intensieve overleg, gerechtvaardigde twijfel heeft dat een bepaald SAP+-begunstigd land zijn door het in artikel 9, lid 1, punt d), bedoelde actieplan geschraagde bindende verbintenissen of zijn in artikel 9, lid 1, punt e) of punt f), bedoelde bindende verbintenissen niet nakomt, of een voorbehoud heeft gemaakt dat door een van de desbetreffende verdragen wordt verboden of dat onverenigbaar is met het voorwerp en het doel van dat verdrag zoals aangegeven in artikel 9, lid 1, punt c), stelt zij, overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een uitvoeringshandeling vast tot inleiding van de procedure voor tijdelijke intrekking van de in het kader van het SAP+ verleende tariefpreferenties. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.
4. De Commissie maakt een bericht bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en stelt het betrokken SAP+-begunstigde land in kennis van de vaststelling van de uitvoeringshandeling bedoeld in lid 3. Het bericht:
a)
vermeldt de redenen voor de in lid 3 bedoelde gerechtvaardigde twijfel waardoor afbreuk kan worden gedaan aan het recht van het SAP+-begunstigde land om verder de in het kader van het SAP+ toegekende handelspreferenties te genieten;
b)
specificeert de termijn waarbinnen het SAP+-begunstigde land zijn opmerkingen moet mededelen.
De in de eerste alinea, punt b), bedoelde termijn mag niet meer dan drie maanden vanaf de datum van bekendmaking van het bericht bedragen.
5. De Commissie geeft het SAP+-begunstigde land alle gelegenheid om tijdens de in lid 4, punt b), bedoelde termijn medewerking te verlenen.
6. De Commissie verzamelt alle informatie die zij noodzakelijk en passend acht, waaronder de conclusies en aanbevelingen van de betrokken toezichthoudende instanties en, in voorkomend geval, relevante informatie uit andere bronnen, met inbegrip van bewijsmateriaal dat via een klacht is ingediend of door derden, waaronder het maatschappelijk middenveld, is verstrekt. Bij het opstellen van haar conclusies beoordeelt de Commissie alle relevante informatie.
7. Binnen drie maanden na afloop van de in lid 4, eerste alinea, punt b), bedoelde termijn besluit de Commissie:
a)
de procedure voor tijdelijke intrekking te beëindigen; of
b)
de in het kader van het SAP+ toegekende tariefpreferenties tijdelijk in te trekken.
8. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de bevindingen van het onderzoek geen tijdelijke intrekking rechtvaardigen, stelt zij overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure een uitvoeringshandeling vast tot beëindiging van de procedure voor tijdelijke intrekking. Die uitvoeringshandeling wordt onder meer gebaseerd op het ontvangen bewijsmateriaal.
9. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de bevindingen van het onderzoek tijdelijke intrekking rechtvaardigen om de in lid 1 van dit artikel bedoelde redenen, is zij bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I en II om de tariefpreferenties in het kader van het SAP+ tijdelijk in te trekken.
Bij het opstellen van die gedelegeerde handelingen verricht de Commissie op basis van de beschikbare informatie een analyse van de sociaaleconomische gevolgen van de tijdelijke intrekking van tariefpreferenties in het begunstigde land.
10. Wanneer de Commissie tot tijdelijke intrekking besluit, worden die gedelegeerde handelingen van toepassing zes maanden na de dag waarop zij zijn vastgesteld.
11. Na de vaststelling van gedelegeerde handelingen tot tijdelijke intrekking van het SAP+ zet de Commissie in voorkomend geval de dialoog voort die in het kader van het intensieve overleg uit hoofde van artikel 20 is opgestart.
12. Indien de redenen die de tijdelijke intrekking rechtvaardigen niet langer gelden voordat de in lid 9 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen van toepassing worden, is de Commissie bevoegd die gedelegeerde handelingen tot tijdelijke intrekking van handelspreferenties in te trekken overeenkomstig de in artikel 46 bedoelde spoedprocedure.
13. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door regels te bepalen voor de procedure voor tijdelijke intrekking van het SAP+, met name voor termijnen, rechten van de partijen, geheimhouding en voorwaarden voor de evaluatie.
Artikel 16
Wanneer de Commissie van oordeel is dat de redenen die een tijdelijke intrekking van tariefpreferenties als bedoeld in artikel 15, lid 1, rechtvaardigen, niet langer gelden, is zij bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen tot wijziging van de bijlagen I en II vast te stellen om de handelspreferenties die in het kader van het SAP+ zijn toegekend, opnieuw in te voeren.
Wanneer sommige van de in artikel 15, lid 1, bedoelde redenen waarom tot tijdelijke intrekking van handelspreferenties is besloten, blijven gelden en andere niet, of wanneer nog andere redenen dan die welke een tijdelijke intrekking rechtvaardigden, aan het licht komen, worden de overeenkomstig artikel 15, lid 9, vastgestelde maatregelen dienovereenkomstig aangepast.
HOOFDSTUK IV
EBA
Artikel 17
1. Een in aanmerking komend land geniet de tariefpreferenties in het kader van EBA indien dat land een minst ontwikkeld land is.
2. De Commissie evalueert de lijst van de in bijlage I opgenomen en in kolom C daarvan als EBA-begunstigde landen aangemerkte landen voortdurend op basis van de recentste beschikbare informatie.
Wanneer een EBA-begunstigd land niet langer aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarde voldoet, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde bijlage I te wijzigen om dit land uit de EBA-regeling te verwijderen na een overgangsperiode van drie jaar vanaf de datum waarop het EBA-begunstigde land niet langer aan die voorwaarde voldoet.
3. In afwachting van een besluit van de VN om een recentelijk onafhankelijk geworden land als minst ontwikkeld land aan te merken, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen om als tussentijdse maatregel bijlage I te wijzigen teneinde een dergelijk land in de lijst van EBA-begunstigde landen op te nemen.
Indien een dergelijk recentelijk onafhankelijk geworden land door de VN tijdens de eerst beschikbare evaluatie van de categorie van minst ontwikkelde landen niet als minst ontwikkeld land wordt aangemerkt, is de Commissie bevoegd om onverwijld overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen tot wijziging van bijlage I vast te stellen om dat land uit die bijlage te schrappen zonder toekenning van de in lid 2 van dit artikel vermelde overgangsperiode.
4. De Commissie stelt een EBA-begunstigd land in kennis van wijzigingen in zijn status in het kader van het SAP.
Artikel 18
De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor alle producten die zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 97 van de gecombineerde nomenclatuur, behalve die in hoofdstuk 93, van oorsprong uit een EBA-begunstigd land, worden volledig geschorst.
HOOFDSTUK V
Algemene bepalingen betreffende overleg
Artikel 19
De Commissie, en indien passend de EDEO, plegen in het kader van bestaande bilaterale dialogen overleg met standaard-SAP-begunstigde landen en EBA-begunstigde landen om de vooruitgang bij de ratificatie van de desbetreffende verdragen te evalueren en aan te moedigen.
Artikel 20
1. De Commissie kan, naar aanleiding van een klacht of op eigen initiatief, intensief overleg plegen met een standaard-SAP-begunstigd land of een EBA-begunstigd land in situaties waarin dit nuttig zou zijn om tekortkomingen bij de uitvoering van de in deze verordening vastgestelde voorwaarden te verhelpen, en met name als er sprake is van tekortkomingen bij de naleving van de beginselen van de desbetreffende verdragen. Wanneer de Commissie van oordeel is dat het standaard-SAP-begunstigde land of het EBA-begunstigde land de nodige maatregelen heeft genomen om de tekortkomingen te verhelpen, kan zij het intensief overleg beëindigen.
2. Wat SAP+-begunstigde landen betreft, voert de Commissie in het kader van intensief overleg de nodige evaluatie-, monitoring- en beoordelingsacties uit volgens de procedure van artikel 13.
Artikel 21
Voor de toepassing van de relevante procedurele stappen uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de desbetreffende verdragen houdt de Commissie rekening met de relevante activiteiten en procedures van de relevante internationale entiteiten op het gebied van mensenrechten, rechten van werkenden, klimaat- en milieubescherming en goed bestuur.
Artikel 22
1. De bestaande bilaterale dialogen en het intensief overleg met begunstigde landen als bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen betrekking hebben op medewerking bij de overname van eigen onderdanen van dat land wanneer die onderdanen irreguliere migranten naar de Unie zijn.
2. Wanneer de Commissie op grond van artikel 25 bis, lid 5, punt a), van de Visumcode een voorstel heeft ingediend, pleegt zij specifiek intensief overleg met het betrokken begunstigde land om de mate van medewerking van het begunstigde land te verbeteren met betrekking tot de internationale verplichting om eigen onderdanen van dat begunstigde land over te nemen.
3. In geval van ernstige en systematische tekortkomingen in verband met de internationale verplichting om eigen onderdanen van een begunstigd land over te nemen, kunnen de in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen voor alle of bepaalde producten van oorsprong uit dat begunstigde land tijdelijk worden ingetrokken indien de Commissie van oordeel is dat er nog steeds sprake is van onvoldoende medewerking op het gebied van overname na:
a)
voor standaard-SAP-begunstigde landen en SAP+-begunstigde landen: intensief overleg als bedoeld in lid 2 van dit artikel van ten minste twaalf maanden vanaf de datum waarop de Commissie bij de Raad het voorstel indient om overeenkomstig artikel 25 bis, lid 5, punt a), van de Visumcode een uitvoeringsbesluit vast te stellen;
b)
voor EBA-begunstigde landen: intensief overleg als bedoeld in lid 2 van dit artikel van ten minste twaalf maanden vanaf de datum waarop de Raad overeenkomstig artikel 25 bis, lid 5, punt a), van de Visumcode een uitvoeringsbesluit heeft vastgesteld.
4. De Commissie mag de procedure tot tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen van een begunstigd land op grond van lid 3 pas inleiden nadat zij op voorlopige basis heeft beoordeeld of een mogelijke tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen evenredig zou zijn, rekening houdend met de bijdrage van een tijdelijke intrekking aan de verbetering van de samenwerking met het betrokken derde land, onder meer in het licht van de sociaal-economische situatie van dat land. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van haar beoordeling en stelt een openbaar verslag op waarin zij haar conclusies uiteenzet.
5. Onverminderd de leden 2, 3 en 4 van dit artikel zijn artikel 23, leden 3 tot en met 17, en artikel 24 van toepassing op de tijdelijke intrekking van de preferentiële regelingen op grond van lid 3 van dit artikel.
6. Wanneer de Commissie op grond van artikel 23, lid 10, een gedelegeerde handeling vaststelt om de preferentiële regelingen van een begunstigd land tijdelijk in te trekken in geval van ernstige en systematische tekortkomingen met betrekking tot de internationale verplichting om eigen onderdanen van een begunstigd land over te nemen, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de relevante informatie in de verslagen die zijn opgesteld, en de beoordelingen die zijn verricht, in het kader van de toepassing van artikel 25 bis van de Visumcode met betrekking tot dat begunstigde land, met inbegrip van de nodige gegevens over de trends wat betreft overname door dat begunstigde land.
7. Het in artikel 49, tweede alinea, bedoelde verslag over de toepassing van deze verordening bevat een beoordeling van de noodzaak en het functioneren van het verband tussen het SAP en de samenwerking op het gebied van overname van eigen onderdanen door begunstigde landen.
8. De leden 3 en 4 zijn vanaf 1 januari 2029 van toepassing op EBA-begunstigde landen.
HOOFDSTUK VI
Aan alle preferentiële regelingen gemeenschappelijke tijdelijke-intrekkingsbepalingen
Artikel 23
1. De preferentiële regelingen bedoeld in artikel 1, lid 2, kunnen tijdelijk worden ingetrokken ten aanzien van alle, dan wel bepaalde producten van oorsprong uit een begunstigd land, om een van de volgende redenen:
a)
ernstige en systematische schending van de beginselen die zijn vastgelegd in de desbetreffende verdragen;
b)
uitvoer van goederen vervaardigd door internationaal verboden kinderarbeid en dwangarbeid, met inbegrip van slavernij en gevangenisarbeid;
c)
ernstig tekortschietende douanecontroles op de uit- of doorvoer van verdovende middelen (illegale stoffen of precursoren) of ernstige niet-naleving van internationale verdragen inzake antiterrorisme of de bestrijding van witwassen van geld;
d)
ernstige en systematisch voorkomende oneerlijke handelspraktijken, waaronder die welke de levering van grondstoffen belemmeren, die schade berokkenen aan het bedrijfsleven van de Unie en waartegen het begunstigde land niet is opgetreden;
e)
ernstige en systematische inbreuken op de doelstellingen van regionale organisaties voor visserijbeheer of internationale akkoorden waarbij de Unie partij is en die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van visbestanden.
Ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken als bedoeld in punt d) van de eerste alinea die verboden zijn door of waartegen maatregelen kunnen worden genomen krachtens de WTO-verdragen, wordt dit artikel pas toegepast nadat de bevoegde WTO-instantie een vaststelling in die zin heeft uitgesproken.
2. Lid 1, eerste alinea, punt d), van dit artikel is niet van toepassing op producten uit een begunstigd land waarop krachtens Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (14) of Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (15) antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen van toepassing zijn.
3. Wanneer de Commissie naar aanleiding van een klacht of op eigen initiatief van oordeel is dat er voldoende gronden zijn om de in het kader van een preferentiële regeling als bedoeld in artikel 1, lid 2, toegekende tariefpreferenties tijdelijk in te trekken op grond van de in lid 1 van dit artikel bedoelde redenen, in voorkomend geval rekening houdend met het in artikel 20 bedoelde intensieve overleg, stelt zij, overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een uitvoeringshandeling vast tot inleiding van de procedure voor tijdelijke intrekking. Wanneer de Commissie van oordeel is dat er voldoende redenen zijn die tijdelijke intrekking van de tariefpreferenties rechtvaardigen op grond van artikel 22, lid 3, punt a), stelt zij, overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een uitvoeringshandeling vast tot inleiding van de procedure voor tijdelijke intrekking. Wanneer de Commissie van oordeel is dat er voldoende redenen zijn die tijdelijke intrekking van de tariefpreferenties rechtvaardigen op grond van artikel 22, lid 3, punt b), stelt zij een uitvoeringshandeling vast tot inleiding van de procedure voor tijdelijke intrekking, overeenkomstig de in artikel 48, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad van die uitvoeringshandeling in kennis.
4. De Commissie maakt een bericht tot inleiding van een procedure voor tijdelijke intrekking bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie en stelt het betrokken begunstigde land in kennis van de vaststelling van de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandeling. Het bericht:
a)
vermeldt voldoende redenen voor de uitvoeringshandeling tot inleiding van een procedure voor tijdelijke intrekking als bedoeld in lid 3; en
b)
vermeldt dat de Commissie gedurende de in lid 5 van dit artikel bedoelde monitoring- en evaluatieperiode op de situatie in het betrokken begunstigde land zal toezien en deze zal evalueren en dat zij in voorkomend geval de dialoog die in het kader van het intensieve overleg uit hoofde van artikel 20 is opgestart, zal voortzetten.
5. De Commissie houdt toezicht en evalueert gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum van bekendmaking van het bericht als bedoeld in lid 4. De Commissie geeft het begunstigde land alle gelegenheid om op om het even welk moment tijdens die periode in gesprek te gaan en mee te werken.
6. De Commissie verzamelt alle informatie die zij noodzakelijk en passend acht, waaronder de beschikbare beoordelingen, commentaren, besluiten, aanbevelingen en conclusies van de betrokken toezichthoudende instanties, en relevante informatie uit andere bronnen, met inbegrip van bewijsmateriaal dat via een klacht is ingediend of door derden is verstrekt. Bij het opstellen van haar conclusies beoordeelt de Commissie alle relevante informatie, waaronder informatie van het maatschappelijk middenveld.
7. Binnen drie maanden na afloop van de in lid 5 genoemde periode dient de Commissie bij het betrokken begunstigde land een verslag met haar bevindingen en conclusies in. Het begunstigde land heeft het recht opmerkingen over het verslag toe te zenden. De periode voor indiening van opmerkingen bedraagt maximaal één maand.
