Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
L-serie
2025/2445
8.12.2025
VERORDENING (EU, Euratom) 2025/2445 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 26 november 2025
betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen
(herschikking)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 224,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),
Gezien het advies van de Rekenkamer (3),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5) is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd (6). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, moet ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die verordening worden overgegaan.
(2)
Volgens artikel 10, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) dragen politieke partijen op Europees niveau bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie. Ook volgens artikel 12, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”) dragen dergelijke politieke partijen bij tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.
(3)
Artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar moet streven de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.
(4)
Volgens artikel 11, lid 1, van het Handvest heeft eenieder het recht op vrijheid van meningsuiting, hetgeen de vrijheid omvat een mening te hebben en kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Volgens artikel 12, lid 1, van het Handvest heeft eenieder op alle niveaus, met name op politiek, vakverenigings- en maatschappelijk gebied, het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging. Die rechten zijn grondrechten van iedere burger van de Unie.
(5)
Artikel 21 van het Handvest houdt onder meer het verbod op discriminatie op grond van geslacht of seksuele gerichtheid in.
(6)
Om de burgers van de Unie in staat te stellen ten volle deel te nemen aan het democratisch proces van de Unie, moeten maatregelen worden genomen om te waarborgen dat zij die rechten kunnen uitoefenen.
(7)
Dankzij de manier waarop zij de kloof tussen de politiek op nationaal niveau en op Unieniveau kunnen dichten, vervullen werkelijk transnationale Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen een belangrijke rol door de stem van de burgers op Europees niveau te laten horen.
(8)
Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten worden aangemoedigd en gesteund bij hun inspanningen om een stevige band tot stand te brengen tussen de Europese civiele samenleving en de instellingen van de Unie, met name het Europees Parlement.
(9)
Gezien de rol van Europese politieke partijen krachtens het VEU en ter vereenvoudiging van hun werk is het noodzakelijk om voor Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen een specifieke Europese rechtsstatus te creëren.
(10)
De Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (de “Autoriteit”) is een orgaan van de Unie in de zin van artikel 263 VWEU dat tot doel heeft Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen te registreren en te controleren en hun sancties op te leggen. Registratie moet als voorwaarde gelden voor het verkrijgen van de Europese rechtsstatus, die een aantal rechten en verplichtingen met zich meebrengt. Om belangenconflicten te vermijden, moet de Autoriteit onafhankelijk zijn.
(11)
Het is noodzakelijk de procedures vast te stellen die Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten volgen om uit hoofde van deze verordening een Europese rechtsstatus te verkrijgen. Ook is het noodzakelijk de procedures en criteria vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij het nemen van besluiten over de toekenning van een dergelijke Europese rechtsstatus. Daarnaast is het noodzakelijk de procedures vast te stellen voor gevallen waarin een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting haar Europese rechtsstatus verspeelt, verliest of opgeeft.
(12)
Teneinde het toezicht op juridische entiteiten die zowel aan het recht van de Unie als aan het nationale recht onderworpen zijn te vergemakkelijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de werking van een door de Autoriteit te beheren register van Europese politieke partijen en stichtingen (het “register”), en met name wat betreft de in het register opgeslagen informatie en bewijsstukken. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(13)
Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende bepalingen inzake het systeem voor de toekenning van registratienummers en inzake standaarduittreksels uit het register die door de Autoriteit op verzoek beschikbaar worden gesteld aan derde partijen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (8).
(14)
Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen die als zodanig op Unieniveau erkenning willen in de vorm van een Europese rechtsstatus en financiering uit de algemene begroting van de Unie willen ontvangen, moeten bepaalde beginselen in acht nemen en aan bepaalde voorwaarden voldoen. Europese politieke partijen, daaraan verbonden Europese politieke stichtingen en hun respectieve leden moeten met name de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust eerbiedigen. Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten er tevens voor zorgen dat de bij hen aangesloten partijen en organisaties die waarden eerbiedigen.
(15)
Europese politieke stichtingen kunnen samenwerken met partners, waaronder universiteiten, ngo’s, opleidingsinstellingen, onderzoekspartners en denktanks (“samenwerkingspartners”).
(16)
Bij het nemen van een besluit tot registratie van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting moet de Autoriteit zich baseren op een door de Europese politieke partij of Europese politieke stichting afgegeven formele standaardverklaring volgens het aan deze verordening gehechte model om na te gaan of de partij of stichting voldoet aan haar verplichtingen om de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust te eerbiedigen en of zij ervoor zorgt dat haar leden die waarden eerbiedigen.
(17)
Een besluit tot schrapping van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uit het register wegens het niet eerbiedigen van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, dient uitsluitend te worden genomen indien die waarden op ernstige en manifeste wijze worden geschonden. Bij het nemen van een dergelijk besluit moet de Autoriteit het Handvest ten volle eerbiedigen.
(18)
Om de financiële belangen van de Unie te beschermen moeten besluiten tot schrapping van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uit het register van kracht worden door kennisgeving.
(19)
De statuten van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting dienen een reeks basisbepalingen te bevatten. Het moet de lidstaten worden toegestaan om aanvullende vereisten op te leggen voor de statuten van de op hun grondgebied gevestigde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, mits die aanvullende vereisten niet onverenigbaar zijn met deze verordening.
(20)
De Autoriteit dient op gezette tijden te controleren of Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen nog aan de voorwaarden en vereisten voor registratie voldoen. Besluiten inzake de eerbiediging van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, mogen alleen worden genomen volgens een specifieke procedure, na raadpleging van het bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 opgerichte comité van onafhankelijke vooraanstaande personen.
(21)
De onafhankelijkheid en transparantie van het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen moeten worden gewaarborgd.
(22)
Onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens kan democratieën en verkiezingsprocessen blootstellen aan mogelijke risico’s. Daarom is het noodzakelijk de integriteit van het Europese democratische proces te beschermen door te voorzien in financiële sancties voor situaties waarin Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen gebruikmaken van inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens om de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement te beïnvloeden.
(23)
Daartoe moet een verificatieprocedure worden vastgesteld die inhoudt dat de Autoriteit in bepaalde omstandigheden het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen moet verzoeken te beoordelen of een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting de uitslag van verkiezingen voor het Europees Parlement bewust heeft beïnvloed of heeft trachten te beïnvloeden door gebruik te maken van een inbreuk op de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens. Indien blijkt dat dit het geval is, dient de Autoriteit effectieve, evenredige en afschrikkende financiële sancties op te leggen.
(24)
Indien de Autoriteit een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting overeenkomstig de verificatieprocedure een sanctie oplegt, moet zij naar behoren rekening houden met het ne-bis-in-idembeginsel, dat inhoudt dat niet tweemaal een sanctie kan worden opgelegd voor hetzelfde strafbare feit. De Autoriteit moet tevens waarborgen dat het rechtszekerheidsbeginsel in acht wordt genomen en dat de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord.
(25)
Aangezien de verificatieprocedure in werking wordt gesteld door een besluit van een bevoegde nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteit, moet het voor de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting mogelijk zijn te verzoeken dat de financiële sanctie wordt herzien indien het besluit van de nationale toezichthoudende autoriteit wordt ingetrokken of indien een rechtsmiddel tegen dat besluit is toegewezen en alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.
(26)
Op basis van de hun toegekende Europese rechtsstatus moeten Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen in alle lidstaten wettelijk erkend worden en handelingsbevoegd zijn. Die wettelijke erkenning en handelingsbevoegdheid brengen echter niet met zich mee dat zij ook kandidaten mogen voordragen voor nationale verkiezingen of verkiezingen voor het Europees Parlement of mogen deelnemen aan referendumcampagnes. Dat recht en soortgelijke rechten blijven tot de bevoegdheden van de lidstaten behoren.
(27)
De activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten geregeld worden door deze verordening. Voor andere aangelegenheden die buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen, gelden de relevante bepalingen van het nationale recht. De rechtsstatus van een Europese politieke partij of van een Europese politieke stichting moet geregeld worden door deze verordening en door de geldende bepalingen van het nationale recht van de lidstaat waar de zetel ervan is gevestigd (“lidstaat waar de zetel is gevestigd”). De lidstaat waar de zetel is gevestigd moet de mogelijkheid hebben om het toepasselijke recht vooraf te bepalen, of de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen hierin een keuzemogelijkheid te bieden. De lidstaat waar de zetel is gevestigd moet tevens de mogelijkheid hebben om naast de vereisten van deze verordening ook andere of aanvullende vereisten te stellen, en mag bijvoorbeeld voorschriften vaststellen met betrekking tot de registratie en integratie van Europese politieke partijen en stichtingen als zodanig in nationale administratieve en controlesystemen, of voorschriften met betrekking tot hun organisatie en statuten, onder meer inzake aansprakelijkheid, mits dergelijke voorschriften niet onverenigbaar zijn met deze verordening.
(28)
Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten Europese rechtspersoonlijkheid krijgen, het kernelement van de Europese rechtsstatus. Om Europese rechtspersoonlijkheid te krijgen, moeten zij voldoen aan bepaalde vereisten en procedures ter bescherming van de belangen van de lidstaat waar de zetel is gevestigd, van de partij die om de Europese rechtsstatus verzoekt (de “verzoekende partij”) en van elke betrokken derde partij. Meer bepaald moet de bestaande nationale rechtspersoonlijkheid worden omgezet in Europese rechtspersoonlijkheid en moeten eventuele individuele rechten en verplichtingen van de gewezen nationale juridische entiteit overgaan naar de nieuwe Europese juridische entiteit. Bovendien moet ten behoeve van de continuïteit van de activiteiten in garanties worden voorzien om te voorkomen dat de betrokken lidstaat belemmerende voorwaarden vaststelt voor een dergelijke omzetting. De lidstaat waar de zetel is gevestigd moet de mogelijkheid hebben om te preciseren welke soorten nationale rechtspersonen omgezet kunnen worden in een Europese rechtspersoon en heeft het recht zijn instemming met de verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid overeenkomstig deze verordening te weigeren totdat toereikende garanties worden geboden, en met name toereikende garanties inzake de wettigheid van de statuten van de verzoekende partij overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat of de bescherming van schuldeisers of houders van andere rechten uit hoofde van de bestaande nationale rechtspersoonlijkheid.
(29)
Bij beëindiging van Europese rechtspersoonlijkheid moet voldaan worden aan bepaalde vereisten en procedures ter bescherming van de belangen van de Unie, van de lidstaat waar de zetel is gevestigd, van de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting en van elke betrokken derde partij. Meer bepaald moet, als de Europese politieke partij of Europese politieke stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, dit beschouwd worden als omzetting van Europese rechtspersoonlijkheid en moeten de individuele rechten en verplichtingen van de gewezen Europese juridische entiteit overgaan naar de nationale juridische entiteit. Bovendien moet ten behoeve van de continuïteit van de activiteiten in garanties worden voorzien om te voorkomen dat de betrokken lidstaat belemmerende voorwaarden vaststelt voor een dergelijke omzetting. Indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt in de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, dient zij te worden ontbonden volgens het recht van de desbetreffende lidstaat en overeenkomstig de voorwaarde dat zij geen winstoogmerk mag hebben. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement dienen met de betrokken lidstaat gedetailleerde regelingen te kunnen treffen inzake de beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid, met name om de terugvordering van middelen uit de algemene begroting van de Unie en de inning van financiële sancties te waarborgen.
(30)
Indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting ernstig tekortschiet bij de naleving van het relevante nationale recht en indien het daarbij gaat om elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, moet de Autoriteit, na een verzoek daartoe van de betrokken lidstaat, besluiten de procedures van deze verordening toe te passen. Voorts moet de Autoriteit, na een verzoek daartoe van de lidstaat waar de zetel is gevestigd, besluiten om een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die ernstig is tekortgeschoten bij de naleving van het relevante nationale recht op enig ander gebied, uit het register te schrappen.
(31)
Alleen Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen die als zodanig zijn erkend en een Europese rechtsstatus hebben verkregen, kunnen in aanmerking komen voor financiering uit de algemene begroting van de Unie. Het is van cruciaal belang ervoor te zorgen dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vorming van een Europese politieke partij niet buitensporig zijn en door georganiseerde en serieuze transnationale allianties van politieke partijen en/of natuurlijke personen eenvoudig kunnen worden vervuld, maar tegelijk is het noodzakelijk evenredige criteria vast te stellen voor de toekenning van de beperkte middelen uit de algemene begroting van de Unie. Op basis van die criteria moet objectief kunnen worden vastgesteld of een Europese politieke partij Europese ambitie heeft en reële electorale steun geniet. Dergelijke criteria kunnen het best betrekking hebben op de uitslagen van de verkiezingen voor het Europees Parlement, waaraan de Europese politieke partijen of hun leden krachtens deze verordening moeten deelnemen, omdat deze uitslagen een nauwkeurige indicatie geven van het electorale draagvlak van een Europese politieke partij. De criteria moeten de rol die het Europees Parlement overeenkomstig artikel 10, lid 2, VEU vervult als rechtstreekse vertegenwoordiging van de burgers van de Unie weerspiegelen, alsook het doel van Europese politieke partijen om volledig deel te nemen aan het democratisch proces van de Unie en actief bij te dragen tot de representatieve democratie van Europa, teneinde doeltreffend uitdrukking te geven aan de standpunten, meningen en politieke wil van de burgers van de Unie. Daarom mogen alleen Europese politieke partijen die door ten minste een van hun leden worden vertegenwoordigd in het Europees Parlement en alleen Europese politieke stichtingen die hiertoe een verzoek indienen via een Europese politieke partij die door ten minste een van haar leden wordt vertegenwoordigd in het Europees Parlement, in aanmerking komen voor financiering uit de algemene begroting van de Unie.
(32)
Met het oog op transparantie en ter versterking van het toezicht op en de democratische verantwoordingsplicht van Europese politieke partijen dient aan de toegang tot financiering uit de algemene begroting van de Unie de voorwaarde te worden verbonden dat bepaalde informatie moet worden verstrekt. Meer bepaald moeten Europese politieke partijen ervoor zorgen dat de bij hen aangesloten partijen het politieke programma van de betrokken Europese politieke partij op een duidelijk zichtbare en gebruikersvriendelijke wijze publiceren en het logo van de betrokken Europese politieke partij weergeven. Het logo moet bovenaan de homepage van de website van de aangesloten partij worden weergegeven.
(33)
Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten het goede voorbeeld geven wat betreft het dichten van de genderkloof in de politiek. Daarom moet in hun bestuursorganen sprake zijn van een evenwichtige genderverdeling. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten over interne regels beschikken die het genderevenwicht bevorderen, zodat de actieve deelname van vrouwen aan al hun activiteiten wordt gestimuleerd, en moeten de bij hen aangesloten partijen verzoeken hetzelfde te doen. Daarnaast moeten Europese politieke partijen transparant zijn over de gendervertegenwoordiging in de bij hen aangesloten partijen en gegevens verstrekken over de gendervertegenwoordiging bij de kandidaten voor en de leden van het Europees Parlement in de bij hen aangesloten partijen. De Europese politieke partijen worden aangemoedigd informatie te verstrekken over inclusiviteit en de vertegenwoordiging van minderheden bij de bij hen aangesloten partijen.
(34)
Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten een interne arbeidscultuur van eerlijke behandeling en gelijke kansen bevorderen. Daartoe moeten Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in hun interne regels een protocol opnemen om seksuele intimidatie en discriminatie op grond van gender te voorkomen, op te sporen en voortdurend te bestrijden.
(35)
Om de financiering van Europese politieke partijen transparanter te maken en mogelijk misbruik van de financieringsregels te voorkomen, dient een lid van het Europees Parlement, uitsluitend voor financieringsdoeleinden, te worden beschouwd als lid van slechts één Europese politieke partij. Indien van toepassing moet het hierbij om de Europese politieke partij gaan waarbij de nationale of regionale politieke partij van het lid op de uiterste datum voor het indienen van financieringsverzoeken is aangesloten.
(36)
De procedures die Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten volgen bij het indienen van een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Unie moeten worden vastgesteld, evenals de procedures, criteria en regels die in acht moeten worden genomen bij het nemen van een besluit over de toekenning van dergelijke financiering. In dat verband moeten de Europese politieke partijen en stichtingen met name het beginsel van goed financieel beheer naleven.
(37)
Om de moeilijkheden aan te pakken die Europese politieke partijen, en met name kleine partijen, ondervinden om het bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vereiste medefinancieringspercentage van 10 % te behalen, moet het medefinancieringspercentage voor Europese politieke partijen worden verlaagd tot 5 %, in overeenstemming met het percentage voor Europese politieke stichtingen.
(38)
Teneinde de onafhankelijkheid, verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen te vergroten, moeten bepaalde soorten donaties en bijdragen uit andere bronnen dan de algemene begroting van de Unie worden verboden of aan beperkingen worden onderworpen. Elke beperking van het vrije verkeer van kapitaal als gevolg van dergelijke beperkingen moet worden gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de openbare orde en moet strikt noodzakelijk zijn om die doelstellingen te bereiken.
(39)
Een zorgvuldigheidsmechanisme moet worden ingevoerd om de transparantie van grote donaties te verbeteren en het risico op buitenlandse inmenging uit die bron tot een minimum te beperken. Daartoe moeten Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen hun donateurs om gedetailleerde identificatiegegevens verzoeken. De Autoriteit moet donateurs om aanvullende informatie kunnen verzoeken wanneer zij redenen heeft om te vermoeden dat een donatie is gedaan die in strijd is met deze verordening.
(40)
Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 erkent slechts twee categorieën inkomsten voor Europese politieke partijen en stichtingen anders dan de bijdragen uit de begroting van de Unie, namelijk bijdragen van leden en donaties. Een aantal inkomstenbronnen uit eigen economische activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van hun politieke activiteiten, zoals de verkoop van publicaties of conferentiegelden, valt buiten het toepassingsgebied van die twee categorieën, wat problemen oplevert op het gebied van boekhouding en transparantie. Daarom moet een derde categorie inkomsten (“zelf gegenereerde middelen”) worden ingevoerd. Om te voorkomen dat het aandeel zelf gegenereerde middelen binnen de totale begroting van een Europese politieke partij onevenredig groot wordt in verhouding tot de totale begroting van deze entiteiten, moet dit aandeel worden begrensd op 3 %. In het geval van een Europese politieke stichting moet dat aandeel worden begrensd op 5 %.
(41)
Met het oog op het contact met hun leden en kiezers overal in de Unie moeten Europese politieke partijen het recht hebben om hun financiering te gebruiken voor campagnes in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement. De financiering en de beperking van de verkiezingsuitgaven voor de partijen en kandidaten die betrokken zijn bij die campagnes moeten worden geregeld door de nationale bepalingen in elke lidstaat.
(42)
Om het Europees politiek bewustzijn van de burger te helpen bevorderen en meer transparantie te bieden over de politieke stroming waartoe zij behoren, mogen Europese politieke partijen de burger wijzen op hun banden met nationale politieke partijen en kandidaten.
(43)
Europese politieke partijen mogen geen andere politieke partijen en met name geen nationale partijen of kandidaten financieren, direct noch indirect. Europese politieke stichtingen mogen geen Europese of nationale politieke partijen of kandidaten of andere stichtingen financieren, direct noch indirect. Het verbod op indirecte financiering mag Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen echter niet verhinderen om de bij hen aangesloten partijen en organisaties te ondersteunen en met hen samen te werken, onder meer via gezamenlijke Europese politieke activiteiten. Bovendien mogen Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen geen referendumcampagnes financieren.
(44)
Gezamenlijke Europese politieke activiteiten, waaronder activiteiten waaraan alleen de leden van de Europese politieke partij en de daarbij aangesloten partijen, en de leden van de Europese politieke stichting en de daarbij aangesloten organisaties mogen deelnemen, zoals opleidingssessies en workshops, moeten bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.
(45)
Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten kunnen blijven samenwerken met politieke partners in derde landen, met name om de waarden van de Unie te bevorderen.
(46)
Overeenkomstig artikel 8, lid 1, VEU moet de Unie met de naburige landen bijzondere betrekkingen ontwikkelen, die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen die stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt wordt door op samenwerking gebaseerde nauwe en vreedzame betrekkingen. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen vervullen een belangrijke rol bij het bevorderen van dat doel via hun politieke werkzaamheden en betrekkingen met partijen in derde landen. De statuten van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting kunnen lidmaatschap van politieke partijen en organisaties uit derde landen toestaan. Dit moet echter worden beperkt tot landen die nauwere en bijzondere betrekkingen met de Unie onderhouden, namelijk leden van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), voormalige lidstaten, kandidaat-lidstaten, landen die de euro als officiële munteenheid mogen gebruiken op basis van een monetaire overeenkomst met de Unie, partnerlanden die een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Unie hebben gesloten en Europese landen waarmee de Unie een associatieovereenkomst heeft gesloten waarbij een diepe en brede vrijhandelsruimte tot stand wordt gebracht. Die partijen of organisaties kan de mogelijkheid worden geboden een meer geformaliseerde en gestructureerde samenwerking met Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan te gaan door middel van geassocieerd lidmaatschap. Geassocieerde aangesloten partijen en organisaties moeten een actieve rol kunnen spelen waarbij zij een bijdrage leveren en deelnemen aan de interne werking van een Europese politieke partij of stichting, bijvoorbeeld door middel van initiatiefrecht of lidmaatschap van bestuursorganen en het bijwonen van en deelnemen aan vergaderingen en andere activiteiten, waaronder vergaderingen van de bestuursorganen en het uitvoeren van gezamenlijke outreachactiviteiten en -evenementen. Geassocieerde aangesloten organisaties moeten ook het recht hebben om deel te nemen aan onderzoeksprojecten. Om het risico op buitenlandse inmenging tegen te gaan, moeten Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen die geassocieerd lidmaatschap toestaan ervoor zorgen dat hun statuten toereikende waarborgen tegen buitenlandse inmenging bieden. Europese politieke partijen die geassocieerd lidmaatschap toestaan, moeten er met name voor zorgen dat een voorstel dat in stemming wordt gebracht pas kan worden aangenomen zijn als er sprake is van steun van een meerderheid van leden die hun zetel in de Unie hebben of die burger van de Unie zijn. Door geassocieerde aangesloten partijen uitgebrachte stemmen mogen niet doorslaggevend zijn om een meerderheid te behalen. Geassocieerde aangesloten partijen mogen ook niet de mogelijkheid hebben om individueel of collectief een handelwijze op te dringen die ingaat tegen een meerderheid van de stemmen van burgers van de Unie of een dergelijke meerderheid te blokkeren. Vertegenwoordigers van geassocieerde aangesloten partijen mogen geen gedelegeerde uitvoerende bevoegdheden in de bestuursorganen krijgen.
(47)
Er moeten specifieke regels en procedures worden vastgesteld voor de verdeling van de kredieten die jaarlijks beschikbaar zijn op de algemene begroting van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met enerzijds het aantal begunstigden en anderzijds het aandeel gekozen leden in het Europees Parlement van iedere begunstigde Europese politieke partij en, bij uitbreiding, de daaraan verbonden Europese politieke stichting. Die regels dienen te voorzien in strikte maatregelen inzake transparantie, boekhouding, audit en financiële controle van Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen en in het opleggen van evenredige sancties, onder meer in geval van schending door een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust.
(48)
Met het oog op naleving van de verplichtingen van deze verordening inzake de financiering en uitgaven van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en inzake andere onderwerpen, is het noodzakelijk te voorzien in doeltreffende controlemechanismen. Daartoe moeten de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten samenwerken en alle noodzakelijke informatie uitwisselen. Daarnaast moet onderlinge samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten gestimuleerd worden, om te zorgen voor de effectieve en efficiënte controle van verplichtingen uit hoofde van het toepasselijke nationale recht.
(49)
Met het oog op het vergroten van de door deze verordening geboden rechtszekerheid en om de coherente uitvoering van de verordening te waarborgen, moeten de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement nauw samenwerken, onder meer door regelmatig van gedachten te wisselen en regelmatig informatie uit te wisselen over de uitlegging en concrete toepassing van deze verordening. Daarnaast, en met volledige inachtneming van de onafhankelijkheid van de Autoriteit, moet de samenwerking tussen de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de correcte uitvoering van deze verordening door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen vergemakkelijken en juridische geschillen voorkomen. De verplichting van de Autoriteit om Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen te horen alvorens een besluit met negatieve gevolgen te nemen, moet eveneens de correcte uitvoering van deze verordening door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen helpen vergemakkelijken en tegelijkertijd juridische geschillen helpen voorkomen.
(50)
Het is noodzakelijk te voorzien in een duidelijke en evenredige sanctieregeling met afschrikkende werking, om ervoor te zorgen dat de verplichtingen betreffende de activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op doeltreffende, evenredige en eenvormige wijze worden nageleefd. Een dergelijke regeling moet het ne-bis-in-idembeginsel in acht nemen, dat inhoudt dat niet tweemaal een sanctie kan worden opgelegd voor hetzelfde strafbare feit. Voorts is het noodzakelijk de respectieve taken van de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement bij het controleren en verifiëren van de naleving van deze verordening te omschrijven, alsook de mechanismen voor hun onderlinge samenwerking en de samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten.
(51)
Omwille van de transparantie en ter versterking van het toezicht op en de verantwoordingsplicht van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moet informatie die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht, met name met betrekking tot hun statuten, samenstelling, jaarrekeningen, donateurs en donaties, bijdragen en subsidies uit de algemene begroting van de Unie, alsook informatie betreffende de besluiten van de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement inzake registratie, financiering en sancties, in gebruikersvriendelijk, open, machineleesbaar formaat worden bekendgemaakt. De totstandbrenging van een regelgevingskader dat waarborgt dat die informatie openbaar wordt gemaakt, is het doeltreffendste middel om een gelijk speelveld voor en eerlijke mededinging tussen politieke krachten te bevorderen en voor open, transparante en democratische wetgevings- en verkiezingsprocessen te zorgen, teneinde het vertrouwen van burgers en kiezers in de Europese representatieve democratie te sterken en meer in het algemeen corruptie en machtsmisbruik te voorkomen.
(52)
In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel mag de verplichting om de identiteit van donateurs die natuurlijke personen zijn bekend te maken niet gelden voor donaties van 1 500 EUR of minder per donateur per jaar. Die verplichting mag evenmin gelden voor donaties ter waarde van een jaarlijks bedrag van meer dan 1 500 EUR en minder dan of gelijk aan 3 000 EUR, tenzij de donateur vooraf schriftelijk met de bekendmaking heeft ingestemd. Die drempels zorgen voor een goede balans tussen enerzijds het fundamentele recht op bescherming van persoonsgegevens en anderzijds het legitieme openbare belang van transparantie op het gebied van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, in overeenstemming met internationale aanbevelingen ter voorkoming van corruptie op het gebied van de financiering van politieke partijen en stichtingen. Openbaarmaking van donaties van meer dan 3 000 EUR per donateur per jaar moet een doeltreffend publiek toezicht en doeltreffende publieke controle op de betrekkingen tussen donateurs en Europese politieke partijen waarborgen. Eveneens in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moet informatie over donaties jaarlijks worden bekendgemaakt, behalve wanneer het gaat om donaties tijdens verkiezingscampagnes voor het Europees Parlement of donaties van meer dan 12 000 EUR, waarvoor geldt dat deze zo snel mogelijk moeten worden bekendgemaakt.
(53)
Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn vervat in het Handvest, en met name in artikel 7, dat onder meer bepaalt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn of haar privéleven, en artikel 8, dat bepaalt dat eenieder recht heeft op bescherming van zijn of haar persoonsgegevens. Het is absoluut noodzakelijk dat deze verordening wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van deze rechten en beginselen.
(54)
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (9) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Autoriteit, het Europees Parlement en het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen voor de toepassing van deze verordening.
(55)
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (10) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor de toepassing van deze verordening.