8. Binnen zes maanden na afloop van de in lid 5 bedoelde periode besluit de Commissie:
a)
de procedure voor tijdelijke intrekking te beëindigen; of
b)
de tariefpreferenties die zijn toegekend in het kader van de in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen tijdelijk in te trekken.
9. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de bevindingen geen tijdelijke intrekking rechtvaardigen, stelt zij, overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een uitvoeringshandeling vast betreffende de beëindiging van de procedure voor tijdelijke intrekking.
10. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de bevindingen van het onderzoek tijdelijke intrekking rechtvaardigen om de in lid 1 van dit artikel bedoelde redenen, is zij bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen tot wijziging van bijlagen I en II vast te stellen om de tariefpreferenties die zijn toegekend in het kader van de preferentiële regelingen als bedoeld in artikel 1, lid 2, tijdelijk in te trekken. Bij het voorbereiden van de gedelegeerde handeling verricht de Commissie op basis van de beschikbare informatie een analyse van de sociaaleconomische gevolgen van de tijdelijke intrekking van tariefpreferenties in het begunstigde land.
11. De vastgestelde uitvoeringshandeling of gedelegeerde handeling bedoeld in lid 9, respectievelijk lid 10, is onder meer gebaseerd op verzamelde en ontvangen bewijzen.
12. Wanneer de Commissie besluit tariefpreferenties tijdelijk in te trekken, wordt de in lid 10 bedoelde gedelegeerde handeling van toepassing zes maanden vanaf de datum van de vaststelling ervan.
13. Na de vaststelling van de in lid 10 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling zet de Commissie in voorkomend geval de dialoog voort die in het kader van het intensieve overleg uit hoofde van artikel 20 is opgestart. Indien er geen dergelijk overleg is, kan de Commissie andere vormen van dialoog voortzetten.
14. Indien de redenen die de tijdelijke intrekking rechtvaardigen, niet langer gelden voordat de in lid 10 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling van toepassing wordt, is de Commissie bevoegd de vastgestelde gedelegeerde handeling tot tijdelijke intrekking van tariefpreferenties in te trekken overeenkomstig de in artikel 46 bedoelde spoedprocedure.
15. Wanneer de Commissie van oordeel is dat het in uitzonderlijke omstandigheden, zoals een mondiale gezondheids- of sanitaire noodsituatie, natuurrampen of andere onvoorziene gebeurtenissen, passend is het toepassingsgebied van de tijdelijke intrekking te herzien of de toepassing van de tijdelijke intrekking uit te stellen of op te schorten, is de Commissie bevoegd de in lid 10 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling te wijzigen overeenkomstig de in artikel 46 bedoelde spoedprocedure.
16. De Commissie is overeenkomstig artikel 45 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door regels vast te stellen in verband met de procedure voor de tijdelijke intrekking van alle in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen, met name wat termijnen, rechten van de partijen, geheimhouding en evaluatie van de vastgestelde regels betreft.
17. De Commissie leidt de procedure voor tijdelijke intrekking in overeenkomstig de leden 3 tot en met 16 wanneer zij van oordeel is dat:
a)
er voldoende bewijs is dat tijdelijke intrekking om de in lid 1, punt a), genoemde reden gerechtvaardigd is; en
b)
er naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie zijn, zoals uitzonderlijk ernstige schendingen van de in lid 1, punt a), bedoelde beginselen die in het licht van de specifieke omstandigheden in het begunstigde land een snelle respons vereisen en die moeilijk aan te pakken zouden zijn met behulp van de in lid 3 bedoelde procedure.
In de procedure van dit lid wordt de in lid 5 bedoelde termijn verkort tot twee maanden en de in lid 8 bedoelde termijn tot vijf maanden.
18. Indien de Commissie besluit tariefpreferenties tijdelijk in te trekken krachtens lid 17 van dit artikel, wordt de in lid 10 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vastgesteld overeenkomstig artikel 46 en is zij van toepassing één maand na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 24
Wanneer de Commissie van oordeel is dat de redenen die een tijdelijke intrekking van de in artikel 23, lid 1, bedoelde tariefpreferenties rechtvaardigen, niet langer gelden, is zij bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen tot wijziging van de bijlagen I en II vast te stellen om de handelspreferenties die in het kader van het SAP+ zijn toegekend, opnieuw in te voeren.
Wanneer sommige van de in artikel 23, lid 1, bedoelde redenen waarom tot tijdelijke intrekking van tariefpreferenties is besloten, blijven gelden en andere niet, of wanneer aanvullende redenen naast die welke een tijdelijke intrekking van tariefpreferenties rechtvaardigden, gaan gelden, worden de overeenkomstig artikel 23, lid 10, vastgestelde maatregelen dienovereenkomstig aangepast.
Artikel 25
1. De in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen kunnen tijdelijk worden ingetrokken voor alle, dan wel bepaalde producten van oorsprong uit een begunstigd land in geval van fraude, onregelmatigheden, systematisch niet-naleven of niet-handhaven van de regels inzake de oorsprong van producten en de desbetreffende procedures, dan wel het niet-verlenen van de vereiste administratieve samenwerking voor de toepassing en het toezicht op de naleving van die preferentiële regelingen.
2. Voor de in lid 1 bedoelde administratieve samenwerking is het onder meer noodzakelijk dat een begunstigd land:
a)
de Commissie de voor de toepassing van de oorsprongsregels en voor het toezicht op de naleving daarvan noodzakelijke informatie meedeelt en haar van nieuwe ontwikkelingen op de hoogte houdt;
b)
de Unie bijstand verleent door op verzoek van de douaneautoriteiten van de lidstaten een controle achteraf van de oorsprong uit te voeren en de resultaten daarvan tijdig mee te delen aan de Commissie;
c)
de Unie bijstand verleent door de Commissie toe te staan in overleg en nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in het betrokken land de administratieve en investigatieve samenwerkingsmissies van de Unie uit te voeren ter controle van de echtheid van de documenten of de juistheid van de gegevens op basis waarvan de in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen worden toegekend;
d)
passend onderzoek verricht of doet verrichten ter opsporing en voorkoming van inbreuken op de oorsprongsregels;
e)
de in titel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, onderafdeling 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 bedoelde oorsprongsregels in verband met de regionale cumulatie naleeft of doet naleven, indien het begunstigde land voor regionale cumulatie in aanmerking komt; en
f)
de Unie bijstand verleent bij het onderzoek naar de gevolgde praktijken wanneer wordt vermoed dat met de oorsprongsregels is gefraudeerd, waarbij een vermoeden van fraude gerechtvaardigd is wanneer de invoer van producten in het kader van de in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen, de gebruikelijke uitvoerhoeveelheden van het begunstigde land ver overtreft.
3. Wanneer de Commissie van oordeel is dat er voldoende bewijs is dat de tijdelijke intrekking van preferentiële regelingen om de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde redenen gerechtvaardigd is, stelt zij in overeenstemming met de in artikel 48, lid 4, genoemde spoedprocedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast om de tariefpreferenties die zijn toegekend in het kader van de in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen tijdelijk in te trekken voor alle of voor bepaalde producten van oorsprong uit een begunstigd land.
4. Alvorens dergelijke handelingen vast te stellen, maakt de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht bekend waarin wordt aangekondigd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de naleving van de leden 1 en 2 door het begunstigde land, hetgeen afbreuk kan doen aan het recht van dat land om verder gebruik te maken van de bij deze verordening toegekende voordelen.
5. De Commissie stelt het betrokken begunstigde land in kennis van elke overeenkomstig lid 3 vastgestelde uitvoeringshandeling voordat die van toepassing wordt.
6. De aanvankelijke periode van tijdelijke intrekking van tariefpreferenties duurt niet langer dan zes maanden. Ten laatste bij het verstrijken van deze periode stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 48, lid 4, bedoelde procedure een onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandeling vast om de tijdelijke intrekking van tariefpreferenties te beëindigen dan wel de periode van tijdelijke intrekking van tariefpreferenties te verlengen tot na de aanvankelijke periode.
7. De lidstaten delen de Commissie alle ter zake dienende informatie, met inbegrip van eventuele onregelmatigheden met betrekking tot de oorsprongsregels, mee die de tijdelijke intrekking van de tariefpreferenties of de verlenging of beëindiging van de tijdelijke intrekking kan rechtvaardigen.
HOOFDSTUK VII
Bepalingen inzake vrijwaring en toezicht
Afdeling I
Algemene vrijwaringsmaatregelen
Artikel 26
1. Wanneer een product van oorsprong uit een begunstigd land van een van de preferentiële regelingen bedoeld in artikel 1, lid 2, wordt ingevoerd in hoeveelheden of tegen prijzen die ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor producenten in de Unie van soortgelijke producten of rechtstreeks concurrerende producten, kunnen de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op dat product geheel of ten dele opnieuw worden ingesteld.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder “soortgelijk product” verstaan een product dat identiek is, dat wil zeggen in elk opzicht gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in elk opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder “belanghebbende partijen” mede verstaan de partijen die betrokken zijn bij de productie, distributie of verkoop van de in lid 1 bedoelde ingevoerde producten en van soortgelijke producten of rechtstreeks concurrerende producten.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 45 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door regels vast te stellen in verband met de procedure voor de vaststelling van algemene vrijwaringsmaatregelen, met name wat termijnen, rechten van de partijen, geheimhouding, bekendmaking, controle, bezoeken en de evaluatie van de maatregelen betreft.
Artikel 27
Ernstige moeilijkheden in de zin van artikel 26, lid 1, worden geacht zich voor te doen wanneer producenten in de Unie kampen met een verslechtering van hun economische of financiële situatie. Wanneer de Commissie onderzoekt of er van een dergelijke verslechtering sprake is, kan zij zo nodig ook de marktdynamiek in de sector als geheel beoordelen, met inbegrip van de gevolgen voor andere producenten in de sector, zoals producenten van upstream- of downstreamproducten. Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met relevante indicatoren voor de economische of financiële situatie. Dergelijke indicatoren kunnen het volgende omvatten:
a)
marktaandeel;
b)
productie;
c)
voorraden;
d)
productiecapaciteit;
e)
invoer.
Artikel 28
1. Indien de Commissie meent dat er voldoende voorlopig bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 26, lid 1, is voldaan, onderzoekt zij of de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief geheel of gedeeltelijk opnieuw moeten worden ingesteld.
2. De Commissie opent een onderzoek als bedoeld in lid 1 van dit artikel op verzoek van een lidstaat, een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die namens de producenten in de Unie optreedt, dan wel op eigen initiatief van de Commissie, als het voor de Commissie duidelijk is dat er voldoende voorlopig bewijsmateriaal is, zoals vastgesteld op grond van de in artikel 27 bedoelde beoordeling, om een dergelijk onderzoek te rechtvaardigen. Het verzoek tot opening van een onderzoek bevat voldoende voorlopig bewijsmateriaal waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de in artikel 26, lid 1, vastgestelde vrijwaringsmaatregelen is voldaan. Het verzoek wordt bij de Commissie ingediend. De Commissie onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid en de toereikendheid van het in het verzoek vermelde bewijsmateriaal, teneinde vast te stellen of het voorlopig bewijsmateriaal voldoende is om tot de opening van een onderzoek over te gaan.
3. Wanneer er voldoende voorlopig bewijsmateriaal is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen, maakt de Commissie daartoe een bericht bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dat bericht bevat alle nodige details over de procedure en termijnen, waaronder de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal van de Commissie dat verantwoordelijk is voor internationale handel. Het onderzoek wordt binnen een maand na ontvangst van het krachtens lid 2 ontvangen verzoek ingeleid. Wanneer er onvoldoende bewijsmateriaal is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen, stelt de Commissie de lidstaten binnen een maand na de datum van ontvangst van dat verzoek in kennis van haar besluit om geen onderzoek te openen.
4. Een onderzoek, met inbegrip van de in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde procedurehandelingen, wordt binnen twaalf maanden na de opening ervan beëindigd.
5. Bij algemene vrijwaringsonderzoeken betreffende producten die zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het gemeenschappelijk douanetarief zoals vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2658/87 en van oorsprong zijn uit begunstigde landen, wordt de in lid 4 van dit artikel bedoelde periode verkort tot twee maanden wanneer:
a)
het betrokken begunstigde land de naleving van de oorsprongsregels niet waarborgt of de in artikel 25 bedoelde administratieve samenwerking niet verleent;
b)
de invoer van producten die zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het gemeenschappelijk douanetarief zoals vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2658/87, in het kader van de krachtens deze verordening toegekende preferentiële regelingen bedoeld in artikel 1, lid 2, de gebruikelijke uitvoerhoeveelheden van het begunstigde land ver overtreft.
Artikel 29
Om naar behoren gerechtvaardigde dwingende redenen in verband met de verslechtering van de economische of financiële situatie van producenten in de Unie, en als vertraging moeilijk te verhelpen schade zou kunnen veroorzaken, stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast overeenkomstig de in artikel 48, lid 4, bedoelde procedure, teneinde de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief gedurende een periode van maximaal twaalf maanden opnieuw in te voeren.
Artikel 30
Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 26, lid 1, stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 48, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast teneinde de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief opnieuw in te voeren. Die uitvoeringshandelingen treden in werking binnen een maand na de datum van bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 31
Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 26, lid 1, stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 48, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast tot beëindiging van het onderzoek. Die uitvoeringshandelingen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Indien binnen de in artikel 28, lid 4, bedoelde termijn geen uitvoeringshandeling is bekendgemaakt, wordt het onderzoek geacht te zijn beëindigd en komen alle overeenkomstig artikel 29 vastgestelde uitvoeringshandelingen automatisch te vervallen. Rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die uit hoofde van die uitvoeringshandelingen zijn geïnd, worden terugbetaald.
Artikel 32
Rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden geheel of ten dele opnieuw ingesteld voor zolang als nodig is om de verslechtering van de economische of financiële situatie van producenten in de Unie tegen te gaan, dan wel voor zolang de dreiging van een dergelijke verslechtering aanhoudt. De periode van de wederinvoering bedraagt maximaal drie jaar, tenzij deze in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden wordt verlengd.
Afdeling II
Bijzondere vrijwaringsmaatregelen voor bepaalde producten
Artikel 33
1. Onverminderd afdeling I van dit hoofdstuk stelt de Commissie uiterlijk op 1 januari van elk jaar, op eigen initiatief en in overeenstemming met de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een uitvoeringshandeling vast om de in de artikelen 7 en 12 bedoelde tariefpreferenties in te trekken die betrekking hebben op producten die zijn opgenomen in SAP-afdeling S-11a van bijlage III, producten die zijn opgenomen in SAP-afdeling S-11b van bijlage III of producten die vallen onder de codes 2207 10 00 en 2207 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur, wanneer dergelijke producten worden ingevoerd uit een begunstigd land en de totale waarde ervan:
a)
voor producten die vallen onder de codes 2207 10 00 en 2207 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur, gedurende een kalenderjaar het in bijlage IV, punt 1, bedoelde aandeel in de waarde van de invoer in de Unie van dezelfde producten uit alle begunstigde landen overtreft;
b)
voor producten die zijn opgenomen in SAP-afdeling S-11a van bijlage III en producten die zijn opgenomen in SAP-afdeling S-11b van bijlage III, gedurende een kalenderjaar het in bijlage IV, punt 3, bedoelde aandeel in de waarde van de invoer in de Unie van producten die zijn opgenomen in SAP-afdeling S-11a van bijlage III of producten die zijn opgenomen in SAP-afdeling S-11b van bijlage III uit alle begunstigde landen overtreft.
2. Lid 1 is niet van toepassing op EBA-begunstigde landen en evenmin op landen met een in lid 1 bedoeld aandeel voor de betrokken producten van maximaal 6 % van de waarde van de totale invoer in de Unie van dezelfde producten.