(56)
Omwille van de rechtszekerheid dient te worden verduidelijkt dat de Autoriteit, het Europees Parlement, de Europese politieke partijen en de daaraan verbonden Europese politieke stichtingen, de nationale autoriteiten die bevoegd zijn om toezicht uit te oefenen op bepaalde aspecten van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, en andere relevante derde partijen die in deze verordening worden genoemd of waarin deze verordening voorziet, gelden als verwerkingsverantwoordelijken in de zin van Verordening (EU) 2018/1725 of Verordening (EU) 2016/679. Ook is het noodzakelijk de maximale bewaartermijn te specificeren voor persoonsgegevens die zijn verzameld om de wettigheid, regelmatigheid en transparantie van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en de samenstelling van Europese politieke partijen te waarborgen. In hun hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke moeten de Autoriteit, het Europees Parlement, de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, de bevoegde nationale autoriteiten en de relevante derde partijen alle maatregelen nemen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening (EU) 2018/1725 of Verordening (EU) 2016/679, met name betreffende de rechtmatigheid van de verwerking, de beveiliging van de verwerking, de informatieverstrekking aan de betrokkenen en het recht van betrokkenen op toegang tot hun persoonsgegevens en op correctie en wissing van hun persoonsgegevens.
(57)
Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing op de gegevensverwerking in het kader van deze verordening. De bevoegde nationale autoriteiten of relevante derde partijen moeten overeenkomstig het toepasselijke nationale recht aansprakelijk zijn voor eventuele schade die zij veroorzaken. Daarnaast dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat aan bevoegde nationale autoriteiten of relevante derde partijen die inbreuk plegen op deze verordening passende sancties worden opgelegd.
(58)
De technische ondersteuning die het Europees Parlement aan Europese politieke partijen biedt, moet gebaseerd zijn op het beginsel van gelijke behandeling, moet worden verleend tegen overlegging van een factuur en tegen betaling en moet het onderwerp zijn van regelmatige openbare verslaglegging.
(59)
Belangrijke informatie over de toepassing van deze verordening moet aan het publiek beschikbaar worden gesteld op een specifieke website.
(60)
De rechterlijke toetsing berust bij het Hof van Justitie van de Europese Unie en draagt bij tot de correcte toepassing van deze verordening. Voorts moeten er voorzieningen getroffen worden om Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen de gelegenheid te geven om te worden gehoord en corrigerende maatregelen te nemen voordat hun een sanctie wordt opgelegd.
(61)
De lidstaten moeten zorgen voor nationale bepalingen die bijdragen aan een doeltreffende toepassing van deze verordening.
(62)
Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten voldoende tijd krijgen om bepalingen vast te stellen om te zorgen voor een soepele en doeltreffende toepassing van deze verordening. Er dient derhalve te worden voorzien in een overgangsperiode tussen het moment van inwerkingtreding van deze verordening en de toepassing van sommige artikelen ervan,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (“Europese politieke partijen”) en politieke stichtingen op Europees niveau (“Europese politieke stichtingen”).
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)
“politieke partij”: een vereniging van burgers die voldoet aan de volgende voorwaarden:
a)
zij streeft politieke doeleinden na;
b)
zij is erkend door, of opgericht in overeenstemming met, de rechtsorde van ten minste één lidstaat;
2)
“geassocieerde aangesloten partij”: een partij die haar zetel heeft in een EVA-land, in een voormalige lidstaat, in een kandidaat-lidstaat, in een land dat de euro als officiële munteenheid mag gebruiken op basis van een monetaire overeenkomst met de Unie, in een partnerland dat een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Unie heeft gesloten (11) of in een Europees land waarmee de Unie een associatieovereenkomst heeft gesloten waarbij een diepe en brede vrijhandelsruimte tot stand wordt gebracht;
3)
“politieke alliantie”: een gestructureerd samenwerkingsverband, ongeacht de vorm ervan, tussen leden, die politieke partijen (“aangesloten partijen uit de Unie”), burgers van de Unie en in voorkomend geval geassocieerde aangesloten partijen kunnen zijn; aangesloten partijen uit de Unie en geassocieerde aangesloten partijen worden gezamenlijk “aangesloten partijen” genoemd;
4)
“Europese politieke partij”: een politieke alliantie die politieke doeleinden nastreeft, die doeleinden in de hele Unie beoogt te bereiken, en overeenkomstig deze verordening bij de in artikel 8 bedoelde Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen is geregistreerd;
5)
“geassocieerde aangesloten organisatie”: een organisatie die haar zetel heeft in een EVA-land, in een voormalige lidstaat, in een kandidaat-lidstaat, in een land dat de euro als officiële munteenheid mag gebruiken op basis van een monetaire overeenkomst met de Unie, in een partnerland dat een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Unie heeft gesloten (12) of in een Europees land waarmee de Unie een associatieovereenkomst heeft gesloten waarbij een diepe en brede vrijhandelsruimte tot stand wordt gebracht; aangesloten organisaties die hun zetel hebben in de Unie (“aangesloten organisaties uit de Unie”) en geassocieerde aangesloten organisaties worden gezamenlijk “aangesloten organisaties” genoemd;
6)
“Europese politieke stichting”: een entiteit die formeel verbonden is met een Europese politieke partij, die overeenkomstig deze verordening bij de in artikel 8 bedoelde Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen is geregistreerd, en die met haar activiteiten en binnen de doelstellingen en fundamentele waarden die de Unie nastreeft de doelstellingen van die Europese politieke partij onderbouwt en aanvult door een of meer van de volgende taken uit te voeren:
a)
het maken van observaties en analyses en het leveren van bijdragen aan het debat over Europees overheidsbeleid en het proces van Europese integratie;
b)
het ontwikkelen van activiteiten in verband met Europees overheidsbeleid, zoals de organisatie en ondersteuning van studiebijeenkomsten, opleidingen, conferenties en studies over dergelijke aangelegenheden onder relevante belanghebbenden, waaronder jongerenorganisaties en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, en samenwerkingspartners, en capaciteitsopbouw om de vorming van toekomstige politieke leiders in de Unie te ondersteunen;
c)
het ontwikkelen van samenwerking ter bevordering van de democratie, ook in derde landen;
d)
het fungeren als een kader waarbinnen nationale politieke stichtingen, academici en andere relevante actoren op Europees niveau kunnen samenwerken;
7)
“regionaal parlement” of “regionale assemblee”: orgaan waarvan de leden ofwel een regionaal gekozen ambt vervullen ofwel politiek verantwoording schuldig zijn aan een gekozen vergadering;
8)
“financiering uit de algemene begroting van de Unie”: een subsidie toegekend overeenkomstig titel VIII, dan wel een bijdrage toegekend overeenkomstig titel XI van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (13);
9)
“donatie”: elke financiële overdracht, elke gift in natura, levering onder de marktwaarde van goederen, diensten, waaronder leningen, of werken, of elke andere transactie die een economisch voordeel oplevert voor de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting, met uitzondering van bijdragen, zelf gegenereerde middelen en gebruikelijke door individuele personen op vrijwillige basis uitgevoerde politieke activiteiten;
10)
“bijdrage”: elke betaling in geld, waaronder lidmaatschapsbijdragen, of elke bijdrage in natura, levering onder de marktwaarde van goederen, diensten, waaronder leningen, of werken, of elke andere transactie die een economisch voordeel oplevert voor de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting, indien verstrekt aan die Europese politieke partij of die Europese politieke stichting door een van haar leden, ongeacht of dit aangesloten partijen uit de Unie, aangesloten organisaties uit de Unie of burgers van de Unie zijn, met uitzondering van gebruikelijke door individuele leden op vrijwillige basis uitgevoerde politieke activiteiten;
11)
“zelf gegenereerde middelen”: inkomsten uit eigen economische activiteiten zonder winstoogmerk in het kader van de politieke activiteiten van een Europese politieke partij of de daaraan verbonden Europese politieke stichting die individueel dan wel samen met de leden worden uitgevoerd, zoals vergoedingen voor deelname aan conferenties en workshops of de verkoop van publicaties;
12)
“indirecte financiering”: financiering waaruit de aangesloten partij of aangesloten organisatie een financieel voordeel verkrijgt, ook indien er geen rechtstreekse overdracht van middelen plaatsvindt; het gaat om gevallen die het voor de aangesloten partij of aangesloten organisatie mogelijk maken een uitgave te vermijden die zij normaal had moeten doen voor activiteiten die uitsluitend in haar eigen voordeel worden georganiseerd, met uitzondering van gezamenlijke Europese politieke activiteiten;
13)
“gezamenlijke Europese politieke activiteiten”: activiteiten die door de Europese politieke partij of Europese politieke stichting worden georganiseerd samen met een of meer aangesloten partijen of aangesloten organisaties indien het gaat om activiteiten in een of meer lidstaten die bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie, mits de betrokkenheid van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting duidelijk zichtbaar is, de mate van eigenaarschap van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting met betrekking tot de activiteit duidelijk is en de financiële bijdrage van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting in overeenstemming is met het algemene niveau van betrokkenheid van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting in verhouding tot de betrokkenheid van de betreffende aangesloten partijen of aangesloten organisaties;
14)
“jaarlijkse begroting” voor de toepassing van de artikelen 25 en 32: het totale bedrag van de uitgaven van een bepaald jaar, zoals vermeld in de jaarrekening van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting;
15)
“nationaal contactpunt”: elke persoon die overeenkomstig deze verordening door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten specifiek is belast met de uitwisseling van informatie;
16)
“zetel”: de plaats waar de centrale administratie van de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting gevestigd is, tenzij in deze verordening anders is bepaald;
17)
“samenloop van inbreuken”: twee of meer inbreuken, begaan in het kader van één onrechtmatige handeling;
18)
“herhaalde inbreuk”: een inbreuk, begaan binnen vijf jaar nadat aan de overtreder een sanctie is opgelegd voor dezelfde soort inbreuk.
HOOFDSTUK II
STATUUT VAN EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN EN EUROPESE POLITIEKE STICHTINGEN
Artikel 3
Registratievoorwaarden
1. Een politieke alliantie kan onder de volgende voorwaarden een verzoek om registratie als Europese politieke partij indienen:
a)
haar zetel is gevestigd in een lidstaat, zoals bepaald in haar statuten;
b)
ten minste één van de onderstaande voorwaarden is vervuld:
i)
de bij haar aangesloten partijen worden in ten minste een vierde van de lidstaten vertegenwoordigd door leden van het Europees Parlement, van nationale parlementen, van regionale parlementen of van regionale assemblees,
ii)
zij of de bij haar aangesloten partijen hebben in ten minste een vierde van de lidstaten bij de laatste verkiezingen voor het Europees Parlement ten minste drie procent van de in ieder van die lidstaten uitgebrachte stemmen behaald;
c)
de bij haar aangesloten partijen zijn geen lid van een andere Europese politieke partij;
d)
met name in haar programma en activiteiten respecteert zij de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en zij verstrekt daartoe een formele standaardverklaring volgens het in bijlage I van deze verordening opgenomen model;
e)
zij waarborgt dat de bij haar aangesloten partijen, met name in hun programma’s en activiteiten, de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust in acht nemen, en zij verstrekt daartoe een formele standaardverklaring volgens het in bijlage I van deze verordening opgenomen model;
f)
zij waarborgt dat de bij haar aangesloten partijen of individuele leden daarvan niet onderworpen zijn aan overeenkomstig artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde beperkende maatregelen;
g)
zij of haar leden hebben deelgenomen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement of hebben publiekelijk het voornemen te kennen gegeven om aan de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement deel te nemen;
h)
zij heeft geen winstoogmerk.
2. Een entiteit kan onder de volgende voorwaarden een verzoek om registratie als Europese politieke stichting indienen:
a)
zij heeft banden met een overeenkomstig deze verordening geregistreerde Europese politieke partij;
b)
haar zetel is gevestigd in een lidstaat, zoals bepaald in haar statuten;
c)
met name in haar programma en activiteiten respecteert zij de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en zij verstrekt daartoe een formele standaardverklaring volgens het in bijlage I van deze verordening opgenomen model;
d)
zij waarborgt dat de bij haar aangesloten organisaties de in artikel 2 VEU vervatte waarden in acht nemen, en zij verstrekt daartoe een formele standaardverklaring volgens het in bijlage I van deze verordening opgenomen model;
e)
zij waarborgt dat de bij haar aangesloten organisaties of individuele leden daarvan niet onderworpen zijn aan overeenkomstig artikel 215, lid 2, VWEU vastgestelde beperkende maatregelen;
f)
haar doelstellingen vormen een aanvulling op de doelstellingen van de Europese politieke partij waarmee zij formeel verbonden is;
g)
haar raad van bestuur is samengesteld uit leden uit ten minste een vierde van de lidstaten;
h)
zij heeft geen winstoogmerk.
3. Aan een Europese politieke partij mag slechts één Europese politieke stichting formeel verbonden zijn. Elke Europese politieke partij en de daaraan verbonden Europese politieke stichting verzekert de scheiding tussen hun respectievelijke dagelijkse leiding, bestuursstructuren en financiële rekeningen.
Artikel 4
Governance van Europese politieke partijen
1. De statuten van een Europese politieke partij zijn in overeenstemming met het geldende recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd en bevatten bepalingen met betrekking tot ten minste het volgende:
a)
haar naam en logo, die duidelijk te onderscheiden zijn van die van elke bestaande Europese politieke partij of Europese politieke stichting;
b)
het adres van haar zetel;
c)
een politiek programma met haar oogmerk en doelstellingen;
d)
een verklaring overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt h), dat zij geen winstoogmerk heeft;
e)
indien van toepassing, de naam van de met de partij verbonden Europese politieke stichting en een beschrijving van de formele band tussen beide;
f)
haar administratieve en financiële organisatie en procedures, waarbij met name de organen en bureaus met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging worden vermeld, en de regels inzake het opstellen, de goedkeuring en de controle van jaarrekeningen;
g)
de te volgen interne procedure in geval van vrijwillige ontbinding als Europese politieke partij;
h)
haar interne regels inzake genderevenwicht.
2. De statuten van een Europese politieke partij bevatten bepalingen over de interne organisatie van de partij met betrekking tot ten minste het volgende:
a)
de gedetailleerde regelingen voor toelating, uittreding en uitsluiting van haar leden, waarbij de lijst van de bij haar aangesloten partijen bij de statuten wordt gevoegd;
b)
de rechten en plichten voor elk type lidmaatschap en de daarmee verband houdende stemrechten;
c)
de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenstelling van haar bestuursorganen, met voor elk van deze organen de criteria voor de selectie van kandidaten en de gedetailleerde regelingen voor hun benoeming en ontslag;
d)
haar interne besluitvormingsproces, in het bijzonder de stemprocedures en quorumvereisten;
e)
haar aanpak ten aanzien van transparantie, met name inzake boekhouding, rekeningen en donaties, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens;
f)
de interne procedure voor het wijzigen van haar statuten.
3. De statuten van een Europese politieke partij waarborgen dat:
a)
alle in stemming gebrachte voorstellen de steun krijgen van een meerderheid van leden die hun zetel in de Unie hebben of die burger van de Unie zijn;
b)
door geassocieerde aangesloten partijen uitgebrachte stemmen niet doorslaggevend zijn om een meerderheid te behalen;
c)
geassocieerde aangesloten partijen evenmin de mogelijkheid hebben om individueel of collectief een handelwijze op te dringen die ingaat tegen een meerderheid van de stemmen van burgers van de Unie of leden van de betrokken Europese politieke partij, of een dergelijke meerderheid te blokkeren;
d)
vertegenwoordigers van geassocieerde aangesloten partijen geen gedelegeerde uitvoerende bevoegdheden in de bestuursorganen kunnen krijgen.
4. De lidstaat waar de zetel is gevestigd mag aanvullende vereisten voor de statuten opleggen, mits die aanvullende vereisten niet onverenigbaar zijn met deze verordening.
Artikel 5
Transparantieverplichtingen met betrekking tot het gebruik van logo’s, de publicatie van het politieke programma en genderevenwicht
1. Elke Europese politieke partij zorgt ervoor dat de bij haar aangesloten partijen het politieke programma van de Europese politieke partij op hun website publiceren en het logo van de Europese politieke partij op hun website weergeven. Het logo van de Europese politieke partij moet duidelijk zichtbaar bovenaan de homepage van de aangesloten partij staan.
2. Elke Europese politieke partij publiceert op haar website informatie over het genderevenwicht onder de kandidaten bij de verkiezingen voor het Europees Parlement die plaatsvinden na 28 december 2025, alsook geactualiseerde informatie over de gendervertegenwoordiging onder hun leden van het Europees Parlement.
Elke Europese politieke partij zorgt ervoor dat de bij haar aangesloten partijen uit de Unie op hun website informatie publiceren over het genderevenwicht onder hun respectieve kandidaten bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en de gendervertegenwoordiging onder hun respectieve leden van het Europees Parlement.
Artikel 6
Governance van Europese politieke stichtingen
1. De statuten van een Europese politieke stichting zijn in overeenstemming met het toepasselijke recht van de lidstaat waar zij haar zetel heeft en bevatten bepalingen met betrekking tot ten minste het volgende:
a)
haar naam en logo, die duidelijk te onderscheiden zijn van die van elke bestaande Europese politieke partij of Europese politieke stichting;
b)
het adres van haar zetel;
c)
een beschrijving van haar oogmerk en doelstellingen, die verenigbaar zijn met de in artikel 2, punt 6), genoemde taken;
d)
een verklaring overeenkomstig artikel 3, lid 2, punt h), dat zij geen winstoogmerk heeft;
e)
de naam van de met de stichting verbonden Europese politieke partij en een beschrijving van de formele band tussen beide;
f)
een lijst van haar organen, met voor elk van deze organen de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenstelling, en met inbegrip van de gedetailleerde regelingen voor de benoeming en het ontslag van de leden en leidinggevenden van deze organen;
g)
haar administratieve en financiële organisatie en procedures, waarbij met name de organen en bureaus met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging worden vermeld, en de regels inzake het opstellen, de goedkeuring en de controle van jaarrekeningen;
h)
de interne procedure voor het wijzigen van haar statuten;
i)
de te volgen interne procedure in geval van vrijwillige ontbinding als Europese politieke stichting;
j)
haar interne regels inzake genderevenwicht;
k)
de regels inzake de rechten en plichten van geassocieerde aangesloten organisaties in de bestuursstructuren en in de besluitvormingsprocessen van de Europese politieke stichting, die toereikende waarborgen tegen buitenlandse inmenging bieden en voorkomen dat geassocieerde aangesloten organisaties een handelwijze opdringen of een meerderheid van de leden uit de Unie blokkeren.
2. De lidstaat waar de zetel is gevestigd mag aanvullende vereisten voor de statuten opleggen, mits die aanvullende vereisten niet onverenigbaar zijn met deze verordening.
Artikel 7
Vereisten voor regels inzake genderevenwicht
1. De genderverdeling in de bestuursorganen van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen is evenwichtig.
2. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen beschikken over interne regels die het genderevenwicht bevorderen en de actieve deelname van vrouwen aan al hun activiteiten stimuleren.
3. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen beschikken over een protocol om seksuele intimidatie en discriminatie op grond van gender te voorkomen, op te sporen en voortdurend te bestrijden.
Artikel 8
Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen
1. Er wordt een Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (de “Autoriteit”) opgericht die tot doel heeft Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen te registreren en te controleren en hun sancties op te leggen overeenkomstig deze verordening.
2. De Autoriteit heeft rechtspersoonlijkheid. Zij is onafhankelijk en oefent haar bevoegdheden uit in volledige overeenstemming met deze verordening.
De Autoriteit neemt besluiten inzake de registratie van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en hun schrapping uit het register overeenkomstig de bij deze verordening vastgestelde procedures en voorwaarden. Voorts controleert de Autoriteit op gezette tijden of de geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen nog steeds voldoen aan de in artikel 3 vastgestelde registratievoorwaarden en de governancebepalingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten a), b), d), e) en f), artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 1, punten a) tot en met e), g), en k).
De Autoriteit houdt in haar besluiten ten volle rekening met het fundamentele recht op vrijheid van vereniging en de noodzaak om in Europa pluralisme van politieke partijen te waarborgen.
De Autoriteit wordt vertegenwoordigd door haar directeur, die namens de Autoriteit al haar beslissingen neemt.
3. De directeur van de Autoriteit wordt voor een periode van vijf jaar, die niet verlengd kan worden, benoemd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (gezamenlijk het “tot aanstelling bevoegde gezag” genoemd), in onderlinge overeenstemming, op basis van voorstellen van een selectiecomité dat is samengesteld uit de secretarissen-generaal van die instellingen, en na een openbare sollicitatieoproep.
De directeur van de Autoriteit wordt gekozen op grond van persoonlijke en professionele kwaliteiten. De directeur is geen lid van het Europees Parlement, bekleedt geen gekozen ambt en is geen werknemer of voormalig werknemer van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting. Er bestaat geen belangenconflict tussen de taak van de geselecteerde directeur als directeur van de Autoriteit en andere officiële taken, met name in verband met de toepassing van de bepalingen van deze verordening.
Wanneer de post van directeur vrijkomt door ontslagneming, pensionering, ontslag of overlijden wordt deze vervuld overeenkomstig dezelfde procedure.
In geval van normale opvolging of vrijwillige ontslagneming blijft de directeur in functie totdat een vervanger in functie is getreden.
Als de directeur van de Autoriteit niet langer aan de voor de uitoefening van de functie vereiste voorwaarden voldoet, kan de directeur worden ontslagen in onderlinge overeenstemming tussen ten minste twee van de drie in de eerste alinea genoemde instellingen en op basis van een verslag van het in de eerste alinea genoemde selectiecomité, opgesteld op eigen initiatief of op verzoek van een van de drie instellingen.
De directeur van de Autoriteit oefent deze functie in alle onafhankelijkheid uit. Wanneer de directeur in naam van de Autoriteit optreedt, vraagt noch aanvaardt de directeur instructies van instellingen of regeringen of van andere organen of instanties. De directeur van de Autoriteit onthoudt zich van elke handeling die onverenigbaar is met de aard van de te vervullen taken.
Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen ten aanzien van de directeur gezamenlijk de bevoegdheden uit die krachtens het Statuut van de ambtenaren (en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie), zoals neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (14), aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend. De drie instellingen kunnen gezamenlijk besluiten de uitoefening van de aan het tot aanstelling bevoegde gezag verleende bevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan een van hen toe te vertrouwen, met uitzondering van het nemen van besluiten inzake benoeming of ontslag.
Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de directeur andere taken opdragen, mits deze niet onverenigbaar zijn met de werklast in verband met de uitvoering van taken als directeur van de Autoriteit, noch aanleiding geven tot belangenconflicten of de volledige onafhankelijkheid van de directeur in gevaar brengen.
4. De Autoriteit bevindt zich fysiek in het Europees Parlement, dat de Autoriteit de benodigde kantoorruimte ter beschikking stelt en zorgt voor faciliteiten voor administratieve ondersteuning.
5. De directeur van de Autoriteit wordt bijgestaan door personeelsleden ten aanzien van wie de directeur de bevoegdheden uitoefent die krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie aan het tot aanstelling bevoegde gezag en de bevoegdheden die krachtens de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie aan het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten met andere personeelsleden bevoegde gezag zijn toegekend, zoals neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 (de “bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”). De Autoriteit kan op al haar werkgebieden een beroep doen op gedetacheerde nationale deskundigen of andere personeelsleden die niet in dienst zijn van de Autoriteit.
Het Statuut van de ambtenaren, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de voorschriften die in onderling overleg door de instellingen van de Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van het Statuut van de ambtenaren en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van de Autoriteit.
De selectie van de personeelsleden geeft geen aanleiding tot een belangenconflict tussen hun taken voor de Autoriteit en eventuele andere officiële taken, en de personeelsleden onthouden zich van alle handelingen die onverenigbaar zijn met de aard van hun taken.
6. De Autoriteit sluit overeenkomsten met het Europees Parlement en, indien passend, met andere instellingen over administratieve regelingen die nodig zijn met het oog op de uitvoering van haar taken, met name overeenkomsten inzake personeel, diensten en ondersteuning overeenkomstig de leden 4, 5 en 8.
7. In de algemene begroting van de Unie worden de kredieten voor de uitgaven van de Autoriteit ter beschikking gesteld onder een afzonderlijke titel in de afdeling van het Europees Parlement. De kredieten zijn toereikend om het volledig en onafhankelijk functioneren van de Autoriteit te waarborgen. De directeur legt een ontwerpbegrotingsplan voor de Autoriteit voor aan het Europees Parlement. Dit ontwerpbegrotingsplan wordt openbaar gemaakt. Het Europees Parlement delegeert de functies van de ordonnateur met betrekking tot deze kredieten aan de directeur van de Autoriteit.
8. Verordening nr. 1 van de Raad (15) is van toepassing op de Autoriteit.
De voor het functioneren van de Autoriteit en het register vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.
9. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement delen alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve bevoegdheden uit hoofde van deze verordening.
10. De directeur dient jaarlijks een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de activiteiten van de Autoriteit. De Autoriteit publiceert de verslagen op haar website.
11. Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat overeenkomstig artikel 263 VWEU de wettigheid na van de besluiten van de Autoriteit en is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van schade die door de Autoriteit is veroorzaakt, overeenkomstig de artikelen 268 en 340 VWEU. Ingeval de Autoriteit in strijd met deze verordening nalaat een besluit te nemen, kan overeenkomstig artikel 265 VWEU bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een beroep wegens nalaten worden ingesteld.
Artikel 9
Register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen
1. De Autoriteit zet een register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op en beheert dit register. Informatie uit het register wordt beschikbaar gesteld overeenkomstig artikel 39.
2. Met het oog op de goede werking van het register is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 43 en binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met betrekking tot:
a)
de informatie en bewijsstukken die de Autoriteit in bewaring heeft en waarvoor het register de aangewezen bewaarplaats moet zijn, waaronder de statuten van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting, eventuele andere documenten die zijn ingediend in het kader van een verzoek om registratie overeenkomstig artikel 10, lid 2, eventuele documenten die zijn ontvangen van de lidstaat waar de zetel is gevestigd zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, en informatie over de identiteit van de personen die lid zijn van organen of functies bekleden met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt f), en artikel 6, lid 1, punt g);
b)
het in punt a) van deze alinea bedoelde materiaal uit het register waarvoor het register bevoegd moet zijn ter bevestiging van de wettigheid zoals vastgesteld door de Autoriteit overeenkomstig haar bevoegdheden uit hoofde van deze verordening.
De Autoriteit is niet bevoegd voor de verificatie van de naleving door een Europese politieke partij of Europese politieke stichting van enige verplichting of vereiste die aan de betrokken partij of stichting is opgelegd door de lidstaat waar haar zetel is gevestigd overeenkomstig de artikelen 4 en 6, en artikel 19, lid 2, en die een aanvulling vormt op de verplichtingen en vereisten die in deze verordening zijn neergelegd.
3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om nadere invulling te geven aan het systeem voor toekenning van registratienummers in het register en de standaarduittreksels uit het register die op verzoek beschikbaar worden gesteld aan derde partijen, met inbegrip van de inhoud van brieven en documenten. Dergelijke uittreksels omvatten geen andere persoonsgegevens dan de identiteit van de personen die lid zijn van een orgaan of een functie bekleden met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt f), en artikel 6, lid 1, punt g).
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 10
Verzoek om registratie
1. Een verzoek om registratie wordt bij de Autoriteit ingediend. Een verzoek om registratie als Europese politieke stichting kan alleen worden ingediend via de Europese politieke partij waar de verzoekende partij formeel bij is aangesloten.
2. Het verzoek gaat vergezeld van:
a)
documenten waaruit blijkt dat de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, met inbegrip van een formele standaardverklaring opgesteld volgens het standaardformulier in bijlage I;
b)
de statuten van de partij of stichting, die de bepalingen bevatten zoals vereist in de artikelen 4 en 6, met inbegrip van de relevante bijlagen en, in voorkomend geval, de in artikel 20, lid 2, bedoelde verklaring van de lidstaat waar de zetel is gevestigd.