3. De intrekking van de tariefpreferenties wordt van toepassing twee maanden vanaf de datum van bekendmaking van de daartoe strekkende uitvoeringshandeling van de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 34
1. Wanneer de invoer van producten die vallen onder de codes 1006 10 , 1006 20 en 1006 30 van de gecombineerde nomenclatuur en van oorsprong zijn uit een begunstigd land, op enig moment in een kalenderjaar cumulatief de jaarlijkse invoervolumes die overeenkomstig de in lid 4 beschreven methode voor elk begunstigd land zijn vastgesteld, met ten minste 45 % overtreft:
a)
schorst de Commissie met onmiddellijke ingang de tariefpreferenties voor de invoer van die producten van oorsprong uit het betrokken begunstigde land voor de rest van het kalenderjaar; en
b)
stelt de Commissie voor de duur van het volgende kalenderjaar een tariefcontingent in voor de invoer van die producten van oorsprong uit het betrokken begunstigde land.
Het in de eerste alinea, punt b), bedoelde tariefcontingent is gelijk aan het jaarlijkse invoervolume uit het betrokken begunstigde land dat is vastgesteld voor het jaar waarin de in de eerste alinea, punt a), bedoelde opschorting van kracht is geworden, overeenkomstig de in lid 4 beschreven methode. Alleen invoer binnen het in de eerste alinea, punt b), bedoelde tariefcontingent blijft in aanmerking komen voor de tariefpreferenties.
2. Lid 1 is niet van toepassing op begunstigde landen waarvan het aandeel voor producten die onder de codes 1006 10 , 1006 20 en 1006 30 van de gecombineerde nomenclatuur vallen, cumulatief beschouwd niet meer dan 6 % van de totale invoer in de Unie bedraagt.
3. De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure uitvoeringshandelingen vast waarin de regelingen voor het toezicht op de invoervolumes, voor de opschorting van de tariefpreferenties en voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld. De eerste van die uitvoeringshandelingen is van toepassing met ingang van 1 januari 2027.
4. Voor het kalenderjaar 2027 worden de invoervolumes voor elk in lid 1 bedoeld begunstigd land bepaald door het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse invoervolumes in de Unie van oorsprong uit elk begunstigd land tussen 1 januari 2015 en 31 december 2024. Uiterlijk op 31 december 2027 en vervolgens uiterlijk op 31 december van elk jaar stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure uitvoeringshandelingen vast waarin de in lid 1 van dit artikel bedoelde invoervolumes voor het volgende kalenderjaar worden gespecificeerd, op basis van het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse invoervolumes van de Unie van oorsprong uit elk begunstigd land gedurende de tien voorgaande kalenderjaren, op basis van de meest recente beschikbare gegevens.
5. Het in artikel 49, tweede alinea, bedoelde verslag over de toepassing van deze verordening bevat een beoordeling van de noodzaak en het functioneren van het in dit artikel beschreven mechanisme.
Artikel 35
Onverminderd de afdelingen I en III van dit hoofdstuk, stelt de Commissie, wanneer de invoer van producten die zijn opgenomen in bijlage I bij het VWEU de markten van de Unie – met name in een of meer van de ultraperifere gebieden – of de reguleringsmechanismen van die markten ernstig verstoort of dreigt te verstoren, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, en nadat zij het comité van beheer van de desbetreffende gemeenschappelijke marktordening voor landbouw of visserij heeft geraadpleegd, overeenkomstig de in artikel 48, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure een uitvoeringshandeling vast om de in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen ten aanzien van de betrokken producten te schorsen.
Artikel 36
De Commissie stelt het betrokken begunstigde land zo spoedig mogelijk in kennis van elk overeenkomstig artikel 33, artikel 34 of artikel 35 genomen besluit voordat dit van toepassing wordt.
Afdeling III
Toezichtsmaatregelen in de sectoren landbouw en visserij
Artikel 37
1. Onverminderd afdeling I van dit hoofdstuk kan voor producten die zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het gemeenschappelijk douanetarief zoals vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2658/87, van oorsprong uit begunstigde landen, een speciaal toezichtmechanisme worden toegepast om verstoring van de markten van de Unie te vermijden. Met betrekking tot specifieke producten wordt op verzoek van een lidstaat speciaal toezicht ingesteld of kan door de Commissie speciaal toezicht worden ingesteld.
2. Wanneer uit de resultaten van het speciale toezicht op producten overeenkomstig dit artikel blijkt dat de markten van de Unie worden verstoord, stelt de Commissie, na raadpleging van het Comité van beheer van de desbetreffende gemeenschappelijke marktordening voor landbouw of visserij, overeenkomstig de in artikel 48, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure een uitvoeringshandeling vast om rechten van het gemeenschappelijk douanetarief toe te passen op de producten waarop het toezicht betrekking heeft. De intrekking van de tariefpreferenties wordt van toepassing vanaf de dag volgend op die van de bekendmaking van de desbetreffende uitvoeringshandeling in het Publicatieblad van de Europese Unie.
3. Wanneer de Commissie uit hoofde van lid 1 beoordeelt of de markten van de Unie worden verstoord, houdt zij rekening met alle relevante marktontwikkelingen, waaronder het effect van de totale invoer in kwestie op de situatie op de markt van de Unie. Die beoordeling omvat factoren zoals het effect van de invoer in kwestie op het prijsniveau in de Unie, het effect van invoer uit andere bronnen, een sterke toename van de invoer uit een begunstigd land en het effect van de invoer op de algemene stabiliteit van de markt van de Unie voor het product in kwestie.
4. De in lid 3 bedoelde beoordeling door de Commissie duurt niet langer dan zes maanden. De termijn voor die beoordeling kan indien nodig met maximaal zes maanden worden verlengd.
5. De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden heringevoerd gedurende een termijn van twaalf maanden. De termijn van herinvoering van die rechten kan worden verlengd, indien nodig om de verstoring van de betrokken markten van de Unie tegen te gaan.
Artikel 38
De Commissie stelt het betrokken begunstigde land zo spoedig mogelijk in kennis van een overeenkomstig artikel 37 genomen besluit voordat dit van toepassing wordt.
HOOFDSTUK VIII
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 39
1. De producten waarvoor aanspraak wordt gemaakt op tariefpreferenties komen hiervoor alleen in aanmerking als zij van oorsprong zijn uit een begunstigd land.
2. Voor de toepassing van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde preferentiële regelingen gelden de regels betreffende de preferentiële oorsprong die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 64, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 952/2013.
3. Onverminderd de in lid 2 van dit artikel bedoelde regels en op verzoek van een begunstigd land kent de Commissie de in artikel 55 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 bedoelde regionale cumulatie tussen begunstigde landen van verschillende regionale groepen of de in artikel 56 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 bedoelde uitgebreide cumulatie toe indien en voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a)
het verzoek van het begunstigde land bevat voldoende bewijs dat die cumulatie noodzakelijk is in het licht van de specifieke handels-, ontwikkelings- en financieringsbehoeften van dat land;
b)
de cumulatie leidt niet tot onnodige handelsproblemen voor andere in aanmerking komende landen, met name EBA-begunstigde landen, gelet op de mogelijke verlegging van handelsstromen;
c)
het begunstigde land toont aan dat het niet aan de oorsprongsregels die op de betrokken goederen van toepassing zijn, kan voldoen indien een dergelijke cumulatie niet wordt toegestaan.
4. Bij haar beoordeling of het verzoek gerechtvaardigd is in het licht van de specifieke handels-, ontwikkelings- en financieringsbehoeften van het begunstigde land, met name op basis van de door dat land verstrekte informatie, houdt de Commissie rekening met de mate waarin het begunstigde land afhankelijk is van productie die is geïntegreerd met de derde landen waarop het verzoek betrekking heeft, de gevolgen van die afhankelijkheid voor de duurzame ontwikkeling van het begunstigde land, de relevantie van sectoren met een dergelijke geïntegreerde productie voor de economie van het begunstigde land en toekomstige ontwikkelingsperspectieven met betrekking tot de betrokken producten.
5. Voordat de Commissie een besluit neemt over een verzoek, stelt zij het begunstigde land in de gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken.
Artikel 40
Bij de uitvoering van deze verordening wordt gezorgd voor synergieën en complementariteit met relevante externe acties en programma’s van de Unie, met name op het gebied van ontwikkeling.
Artikel 41
1. Wanneer voor een afzonderlijke invoeraangifte een ad-valoremrecht dat in overeenstemming met deze verordening wordt verlaagd, 1 % of minder bedraagt, wordt dit recht volledig geschorst.
2. Wanneer voor een afzonderlijke invoeraangifte een specifiek recht dat in overeenstemming met deze verordening wordt verlaagd, 2 EUR of minder per afzonderlijk in euro luidend bedrag beloopt, wordt dit recht volledig geschorst.
3. Onverminderd de leden 1 en 2 wordt het overeenkomstig deze verordening berekende definitieve preferentiële recht op één decimaal naar beneden afgerond.
Artikel 42
1. Als statistische bron voor de toepassing van deze verordening wordt gebruikgemaakt van de statistieken van de buitenlandse handel van de Unie van de Commissie (Eurostat).
2. De lidstaten sturen de Commissie (Eurostat) hun statistische gegevens betreffende de producten die onder de douaneregeling voor het in het vrije verkeer brengen zijn geplaatst met toepassing van de tariefpreferenties waarin Verordening (EU) 2019/2152 van het Europees Parlement en de Raad (16) voorziet. Om de informatieverstrekking te vergemakkelijken en te zorgen voor meer transparantie, zorgt de Commissie ervoor dat de relevante statistische gegevens voor de SAP-afdelingen regelmatig voorhanden zijn in een openbare gegevensbank.
3. Overeenkomstig de artikelen 55 en 56 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 verstrekken de lidstaten de Commissie op haar verzoek gegevens over de hoeveelheid en de waarde van de goederen die tijdens de maanden vóór dat verzoek in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van de tariefpreferenties. Die gegevens omvatten ook de in lid 4 van dit artikel bedoelde producten.
4. De Commissie houdt, in nauwe samenwerking met de lidstaten, toezicht op de invoer van producten die vallen onder de codes van de gecombineerde nomenclatuur 0603, 0803 90 10 , 1006, 1604 14 , 1604 19 31 , 1604 19 39 , 1604 20 70 , 1701, 1704, 1806 10 30 , 1806 10 90 , 2002 90 , 2103 20 , 2106 90 59 , 2106 90 98 , 6403, 2207 10 00 , 2207 20 00 , 2909 19 10 , 3814 00 90 , 3820 00 00 , 3824 99 56 , 3824 99 57 , 3824 99 92 , 3824 84 00 , 3824 85 00 , 3824 86 00 , 3824 87 00 , 3824 88 00 , 3824 99 93 en 3824 99 96 , teneinde vast te stellen of aan de voorwaarden van de artikelen 26, 33, 34, 35 en 37 is voldaan.
Artikel 43
De Commissie wint regelmatig de standpunten in van en houdt rekening met informatie die wordt verstrekt door vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in de Unie en in begunstigde landen, naargelang het geval, onder meer via specifieke dialogen om de uitvoering van deze verordening te evalueren, te monitoren en te beoordelen.
Artikel 44
De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de uitvoering van deze verordening, met name wat de krachtens hoofdstuk VII vastgestelde maatregelen betreft.
Artikel 45
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 8, lid 6, artikel 10, leden 4, 5 en 7, artikel 11, lid 2, artikel 15, leden 9 en 13, artikel 16, artikel 17, leden 2 en 3, artikel 23, leden 10, 15 en 16, artikel 24 en artikel 26, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 12 juli 2026.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 8, lid 6, artikel 10, leden 4, 5 en 7, artikel 11, lid 2, artikel 15, leden 9 en 13, artikel 16, artikel 17, leden 2 en 3, artikel 23, leden 10, 15 en 16, artikel 24 en artikel 26, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 3, artikel 6, lid 2, artikel 8, lid 6, artikel 10, lid 4, 5 of 7, artikel 11, lid 2, artikel 15, lid 9 of 13, artikel 16, artikel 17, lid 2 of 3, artikel 23, lid 10, 15 of 16, artikel 24 of artikel 26, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 46
1. Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.
2. Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 45, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.
Artikel 47
1. De op grond van deze verordening ontvangen inlichtingen worden slechts gebruikt voor het doel waarvoor zij werden gevraagd.
2. Informatie van vertrouwelijke aard of op vertrouwelijke basis verstrekte informatie die op grond van deze verordening werd ontvangen, wordt niet bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die de informatie heeft verstrekt.
3. Bij elk verzoek om vertrouwelijke behandeling van gegevens wordt aangegeven waarom deze vertrouwelijk zijn. Wanneer degene die de informatie heeft verstrekt deze niet openbaar wil maken noch toestemming wil geven tot bekendmaking ervan in algemene termen of in samengevatte vorm en wanneer blijkt dat het verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is, kan deze informatie echter buiten beschouwing worden gelaten.
4. Informatie wordt in elk geval als vertrouwelijk beschouwd indien uit de bekendmaking ervan waarschijnlijk aanzienlijk nadeel zal voortvloeien voor degene die de informatie heeft verstrekt of van wie deze afkomstig is, dan wel voor de bilaterale internationale betrekkingen van de Unie.
5. De leden 1 tot en met 4 beletten de autoriteiten van de Unie niet algemene informatie te vermelden, en in het bijzonder te verwijzen naar de motivering van de op grond van deze verordening genomen besluiten. Die autoriteiten moeten echter rekening houden met het rechtmatige belang dat de betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen erbij hebben dat hun zakengeheimen niet worden bekendgemaakt.
Artikel 48
1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité algemene preferenties dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (17). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 van die verordening, van toepassing.
Artikel 49
Uiterlijk op 1 januari 2030 en vervolgens om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de gevolgen van het SAP en de vooruitgang die bij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is geboekt met betrekking tot de recentste driejarige periode en alle in artikel 1, lid 2, bedoelde preferentiële regelingen, en over de monitoringactiviteiten van de Commissie, met inbegrip van niet-vertrouwelijke informatie over via het SEP ingediende klachten die relevant zijn voor deze verordening.
Uiterlijk op 1 januari 2033 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening. In dat verslag kan met name aandacht worden besteed aan de lijst van desbetreffende verdragen in verband met actualiseringen door de toezichthoudende organen van de VN, onder meer inzake fundamentele beginselen en rechten op het werk, en de graduatie- en overgangsmechanismen voor landen, met name met betrekking tot de minst ontwikkelde landen. Dat verslag kan in voorkomend geval vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel.
Artikel 50
Verordening (EU) nr. 978/2012 wordt met ingang van 1 januari 2027 ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VIII.
HOOFDSTUK IX
Slotbepalingen
Artikel 51
1. Onderzoeken die zijn geopend of procedures voor tijdelijke intrekking die zijn ingeleid en niet beëindigd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 978/2012, worden krachtens deze verordening automatisch opnieuw ingeleid, behalve ten aanzien van een SAP+-begunstigd land uit hoofde van die verordening indien het onderzoek of de procedure enkel betrekking heeft op de krachtens het SAP+ toegekende voordelen. Een dergelijk onderzoek of een dergelijke procedure wordt echter automatisch opnieuw geopend of ingeleid indien hetzelfde begunstigde land voor 1 januari 2029 om het SAP+ uit hoofde van deze verordening verzoekt.
2. Met de informatie die is ontvangen in de loop van een overeenkomstig Verordening (EU) nr. 978/2012 geopend maar niet beëindigd onderzoek wordt in een opnieuw geopend onderzoek rekening gehouden.
3. Landen die op 31 december 2026 SAP+-begunstigde landen zijn uit hoofde van Verordening (EU) nr. 978/2012, zoals vermeld in bijlage III bij die verordening in de versie die op die datum van kracht is, worden tot en met 31 december 2028 beschouwd als SAP+-begunstigde landen uit hoofde van deze verordening. Landen die vanaf 1 januari 2029 uit hoofde van deze verordening voor het SAP+-in aanmerking wensen te blijven komen, dienen daartoe vóór die datum een verzoek in overeenkomstig artikel 10, leden 1 en 2, van deze verordening. Voor de landen die een dergelijk verzoek hebben ingediend, wordt het SAP+ uit hoofde van deze verordening gehandhaafd gedurende de periode waarin de Commissie het verzoek uit hoofde van artikel 10 van deze verordening onderzoekt en, in voorkomend geval, gedurende de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 45, lid 6, van deze verordening.