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 43 en binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:
a)
tot aanvulling van deze verordening door vast te stellen welke aanvullende informatie of bewijsstukken in verband met lid 2 nodig zijn om de Autoriteit in staat te stellen haar verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening in verband met het beheer van het register volledig na te komen;
b)
tot wijziging van deze verordening door, waar nodig, de formele standaardverklaring in bijlage I aan te passen wat betreft de door de verzoekende partij in te vullen gegevens, om te waarborgen dat er voldoende informatie beschikbaar is met betrekking tot de ondertekenaar, diens mandaat en de Europese politieke partij of Europese politieke stichting die de ondertekenaar vertegenwoordigt met het oog op de indiening van de verklaring.
4. Documentatie die bij de Autoriteit in het kader van het verzoek is ingediend, wordt onverwijld op de in artikel 39 bedoelde website gepubliceerd.
Artikel 11
Behandeling van het verzoek en besluit van de Autoriteit
1. Het verzoek wordt door de Autoriteit onderzocht om vast te stellen of de verzoekende partij voldoet aan de in artikel 3 vastgestelde registratievoorwaarden en of de statuten de op grond van artikel 4 en 6 vereiste bepalingen bevatten.
2. De Autoriteit neemt een besluit tot registratie van de verzoekende partij, tenzij zij vaststelt dat de verzoekende partij niet voldoet aan de in artikel 3 vastgestelde registratievoorwaarden of dat de statuten niet de op grond van artikel 4 en 6 vereiste bepalingen bevatten.
De Autoriteit publiceert haar besluit tot registratie van de verzoekende partij binnen een maand na ontvangst van het verzoek om registratie of, indien de procedures van artikel 20, lid 4, van toepassing zijn, binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek om registratie.
Indien een verzoek onvolledig is, verzoekt de Autoriteit de verzoekende partij om de vereiste aanvullende informatie onverwijld in te dienen. De in de tweede alinea bedoelde termijn gaat pas in op de datum van ontvangst door de Autoriteit van een volledig verzoek.
3. De in artikel 10, lid 2, punt a), bedoelde formele standaardverklaring wordt voldoende geacht om de Autoriteit in staat te stellen na te gaan of de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 3, lid 1, punten d) en e), of artikel 3, lid 2, punten c) en d), naargelang het geval.
4. Een besluit van de Autoriteit tot registratie van een verzoekende partij wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met de statuten van de betrokken partij of stichting. Een besluit van de Autoriteit om een verzoekende partij niet te registreren wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met de gedetailleerde redenen voor de afwijzing van het verzoek.
5. Wijzigingen met betrekking tot de overeenkomstig artikel 10, lid 2, bij het verzoek om registratie ingediende documenten of statuten worden binnen twee maanden ter kennis gebracht van de Autoriteit. De Autoriteit werkt de registratie bij op basis van die wijzigingen. De procedures van artikel 20, leden 2 en 4, van overeenkomstige toepassing.
6. Uiterlijk op 30 september van elk jaar wordt de bijgewerkte lijst van bij een Europese politieke partij aangesloten partijen, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, bij de statuten van de partij wordt gevoegd, aan de Autoriteit toegezonden, samen met de formele standaardverklaring, opgesteld volgens het in bijlage I opgenomen model, indien een nieuwe partij zich heeft aangesloten. Elke wijziging waardoor de Europese politieke partij mogelijk niet meer aan de voorwaarde van artikel 3, lid 1, punt b), voldoet, wordt binnen vier weken na die wijziging ter kennis gebracht van de Autoriteit.
Artikel 12
Verificatie van de naleving van de voorwaarden en vereisten voor registratie en onderzoek van de redenen voor schrapping uit het register
1. Onverminderd de in artikel 13 vastgelegde procedure verifieert de Autoriteit op gezette tijden of geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen nog steeds voldoen aan de in artikel 3 vastgelegde registratievoorwaarden en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten a), b), d), e) en f), artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 1, punten a) tot en met e), g) en k), vastgestelde governancebepalingen.
2. Indien de Autoriteit van mening is dat een van de redenen voor schrapping uit het register uit hoofde van artikel 21, lid 1, punt a), of artikel 21, lid 2, mogelijk van toepassing is op een Europese politieke partij of Europese politieke stichting, wordt de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting hiervan zonder onnodige vertraging in kennis gesteld. Bij deze kennisgeving aan een Europese politieke partij of Europese politieke stichting verzoekt de Autoriteit die Europese politieke partij of Europese politieke stichting om binnen één maand na de datum van ontvangst van de kennisgeving haar opmerkingen in te dienen.
3. In geval van niet-naleving van artikel 3, lid 1, punt c), f), g), of h), artikel 3, lid 2, punt e), f), g), of h), of de in artikel 4, lid 1, punten a), b), d), e) en f), artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 1, punten a) tot en met e), g) en k), vervatte governancebepalingen, stelt de Autoriteit de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting in de gelegenheid om binnen de in lid 2 van dit artikel vastgestelde termijn de nodige maatregelen te nemen om de situatie te verhelpen. De Autoriteit kan naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting die termijn verlengen indien en voor zover de Autoriteit een dergelijke verlenging noodzakelijk en passend acht met het oog op de door de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geplande corrigerende maatregelen.
4. Na het verstrijken van de in lid 2 of lid 3 van dit artikel bedoelde termijn, of na ontvangst van eventuele opmerkingen of informatie over corrigerende maatregelen van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting vóór het verstrijken van die termijn, beoordeelt de Autoriteit zonder onnodige vertraging en in het licht van de eventuele opmerkingen of informatie of een van de redenen voor schrapping uit het register uit hoofde van artikel 21, lid 1, punt a), of artikel 21, lid 2, van toepassing is op de Europese politieke partij of Europese politieke stichting.
Artikel 13
Verificatie van de registratievoorwaarden die verband houden met de waarden waarop de Unie berust
1. Het Europees Parlement, handelend op eigen initiatief of naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van een groep burgers, dat is ingediend in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van zijn Reglement, of de Raad of de Commissie kan bij de Autoriteit een verzoek indienen tot verificatie van de naleving door een specifieke Europese politieke partij of Europese politieke stichting van de in artikel 3, lid 1, punten d) en e), en artikel 3, lid 2, punten c) en d), vastgelegde voorwaarden. In dergelijke gevallen en in de in artikel 14, lid 2, bedoelde gevallen stelt de Autoriteit de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting daarvan zonder onnodige vertraging in kennis, verzoekt zij haar om opmerkingen in te dienen en geeft zij haar de kans om binnen een maand na ontvangst van de informatie maatregelen te nemen om de situatie te verhelpen.
2. De Autoriteit kan naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting de in lid 1 bedoelde termijn verlengen indien en voor zover de Autoriteit een dergelijke verlenging noodzakelijk en passend acht met het oog op de door de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geplande corrigerende maatregelen.
3. Na het verstrijken van de in lid 1 of lid 2 van dit artikel bedoelde termijn of na ontvangst van opmerkingen en informatie betreffende corrigerende maatregelen van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting vóór het verstrijken van de termijn, legt de Autoriteit de door de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting gemaakte opmerkingen en, in voorkomend geval, de beschrijving van de door die partij of stichting genomen corrigerende maatregelen voor aan het in artikel 16 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen en verzoekt zij dat comité om advies ter zake. Het comité brengt zijn advies uit binnen twee maanden na het verzoek van de Autoriteit.
4. Indien de Autoriteit kennis krijgt van feiten die twijfel oproepen over de naleving door een specifieke Europese politieke partij of Europese politieke stichting van de in artikel 3, lid 1, punten d) en e), en artikel 3, lid 2, punten c) en d), vastgelegde voorwaarden, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan in kennis, zodat deze instellingen een verzoek tot verificatie kunnen indienen als bedoeld in lid 1 van dit artikel. Onverminderd lid 1 van dit artikel maken het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hun voornemen om een verzoek tot verificatie in te dienen kenbaar binnen twee maanden na ontvangst van de informatie.
5. De in de leden 1 tot en met 4 uiteengezette procedure wordt niet in werking gesteld in de periode van twee maanden onmiddellijk voorafgaand aan de verkiezingen voor het Europees Parlement.
6. De Autoriteit besluit of de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register wordt geschrapt, rekening houdend met het advies van het in artikel 16 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen. Het besluit van de Autoriteit wordt naar behoren gemotiveerd.
7. Een besluit van de Autoriteit tot schrapping van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register vanwege niet-naleving van de in artikel 3, lid 1, punt d) of punt e), of artikel 3, lid 2, punt c) of punt d), vastgelegde voorwaarden wordt alleen vastgesteld indien er sprake is van ernstige en manifeste schending van deze voorwaarden. Bij het nemen van het besluit wordt de procedure van lid 8 van dit artikel gevolgd.
8. Een besluit van de Autoriteit tot schrapping van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register vanwege een ernstige en manifeste schending van de in artikel 3, lid 1, punt d) of punt e), of artikel 3, lid 2, punt c) of punt d), vastgelegde voorwaarden wordt ter kennis gegeven aan het Europees Parlement en de Raad. Het besluit treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van het besluit aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Autoriteit hebben meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Indien het Europees Parlement en de Raad bezwaar maken, blijft de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geregistreerd.
9. Het Europees Parlement en de Raad kunnen enkel bezwaar maken tegen een besluit van de Autoriteit tot schrapping van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register om redenen die verband houden met de beoordeling van de naleving van de in artikel 3, lid 1, punt d) of punt e), of artikel 3, lid 2, punt c) of punt d), vastgestelde registratievoorwaarden.
10. Wanneer bezwaar is gemaakt tegen een besluit van de Autoriteit tot schrapping van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register, stelt de Autoriteit de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting in kennis van het bezwaar.
11. Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun standpunt overeenkomstig hun respectievelijke besluitvormingsvoorschriften, vastgesteld in overeenstemming met de Verdragen. Een bezwaar tegen een besluit van de Autoriteit tot schrapping van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register wordt naar behoren gemotiveerd en wordt openbaar gemaakt.
Artikel 14
Verificatie van verplichtingen uit hoofde van het nationale recht
1. Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting ernstig is tekortgeschoten bij de naleving van relevante verplichtingen uit hoofde van nationaal recht als bedoeld in artikel 19, lid 2, eerste alinea, kan de lidstaat waar de zetel van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting is gevestigd bij de Autoriteit een verzoek tot schrapping uit het register indienen. Dat verzoek wordt naar behoren gemotiveerd. Meer bepaald worden daarin de onwettige handelingen en de specifieke niet nageleefde nationale vereisten gedetailleerd en uitputtend beschreven.
Als het onderwerp van het verzoek van de lidstaat uit hoofde van de eerste alinea van dit lid uitsluitend of voornamelijk betrekking heeft op elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, stelt de Autoriteit de verificatieprocedure overeenkomstig artikel 13 van deze verordening in werking.
Indien de lidstaat in zijn verzoek overeenkomstig de eerste alinea van dit lid bevestigt dat er op nationaal niveau een doeltreffend rechtsmiddel tegen een dergelijk verzoek bestaat en dat alle rechtsmiddelen met betrekking tot een dergelijk verzoek zijn uitgeput, beoordeelt de Autoriteit, na de vertegenwoordiger van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting te hebben gehoord, of de reden voor schrapping uit het register uit hoofde van artikel 21, lid 1, punt d), van toepassing is op de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting.
2. Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting ernstig is tekortgeschoten bij de naleving van relevante verplichtingen uit hoofde van nationaal recht als bedoeld in artikel 19, lid 2, tweede alinea, van deze verordening en indien de aangelegenheid uitsluitend of voornamelijk betrekking heeft op elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, kan de betrokken lidstaat een verzoek indienen bij de Autoriteit overeenkomstig lid 1, eerste alinea, van dit artikel. De Autoriteit handelt vervolgens overeenkomstig lid 1, tweede alinea, van dit artikel.
3. Voor de toepassing van dit artikel handelt de Autoriteit in alle gevallen zonder onnodige vertraging. De Autoriteit stelt de betrokken lidstaat en de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting in kennis van de in reactie op het gemotiveerde verzoek tot schrapping uit het register genomen maatregelen.
Artikel 15
Verificatieprocedure in verband met inbreuken op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens
1. Een Europese politieke partij of Europese politieke stichting mag de uitslag van verkiezingen voor het Europees Parlement niet bewust beïnvloeden of trachten te beïnvloeden door gebruik te maken van een inbreuk door een natuurlijke of rechtspersoon op de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens.
2. Indien de Autoriteit kennis krijgt van een besluit van een nationale toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 4, punt 21), van Verordening (EU) 2016/679 waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke of rechtspersoon inbreuk heeft gemaakt op de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, en indien uit dat besluit blijkt dat de inbreuk verband houdt met politieke activiteiten van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting in de context van verkiezingen voor het Europees Parlement, of indien er andere gegronde redenen zijn om zulks te vermoeden, legt de Autoriteit deze aangelegenheid voor aan het in artikel 16 van deze verordening bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen. De Autoriteit kan indien nodig contact opnemen met de betrokken nationale toezichthoudende autoriteit.
3. Het in lid 2 bedoelde comité brengt advies uit over de vraag of de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement bewust heeft beïnvloed of heeft trachten te beïnvloeden door gebruik te maken van die inbreuk. De Autoriteit dient het verzoek om advies zonder onnodige vertraging in, en uiterlijk één maand na in kennis te zijn gesteld van het besluit van de nationale toezichthoudende autoriteit. De Autoriteit legt het comité een korte, redelijke termijn op om zijn advies te geven. Het comité geeft zijn advies binnen die termijn.
4. Rekening houdend met het advies van het comité besluit de Autoriteit overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt a), ix), of zij de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting financiële sancties oplegt. Het besluit van de Autoriteit wordt naar behoren gemotiveerd, met name wat het advies van het comité betreft, en wordt snel bekendgemaakt.