Artikel 52
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is van toepassing vanaf 1 januari 2027. Artikel 5, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 10, lid 7, artikel 15, lid 12, artikel 23, lid 15, artikel 26, lid 4, artikel 34, lid 3, en artikel 45 zijn echter van toepassing vanaf 12 juli 2026.
Deze verordening is van toepassing tot en met 31 december 2036. Het einde van de toepassing ervan heeft echter geen gevolgen voor het uit hoofde van hoofdstuk IV vastgestelde EBA, noch voor enige andere bepaling van deze verordening indien die bepaling in samenhang met dat hoofdstuk wordt toegepast.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 17 juni 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. RAOUNA
(1) Standpunt van het Europees Parlement van 28 april 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 mei 2026.
(2) Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/978/oj).
(3) Verordening (EU) 2023/2663 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 978/2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (PB L, 2023/2663, 27.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2663/oj).
(4) Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa in de wereld, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad (PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/947/oj).
(5) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/952/oj).
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2015/2446/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/2447/oj).
(8) Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/810/oj).
(9) Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/478/oj).
(10) Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj).
(11) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.
(12) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(13) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1987/2658/oj).
(14) Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj).
(15) Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1037/oj).
(16) Verordening (EU) 2019/2152 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende Europese bedrijfsstatistieken en tot intrekking van tien rechtshandelingen op het gebied van bedrijfsstatistieken (PB L 327 van 17.12.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/2152/oj).
(17) Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad van 22 juli 2008 betreffende de toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 552/97 en (EG) nr. 1933/2006 en de Verordeningen (EG) nr. 1100/2006 en (EG) nr. 964/2007 van de Commissie (PB L 211 van 6.8.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/732/oj).
LIJST VAN BIJLAGEN
Bijlage
Inhoudsopgave
I
In aanmerking komende en begunstigde landen
II
Begunstigde landen waarvoor preferentiële regelingen in het kader van het SAP tijdelijk zijn ingetrokken ten aanzien van alle of bepaalde producten van oorsprong uit die landen
III
Lijst van producten die vallen onder het standaard-SAP en het SAP+
IV
Voorwaarden voor de toepassing van de artikelen 8 en 33
V
Voorwaarden voor de toepassing van hoofdstuk III
VI
Desbetreffende verdragen
VII
Lijst van producten die alleen vallen onder het SAP+
VIII
Concordantietabel
BIJLAGE I
IN AANMERKING KOMENDE EN BEGUNSTIGDE LANDEN
Kolom A:
lettercode volgens de nomenclatuur van landen en gebieden voor de statistieken van de buitenlandse handel van de UnieKolom B:
naamKolom C:
preferentiële regeling in het kader van het SAP die op het land van toepassing isA
B
C
AE
Verenigde Arabische Emiraten
AF
Afghanistan
EBA
AG
Antigua en Barbuda
AL
Albanië
AM
Armenië
AO
Angola
EBA
AR
Argentinië
AZ
Azerbeidzjan
BA
Bosnië en Herzegovina
BB
Barbados
BD
Bangladesh
EBA
BF
Burkina Faso
EBA
BH
Bahrein
BI
Burundi
EBA
BJ
Benin
EBA
BN
Brunei
BO
Bolivia
Standaard-SAP (1)
BR
Brazilië
BS
Bahama’s
BT
Bhutan
EBA
BW
Botswana
BY
Belarus
Standaard-SAP (2)
BZ
Belize
CD
Democratische Republiek Congo
EBA
CF
Centraal-Afrikaanse Republiek
EBA
CG
Congo
Standaard-SAP
CI
Ivoorkust
CK
Cookeilanden
Standaard-SAP
CL
Chili
CM
Kameroen
CO
Colombia
CR
Costa Rica
CU
Cuba
CV
Kaapverdië
Standaard-SAP (3)
DJ
Djibouti
EBA
DM
Dominica
DO
Dominicaanse Republiek
DZ
Algerije
EC
Ecuador
EG
Egypte
ER
Eritrea
EBA
ET
Ethiopië
EBA
FJ
Fiji
FM
Micronesia
Standaard-SAP
GA
Gabon
GD
Grenada
GE
Georgië
GH
Ghana
GM
Gambia
EBA
GN
Guinee
EBA
GQ
Equatoriaal-Guinea
GT
Guatemala
GW
Guinee-Bissau
EBA
GY
Guyana
HN
Honduras
HT
Haïti
EBA
ID
Indonesië
IN
India
Standaard-SAP
IQ
Irak
IR
Iran
JM
Jamaica
JO
Jordanië
KE
Kenia
KG
Kirgizië
Standaard-SAP (4)
KH
Cambodja
EBA (5)
KI
Kiribati
EBA
KM
Comoren
EBA
KN
Saint Kitts en Nevis
KW
Koeweit
KZ
Kazachstan
LA
Laos
EBA
LB
Libanon
LC
Saint Lucia
LK
Sri Lanka
Standaard-SAP (6)
LR
Liberia
EBA
LS
Lesotho
EBA
LY
Libië
MA
Marokko
MD
Moldavië
ME
Montenegro
MG
Madagaskar
EBA
MH
Marshalleilanden
MK
Noord-Macedonië
ML
Mali
EBA
MM
Myanmar/Birma
EBA
MN
Mongolië
Standaard-SAP (7)
MR
Mauritanië
EBA
MU
Mauritius
MV
Maldiven
MW
Malawi
EBA
MX
Mexico
MY
Maleisië
MZ
Mozambique
EBA
NA
Namibië
NE
Niger
EBA
NG
Nigeria
Standaard-SAP
NI
Nicaragua
NP
Nepal
EBA
NR
Nauru
NU
Niue
Standaard-SAP
OM
Oman
PA
Panama
PE
Peru
PG
Papoea-Nieuw-Guinea
PH
Filipijnen
Standaard-SAP (8)
PK
Pakistan
Standaard-SAP (9)
PW
Palau
PY
Paraguay
QA
Qatar
RW
Rwanda
EBA
SA
Saudi-Arabië
SB
Salomonseilanden
EBA
SC
Seychellen
SD
Sudan
EBA
SL
Sierra Leone
EBA
SN
Senegal
EBA
SO
Somalië
EBA
SR
Suriname
SS
Zuid-Sudan
EBA
ST
Sao Tomé en Principe
EBA (10)
SV
El Salvador
SY
Syrië
Standaard-SAP
SZ
Eswatini
TD
Tsjaad
EBA
TG
Togo
EBA
TH
Thailand
TJ
Tadzjikistan
Standaard-SAP
TL
Oost-Timor
EBA
TM
Turkmenistan
TN
Tunesië
TO
Tonga
TT
Trinidad en Tobago
TV
Tuvalu
EBA
TZ
Tanzania
EBA
UA
Oekraïne
UG
Uganda
EBA
UY
Uruguay
UZ
Oezbekistan
Standaard-SAP (11)
VC
Saint Vincent en de Grenadines
VE
Venezuela
VN
Vietnam
VU
Vanuatu
Standaard-SAP
WS
Samoa
XK
Kosovo (12)
RS
Servië
YE
Jemen
EBA
ZA
Zuid-Afrika
ZM
Zambia
EBA
ZW
Zimbabwe
(1) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(2) Volledige intrekking.
(3) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(4) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(5) Gedeeltelijke intrekking.
(6) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(7) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(8) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(9) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(10) Op grond van Gedelegeerde Verordening (EU) 2025/1951 zal Sao Tomé en Principe vanaf 1 januari 2029 niet langer een EBA-begunstigd land zijn, en zal het een standaard-SAP-begunstigd land worden.
(11) Tot en met 31 december 2028 beschouwd als een SAP+-begunstigd land in het kader van deze verordening. Zie artikel 51, lid 3.
(12) Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
BIJLAGE II
BEGUNSTIGDE LANDEN WAARVOOR PREFERENTIËLE REGELINGEN IN HET KADER VAN HET SAP TIJDELIJK ZIJN INGETROKKEN TEN AANZIEN VAN ALLE OF BEPAALDE PRODUCTEN VAN OORSPRONG UIT DIE LANDEN
Kolom A:
lettercode volgens de nomenclatuur van landen en gebieden voor de statistieken van de buitenlandse handel van de UnieKolom B:
naamKolom C:
preferentiële regeling die voor het land is ingetrokkenA
B
C
BY
Belarus
Standaard-SAP (1)
KH
Cambodja
EBA (2)
(1) Volledige intrekking.
(2) Gedeeltelijke intrekking.
BIJLAGE III
LIJST VAN PRODUCTEN DIE VALLEN ONDER HET STANDAARD-SAP EN HET SAP+
Niettegenstaande de voorschriften voor de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur (“GN”) wordt de omschrijving van de producten slechts geacht een indicatieve waarde te hebben, aangezien de GN-codes de tariefpreferenties bepalen. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de aanduiding “ex”, worden de tariefpreferenties zowel door de GN-code als door de bijbehorende omschrijving bepaald.
Voor producten met een GN-code die wordt gemarkeerd met een asterisk (*), gelden de voorwaarden in het desbetreffende recht van de Unie.
De kolom “Gevoelig/niet gevoelig” verwijst naar de producten die zijn opgenomen in het standaard-SAP (artikel 6). Die producten worden aangeduid als hetzij “NG” (niet-gevoelig, voor de toepassing van artikel 7, lid 1), hetzij “G” (gevoelig, voor de toepassing van artikel 7, lid 2).
Ter vereenvoudiging zijn de producten gegroepeerd. Die groepen kunnen producten omvatten waarvoor de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief zijn ingetrokken of geschorst.
SAP-afdeling
Hoofdstuk
GN-code
Omschrijving
Gevoelig / niet-gevoelig
S-1a
01
0101 29 90
Levende paarden, andere dan fokdieren van zuiver ras, andere dan slachtdieren
G
0101 30 00
Levende ezels
G
0101 90 00
Levende muildieren en muilezels
G
0104 20 10 *
Levende fokgeiten van zuiver ras
G
0106 14 10
Levende tamme konijnen
G
0106 39 10
Levende duiven
G
02
0205 00
Vlees van paarden, van ezels, van muildieren of van muilezels, vers, gekoeld of bevroren
G
0206 80 91
Eetbare slachtafvallen van paarden, van ezels, van muildieren of van muilezels, vers of gekoeld, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten
G
0206 90 91
Eetbare slachtafvallen van paarden, van ezels, van muildieren of van muilezels, bevroren, andere dan bestemd voor de vervaardiging van farmaceutische producten
G
0207 14 91
Levers van hanen of van kippen (Gallus domesticus), bevroren
G
0207 27 91
Levers van kalkoenen, bevroren
G
0207 45 95 0207 55 95 0207 60 91
Levers van eenden, van ganzen of van parelhoenders, andere dan vette levers (foies gras) van eenden of van ganzen, bevroren
G
0208 90 70
Kikkerbilletjes
NG
0210 99 10
Vlees van paarden, gezouten, gepekeld of gedroogd
G
0210 99 59
Slachtafvallen van runderen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt, andere dan longhaasjes en omlopen
G
ex 0210 99 85
Slachtafvallen van schapen en van geiten, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt
G
ex 0210 99 85
Slachtafvallen, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt, andere dan levers van pluimvee en andere dan van varkens (huisdieren), van runderen, van schapen en van geiten
G
04
0403 20 41
Yoghurt, bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose (het gehalte aan invertsuiker daaronder begrepen) of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel
G
0403 20 51
Yoghurt, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao
G
0403 20 53
0403 20 59
0403 20 91
0403 20 93
0403 20 99
0403 90 71
Karnemelk, gestremde melk en room, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao
G
0403 90 73
0403 90 79
0403 90 91
0403 90 93
0403 90 99
0405 20 10
Zuivelpasta’s met een vetgehalte van 39 of meer gewichtspercenten doch niet meer dan 75 gewichtspercenten
G
0405 20 30
0407 19 90 0407 29 90 0407 90 90
Vogeleieren in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt, andere dan van pluimvee
G
0410 10
Insecten
G
0410 90 00
Andere eetbare producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen
G
05
0511 99 39
Echte sponzen, andere dan ruw
G
S-1b
03
ex Hoofdstuk 3
Vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren, met uitzondering van producten bedoeld bij onderverdeling 0301 19 00
G
0301 19 00
Levende siervis, zijnde zeevis
NG
S-2a
06
ex Hoofdstuk 6
Levende planten en producten van de bloementeelt, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 0603 12 00 en 0604 20 40
G
0603 12 00
Anjers (afgesneden bloemen, bloesems en bloemknoppen), voor bloemstukken of voor versiering, vers
NG
0604 20 40
Takken en twijgen van naaldbomen, vers
NG
S-2b
07
0701
Aardappelen, vers of gekoeld
G
0703 10
Uien en sjalotten, vers of gekoeld
G
0703 90 00
Prei en andere eetbare looksoorten, vers of gekoeld
G
0704
Rodekool, wittekool, bloemkool, spruitjes, koolrabi, boerenkool en dergelijke eetbare kool van het geslacht “Brassica”, vers of gekoeld
G
0705
Sla (Lactuca sativa), andijvie, witloof en andere cichoreigroenten (Cichorium spp.), vers of gekoeld
G
0706
Wortelen, rapen, kroten, schorseneren, knolselderij, radijs en dergelijke eetbare wortelen en knollen, vers of gekoeld
G
ex 0707 00 05
Komkommers, vers of gekoeld, van 16 mei tot en met 31 oktober
G
0708
Peulgroenten, ook indien gedopt, vers of gekoeld
G
0709 20 00
Asperges, vers of gekoeld
G
0709 30 00
Aubergines, vers of gekoeld
G
0709 40 00
Selderij, andere dan knolselderij, vers of gekoeld
G
0709 51 00 0709 52 00 0709 53 00 0709 54 00 0709 55 00 0709 59 00
Paddenstoelen en truffels, vers of gekoeld, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 0709 56 00
G
0709 60 10
Niet-scherpsmakende pepers, vers of gekoeld
G
0709 60 99
Vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta, vers of gekoeld, andere dan niet-scherpsmakende pepers, andere dan bestemd voor de vervaardiging van capsaïcine of van tincturen en andere dan bestemd voor de industriële vervaardiging van etherische oliën of van harsaroma’s
G
0709 70 00
Spinazie, Nieuw-Zeelandse spinazie en tuinmelde, vers of gekoeld
G
ex 0709 91 00
Artisjokken, vers of gekoeld, van 1 juli tot en met 31 oktober
G
0709 92 10 *
Olijven, vers of gekoeld, bestemd voor andere doeleinden dan het vervaardigen van olie
G
0709 93 10
Courgettes, vers of gekoeld
G
0709 93 90 0709 99 90
Andere groenten, vers of gekoeld
G
0709 99 10
Sla, vers of gekoeld, andere dan Lactuca sativa en andere dan cichoreigroenten (Cichorium spp.)