5. De in dit artikel uiteengezette procedure laat de procedure van de artikelen 12, 13 en 14 onverlet. Het in artikel 13, lid 5, opgenomen verbod op het indienen van een verzoek tot verificatie overeenkomstig artikel 13, leden 1 tot en met 4, gedurende de periode van twee maanden onmiddellijk voorafgaand aan de verkiezingen voor het Europees Parlement is niet van toepassing op de in dit artikel beschreven procedure.
Artikel 16
Comité van onafhankelijke vooraanstaande personen
1. Het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen dat is opgericht bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bestaat uit zes leden; het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wijzen elk twee leden aan. De leden van het comité worden gekozen op grond van hun persoonlijke en professionele kwaliteiten. Zij zijn geen lid van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, bekleden geen gekozen ambt en zijn geen ambtenaren of andere personeelsleden van de Europese Unie of werknemer of voormalig werknemer van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting.
De leden van het comité voeren hun taken onafhankelijk uit. Zij vragen noch aanvaarden instructies van instellingen of regeringen of van andere organen of instanties en onthouden zich van elke handeling die onverenigbaar is met de aard van hun taken.
Na verkiezingen voor het Europees Parlement wordt binnen zes maanden na het einde van de eerste zitting van het Europees Parlement een nieuw comité ingesteld. Het mandaat van de leden is niet verlengbaar.
2. Het comité stelt zijn eigen reglement van orde vast. De voorzitter van het comité wordt door de leden uit hun midden gekozen overeenkomstig het reglement van orde van het comité. Het secretariaat en de financiering van het comité komen ten laste van het Europees Parlement. Het secretariaat van het comité handelt onder de exclusieve bevoegdheid van het comité.
3. Op verzoek van de Autoriteit geeft het comité advies over:
a)
elke mogelijke ernstige en manifeste schending door een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 3, lid 1, punten d) en e), en artikel 3, lid 2, punten c) en d);
b)
de vraag of een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting de uitslag van verkiezingen voor het Europees Parlement bewust heeft beïnvloed of heeft trachten te beïnvloeden door gebruik te maken van een inbreuk op de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens.
In de in de punten a) en b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde gevallen kan het comité relevante documenten of bewijsstukken vragen van de Autoriteit, het Europees Parlement, de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting, andere politieke partijen, politieke stichtingen of andere belanghebbenden, en kan het comité verzoeken hun vertegenwoordigers te horen. In het in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde geval verleent de in artikel 15 bedoelde nationale toezichthoudende autoriteit medewerking aan het comité overeenkomstig het toepasselijke recht.
Het comité houdt in zijn adviezen ten volle rekening met het fundamentele recht op vrijheid van vereniging en de noodzaak om in Europa pluralisme van politieke partijen te waarborgen.
De adviezen van het comité worden onverwijld voor het publiek toegankelijk gemaakt.
HOOFDSTUK III
RECHTSSTATUS VAN EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN EN EUROPESE POLITIEKE STICHTINGEN
Artikel 17
Rechtspersoonlijkheid
Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bezitten Europese rechtspersoonlijkheid.
Artikel 18
Wettelijke erkenning en handelingsbevoegdheid
Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen zijn in alle lidstaten wettelijk erkend en handelingsbevoegd.
Artikel 19
Toepasselijk recht
1. Op de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen is deze verordening van toepassing.
2. Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening worden geregeld, of, wanneer een aangelegenheid hierbij slechts gedeeltelijk is geregeld, voor de aspecten die niet onder deze verordening vallen, gelden voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de desbetreffende bepalingen in het nationale recht van de lidstaat waar hun respectieve zetels zijn gevestigd.
Op activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in andere lidstaten is de relevante nationale wetgeving van deze lidstaten van toepassing.
3. Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening of de desbetreffende bepalingen bedoeld in lid 2 worden geregeld, of, wanneer een aangelegenheid hierbij slechts gedeeltelijk is geregeld, voor de aspecten die er niet onder vallen, gelden voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de bepalingen van hun respectieve statuten.
Artikel 20
Verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid
1. Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting verkrijgt Europese rechtspersoonlijkheid op de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van het door de Autoriteit in overeenstemming met artikel 11 genomen besluit tot registratie.
2. Indien dit wordt vereist door de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzoekende partij die om registratie als Europese politieke partij of Europese politieke stichting verzoekt, gaat het overeenkomstig artikel 10 ingediende verzoek vergezeld van een door die lidstaat afgegeven verklaring, waarin officieel wordt bevestigd dat de verzoekende partij heeft voldaan aan alle desbetreffende nationale vereisten voor indiening van het verzoek, en dat de statuten van de verzoekende partij in overeenstemming zijn met de desbetreffende bepalingen als bedoeld in artikel 19, lid 2, eerste alinea.
3. Indien de verzoekende partij rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht van een lidstaat, beschouwt die lidstaat de verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid als omzetting van de nationale rechtspersoonlijkheid in Europese rechtspersoonlijkheid. De bestaande rechten en verplichtingen van de gewezen nationale juridische entiteit, die als zodanig ophoudt te bestaan, gaan in volle omvang over op de Europese juridische entiteit. De betrokken lidstaat stelt geen belemmerende voorwaarden vast voor dergelijke omzettingen. De verzoekende partij behoudt haar zetel in de betrokken lidstaat totdat een overeenkomstig artikel 11 genomen besluit is bekendgemaakt.
4. Indien de lidstaat waar de zetel van de verzoekende partij is gevestigd dit vereist, stelt de Autoriteit de datum van bekendmaking als bedoeld in lid 1 pas vast na overleg met die lidstaat.
Artikel 21
Beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid
1. Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting verliest haar Europese rechtspersoonlijkheid na schrapping uit het register bij besluit van de Autoriteit:
a)
indien de Autoriteit in het kader van de procedure van artikel 12 tot de bevinding komt dat:
i)
de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting niet voldoet aan een van in artikel 3, lid 1, punt a), b), c), f), g) of h) of in artikel 3, lid 2, punt a), b), e), f), g) of h), vastgestelde registratievoorwaarden,
ii)
de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting niet voldoet aan een van de in artikel 4, lid 1, punten a), b), d), e) en f), in artikel 4, lid 3, of in artikel 6, lid 1, punten a) tot en met e), punt g) of punt k), vastgestelde governancebepalingen,
iii)
de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting zich in een van de in artikel 138, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde uitsluitingssituaties bevindt, of
iv)
informatie die doorslaggevend was voor het besluit tot registratie van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting onjuist of misleidend was of dat het besluit met bedrog is verkregen;
b)
indien de Autoriteit tijdens de procedure van artikel 13 van deze verordening vaststelt dat de in artikel 3, lid 1, punt d) of punt e), of artikel 3, lid 2, punt c) of punt d), van deze verordening vastgestelde registratievoorwaarden met betrekking tot de eerbiediging van de in artikel 2 VEU vervatte waarden waarop de Unie berust, door de betrokken Europese politieke partij of de bij haar aangesloten partijen of door de betrokken Europese politieke stichting of de bij haar aangesloten organisaties op ernstige en manifeste wijze zijn geschonden;
c)
op verzoek van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting, of
d)
op basis van een verzoek van een lidstaat dat voldoet aan de vereisten van artikel 14, leden 1 en 3.
2. Indien de Autoriteit besluit een Europese politieke partij uit het register te schrappen, schrapt zij ook een eventuele met haar verbonden Europese politieke stichting uit het register.
3. Het besluit van de Autoriteit tot schrapping van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register wordt gericht en gemeld aan de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
4. Indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, beschouwt die lidstaat dit als omzetting van de Europese rechtspersoonlijkheid in nationale rechtspersoonlijkheid, waarbij de bestaande rechten en verplichtingen van de gewezen Europese juridische entiteit in volle omvang overgaan. De betrokken lidstaat stelt geen belemmerende voorwaarden vast voor dergelijke omzettingen.
5. Indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, wordt zij ontbonden volgens het toepasselijke recht van die lidstaat. De betrokken lidstaat kan eisen dat de ontbinding wordt voorafgegaan door de verkrijging door de betrokken partij of stichting van nationale rechtspersoonlijkheid overeenkomstig lid 4.
6. In alle situaties als bedoeld in de leden 4 en 5 van dit artikel waarborgt de betrokken lidstaat dat volledig wordt voldaan aan de in artikel 3 neergelegde voorwaarde inzake het ontbreken van een winstoogmerk. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement kunnen met de betrokken lidstaat afspraken maken inzake de gedetailleerde regelingen voor beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid, met name om de terugvordering van middelen uit de algemene begroting van de Unie en de inning van overeenkomstig artikel 32 opgelegde financiële sancties te waarborgen.
HOOFDSTUK IV
BEPALINGEN INZAKE FINANCIERING
Artikel 22
Financieringsvoorwaarden
1. Een Europese politieke partij die overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en procedures is geregistreerd, die door ten minste één van haar leden in het Europees Parlement vertegenwoordigd is, en die zich niet in één van de in artikel 138, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde uitsluitingssituaties bevindt, kan een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Unie indienen, overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die door de ordonnateur van het Europees Parlement in een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen uit de algemene begroting van de Unie zijn vastgesteld.
2. Een Europese politieke stichting die verbonden is met een Europese politieke partij die overeenkomstig lid 1 van dit artikel een verzoek om financiering kan indienen, die overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en procedures is geregistreerd, en die zich niet in één van de in artikel 138, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde uitsluitingssituaties bevindt, kan een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Unie indienen, overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die door de ordonnateur van het Europees Parlement in een oproep tot het indienen van voorstellen zijn neergelegd.
3. Wanneer wordt bepaald of is voldaan aan de voorwaarden voor financiering uit de algemene begroting van de Unie overeenkomstig lid 1 van dit artikel en artikel 3, lid 1, punt b), en voor de toepassing van artikel 24, lid 1, wordt ervan uitgegaan dat een lid van het Europees Parlement slechts lid is van één Europese politieke partij, die, indien van toepassing, de partij is waartoe zijn of haar nationale of regionale politieke partij behoort op de uiterste datum voor het indienen van verzoeken om financiering.
Hierbij wordt rechtstreeks lidmaatschap van een lid van het Europees Parlement van een Europese politieke partij aanvaard in gevallen waarin dat lid van het Europees Parlement geen lid is van een nationale of regionale partij die verbonden is aan een Europese politieke partij.
4. Financiële bijdragen of subsidies uit de algemene begroting van de Unie bedragen niet meer dan 95 % van de jaarlijkse vergoedbare kosten die in de begroting van een Europese politieke partij zijn opgenomen en niet meer dan 95 % van de subsidiabele kosten die een Europese politieke stichting heeft gemaakt. Europese politieke partijen kunnen het ongebruikte deel van de toegekende bijdrage van de Unie gebruiken om vergoedbare kosten te dekken binnen het begrotingsjaar volgend op de toekenning ervan. Bedragen die na dat begrotingsjaar ongebruikt blijven, worden overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 teruggevorderd.
5. Binnen de in de artikelen 26 en 27 bepaalde beperkingen hebben uitgaven die door middel van een financiële bijdrage uit de algemene begroting van de Unie vergoed kunnen worden betrekking op administratieve kosten, kosten in verband met technische ondersteuning, bijeenkomsten, onderzoek, grensoverschrijdende evenementen, studies, voorlichting en publicaties, alsmede op kosten in verband met campagnes.
Artikel 23
Verzoek om financiering
1. Een Europese politieke partij of Europese politieke stichting die voldoet aan de voorwaarden van artikel 22, lid 1 of lid 2, en die voor financiering uit de algemene begroting van de Unie in aanmerking wenst te komen, dient na een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen uit de algemene begroting van de Unie of een oproep tot het indienen van voorstellen een verzoek in bij het Europees Parlement.
2. De Europese politieke partij en de Europese politieke stichting moeten, op het ogenblik van hun verzoek, aan de in artikel 28 opgesomde verplichtingen voldoen. Vanaf de datum van de toepassing ervan tot de afsluiting van het begrotingsjaar of het einde van de activiteit waarop de bijdrage of subsidie uit de algemene begroting van de Unie betrekking heeft, moeten zij in het register opgenomen blijven en mogen zij aan geen van de in artikel 32, lid 1, punt a), vii), viii) en ix), opgenomen sancties onderworpen zijn.
3. Een Europese politieke stichting voegt haar jaarlijkse werkprogramma of actieplan bij haar verzoek.
4. De ordonnateur van het Europees Parlement neemt binnen drie maanden na de afsluiting van de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen uit de algemene begroting van de Unie of de oproep tot het indienen van voorstellen een besluit en keurt de desbetreffende kredieten goed en beheert deze in overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
5. Een Europese politieke stichting kan alleen een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Unie indienen via de Europese politieke partij waaraan zij verbonden is.
Artikel 24
Criteria voor toekenning en verdeling van middelen
1. De kredieten die beschikbaar zijn voor die Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen waaraan overeenkomstig artikel 23 bijdragen of subsidies zijn toegekend, worden jaarlijks als volgt verdeeld:
a)
10 % wordt gelijkelijk verdeeld tussen de begunstigde Europese politieke partijen;
b)
90 % wordt over de begunstigde Europese politieke partijen verdeeld in verhouding tot hun aantal gekozen leden in het Europees Parlement.
Dezelfde verdeelsleutel wordt gebruikt voor het toekennen van financiering aan Europese politieke stichtingen, op grond van hun banden met een Europese politieke partij.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde verdeling wordt gebaseerd op het aantal gekozen leden in het Europees Parlement die lid zijn van de verzoekende Europese politieke partij op de uiterste datum voor indiening van financieringsverzoeken, rekening houdend met artikel 22, lid 3.
Na deze datum hebben wijzigingen van dit aantal geen invloed op het respectieve financieringsaandeel van Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen. Dit geldt onverminderd de vereiste in artikel 22, lid 1, dat een Europese politieke partij door ten minste één van haar leden in het Europees Parlement vertegenwoordigd moet zijn.