G
0709 99 20
Snijbiet en kardoen, vers of gekoeld
G
0709 99 40
Kappers, vers of gekoeld
G
0709 99 50
Venkel, vers of gekoeld
G
ex 0710
Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, met uitzondering van het product bedoeld bij onderverdeling 0710 80 85
G
ex 0711
Groenten, voorlopig verduurzaamd, doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 0711 20 90
G
ex 0712
Gedroogde groenten, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, met uitzondering van olijven en de producten bedoeld bij onderverdeling 0712 90 19
G
0713
Gedroogde zaden van peulgroenten, ook indien gepeld (bijvoorbeeld spliterwten)
G
0714 20 10 *
Bataten (zoete aardappelen), vers, geheel, bestemd voor menselijke consumptie
NG
0714 20 90
Bataten (zoete aardappelen), vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in stukken of in pellets, andere dan vers en geheel, en bestemd voor menselijke consumptie
G
0714 90 90
Aardperen en dergelijke wortelen en knollen met een hoog gehalte aan inuline, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in stukken of in pellets; merg van de sagopalm
NG
08
0802 11 90
Amandelen, vers of gedroogd, ook zonder dop, andere dan bittere amandelen
G
0802 12 90
0802 21 00
Hazelnoten (Corylus spp.), vers of gedroogd, ook zonder dop, al dan niet gepeld
G
0802 22 00
0802 31 00
Walnoten (okkernoten), vers of gedroogd, ook zonder dop
G
0802 32 00
0802 41 00
Kastanjes (Castanea spp.), vers of gedroogd, ook zonder dop, al dan niet
G
0802 42 00
gepeld
0802 51 00
Pimpernoten (pistaches), vers of gedroogd, ook zonder dop, al dan niet gepeld
NG
0802 52 00
0802 61 00
Macadamianoten, vers of gedroogd, ook zonder dop, al dan niet gepeld
NG
0802 62 00
0802 90 85
Andere noten, vers of gedroogd, ook zonder dop of schaal, al dan niet gepeld
NG
0802 91 00 0802 92 00
Pingels of pignolen (Pinus spp.), vers of gedroogd, ook zonder dop, al dan niet gepeld
NG
0803 10 10
“Plantains”, vers
G
0803 10 90
Bananen, “plantains” daaronder begrepen, gedroogd
G
0803 90 90
0804 10 00
Dadels, vers of gedroogd
G
0804 20 10
Vijgen, vers of gedroogd
G
0804 20 90
0804 30 00
Ananassen, vers of gedroogd
G
0804 40 00
Advocaten (avocado’s), vers of gedroogd
G
ex 0805 21
Mandarijnen (tangerines en satsuma’s daaronder begrepen), en clementines, wilkings en dergelijke kruisingen van citrusvruchten, vers of gedroogd, van 1 maart tot en met 31 oktober
G
ex 0805 22 00
ex 0805 29 00
0805 40 00
Pompelmoezen en pomelo’s, vers of gedroogd
NG
0805 50 90
Lemmetjes (Citrus aurantifolia, Citrus latifolia), vers of gedroogd
G
0805 90 00
Andere citrusvruchten, vers of gedroogd
G
ex 0806 10 10
Druiven voor tafelgebruik, vers, van 1 januari tot en met 20 juli en van 21 november tot en met 31 december, met uitzondering van druiven van de soort Emperor (Vitis vinifera cv.) van 1 tot en met 31 december
G
0806 10 90
Andere druiven, vers
G
ex 0806 20
Rozijnen en krenten, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling ex 0806 20 30 in onmiddellijke verpakkingen met een netto-inhoud van meer dan 2 kg
G
0807 11 00
Meloenen (watermeloenen daaronder begrepen), vers
G
0807 19 00
0808 10 10
Persappelen, vers, los verladen, van 16 september tot en met 15 december
G
0808 30 10
Verse persperen, los verladen, van 1 augustus tot en met 31 december
G
ex 0808 30 90
Andere peren, vers, van 1 mei tot en met 30 juni
G
0808 40 00
Kweeperen, vers
G
ex 0809 10 00
Abrikozen, vers, van 1 januari tot en met 31 mei en van 1 augustus tot en met 31 december
G
0809 21 00
Zure kersen (Prunus cerasus), vers
G
ex 0809 29
Kersen, vers, van 1 januari tot en met 20 mei en van 11 augustus tot en met 31 december, andere dan zure kersen (Prunus cerasus)
G
ex 0809 30
Perziken (nectarines daaronder begrepen), vers, van 1 januari tot en met 10 juni en van 1 oktober tot en met 31 december
G
ex 0809 40 05
Pruimen, vers, van 1 januari tot en met 10 juni en van 1 oktober tot en met 31 december
G
0809 40 90
Sleepruimen, vers
G
ex 0810 10 00
Aardbeien, vers, van 1 januari tot en met 30 april en van 1 augustus tot en met 31 december
G
0810 20
Frambozen, bramen, moerbeien en loganbessen, vers
G
0810 30
Zwarte, witte of rode aalbessen en kruisbessen, vers
G
0810 40 30
Vruchten van de Vaccinium myrtillus, vers
G
0810 40 50
Vruchten van de Vaccinium macrocarpon en van de Vaccinium corymbosum, vers
G
0810 40 90
Andere vruchten van het geslacht Vaccinium, vers
G
0810 50 00
Kiwi’s, vers
G
0810 60 00
Doerians, vers
G
0810 70 00 0810 90 75
Dadelpruimen Andere vruchten, vers
G
ex 0811
Vruchten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, al dan niet met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 0811 10 en 0811 20
G
ex 0812
Vruchten, voorlopig verduurzaamd, doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 0812 90 30
G
0812 90 30
Papaja’s
NG
0813 10 00
Abrikozen, gedroogd
G
0813 20 00
Pruimen
G
0813 30 00
Appelen, gedroogd
G
0813 40 10
Perziken (nectarines daaronder begrepen), gedroogd
G
0813 40 30
Peren, gedroogd
G
0813 40 50
Papaja’s, gedroogd
NG
0813 40 95
Andere vruchten, andere dan bedoeld bij de posten 0801 tot en met 0806 , gedroogd
NG
0813 50 12
Mengsels van gedroogde vruchten (andere dan bedoeld bij de posten 0801 tot en met 0806 ) van papaja’s, tamarindevruchten, cashewappelen, lychees, nangka’s (“jackfruit”), sapodilla’s, passievruchten, carambola’s en pitahaya’s, maar zonder pruimen
G
0813 50 15
Andere mengsels van gedroogde vruchten (andere dan bedoeld bij de posten 0801 tot en met 0806 ), zonder pruimen
G
0813 50 19
Mengsels van gedroogde vruchten (andere dan bedoeld bij de posten 0801 tot en met 0806 ), met pruimen
G
0813 50 31
Mengsels uitsluitend bestaande uit tropische noten bedoeld bij de posten 0801 en 0802
G
0813 50 39
Mengsels uitsluitend bestaande uit noten bedoeld bij de posten 0801 en 0802 , andere dan tropische noten
G
0813 50 91
Andere mengsels van noten en gedroogde vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8, geen pruimen of vijgen bevattend
G
0813 50 99
Andere mengsels van noten en gedroogde vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8
G
0814 00 00
Schillen van citrusvruchten en van meloenen (watermeloenen daaronder begrepen), vers, bevroren, gedroogd, dan wel in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd
NG
S-2c
09
ex Hoofdstuk 9
Koffie, thee, maté en specerijen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 0901 12 00 , 0901 21 00 , 0901 22 00 , 0901 90 90 en 0904 21 10 , de posten 0905 en 0907 en de onderverdelingen 0910 91 90 , 0910 99 33 , 0910 99 39 , 0910 99 50 en 0910 99 99
NG
0901 12 00
Koffie, ongebrand, waaruit cafeïne is verwijderd
G
0901 21 00
Koffie, gebrand, waaruit geen cafeïne is verwijderd
G
0901 22 00
Koffie, gebrand, waaruit cafeïne is verwijderd
G
0901 90 90
Koffiesurrogaten die koffie bevatten, ongeacht de mengverhouding
G
0904 21 10
Niet-scherpsmakende pepers, gedroogd, niet fijngemaakt en niet gemalen
G
0905
Vanille
G
0907
Kruidnagels, moernagels en kruidnagelstelen
G
0910 91 90
Mengsels van twee of meer producten vallende onder verschillende van de posten 0904 tot en met 0910 , fijngemaakt of gemalen
G
0910 99 33
Tijm, andere dan wilde tijm (Thymus serpyllum L.); laurierbladeren
G
0910 99 39
0910 99 50
0910 99 99
Andere specerijen, fijngemaakt of gemalen, andere dan mengsels van twee of meer producten vallende onder verschillende van de posten 0904 tot en met 0910
G
S-2d
10
1008 50 00
Quinoa (Chenopodium quinoa)
G
11
ex 1104 29 17
Granen, gepareld (met uitzondering van granen van gerst, van haver, van maïs, van rijst en van tarwe)
G
1105
Meel, gries, poeder, vlokken, korrels en pellets, van aardappelen
G
1106 10 00
Meel, gries en poeder van gedroogde zaden van peulgroenten bedoeld bij post 0713
G
1106 30
Meel, gries en poeder van vruchten bedoeld bij hoofdstuk 8
G
1108 20 00
Inuline
G
12
ex Hoofdstuk 12
Oliehoudende zaden en vruchten; allerlei zaden, zaaigoed en vruchten, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 1209 21 00 , 1209 23 80 , 1209 29 50 , 1209 29 80 , 1209 30 00 , 1209 91 80 en 1209 99 91 ; planten voor industrieel en voor geneeskundig gebruik, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 1211 90 30 , en met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1210 en bij de onderverdelingen 1212 91 en 1212 93 00
G
1209 21 00
Zaaigoed van luzerne
NG
1209 23 80
Zaaigoed van ander zwenkgras
NG
1209 29 50
Zaaigoed van lupinen
NG
1209 29 80
Zaaigoed van andere voedergewassen
NG
1209 30 00
Zaaigoed van kruidachtige planten hoofdzakelijk gekweekt voor de bloemen
NG
1209 91 80
Ander groentezaad
NG
1209 99 91
Zaaigoed van planten hoofdzakelijk gekweekt voor de bloemen, ander dan dat bedoeld bij onderverdeling 1209 30 00
NG
1211 90 30
Tonkabonen, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien gesneden, gebroken of in poedervorm
NG
13
ex Hoofdstuk 13
Gomlak (schellak); gommen, harsen en andere plantensappen en plantenextracten, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 1302 12 00
G
1302 12 00
Plantensappen en plantenextracten, van zoethout
NG
S-3
15
1501 90 00
Vet van gevogelte, ander dan dat bedoeld bij post 0209 of 1503
G
1502 10 90 1502 90 90
Rund-, schapen- of geitenvet, ander dan dat bedoeld bij post 1503 en ander dan bestemd voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie
G
1503 00 19
Varkensstearine en oleostearine, andere dan bestemd voor industrieel gebruik
G
1503 00 90
Spekolie, oleomargarine en talkolie, niet geëmulgeerd, niet vermengd, noch op andere wijze bereid, andere dan talkolie bestemd voor ander industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie
G
1504
Vetten en oliën, van vis of van zeezoogdieren, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
1505 00 10
Ruw wolvet
G
1507
Sojaolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
1508
Grondnotenolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
1511 10 90
Ruwe palmolie, andere dan voor ander technisch of industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie, doch niet chemisch gewijzigd
G
1511 90
Palmolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd, andere dan ruwe olie
G
1512
Zonnebloemzaad-, saffloer- en katoenzaadolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
1513
Kokosolie (kopraolie), palmpitten- en babassunotenolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
1514
Koolzaad-, raapzaad- en mosterdzaadolie, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
1515
Andere plantaardige of microbiële vetten en vette oliën (jojobaolie daaronder begrepen), alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd
G
ex 1516
Dierlijke, plantaardige of microbiële vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 1516 20 10
G
1516 20 10
Gehydrogeneerde ricinusolie, zogenaamde “opal-wax”
NG
1517
Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke, plantaardige of microbiële vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij hoofdstuk 15, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516
G
1518 00
Standolie en andere dierlijke, plantaardige of microbiële vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516 ; mengsels en bereidingen van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij hoofdstuk 15, niet geschikt voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen
G
1521 90 99
Bijenwas en was van andere insecten, ook indien geraffineerd of gekleurd, andere dan ruwe was
G
1522 00 10
Dégras
G
1522 00 91
Droesem of bezinksel van olie; soapstocks, andere dan die welke olie bevatten die de kenmerken van olijfolie heeft
G
S-4a
16
1601 00 10
Worst van alle soorten, van lever, en bereidingen op basis van lever, voor menselijke consumptie
G
1602 20 10
Bereidingen en conserven van ganzen- of eendenlevers
G
1602 41 90
Bereidingen en conserven van andere varkens dan huisdieren: hammen en delen daarvan
G
1602 42 90
Bereidingen en conserven van andere varkens dan huisdieren: schouders en delen daarvan
G
1602 49 90
Andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen, mengsels daaronder begrepen, van andere varkens dan huisdieren
G
1602 90 31
Andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen, van wild of van konijn
G
1602 90 69
Andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen, van schapen, van geiten of van andere dieren, geen niet-gekookt of niet-gebakken vlees of niet-gekookte of niet-gebakken slachtafvallen van runderen bevattend en geen vlees of slachtafvallen van varkens (huisdieren) bevattend
G
1602 90 91
1602 90 95
1602 90 99
1603 00 10
Extracten en sappen van vlees, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 1 kg
G
1604
Bereidingen en conserven van vis; kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit
G
1605
Bereidingen en conserven van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren
G
S-4b
17
1702 50 00
Chemisch zuivere fructose
G
1702 90 10
Chemisch zuivere maltose
G
1704
Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen)
G
18
Hoofdstuk 18
Cacao en bereidingen daarvan
G
19
ex Hoofdstuk 19
Bereidingen van graan, van meel, van zetmeel of van melk; gebak, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 1901 20 00 en 1901 90 91
G
1901 20 00
Mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905
NG
1901 90 91
Andere, bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose (het gehalte aan invertsuiker daaronder begrepen) of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel, met uitzondering van bereidingen in poeder voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404
NG
20
ex Hoofdstuk 20
Bereidingen van groenten, van vruchten en van andere plantendelen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2008 20 19 , 2008 20 39 en met uitzondering van de producten van post 2002 en van de onderverdelingen 2005 80 00 , 2008 40 19 , 2008 40 31 , 2008 40 51 tot en met 2008 40 90 , 2008 70 19 , 2008 70 51 , 2008 70 61 tot en met 2008 70 98
G
2008 20 19
Ananas, op andere wijze bereid of verduurzaamd, met toegevoegde alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen
NG
2008 20 39
21
ex Hoofdstuk 21
Diverse producten voor menselijke consumptie, met uitzondering van de producten van de onderverdelingen 2101 20 en 2102 20 19 , en met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2106 10 , 2106 90 30 , 2106 90 51 , 2106 90 55 en 2106 90 59
G
2101 20
Extracten, essences en concentraten, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté
NG
2102 20 19
Andere inactieve gist
NG
22
ex Hoofdstuk 22
Dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn, met uitzondering van de producten onder post 2207 , de onderverdelingen 2204 10 11 tot en met 2204 30 10 en onderverdeling 2208 40
G
23
2302 50 00
Zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van peulvruchten, ook indien in pellets
G
2307 00 19
Andere wijnmoer
G
2308 00 19
Andere draf (droesem) van druiven
G
2308 00 90
Andere plantaardige zelfstandigheden, ander plantaardig afval, andere plantaardige residuen en andere bijproducten, ook indien in pellets, van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, elders genoemd noch elders onder begrepen
NG
2309 10 90