Artikel 25
Donaties, bijdragen en zelf gegenereerde middelen
1. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen mogen donaties tot een waarde van 18 000 EUR per donateur per jaar aanvaarden van natuurlijke personen of rechtspersonen.
2. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen leggen, bij het indienen van hun jaarrekeningen in overeenstemming met artikel 28, eveneens een lijst van donateurs over waarop zowel hun respectieve donaties als de aard en waarde van elk van de donaties worden vermeld. Dit lid geldt eveneens voor de bijdragen van aangesloten partijen uit de Unie en aangesloten organisaties uit de Unie, voor bijdragen van individuele leden van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van meer dan 1 500 EUR en voor zelf gegenereerde middelen van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen.
Voor donaties en bijdragen van natuurlijke personen met een waarde van meer dan 1 500 EUR per donateur per jaar, maar minder dan of gelijk aan 3 000 EUR, geeft de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting aan of de desbetreffende natuurlijke personen vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven voor publicatie, overeenkomstig artikel 39, lid 1, punt e).
3. Donaties die Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in de zes maanden voorafgaand aan verkiezingen voor het Europees Parlement ontvangen, worden wekelijks schriftelijk en in overeenstemming met lid 2 aan de Autoriteit gemeld.
4. Afzonderlijke donaties ter waarde van meer dan 12 000 EUR die door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen zijn aangenomen, worden onmiddellijk schriftelijk en in overeenstemming met de bepalingen van lid 2 aan de Autoriteit gemeld.
5. Voor alle donaties ter waarde van meer dan 3 000 EUR per donateur per jaar verzoeken de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen donateurs om de nodige informatie te verstrekken zodat zij naar behoren kunnen worden geïdentificeerd. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen sturen de ontvangen informatie aan de Autoriteit door op haar verzoek.
De Autoriteit stelt een formulier vast dat moet worden gebruikt voor de identificatie van de donateurs als bedoeld in de eerste alinea.
6. Een Europese politieke partij of Europese politieke stichting aanvaardt geen van de volgende zaken:
a)
anonieme donaties of bijdragen;
b)
donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement;
c)
donaties van overheden van lidstaten of derde landen, of van ondernemingen waarop die overheid direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen, hetzij op grond van eigendom of financiële participatie, hetzij via de op de onderneming toepasselijke bepalingen, of
d)
donaties van particuliere entiteiten die gevestigd zijn in derde landen of van personen uit derde landen die niet stemgerechtigd zijn voor de verkiezingen voor het Europees Parlement.
7. Een donatie die op grond van deze verordening niet is toegestaan, wordt binnen dertig dagen na ontvangst door de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting aan de donateur of de namens de donateur optredende persoon terugbetaald. Indien terugbetaling van de donatie niet mogelijk is, wordt hiervan melding gedaan aan de Autoriteit en het Europees Parlement.
Indien een donatie is gemeld overeenkomstig de eerste alinea van dit lid, stelt de ordonnateur van het Europees Parlement een schuldvordering vast en geeft opdracht deze in te vorderen, overeenkomstig de artikelen 98, 99 en 100 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509. De middelen worden als algemene ontvangsten in de afdeling van het Europees Parlement in de algemene begroting van de Unie opgenomen.
8. De Autoriteit voert controles uit wanneer zij redenen heeft om te vermoeden dat een donatie is aanvaard in strijd met deze verordening. Daartoe kan zij de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting en hun donateurs om aanvullende informatie verzoeken en kan zij samenwerken met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
9. Een Europese politieke partij mag bijdragen ontvangen van haar leden, ongeacht of dit aangesloten partijen uit de Unie of burgers van de Unie zijn. Deze bijdragen mogen echter niet meer bedragen dan 40 % van de jaarlijkse begroting van de betreffende Europese politieke partij.
10. Een Europese politieke stichting mag bijdragen ontvangen van haar leden, ongeacht of dit aangesloten organisaties uit de Unie of burgers van de Unie zijn, en bijdragen van de Europese politieke partij waarmee zij verbonden is. Deze bijdragen mogen echter niet meer bedragen dan 40 % van de jaarlijkse begroting van die Europese politieke stichting en mogen niet afkomstig zijn uit middelen die een Europese politieke partij overeenkomstig deze verordening uit de algemene begroting van de Unie heeft ontvangen.
De bewijslast berust bij de betrokken Europese politieke partij, die de herkomst van de voor de financiering van de met haar verbonden Europese politieke stichting gebruikte middelen duidelijk in haar rekeningen aangeeft.
11. Onverminderd de leden 9 en 10 mogen Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bijdragen van burgers die als lid bij hen zijn aangesloten aanvaarden tot een waarde van 18 000 EUR per lid per jaar, indien dergelijke bijdragen door het betreffende lid in eigen naam worden gegeven.
Het in de eerste alinea neergelegde maximumbedrag is niet van toepassing indien het betreffende lid tevens een gekozen lid van het Europees Parlement, van een nationaal parlement of van een regionaal parlement of regionale assemblee is.
12. Bijdragen die krachtens deze verordening niet zijn toegestaan, worden terugbetaald overeenkomstig lid 7.
13. De zelf gegenereerde middelen van een Europese politieke partij of van een Europese politieke stichting mogen niet meer bedragen dan 3 % van de jaarlijkse begroting van die Europese politieke partij dan wel 5 % van de jaarlijkse begroting van die Europese politieke stichting.
Artikel 26
Financiering van campagnes voor de verkiezingen voor het Europees Parlement
1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de tweede alinea van dit lid kan de financiering van Europese politieke partijen uit de algemene begroting van de Unie of enige andere bron worden gebruikt voor de financiering van campagnes die Europese politieke partijen voeren voor verkiezingen voor het Europees Parlement waaraan zij of hun leden zoals voorgeschreven in artikel 3, lid 1, punt g), deelnemen, alsook voor de financiering van gezamenlijke Europese politieke activiteiten.
Overeenkomstig artikel 8 van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (16) wordt voor alle politieke partijen, kandidaten en derde partijen de financiering en mogelijke beperking van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, naast hun deelname aan die verkiezingen, in elke lidstaat door nationale bepalingen geregeld.
2. Uitgaven in verband met de in lid 1 bedoelde campagnes worden duidelijk als zodanig vermeld in de jaarrekeningen van de Europese politieke partijen.
Artikel 27
Financieringsverbod
1. Onverminderd artikel 26, lid 1, wordt financiering van Europese politieke partijen uit de algemene begroting van de Unie of enige andere bron niet gebruikt voor directe of indirecte financiering van andere politieke partijen, met name nationale partijen of kandidaten. Op deze nationale politieke partijen en kandidaten blijft de nationale regelgeving van toepassing.
2. Financiering van Europese politieke stichtingen uit de algemene begroting van de Unie of enige andere bron wordt voor geen andere doeleinden gebruikt dan voor het financieren van hun activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6), en voor uitgaven die rechtstreeks verband houden met de overeenkomstig artikel 6 in hun statuten genoemde doelstellingen. Zij wordt met name niet gebruikt voor directe of indirecte financiering van verkiezingen, politieke partijen of kandidaten, of andere stichtingen.
Het in de eerste alinea vastgestelde verbod belet Europese politieke stichtingen niet om te zorgen voor capaciteitsopbouw om de vorming van toekomstige politieke leiders in de Unie te ondersteunen of opleiding te verstrekken aan personen tot de datum waarop zij kandidaat worden overeenkomstig de nationale regelgeving of tot de datum van hun benoeming in de nationale partij, indien deze datum eerder valt.
3. Financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen uit de algemene begroting van de Unie of enige andere bron wordt niet gebruikt voor het financieren van referendumcampagnes.
HOOFDSTUK V
CONTROLE EN SANCTIES
Artikel 28
Verplichtingen inzake rekeningen, controle en verslaglegging
1. Binnen zes maanden na afsluiting van het begrotingsjaar dienen de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bij de ordonnateur van het Europees Parlement in een open, machineleesbaar formaat de volgende documenten in:
a)
hun jaarrekeningen en begeleidende nota’s met betrekking tot hun ontvangsten en uitgaven, en activa en passiva bij aanvang en bij afsluiting van het begrotingsjaar, overeenkomstig het toepasselijke recht in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd;
b)
een externeauditverslag van de jaarrekeningen met betrekking tot zowel de betrouwbaarheid van die jaarrekeningen als de wettigheid en regelmatigheid van hun ontvangsten en uitgaven, dat is opgesteld door een onafhankelijke instantie of deskundige;
c)
de overeenkomstig artikel 25, leden 2, 3 en 4, overgelegde lijst van donateurs en contribuanten en hun respectieve donaties of bijdragen.
Daarnaast dienen de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen binnen zes maanden na afsluiting van het begrotingsjaar een kopie van alle in de eerste alinea bedoelde documenten in bij de Autoriteit en het bevoegde nationale contactpunt in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd. Die kopie wordt ingediend in een open, machineleesbaar formaat.
2. In geval van uitgaven die gezamenlijk zijn gedaan door Europese politieke partijen en nationale politieke partijen of door Europese politieke stichtingen en nationale politieke stichtingen, of met andere organisaties, worden de bewijsstukken met betrekking tot de uitgaven die door de Europese politieke partijen of de Europese politieke stichtingen rechtstreeks of via deze derden zijn gedaan, bij de in lid 1 bedoelde jaarrekeningen gevoegd.
3. De in lid 1, punt b), bedoelde onafhankelijke externe instanties of deskundigen worden gekozen door, krijgen hun opdracht van en worden betaald door het Europees Parlement. Zij worden naar behoren gemachtigd om volgens het toepasselijke recht in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd rekeningen te controleren.
4. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die door de onafhankelijke instanties of deskundigen in het kader van hun controle wordt gevraagd.
5. De onafhankelijke instanties of deskundigen stellen de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement in kennis van elk vermoeden van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de financiële belangen van de Unie kunnen schaden. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement stellen de nationale contactpunten hiervan in kennis.
Artikel 29
Algemene regels voor de controle
1. Controle op de naleving door Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen wordt in samenwerking uitgeoefend door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de bevoegde lidstaten.
2. De Autoriteit controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder wat betreft artikel 3, artikel 4, lid 1, punten a), b), d), e) en f), artikel 4, lid 3, artikel 5, artikel 6, lid 1, punten a) tot en met e), g) en k), artikel 11, leden 5 en 6, en de artikelen 25, 26 en 27.
De ordonnateur van het Europees Parlement controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening en uit Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 voortvloeiende verplichtingen die betrekking hebben op de financiering door de Unie. Bij de uitvoering van die controle neemt het Europees Parlement de nodige maatregelen met het oog op de preventie en de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.
3. De in lid 2 van dit artikel bedoelde controle door de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement strekt zich niet uit tot de naleving door Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit het toepasselijke nationaal recht voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in artikel 19.
4. De Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die wordt gevraagd door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement, de Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of de lidstaten, en die nodig is voor het uitvoeren van de controles waarvoor zij krachtens deze verordening verantwoordelijk zijn.
Desgevraagd en ten behoeve van de controle van de naleving van artikel 25 verstrekken de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de Autoriteit informatie met betrekking tot bijdragen van individuele leden en de identiteit van die leden. Bovendien kan de Autoriteit in voorkomend geval van Europese politieke partijen verlangen dat zij ondertekende bevestigende verklaringen van leden die een gekozen ambt bekleden voorleggen ten behoeve van de controle van de naleving van de in artikel 3, lid 1, punt b), i), neergelegde voorwaarde.
Artikel 30
Uitvoering en controle met betrekking tot financiering van de Unie
1. Kredieten voor de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen worden vastgesteld volgens de jaarlijkse begrotingsprocedure en uitgevoerd overeenkomstig deze verordening en Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
De voorwaarden voor bijdragen en subsidies worden door de ordonnateur van het Europees Parlement in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen en de oproep tot het indienen van voorstellen vastgesteld.
2. De controle op financiering afkomstig uit de algemene begroting van de Unie en het gebruik ervan wordt overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 uitgeoefend.
De controle geschiedt daarenboven op grond van een jaarlijkse audit door een externe en onafhankelijke instantie, als beschreven in artikel 28, lid 1.
3. De Rekenkamer oefent haar controlerende bevoegdheden uit in overeenstemming met artikel 287 VWEU.
4. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen die op grond van deze verordening financiering ontvangen, verstrekken de Rekenkamer op haar verzoek alle documenten of inlichtingen die voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk zijn.
5. In het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat het Europees Parlement en de Rekenkamer bevoegd zijn om aan de hand van stukken en ter plaatse controles uit te voeren met betrekking tot een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die respectievelijk een bijdrage of een subsidie uit de algemene begroting van de Unie heeft ontvangen.
6. De Rekenkamer en de ordonnateur van het Europees Parlement, of een andere door de ordonnateur van het Europees Parlement gemachtigde externe instantie, kunnen de nodige controles en verificaties ter plaatse uitvoeren om de wettigheid van de uitgaven te controleren en na te gaan of de bepalingen van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie zijn nageleefd, en, wat betreft de Europese politieke stichtingen, of het werkprogramma of de actie naar behoren is uitgevoerd. De betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting verstrekt alle hiervoor benodigde documenten en inlichtingen.
7. OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (17) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (18) onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met bijdragen of subsidies uit hoofde van deze verordening waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Deze controles kunnen eventueel leiden tot een besluit tot terugvordering door de ordonnateur van het Europees Parlement.
Artikel 31
Technische ondersteuning
Iedere vorm van technische ondersteuning door het Europees Parlement van Europese politieke partijen berust op het beginsel van gelijke behandeling. Zij wordt verleend volgens voorwaarden die niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor andere externe organisaties en verenigingen waaraan vergelijkbare voorzieningen ter beschikking kunnen worden gesteld en zij wordt verleend tegen overlegging van een factuur en tegen betaling.