Ander honden- en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein, ander dan die bevattende glucose (druivensuiker), glucosestroop, maltodextrine of maltodextrinestroop, bedoeld bij de onderverdelingen 1702 30 50 tot en met 1702 30 90 , 1702 40 90 , 1702 90 50 en 2106 90 55 , zetmeel of zuivelproducten
G
2309 90 10
Visperswater en perswater van zeezoogdieren (“solubles”), van de soort gebruikt voor het voederen van dieren
NG
2309 90 91
Bietenpulp waaraan melasse is toegevoegd, van de soort gebruikt voor het voederen van dieren
G
2309 90 96
Andere bereidingen van de soort gebruikt voor het voederen van dieren, ook indien met een gehalte aan cholinechloride van 49 gewichtspercenten of meer, op een organische of anorganische drager
G
S-4c
24
ex Hoofdstuk 24
Tabak en tot verbruik bereide tabakssurrogaten, met uitzondering van producten bedoeld bij onderverdeling 2401 10 60
G
2401 10 60
Tabak van de soort Oriënt, “sun-cured”
NG
S-5
25
2519 90 10
Magnesiumoxide, ander dan gebrand natuurlijk magnesiumcarbonaat
NG
2522
Ongebluste kalk, gebluste kalk en hydraulische kalk, andere dan calciumoxide en calciumhydroxide bedoeld bij post 2825
NG
2523
Hydraulisch cement (cementklinker daaronder begrepen), ook indien gekleurd
NG
27
Hoofdstuk 27
Minerale brandstoffen, aardolie en distillatieproducten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale was
NG
S-6a
28
2801
Fluor, chloor, broom en jood (jodium)
NG
2802 00 00
Gesublimeerde of geprecipiteerde zwavel; colloïdale zwavel
NG
ex 2804
Waterstof, edelgassen en andere niet-metalen, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 2804 69 00
NG
2805 19
Alkali- of aardalkalimetalen (m.u.v. natrium en calcium)
NG
2805 30
Zeldzame aardmetalen, scandium en yttrium, ook indien onderling vermengd of onderling gelegeerd
NG
2806
Waterstofchloride (zoutzuur); chlorozwavelzuur
NG
2807 00
Zwavelzuur; oleum (rokend zwavelzuur)
NG
2808 00 00
Salpeterzuur; nitreerzuren
NG
2809
Difosforpentaoxide (fosforzuuranhydride); fosforzuur; polyfosforzuren, al dan niet chemisch welbepaald
NG
2810 00 90
Booroxiden, andere dan diboortrioxide; boorzuren
NG
2811
Andere anorganische zuren en andere anorganische zuurstofverbindingen van niet-metalen
NG
2812
Halogeniden en halogenideoxiden van niet-metalen
NG
2813
Zwavelverbindingen van niet-metalen; fosfortrisulfide in handelskwaliteit
NG
2814
Ammoniak, watervrij of in waterige oplossing (ammonia)
G
2815
Natriumhydroxide (bijtende soda); kaliumhydroxide (bijtende potas); natriumperoxide en kaliumperoxide
G
2816
Magnesiumhydroxide en magnesiumperoxide; strontiumoxide, strontiumhydroxide en strontiumperoxide; bariumoxide, bariumhydroxide en bariumperoxide
NG
2817 00 00
Zinkoxide; zinkperoxide
G
2818 10
Kunstmatig korund, al dan niet chemisch welbepaald
G
2818 20 00
Aluminiumoxide, met uitzondering van kunstmatig korund
NG
2819
Chroomoxiden en chroomhydroxiden
G
2820
Mangaanoxiden
G
2821
IJzeroxiden en ijzerhydroxiden; verfaarden die 70 of meer gewichtspercenten ijzerverbindingen, berekend als Fe2O3, bevatten
NG
2822 00 00
Kobaltoxiden en kobalthydroxiden; kobaltoxiden in handelskwaliteit
NG
2823 00 00
Titaanoxiden
G
2824
Loodoxiden; loodmenie (bijvoorbeeld rode menie, kristalmenie, oranje menie)
NG
ex 2825
Hydrazine en hydroxylamine, alsmede anorganische zouten daarvan; andere anorganische basen; andere oxiden, hydroxiden en peroxiden van metalen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2825 10 00 en 2825 80 00
NG
2825 10 00
Hydrazine en hydroxylamine, alsmede anorganische zouten daarvan
G
2825 80 00
Antimoonoxiden
G
2826
Fluoriden; fluorosilicaten, fluoroaluminaten en andere complexe fluorzouten
NG
ex 2827
Chloriden, chlorideoxiden en chloridehydroxiden, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2827 10 00 en 2827 32 00 ; bromiden en bromideoxiden; jodiden en jodideoxiden
NG
2827 10 00
Ammoniumchloride
G
2827 32 00
Aluminiumchloride
G
2828
Hypochlorieten; calciumhypochloriet in handelskwaliteit; chlorieten; hypobromieten
NG
2829
Chloraten en perchloraten; bromaten en perbromaten; jodaten en perjodaten
NG
ex 2830
Sulfiden, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 2830 10 00 ; polysulfiden, al dan niet chemisch welbepaald
NG
2830 10 00
Natriumsulfiden
G
2831
Dithionieten en sulfoxylaten
NG
2832
Sulfieten; thiosulfaten
NG
2833
Sulfaten; aluinen; peroxosulfaten (persulfaten)
NG
2834 10 00
Nitrieten
G
2834 21 00
Kaliumnitraat
NG
2834 29
Andere nitraten dan kaliumnitraat
NG
2835
Fosfinaten (hypofosfieten), fosfonaten (fosfieten) en fosfaten; polyfosfaten, al dan niet chemisch welbepaald
G
ex 2836
Carbonaten, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2836 20 00 , 2836 40 00 en 2836 60 00 ; peroxocarbonaten (percarbonaten); ammoniumcarbamaathoudend ammoniumcarbonaat in handelskwaliteit
NG
2836 20 00
Dinatriumcarbonaat
G
2836 40 00
Kaliumcarbonaten
G
2836 60 00
Bariumcarbonaat
G
2837
Cyaniden, cyanideoxiden en complexe cyaniden
NG
2839
Silicaten; alkalimetaalsilicaten in handelskwaliteit
NG
2840
Boraten; peroxoboraten (perboraten)
NG
ex 2841
Zouten van oxometaalzuren of van peroxometaalzuren, met uitzondering van het product bedoeld bij onderverdeling 2841 61 00
NG
2841 61 00
Kaliumpermanganaat
G
2842
Andere anorganische zouten en peroxozouten (aluminosilicaten, al dan niet chemisch welbepaald, daaronder begrepen), met uitzondering van aziden
NG
2843
Edele metalen in colloïdale toestand; anorganische of organische verbindingen van edele metalen, al dan niet chemisch welbepaald; amalgamen van edele metalen
NG
ex 2844 30 11
Cermets bevattende uranium waaruit U 235 is afgescheiden of verbindingen van dit product, andere dan ruwe
NG
ex 2844 30 51
Cermets bevattende thorium of verbindingen van dit product, andere dan ruwe
NG
2845 20 00 2845 30 00 2845 40 00 2845 90 90
Isotopen, andere dan die bedoeld bij post 2844 ; anorganische en organische verbindingen daarvan, al dan niet chemisch welbepaald, andere dan zwaar water (deuteriumoxide) (Euratom) en andere dan deuterium en verbindingen daarvan, waterstof en verbindingen daarvan verrijkt met deuterium en mengsels en oplossingen die deze producten bevatten (Euratom)
NG
2846
Anorganische en organische verbindingen van zeldzame aardmetalen, van yttrium of van scandium, dan wel van mengsels van die metalen
NG
2847 00 00
Waterstofperoxide, ook indien in vaste toestand gebracht met ureum
NG
ex 2849
Carbiden, al dan niet chemisch welbepaald, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2849 20 00 en 2849 90 30
NG
2849 20 00
Siliciumcarbide, al dan niet chemisch welbepaald
G
2849 90 30
Wolfraamcarbiden, al dan niet chemisch welbepaald
G
ex 2850 00
Hydriden, nitriden, aziden en boriden, al dan niet chemisch welbepaald, andere dan verbindingen die tevens carbiden bedoeld bij post 2849 zijn
NG
ex 2850 00 60
Siliciden, al dan niet chemisch welbepaald
G
2852
Anorganische of organische kwikverbindingen, al dan niet chemisch welbepaald, met uitzondering van amalgamen
NG
2853
Fosfiden, al dan niet chemisch welbepaald, andere dan ijzerfosfiden (fosforijzer); andere anorganische verbindingen (gedistilleerd water, conductometrisch zuiver water en dergelijk zuiver water daaronder begrepen); vloeibare lucht (ook indien daaraan edelgassen zijn onttrokken); samengeperste lucht; amalgamen, andere dan die van edele metalen
NG
29
2903
Halogeenderivaten van koolwaterstoffen
G
ex 2904
Sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten van koolwaterstoffen, ook indien gehalogeniseerd, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 2904 20 00
NG
2904 20 00
Derivaten die enkel nitro- of enkel nitrosogroepen bevatten
G
ex 2905
Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan, met uitzondering van het product bedoeld bij onderverdeling 2905 45 00 , en met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2905 43 00 en 2905 44
G
2905 45 00
Glycerol
NG
2906
Cyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan
NG
ex 2907
Fenolen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2907 15 90 en ex 2907 22 00 ; fenolalcoholen
NG
2907 15 90
Naftolen en zouten daarvan, andere dan 1-naftol
G
ex 2907 22 00
Hydrochinon
G
2908
Halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten van fenolen of van fenolalcoholen
NG
2909
Ethers, etheralcoholen, etherfenolen, etherfenolalcoholen, alcoholperoxiden, etherperoxiden, ketonperoxiden (al dan niet chemisch welbepaald), alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan
G
2910
Epoxiden, epoxyalcoholen, epoxyfenolen en epoxyethers, met een drieringsysteem, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan
NG
2911 00 00
Acetalen en hemiacetalen, ook indien met andere zuurstofhoudende groepen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan
NG
ex 2912
Aldehyden, ook indien met andere zuurstofhoudende groepen; cyclische polymeren van aldehyden; paraformaldehyde, met uitzondering van het product bedoeld bij onderverdeling 2912 41 00
NG
2912 41 00
Vanilline (4-hydroxy-3-methoxybenzaldehyde)
G
2913 00 00
Halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten van de producten bedoeld bij post 2912
NG
ex 2914
Ketonen en chinonen, ook indien met andere zuurstofhoudende groepen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2914 11 00 , ex 2914 29 en 2914 22 00
NG
2914 11 00
Aceton
G
2914 22 00
Cyclohexanon en methylcyclohexanonen
G
ex 2914 29 00
Kamfer
G
2915
Verzadigde eenwaardige acyclische carbonzuren, daarvan afgeleide anhydriden, halogeniden, peroxyden en peroxyzuren; alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan
G
ex 2916
Onverzadigde eenwaardige acyclische carbonzuren en eenwaardige cyclische carbonzuren, daarvan afgeleide anhydriden, halogeniden, peroxiden en peroxyzuren; de halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen ex 2916 11 00 , 2916 12 en 2916 14
NG
ex 2916 11 00
Acrylzuur
G
2916 12 00
Esters van acrylzuur
G
2916 14 00
Esters van methacrylzuur
G
ex 2917
Meerwaardige carbonzuren, daarvan afgeleide anhydriden, halogeniden, peroxiden en peroxyzuren; de halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2917 11 00 , ex 2917 12 00 , 2917 14 00 , 2917 32 00 , 2917 35 00 en 2917 36 00
NG
2917 11 00
Oxaalzuur en zouten en esters daarvan
G
ex 2917 12 00
Adipinezuur en zouten daarvan
G
2917 14 00
Maleïnezuuranhydride
G
2917 32 00
Dioctylorthoftalaten
G
2917 35 00
Ftaalzuuranhydride
G
2917 36 00
Tereftaalzuur en zouten daarvan
G
ex 2918
Carbonzuren met andere zuurstofhoudende groepen, daarvan afgeleide anhydriden, halogeniden, peroxiden en peroxyzuren; alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2918 14 00 , 2918 15 00 , 2918 21 00 , 2918 22 00 en ex 2918 29 00
NG
2918 14 00
Citroenzuur
G
2918 15 00
Zouten en esters van citroenzuur
G
2918 21 00
Salicylzuur en zouten daarvan
G
2918 22 00
o-acetylsalicylzuur en zouten en esters daarvan
G
ex 2918 29 00
Sulfosalicylzuren en hydroxynaftoëzuren, alsmede zouten en esters daarvan
G
2919
Fosforzure esters en zouten daarvan, lactofosfaten daaronder begrepen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan
NG
2920
Esters van andere anorganische zuren van niet-metalen (andere dan esters van waterstofhalogeniden), alsmede zouten daarvan; halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten van deze producten
NG
ex 2921
Aminoverbindingen
G
2921 42 00
Derivaten van aniline, alsmede zouten daarvan
NG
ex 2922
Aminoverbindingen met zuurstofhoudende groepen
G
2922 41 00
Lysine en esters daarvan; zouten van deze producten
NG
2923
Quaternaire ammoniumzouten en -hydroxiden; lecithinen en andere fosfoaminolipiden, al dan niet chemisch welbepaald
NG
ex 2924
Amidoverbindingen van carbonzuren of van koolzuur, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 2924 23 00
G
2924 23 00
2-Acetamidobenzoëzuur (N-acetylantranilzuur) en zouten daarvan
NG
2925
Imidoverbindingen van carbonzuren, sacharine en zouten daarvan daaronder begrepen; iminoverbindingen
NG
ex 2926
Nitrillen (cyaanverbindingen), met uitzondering van het product bedoeld bij onderverdeling 2926 10 00
NG
2926 10 00
Acrylonitril
G
2927 00 00
Diazo-, azo- en azoxyverbindingen
NG
2928 00 90
Andere organische derivaten van hydrazine of van hydroxylamine
NG
2929 10 00
Isocyanaten
G
2929 90
Andere verbindingen met andere stikstofhoudende groepen
NG
2930 10 00
2-(N,N-dimethylamino)ethaanthiol
G
2930 20 00
Thiocarbamaten en dithiocarbamaten,
NG
2930 30 00
Thiurammono-, thiuramdi- en thiuramtetrasulfiden
NG
2930 40 90
Methionine, andere dan methionine (INN)
G
2930 60 00
2-(N,N-diëthylamino)ethaanthiol
G
2930 70 00
Bis(2-hydroxyethyl)sulfide (thiodiglycol (INN))
G
2930 80 00
Aldicarb (ISO), Captafol (ISO) en methamidofos (ISO)
G
2930 90 13
Cysteïne en cystine
G
2930 90 16
Derivaten van cysteïne of cystine
NG
2930 90 80
Foraat (ISO)
G
ex 2930 90 95
Andere organische zwavelverbindingen, dithiocarbonaten (xanthaten)
NG
ex 2930 90 95
Andere organische zwavelverbindingen dan dithiocarbonaten (xanthaten)
G
2931
Andere organische verbindingen van niet-metalen of van metalen
NG
ex 2932
Heterocyclische verbindingen met uitsluitend één of meer zuurstofatomen als heteroatoom, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 2932 12 00 , 2932 13 00 en ex 2932 20 90
NG
2932 12 00
2-furaldehyde (furfuraldehyde)
G
2932 13 00
Furfurylalcohol en tetrahydrofurfurylalcohol
G
ex 2932 20 90
Cumarine, methylcumarinen en ethylcumarinen
G
ex 2933
Heterocylische verbindingen met uitsluitend één of meer stikstofatomen als heteroatoom, met uitzondering van het product bedoeld bij onderverdeling 2933 61 00
NG
2933 61 00
Melamine
G
2934
Nucleïnezuren en zouten daarvan, al dan niet chemisch welbepaald; andere heterocyclische verbindingen
NG
2935 00
Sulfonamidoverbindingen
G
2938
Glycosiden (heterosiden), natuurlijke of door synthese gereproduceerd, alsmede zouten, ethers, esters en andere derivaten daarvan
NG
ex 2940 00 00
Suikers, chemisch zuiver, andere dan sacharose, lactose, maltose, glucose en fructose, en met uitzondering van ramnose, raffinose en mannose; ethers, acetalen en esters van suikers, alsmede zouten daarvan, andere dan de producten bedoeld bij de posten 2937 , 2938 en 2939
G
ex 2940 00 00
Ramnose, raffinose en mannose
NG
2941 20 30
Dihydrostreptomycine, alsmede zouten, esters en hydraten daarvan
NG
2942 00 00
Andere organische verbindingen
NG
S-6b
31
3102 21
Ammoniumsulfaat
NG
3102 40
Mengsels van ammoniumnitraat en calciumcarbonaat of andere niet-vruchtbaarmakende anorganische stoffen
NG
3102 50
Natriumnitraat
NG
3102 60
Dubbelzouten en mengsels van calciumnitraat en ammoniumnitraat
NG
3103 11 00 3103 19 00
Superfosfaat
G
3105
Minerale of chemische meststoffen die twee of drie van de vruchtbaarmakende elementen stikstof, fosfor en kalium bevatten; andere meststoffen; producten bedoeld bij hoofdstuk 31, in tabletten of in dergelijke vormen, dan wel in verpakkingen met een brutogewicht van niet meer dan 10 kg
G
32
ex Hoofdstuk 32
Looi- en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; pigmenten en andere kleur- en verfstoffen; verf en vernis; mastiek; inkt, met uitzondering van producten bedoeld bij de posten 3204 en 3206 , en met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 3201 90 20 , ex 3201 90 90 (looiextract van eucalyptusbast), ex 3201 90 90 (looiextracten van gambirbladeren en myrobalanen) en ex 3201 90 90 (andere looiextracten van plantaardige oorsprong)
NG
ex 3204
Synthetische organische kleurstoffen, ook indien chemisch welbepaald; preparaten bedoeld bij aantekening 3 op hoofdstuk 32, op basis van synthetische organische kleurstoffen; synthetische organische producten van de soort gebruikt als fluorescerende heldermakende stoffen of als “lichtgevende stoffen” (luminoforen), ook indien chemisch welbepaald
G
3204 11 00
Synthetische organische gedispergeerde kleurstoffen; preparaten op basis van synthetische organische gedispergeerde kleurstoffen
NG
3204 13 00
Synthetische organische basische kleurstoffen; preparaten op basis van synthetische organische basische kleurstoffen
NG
3204 14 00
Synthetische organische directe kleurstoffen; preparaten op basis van synthetische organische directe kleurstoffen
NG
3204 15
Synthetische organische kuipkleurstoffen, incl. die als zodanig geschikt zijn als pigment; preparaten op basis van synthetische organische kuipkleurstoffen
NG
3206
Andere kleur- en verfstoffen; preparaten bedoeld bij aantekening 3 op hoofdstuk 32, andere dan die bedoeld bij de posten 3203 , 3204 en 3205 ; anorganische producten van de soort gebruikt als “lichtgevende stoffen” (luminoforen), ook indien chemisch welbepaald
G
33
Hoofdstuk 33
Etherische oliën en harsaroma’s; parfumerieën, toiletartikelen en cosmetische producten
NG
34
Hoofdstuk 34
Zeep, organische tensioactieve producten; wasmiddelen, smeermiddelen, kunstwas, bereide was, poets- en onderhoudsmiddelen, kaarsen en dergelijke artikelen, modelleerpasta’s, tandtechnische waspreparaten en tandtechnische preparaten op basis van gebrand gips
NG
35
3501
Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne
G
3502 90 90
Albuminaten en andere derivaten van albuminen
NG
3503 00
Gelatine (gelatine in vierkante of rechthoekige bladen of vellen, ook indien gekleurd of aan het oppervlak bewerkt, daaronder begrepen) en derivaten daarvan; “isinglass”; andere lijm van dierlijke oorsprong, andere dan lijm van caseïne bedoeld bij post 3501
NG
3504 00
Peptonen en derivaten daarvan; andere proteïnestoffen en derivaten daarvan, elders genoemd noch elders onder begrepen; poeder van huiden, ook indien behandeld met chroom
NG
3505 10 50
Zetmeel, door ethervorming of door verestering gewijzigd
NG
3506
Lijm en andere bereide kleefmiddelen, elders genoemd noch elders onder begrepen; als lijm of als kleefmiddel te gebruiken producten, opgemaakt voor de verkoop in het klein als lijm of als kleefmiddel, in een opmaak met een nettogewicht van niet meer dan 1 kg
NG
3507
Enzymen; bereidingen van enzymen, elders genoemd noch elders onder begrepen
G
36
Hoofdstuk 36
Kruit en springstoffen; pyrotechnische artikelen; lucifers; vonkende legeringen; ontvlambare stoffen
NG
37
Hoofdstuk 37
Producten voor fotografie en cinematografie
NG
38
ex Hoofdstuk 38
Diverse producten van de chemische industrie, met uitzondering van de producten bedoeld bij de posten 3802 en 3817 00 , de onderverdelingen 3823 12 00 en 3823 70 00 en post 3825 , en met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 3809 10 en 3824 60
NG
3802
Actieve kool; geactiveerde natuurlijke minerale producten; dierlijk zwartsel, afgewerkt dierlijk zwartsel daaronder begrepen
G
3817 00
Alkylbenzenen en alkylnaftalenen, van gemengde samenstelling, andere dan die bedoeld bij post 2707 of 2902
G
3823 12 00
Oliezuur
G
3823 70 00
Industriële vetalcoholen
G
3825
Residuen van de chemische of van aanverwante industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen; stedelijk afval; slib van afvalwater; andere afvallen bedoeld bij aantekening 6 op hoofdstuk 38
G
S-7a
39
ex Hoofdstuk 39
Kunststof en werken daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij de posten 3901 , 3902 , 3903 en 3904 , de onderverdelingen 3906 10 00 , 3907 10 00 , 3907 61 , 3907 69 en 3907 99 , de posten 3908 en 3920 en de onderverdelingen ex 3921 90 10 en 3923 21 00
NG
3901
Polymeren van ethyleen, in primaire vormen
G
3902
Polymeren van propyleen of van andere olefinen, in primaire vormen
G
3903
Polymeren van styreen, in primaire vormen
G
3904
Polymeren van vinylchloride of van andere halogeenolefinen, in primaire vormen
G
3906 10 00
Poly(methylmethacrylaat)
G
3907 10 00
Polyacetalen
G
3907 61 00
Poly(ethyleentereftalaat) met een viscositeitsgetal van 78 ml/g of meer
G
3907 69 00
Poly(ethyleentereftalaat), andere dan met een viscositeitsgetal van 78 ml/g of meer
G
3907 99
Andere polyesters, andere dan onverzadigde
G
3908
Polyamiden in primaire vormen
G
3920
Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van kunststof zonder celstructuur, niet versterkt, gelaagd of op dergelijke wijze gecombineerd met andere stoffen, niet op een drager
G
ex 3921 90 10
Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen, van polyesters, andere dan producten met celstructuur en andere dan gegolfde platen en vellen
G
3923 21 00
Zakken van polymeren van ethyleen
G
S-7b
40
ex Hoofdstuk 40
Rubber en werken daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 4010
NG
4010
Drijfriemen, drijfsnaren en transportbanden, van gevulkaniseerde rubber
G
S-8a
41
ex 4104
Gelooide onthaarde huiden en vellen en niet-afgewerkt leder (“crust”) van runderen (buffels daaronder begrepen), van paarden of van paardachtigen, ook indien gesplit, maar niet verder bewerkt, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 4104 41 19 en 4104 49 19
G
ex 4106 31 00
Gelooide onthaarde huiden en vellen en niet-afgewerkt leder van varkens, in vochtige staat (“wet-blue” daaronder begrepen), gesplit maar niet verder bewerkt
NG
4106 32 00
Gelooide onthaarde huiden en vellen en niet-afgewerkt leder van varkens, in droge staat (“crust”), ook indien gesplit, maar niet verder bewerkt
NGNG
4107
Leder dat na het looien of het drogen verder is bewerkt, alsmede tot perkament verwerkte huiden en vellen, van runderen (buffels daaronder begrepen), van paarden of van paardachtigen, onthaard, ook indien gesplit, andere dan de producten bedoeld bij post 4114
G
4112 00 00
Leder dat na het looien of het drogen verder is bewerkt, alsmede tot perkament verwerkte huiden en vellen, van schapen, onthaard, ook indien gesplit, andere dan de producten bedoeld bij post 4114
G
ex 4113
Leder dat na het looien of het drogen verder is bewerkt, alsmede tot perkament verwerkte huiden en vellen, van andere dieren, en leder dat na het looien of het drogen verder is bewerkt, alsmede tot perkament verwerkte huiden en vellen, van niet-behaarde dieren, ook indien gesplit, andere dan de producten bedoeld bij post 4114 , met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 4113 10 00
NG
4113 10 00
Van geiten
G
4114
Zeemleder, gecombineerd gelooid zeemleder daaronder begrepen; lakleder, gelamineerd lakleder daaronder begrepen; gemetalliseerd leder
G
4115 10 00
Kunstleder op basis van leder of van ledervezels, in platen, bladen, vellen of strippen, ook indien op rollen
G
S-8b
42
ex Hoofdstuk 42
Lederwaren; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, handtassen en dergelijke bergingsmiddelen; werken van darmen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de posten 4202 en 4203
NG
4202
Reiskoffers en valiezen, koffers voor toiletbenodigdheden, documentenkoffertjes, aktetassen, school- en boekentassen, etuis, foedralen en kokers voor kijkers, voor camera’s, voor wapens, voor muziekinstrumenten of voor brillen, alsmede dergelijke bergingsmiddelen; reiszakken, isothermische zakken voor voedsel of voor dranken, toiletzakken, rugzakken, handtassen, boodschappentassen, portefeuilles, portemonnees, kaartentassen, sigarettenkokers, tabakszakken, gereedschapstassen en -zakken, tassen, etuis, foedralen en kokers voor sportartikelen, etuis, foedralen en kokers voor flacons, juwelendoosjes, poederdozen, etuis, foedralen en kokers voor messenmakerswerk, alsmede dergelijke bergingsmiddelen, van leder, van kunstleder, van kunststof in vellen, van textiel, van vulkanfiber of van karton, of geheel of voor het grootste deel bekleed met deze stoffen of met papier
G
4203
Kleding en kledingtoebehoren, van leder of van kunstleder
G
43
Hoofdstuk 43
Pelterijen en bontwerk; namaakbont
NG
S-9a
44
ex Hoofdstuk 44
Hout en houtwaren, met uitzondering van de producten bedoeld bij de posten 4410 , 4411 en 4412 en de onderverdelingen 4418 10 , 4418 20 10 , 4418 74 00 , 4420 10 11 , 4420 90 10 en 4420 90 91 ; houtskool
NG
4410
Spaanplaat, zogenoemde oriented strand board (OSB) en dergelijke plaat (bijvoorbeeld zogenoemde waferboard), van hout of van andere houtachtige stoffen, ook indien samengeperst met harsen of met andere organische bindmiddelen
G
4411
Vezelplaat van houtvezels of van andere houtachtige vezels, ook indien gebonden met harsen of met andere organische bindmiddelen
G
4412
Triplex- en multiplexhout, met fineer bekleed hout en op dergelijke wijze gelaagd hout
G
4418 11 00
Vensters en vensterdeuren, alsmede kozijnen daarvoor van tropisch hout
G
4418 19
Vensters en vensterdeuren, alsmede kozijnen daarvoor van ander hout
G
4418 21 10
Deuren en kozijnen daarvoor, alsmede drempels, van tropische houtsoorten bedoeld bij aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 44
G
4418 74 00
Andere ineengezette mozaïekpanelen voor vloerbedekking, van hout
G
4420 10 11
Beeldjes en andere siervoorwerpen, van tropische houtsoorten bedoeld bij aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 44;
Inlegwerk van hout;
Andere koffertjes, kistjes en etuis, voor juwelen of voor goudsmidswerk, alsmede dergelijke artikelen, en meubelmakerswerk, ander dan dat bedoeld bij hoofdstuk 94, van tropische houtsoorten bedoeld bij aanvullende aantekening 2 op hoofdstuk 44
G
4420 90 10
4420 90 91
S-9b
45
ex Hoofdstuk 45
Kurk en kurkwaren, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 4503
NG
4503
Werken van natuurkurk
G
46
Hoofdstuk 46
Vlechtwerk en mandenmakerswerk
G
S-11a
50
Hoofdstuk 50
Zijde
G
51
ex Hoofdstuk 51
Wol, fijn haar en grof haar, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 5105 ; garens en weefsels van paardenhaar (crin)
G
52
Hoofdstuk 52
Katoen
G
53
Hoofdstuk 53
Andere plantaardige textielvezels; papiergarens en weefsels daarvan
G
54
Hoofdstuk 54
Synthetische of kunstmatige filamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm, van synthetische of van kunstmatige textielstoffen
G
55
Hoofdstuk 55
Synthetische of kunstmatige stapelvezels
G
56
Hoofdstuk 56
Watten, vilt en gebonden textielvlies; speciale garens; bindgaren, touw en kabel, alsmede werken daarvan
G
57
Hoofdstuk 57
Tapijten
G
58
Hoofdstuk 58
Speciale weefsels; getufte textielstoffen; kant; tapisserieën; passementwerk; borduurwerk
G
59
Hoofdstuk 59
Weefsels, geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen; technische artikelen van textielstoffen
G
60
Hoofdstuk 60
Brei- en haakwerk aan het stuk
G
S-11b
61
Hoofdstuk 61
Kleding en kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk
G
62
Hoofdstuk 62
Kleding en kledingtoebehoren, andere dan van brei- of haakwerk
G
63
Hoofdstuk 63
Andere geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen of assortimenten; oude kleren en dergelijke; lompen en vodden
G
S-12a
64
Hoofdstuk 64
Schoeisel, beenkappen en dergelijke artikelen; delen daarvan
G
S-12b
65
Hoofdstuk 65
Hoofddeksels en delen daarvan
NG
66
Hoofdstuk 66
Paraplu’s, parasols, wandelstokken, zitstokken, zwepen, rijzwepen, alsmede delen daarvan
G
67
Hoofdstuk 67
Geprepareerde veren en geprepareerd dons en artikelen van veren of van dons; kunstbloemen; werken van mensenhaar
NG
S-13
68
Hoofdstuk 68
Werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen
NG
69
Hoofdstuk 69
Keramische producten
G
70
Hoofdstuk 70
Glas en glaswerk
G
S-14
71
ex Hoofdstuk 71
Echte en gekweekte parels, edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; munten, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 7117
NG
7117
Fancybijouterieën
G
S-15a
72
7202
Ferrolegeringen
G
73
Hoofdstuk 73
Werken van gietijzer, van ijzer en van staal
NG
S-15b
74
Hoofdstuk 74
Koper en werken van koper
G
75
7505 12 00
Staven en profielen, van nikkellegeringen
NG
7505 22 00
Draad van nikkellegeringen
NG
7506 20 00
Platen, bladen en strippen, van nikkellegeringen
NG
7507 20 00
Hulpstukken voor buisleidingen, van nikkel
NG
76
ex Hoofdstuk 76
Aluminium en werken van aluminium, met uitzondering van de producten van post 7601
G
78
ex Hoofdstuk 78
Lood en werken van lood, met uitzondering van de producten van post 7801
G
7801 99
Ruw lood met uitzondering van geraffineerd lood, en met uitzondering van lood waarin, van de andere elementen, antimoon met het hoogste gewicht voorkomt
NG
79
ex Hoofdstuk 79
Zink en werken van zink, met uitzondering van de producten van de posten 7901 en 7903
G
81
ex Hoofdstuk 81
Andere onedele metalen; cermets; werken van deze stoffen, met uitzondering van producten van de onderverdelingen 8101 10 00 , 8102 10 00 , 8102 94 00 , 8109 21 00 , 8109 29 00 , 8110 10 00 , 8112 21 90 , 8112 51 00 , 8112 59 00 , 8112 92 en 8113 00 20 , met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 8101 94 00 , 8104 11 00 , 8104 19 00 , 8112 69 10 , 8108 20 00 en 8108 30 00
G
8101 94 00
Ruw wolfraam, met inbegrip van staven en roeden die enkel door sinteren zijn verkregen
NG
8104 11 00
Ruw magnesium, bevattende 99,8 of meer gewichtspercenten magnesium
NG
8104 19 00
Ruw magnesium (met uitzondering van magnesium bedoeld bij onderverdeling 8104 11 00 )
NG
8112 69 10
Ruw cadmium; poeder
NG
8108 20 00
Ruw titanium; poeder
NG
8108 30 00
Afval en restanten van titaan
NG
82
Hoofdstuk 82
Gereedschap; messenmakerswerk, lepels en vorken, van onedel metaal; delen van deze artikelen van onedel metaal
G
83
Hoofdstuk 83
Allerlei werken van onedele metalen
G
S-16
84
ex Hoofdstuk 84
Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, en delen daarvan, met uitzondering van de producten van de onderverdelingen 8401 10 00 en 8407 21 10
NG
8401 10 00
Kernreactoren (Euratom)
G
8407 21 10
Motoren voor de voortstuwing van schepen, buitenboordmotoren, met een cilinderinhoud van niet meer dan 325 cm3
G
85
ex Hoofdstuk 85
Elektrische machines, apparaten, uitrustingsstukken, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 8516 50 00 , 8519 20 , 8519 30 00 , de posten 8521 , 8525 en 8527 , de onderverdelingen 8528 49 00 , 8528 59 en 8528 69 tot en met 8528 72 , post 8529 en de onderverdelingen 8540 11 00 en 8540 12 00
NG
8516 50 00
Microgolfovens
G
8519 20
Toestellen werkende op munten, bankbiljetten, bankkaarten, penningen of door andere wijze van betaling; platenspelers
G
8519 30 00
ex 8521
Video-opname- en videoweergaveapparaten ook indien met ingebouwde videotuner, met uitzondering van producten van onderverdeling 8521 90 00
G
8521 90 00
Video-opname- en videoweergaveapparaten (met uitzondering van typen die werken met magneetbanden); video-opname- en videoweergaveapparaten, ook indien met ingebouwde videotuner (met uitzondering van typen die werken met magneetbanden)
NG
8525
Zendtoestellen voor radio-omroep of televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel of toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid; televisiecamera’s; digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen
G
8527
Ontvangtoestellen voor radio-omroep, ook indien in dezelfde kast gecombineerd met een toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid of met een uurwerk
G
8528 59
Andere monitors en andere projectietoestellen, niet uitgerust met ontvangtoestel voor televisie, andere dan kathodestraalbuismonitoren en monitoren en projectoren van de soort die geschikt is om direct te worden aangesloten op en ontworpen is om te worden gebruikt met een automatische gegevensverwerkende machine van post 8471 ; andere ontvangtoestellen voor televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel voor radio-omroep of toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid of van beelden, niet ontworpen om een beeldscherm of een apparaat voor videoweergave te bevatten, voor kleurenweergave, andere dan monochrome weergave
G
8528 69 t/m 8528 72
8529
Delen waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de toestellen bedoeld bij de posten 8524 tot en met 8528
G
8540 11
Kathodestraalbuizen voor ontvangtoestellen voor televisie, buizen voor videomonitors daaronder begrepen, voor kleurenweergave of voor monochrome weergave
G
8540 12 00
S-17 a
86
Hoofdstuk 86
Rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen, alsmede delen daarvan; vast materieel voor spoor- en tramwegen, alsmede elementen en delen daarvan; mechanische (elektromechanische daaronder begrepen) signaal- en waarschuwingstoestellen voor het verkeer
NG
S-17b
87
ex Hoofdstuk 87
Automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen voor vervoer over land, alsmede delen en toebehoren daarvan, met uitzondering van de posten 8702 , 8703 , 8704 , 8705 , 8706 00 , 8707 , 8708 , 8709 , 8711 , 8712 00 en 8714
NG
8702
Automobielen voor het vervoer van tien of meer personen, de bestuurder daaronder begrepen
G
8703
Automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer (andere dan die bedoeld bij post 8702 ), motorvoertuigen van het type stationwagen of break en racewagens daaronder begrepen
S
8704
Automobielen voor goederenvervoer
G
8705
Automobielen voor bijzondere doeleinden (bijvoorbeeld takelwagens, kraanauto’s, brandweerauto’s, automobielen met menginstallatie voor beton, veegauto’s, sproeiauto’s, werkplaatsauto’s, röntgenauto’s), andere dan die hoofdzakelijk ontworpen voor het vervoer van personen of van goederen
G
8706 00
Chassis met motor, voor motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705
G
8707
Carrosserieën voor motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705 , cabines daaronder begrepen
G
8708
Delen en toebehoren van motorvoertuigen bedoeld bij de posten 8701 tot en met 8705
G
8709
Transportwagens met eigen beweegkracht, niet voorzien van een hefsysteem, van de soort gebruikt in fabrieken, in opslagplaatsen, op haventerreinen of op vliegvelden, voor het vervoer van goederen over korte afstanden; trekkers van de soort gebruikt voor het trekken van perronwagentjes; delen daarvan
G
8711
Motorrijwielen en rijwielen met hulpmotor, ook indien met zijspan; zijspanwagens
G
8712 00
Rijwielen (bakfietsen daaronder begrepen), zonder motor
G
8714
Delen en toebehoren van de voertuigen bedoeld bij de posten 8711 tot en met 8713
G
88
Hoofdstuk 88
Luchtvaart en ruimtevaart
NG
89
Hoofdstuk 89
Scheepvaart
NG
S-18
90
Hoofdstuk 90
Instrumenten, apparaten en toestellen voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; delen en toebehoren daarvan
G
91
Hoofdstuk 91
Uurwerken
G
92
Hoofdstuk 92
Muziekinstrumenten; delen en toebehoren van muziekinstrumenten
NG
S-20
94
ex Hoofdstuk 94
Meubelen (ook voor medisch of voor chirurgisch gebruik); artikelen voor bedden en dergelijke artikelen; geprefabriceerde bouwwerken, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 9405
NG
9405
Lichtarmaturen en verlichtingstoestellen (zoeklichten en schijnwerpers daaronder begrepen) en delen daarvan, elders genoemd noch elders onder begrepen; lichtreclames, verlichte aanwijzingsborden en dergelijke artikelen, voorzien van een vast aangebrachte lichtbron, alsmede elders genoemde noch elders onder begrepen delen daarvan
G
95
ex Hoofdstuk 95
Speelgoed, spellen, artikelen voor ontspanning en sportartikelen; delen en toebehoren daarvan, met uitzondering van de producten bedoeld bij de onderverdelingen 9503 00 35 tot en met 9503 00 99
NG
9503 00 35 t/m 9503 00 39
Andere bouwdozen en ander constructiespeelgoed
G
9503 00 41 t/m 9503 00 49
Speelgoed, zijnde nabootsingen van dieren of van niet-menselijke wezens
G
9503 00 55
Speelgoedmuziekinstrumenten en -apparaten
G
9503 00 61 t/m 9503 00 69
Puzzels
G
9503 00 70
Ander speelgoed, aangeboden in assortimenten of in stellen
G
9503 00 75 t/m 9503 00 79
Ander speelgoed en modellen, met motor
G
9503 00 81
Speelgoedwapens
G
9503 00 85
Miniatuurmodellen, vervaardigd door vormgieten, van metaal
G
9503 00 87
Draagbare interactieve elektronische educatieve toestellen, hoofdzakelijk bestemd voor kinderen
G
9503 00 95 t/m 9503 00 99
Ander speelgoed
G
96
Hoofdstuk 96
Diverse werken
NG
BIJLAGE IV
VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN DE ARTIKELEN 8 EN 33
1.
Artikel 8 of artikel 33 is van toepassing als het percentage als bedoeld in lid 1 van het respectieve artikel hoger is dan 47 %.
2.
Artikel 8 is van toepassing voor elke SAP-afdeling S-2a, S-3 en S-5 van bijlage III als het percentage als bedoeld in artikel 8, lid 1, hoger is dan 17,5 %.
3.
Artikel 8 of artikel 33 is van toepassing voor elke SAP-afdeling S-11a en S-11b van bijlage III als het percentage als bedoeld in lid 1 van het respectieve artikel hoger is dan 37 %.
BIJLAGE V
VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN HOOFDSTUK III
1.
Voor de toepassing van hoofdstuk III wordt onder een kwetsbaar land verstaan een land waarvoor, uitgedrukt in waarde, de zeven grootste SAP-afdelingen van zijn invoer in de Unie van de in bijlage III opgenomen producten de drempel overschrijden van 75 % in waarde van zijn totale invoer in de Unie van de in die bijlage opgenomen producten, als een gemiddelde tijdens de laatste drie opeenvolgende jaren.
2.
Voor de toepassing van artikel 9, lid 1, punt a), zijn de gegevens die voor de toepassing van punt 1 van deze bijlage moeten worden gebruikt, de gegevens die beschikbaar zijn op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van het in artikel 10, lid 1, bedoelde verzoek.
3.
Voor de toepassing van artikel 11 zijn de gegevens die voor de toepassing van punt 1 van deze bijlage moeten worden gebruikt, de gegevens die beschikbaar zijn op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de gedelegeerde handelingen als bedoeld in artikel 11, lid 2, is vastgesteld.
BIJLAGE VI
DESBETREFFENDE VERDRAGEN
A. VN-verdragen betreffende mensenrechten
1.
Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (1948)2.
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1965)3.
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (1966)4.
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (1966)5.
Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (1979)6.
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (1984)7.
Verdrag inzake de rechten van het kind (1989)8.
Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten (2000)9.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (2006)B. IAO-verdragen betreffende rechten van werkenden
10.
Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, nr. 29 (1930)11.
Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, nr. 87 (1948)12.
Verdrag betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, nr. 81 (1947)13.
Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, nr. 98 (1949)14.
Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde, nr. 100 (1951)15.
Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, nr. 105 (1957)16.
Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, nr. 111 (1958)17.
Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, nr. 138 (1973)18.
Verdrag betreffende tripartiete raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van internationale arbeidsnormen, nr. 144 (1976)19.
Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid, nr. 182 (1999)C. Verdragen betreffende klimaat en milieubescherming
20.
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (1973)21.
Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (1987)22.
Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (1989)23.
Verdrag inzake biologische diversiteit (1992)24.
Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (1992)25.
Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (2000)26.
Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (2001)27.
Overeenkomst van Parijs (2015)D. Verdragen inzake goed bestuur
28.
Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen (1961)29.
Verdrag inzake psychotrope stoffen (1971)30.
Verdrag van de VN tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (1988)31.
Verdrag van de VN ter bestrijding van corruptie (2004)32.
Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (2000)BIJLAGE VII
LIJST VAN PRODUCTEN DIE ALLEEN VALLEN ONDER HET SAP+
Niettegenstaande de voorschriften voor de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de producten slechts geacht een indicatieve waarde te hebben, aangezien de GN-codes de tariefpreferenties bepalen. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de aanduiding “ex”, worden de tariefpreferenties zowel door de GN-code als door de bijbehorende omschrijving bepaald.
Voor producten met een GN-code die wordt gemarkeerd met een asterisk (*), gelden de voorwaarden in het desbetreffende recht van de Unie.
Ter vereenvoudiging zijn de producten gegroepeerd. Die groepen kunnen producten omvatten waarvoor de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief zijn ingetrokken of geschorst.
SAP-afdeling
Hoofdstuk
GN-code
Omschrijving
S-1a
02
ex 0208
Ander vlees en andere eetbare slachtafvallen, vers, gekoeld of bevroren, met uitzondering van de producten bedoeld bij onderverdeling 0208 40 20
04
0409 00 00
Natuurhoning
S-1b
03
Hoofdstuk 3 (1)
Vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren
S-2b
07
0710 80 85
Asperges
0709 56 00
Truffels (Tuber spp.)
08
0811 10
Aardbeien
0811 20
Frambozen, bramen, moerbeien, loganbessen, zwarte, witte of rode aalbessen en kruisbessen
S-4a
16
1602 50 31
Andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen, andere dan niet-gekookt; mengsels van gekookt vlees of van slachtafvallen en niet-gekookt vlees of slachtafvallen
1602 50 95
S-4b
17
1704 (2)
Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen)
20
2002
Tomaten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur
2005 80 00
Suikermaïs (Zea mays var. saccharata)
2008 40 19
Peren, met toegevoegde alcohol, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 1 kg, met een suikergehalte van meer dan 13 gewichtspercenten, elders genoemd noch elders onder begrepen
2008 40 31
Peren, met toegevoegde alcohol, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 1 kg, met een suikergehalte van meer dan 15 gewichtspercenten
2008 40 51 t/m 2008 40 90
Peren, zonder toegevoegde alcohol
2008 70 19
Perziken, nectarines daaronder begrepen, met toegevoegde alcohol, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 1 kg, met een suikergehalte van meer dan 13 gewichtspercenten, elders genoemd noch elders onder begrepen
2008 70 51
Perziken, nectarines daaronder begrepen, met toegevoegde alcohol, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 1 kg, met een suikergehalte van meer dan 15 gewichtspercenten
2008 70 61 t/m 2008 70 98
Perziken, nectarines daaronder begrepen, zonder toegevoegde alcohol
22
2207
Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholgehalte van 80 volumepercent of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte
S-6b
31
3102
Minerale of chemische stikstofhoudende meststoffen
S-15b
78
7801 10
Geraffineerd lood
7801 91
Ruw lood, waarin, van de andere elementen, antimoon met het hoogste gewicht voorkomt, met uitzondering van geraffineerd lood
(1) Voor de producten bedoeld bij onderverdeling 0306 13 is het recht 3,6 %.
(2) Voor producten bedoeld bij onderverdeling 1704 10 90 wordt het specifieke recht beperkt tot 16 % van de douanewaarde.
BIJLAGE VIII
CONCORDANTIETABEL
Verordening (EU) nr. 978/2012
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 2, punt a)
—
Artikel 2, punt b)
Artikel 2, punt 1
—
Artikel 2, punt 2
Artikel 2, punt c)
—
—
Artikel 2, punt 3
Artikel 2, punt d)
Artikel 2, punt 4
Artikel 2, punt e)
Artikel 2, punt 5
Artikel 2, punt f)
Artikel 2, punt 6
Artikel 2, punt g)
Artikel 2, punt 7
Artikel 2, punten h) en i)
—
Artikel 2, punt j)
Artikel 2, punt 8
Artikel 2, punt k)
Artikel 2, punt 9
—
Artikel 2, punten 10 en 11
Artikel 2, punt l)
Artikel 2, punt 12
—
Artikel 2, punt 13
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 4, leden 1 en 2
Artikel 4, leden 1 en 2
Artikel 4, lid 3
—
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 8
Artikel 9, lid 1
Artikel 9, leden 1 en 2
Artikel 9, lid 2
—
—
Artikel 9, lid 3
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 13, leden 1 en 2
Artikel 13, leden 1 en 2
—
Artikel 13, lid 3
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 15, leden 1 tot en met 10
Artikel 15, leden 1 tot en met 10
—
Artikel 15, lid 11
Artikel 15, leden 11 en 12
Artikel 15, leden 12 en 13
Artikel 16
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 17
Artikel 18, lid 1
Artikel 18
Artikel 18, leden 2 en 3
—
—
Artikel 19
—
Artikel 20
—
Artikel 21
—
Artikel 22
Artikel 19, leden 1 tot en met 12
Artikel 23, leden 1 tot en met 12
–
Artikel 23, lid 13
Artikel 19, lid 13
Artikel 23, lid 14
—
Artikel 23, lid 15
Artikel 19, lid 14
Artikel 23, lid 16
—
Artikel 23, leden 17 en 18
Artikel 20
Artikel 24
Artikel 21
Artikel 25
Artikel 22
Artikel 26
Artikel 23
Artikel 27
Artikel 24
Artikel 28, leden 1 tot en met 4
—
Artikel 28, lid 5
Artikel 25
Artikel 29
Artikel 26
Artikel 30
Artikel 27
Artikel 31
Artikel 28
Artikel 32
Artikel 29
Artikel 33
—
Artikel 34
Artikel 30
Artikel 35
Artikel 31
Artikel 36
Artikel 32, lid 1
Artikel 37, leden 1 en 2
Artikel 32, lid 2
—
—
Artikel 37, leden 3 tot en met 5
—
Artikel 38
Artikel 33, leden 1 en 2
Artikel 39, leden 1 en 2
—
Artikel 39, leden 3 tot en met 5
—
Artikel 40
Artikel 34
Artikel 41
Artikel 35
Artikel 42
—
Artikel 43
—
Artikel 44
Artikel 36, leden 1 tot en met 3
Artikel 45, leden 1 tot en met 3
—
Artikel 45, lid 4
Artikel 36, leden 4 en 5
Artikel 45, leden 5 en 6
Artikel 37
Artikel 46
Artikel 38
Artikel 47
Artikel 39
Artikel 48
Artikel 40
Artikel 49
Artikel 41
Artikel 50
Artikel 42, leden 1 en 2
Artikel 51, leden 1 en 2
—
Artikel 51, lid 3
Artikel 43
Artikel 52
Bijlage I, positief deel van de bijlagen II, III en IV
Bijlage I
Negatief deel van de bijlagen II, III en IV
Bijlage II
Bijlage V
Bijlage III
Bijlage VI
Bijlage IV
Bijlage VII
Bijlage V
Bijlage VIII, delen A en B
Bijlage VI
Bijlage IX
Bijlagen III en VII
Bijlage X
Bijlage VIII
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1395/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top