Artikel 32
Sancties
1. De Autoriteit legt in de volgende gevallen financiële sancties op:
a)
niet-kwantificeerbare inbreuken:
i)
indien niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 11, lid 5 of lid 6,
ii)
indien de aangegane verplichtingen niet worden nagekomen en niet wordt gehandeld overeenkomstig de informatie die de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting heeft verstrekt, overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten a), b), d), e) en f), artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 1, punten a), b), d), e) en k),
iii)
indien niet wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 5, lid 1,
iv)
indien niet wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 5, lid 2,
v)
indien de lijst van donateurs en hun respectieve donaties niet wordt overgelegd overeenkomstig artikel 25, lid 2, of donaties niet worden gemeld overeenkomstig artikel 25, leden 3 en 4,
vi)
indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting haar verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 28, lid 1, of artikel 29, lid 4, niet is nagekomen,
vii)
indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting zich in een van de in artikel 138, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde uitsluitingssituaties bevindt,
viii)
indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting op enig moment opzettelijk onjuiste of misleidende informatie heeft achtergehouden of verstrekt,
ix)
indien overeenkomstig de in artikel 15 bedoelde verificatieprocedure wordt vastgesteld dat een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting de uitslag van verkiezingen voor het Europees Parlement bewust heeft beïnvloed of heeft trachten te beïnvloeden door gebruik te maken van een inbreuk op de toepasselijke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens;
b)
kwantificeerbare inbreuken:
i)
indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting donaties en bijdragen heeft aanvaard die krachtens artikel 25, lid 1 of lid 6, niet zijn toegestaan, tenzij is voldaan aan de voorwaarden van artikel 25, lid 7,
ii)
indien niet wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 26 en 27.
2. De ordonnateur van het Europees Parlement kan een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting voor maximaal vijf jaar, of maximaal tien jaar in geval van herhaalde inbreuken binnen een periode van vijf jaar, uitsluiten van toekomstige financiering door de Unie wanneer zij schuldig is bevonden aan een van de in lid 1, punt a), vii) en viii), van dit artikel genoemde inbreuken. Dit laat de bevoegdheden van de ordonnateur van het Europees Parlement als vastgelegd in artikel 235 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 onverlet.
3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden de volgende financiële sancties opgelegd aan een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting:
a)
voor niet-kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting:
i)
maximaal 5 %,
ii)
tussen 5 % en 10 % bij een samenloop van inbreuken,
iii)
tussen 10 % en 15 % bij een herhaalde inbreuk,
iv)
tussen 15 % en 20 % bij verdere herhaalde inbreuken,
v)
een derde van de in de punten i) tot en met iv) genoemde percentages indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit een officieel onderzoek is gestart, zelfs bij een samenloop van inbreuken of een herhaalde inbreuk, en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen,
vi)
50 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting van het voorgaande jaar, indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting zich in een van de in artikel 138, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 bedoelde uitsluitingssituaties bevindt;
b)
voor kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van het bedrag van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, of van de middelen die zijn gebruikt voor op grond van artikel 27 verboden financiering, overeenkomstig de volgende schaal, maar ten hoogste 10 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting:
i)
100 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen of van de middelen die zijn gebruikt voor op grond van artikel 27 verboden financiering, indien deze 50 000 EUR of minder bedragen,
ii)
150 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen of van de middelen die zijn gebruikt voor op grond van artikel 27 verboden financiering, indien deze meer dan 50 000 EUR maar niet meer dan 100 000 EUR bedragen,
iii)
200 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen of van de middelen die zijn gebruikt voor op grond van artikel 27 verboden financiering, indien deze meer dan 100 000 EUR maar niet meer dan 150 000 EUR bedragen,
iv)
250 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen of van de middelen die zijn gebruikt voor op grond van artikel 27 verboden financiering, indien deze meer dan 150 000 EUR maar niet meer dan 200 000 EUR bedragen,
v)
300 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen of van de middelen die zijn gebruikt voor op grond van artikel 27 verboden financiering, indien deze meer dan 200 000 EUR bedragen,
vi)
een derde van de in de punten i) tot en met v) genoemde percentages indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit en/of de ordonnateur van het Europees Parlement een officieel onderzoek is gestart en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen.
Voor de toepassing van de in de eerste alinea van dit lid genoemde percentages wordt elke donatie of bijdrage of elk bedrag dat is gebruikt voor uit hoofde van artikel 27 verboden financiering afzonderlijk beoordeeld.
4. Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting een inbreuk heeft begaan op grond waarvan zowel oplegging van een financiële sanctie als schrapping van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register gerechtvaardigd is, gaat de Autoriteit alleen over tot schrapping van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register.
5. De Autoriteit vordert de desbetreffende bedragen terug van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting waaraan financiële sancties zijn opgelegd.
6. Voor de in deze verordening vastgelegde sancties geldt een verjaringstermijn van tien jaar vanaf de dag waarop de betreffende inbreuk werd begaan, of, indien sprake is van aanhoudende of herhaalde inbreuken, vanaf de datum waarop de inbreuken werden beëindigd.
7. Indien een besluit van de nationale toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 15 is ingetrokken of indien een tegen een dergelijk besluit ingesteld beroep is toegewezen en alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, herziet de Autoriteit op verzoek van de betrokken Europese politieke partij of de Europese politieke stichting de krachtens lid 1, punt a), ix), van dit artikel opgelegde sanctie.
Artikel 33
Verantwoordelijkheid van natuurlijke personen
Wanneer de Autoriteit in de situaties bedoeld in artikel 32, lid 1, punt a), vii) of viii), een financiële sanctie oplegt, kan zij, met het oog op de terugvordering als bedoeld in artikel 36, lid 2, bepalen dat een natuurlijke persoon die lid is van het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting, of die ten aanzien van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft, tevens verantwoordelijk is voor de inbreuk in de volgende gevallen:
a)
in de situatie bedoeld in artikel 32, lid 1, punt a), vii), indien de natuurlijke persoon bij de in die bepaling bedoelde rechterlijke beslissing ook verantwoordelijk is gesteld voor de onwettige activiteiten in kwestie;
b)
in de situatie bedoeld in artikel 32, lid 1, punt a), viii), indien de natuurlijke persoon ook verantwoordelijk is voor de gedragingen of onjuistheden in kwestie.
Artikel 34
Samenwerking tussen de autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten
1. Via de nationale contactpunten delen de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten informatie en stellen zij elkaar regelmatig op de hoogte van kwesties in verband met financieringsbepalingen, controles en sancties.
Zij maken tevens afspraken over de praktische regelingen voor deze uitwisseling van informatie, en stellen daarbij onder andere regels vast inzake de bekendmaking van vertrouwelijke informatie of bewijsstukken en de samenwerking tussen lidstaten.
2. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement wisselen regelmatig van gedachten en wisselen regelmatig informatie uit over de uitlegging en uitvoering van deze verordening.
3. De ordonnateur van het Europees Parlement stelt de Autoriteit in kennis van bevindingen die aanleiding kunnen geven tot het opleggen van sancties overeenkomstig artikel 32, leden 1, 2 en 3, teneinde de Autoriteit in staat te stellen passende maatregelen te treffen. De Autoriteit neemt binnen zes maanden een besluit over de oplegging van sancties.
4. De Autoriteit stelt de ordonnateur van het Europees Parlement in kennis van besluiten die zij heeft genomen met betrekking tot sancties, teneinde laatstgenoemde in staat te stellen hieraan een passend vervolg te geven overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
Artikel 35
Corrigerende maatregelen en beginselen van goed bestuur
1. Met het oog op de volledige naleving van de verplichtingen als bedoeld in artikel 41, en voorafgaand aan het definitieve besluit van de Autoriteit inzake een van de in artikel 32, lid 1, punt a), i) tot en met vi), bedoelde sancties, stelt de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting in de gelegenheid de maatregelen te treffen die nodig zijn om de situatie binnen een redelijke termijn, die normaal gesproken niet langer mag duren dan een maand, te verhelpen. In het bijzonder geeft de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de gelegenheid tot het corrigeren van schrijf- en rekenfouten, het zo nodig verstrekken van aanvullende documenten of informatie of het rechtzetten van kleine tekortkomingen.
2. Indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting heeft nagelaten binnen de in lid 1 van dit artikel voorgeschreven termijn corrigerende maatregelen te nemen, worden passende sancties overeenkomstig artikel 32 opgelegd.
Artikel 36
Beëindiging met toekomstig effect van een financieringsbesluit
1. De ordonnateur van het Europees Parlement beëindigt een financieringsbesluit dat gericht is tot een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting met toekomstig effect indien een van de volgende besluiten is genomen:
a)
een besluit tot schrapping van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register, mits dit niet gebaseerd is op de redenen voor schrapping uit het register als bedoeld in artikel 21, lid 1, punt a), iv), of
b)
een sanctiebesluit dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 32, lid 1, punt a), vii) en viii).
Andere redenen voor beëindiging met toekomstig effect van een financieringsbesluit kunnen in de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie worden vermeld.
2. Een besluit tot beëindiging met toekomstig effect van het financieringsbesluit wordt van kracht op de in dat besluit vermelde datum of, indien hier geen datum in is vermeld, op de datum waarop het ter kennis wordt gebracht van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting.
3. De beëindiging met toekomstig effect van het financieringsbesluit heeft de volgende gevolgen:
a)
de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie wordt beëindigd op de in lid 2 bedoelde datum;
b)
betalingen door de ordonnateur van het Europees Parlement blijven beperkt tot de door de Europese politieke partij werkelijk gedane vergoedbare uitgaven of de door de Europese politieke stichting werkelijk gemaakte subsidiabele kosten tot aan de in lid 2 bedoelde datum;
c)
uitgaven of kosten die door de Europese politieke partij of Europese politieke stichting worden gedaan of gemaakt vanaf de in lid 2 bedoelde datum worden aangemerkt als niet-vergoedbare uitgaven of niet-subsidiabele kosten;
d)
de ordonnateur van het Europees Parlement vordert alle onverschuldigd betaalde middelen van de Unie terug, met inbegrip van:
i)
middelen van de Unie die zijn uitgegeven voor niet-vergoedbare uitgaven of niet-subsidiabele kosten, en
ii)
niet-gebruikte voorfinanciering van de Unie die niet is uitgegeven vóór de in lid 2 bedoelde datum, met inbegrip van niet-bestede middelen van de Unie van voorgaande jaren, en
e)
de ordonnateur van het Europees Parlement vordert onverschuldigd betaalde bedragen terug van een natuurlijke persoon ten aanzien van wie een besluit overeenkomstig artikel 33 is genomen, rekening houdend, in voorkomend geval, met de uitzonderlijke omstandigheden met betrekking tot die natuurlijke persoon.
Artikel 37
Intrekking met terugwerkende kracht van een financieringsbesluit
1. Op basis van een besluit van de Autoriteit tot schrapping van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register, op grond van de in artikel 21, lid 1, punt a), iv), genoemde reden voor schrapping uit het register, trekt de ordonnateur van het Europees Parlement de tot de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting gerichte financieringsbesluiten met terugwerkende kracht in vanaf de datum van vaststelling van dat besluit.
2. De intrekking met terugwerkende kracht van het financieringsbesluit heeft de volgende gevolgen:
a)
de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie wordt beëindigd op de datum van de kennisgeving van die beëindiging aan de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting;
b)
alle uitgaven of kosten van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting worden aangemerkt als niet-vergoedbare uitgaven of niet-subsidiabele kosten, en
c)
alle bedragen die in het kader van de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie zijn betaald, en alle niet-bestede middelen van de Unie uit voorgaande jaren, worden als onverschuldigde betalingen beschouwd en worden teruggevorderd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
HOOFDSTUK VI
SLOTBEPALINGEN
Artikel 38
Informatieverstrekking aan de burgers
Behoudens het bepaalde in de artikelen 26 en 27 en hun eigen statuten en interne regelingen, kunnen Europese politieke partijen in het kader van verkiezingen voor het Europees Parlement alle passende maatregelen nemen om de burgers van de Unie te informeren over de banden tussen nationale politieke partijen en kandidaten en de betrokken Europese politieke partijen.
Artikel 39
Transparantie
1. Het Europees Parlement of de Autoriteit, overeenkomstig de verdeling van hun bevoegdheden uit hoofde van deze verordening, publiceert in een open, machineleesbaar formaat en op een speciaal daartoe gecreëerde website het volgende:
a)
de namen en statuten van alle geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, samen met de overeenkomstig artikel 10 bij het verzoek om registratie ingediende documenten, uiterlijk vier weken nadat de Autoriteit haar besluit heeft genomen, evenals alle nadien krachtens artikel 11, leden 5 en 6, aan de Autoriteit meegedeelde wijzigingen;
b)
een lijst van de verzoeken die niet zijn ingewilligd, samen met de overeenkomstig artikel 10 bij het verzoek om registratie ingediende documenten en de redenen voor de afwijzing, uiterlijk vier weken nadat de Autoriteit haar besluit heeft genomen;
c)
een jaarlijks verslag met een tabel van de bedragen die zijn betaald aan de respectieve Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, per begrotingsjaar waarvoor bijdragen zijn ontvangen of subsidies zijn betaald uit de algemene begroting van de Unie;
d)
de in artikel 28, lid 1, bedoelde jaarrekeningen en externeauditverslagen alsook, voor Europese politieke stichtingen, de eindverslagen over de uitvoering van de werkprogramma’s of acties;
e)
de overeenkomstig artikel 25, leden 2, 3 en 4, door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen gemelde namen van donateurs en hun donaties, met uitzondering van donaties van natuurlijke personen met een waarde van ten hoogste 1 500 EUR per donateur per jaar, die worden gemeld als “kleine donaties”; donaties van natuurlijke personen waarvan de waarde per jaar meer dan 1 500 EUR bedraagt en minder dan of gelijk is aan 3 000 EUR worden niet gepubliceerd zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe van de desbetreffende donateur; indien geen voorafgaande toestemming is verleend, worden deze donaties gemeld als “kleine donaties”; het totale bedrag van de kleine donaties en het aantal donateurs per kalenderjaar worden eveneens gepubliceerd;
f)
de in artikel 25, leden 9 en 10, bedoelde bijdragen, die de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen hebben gemeld overeenkomstig artikel 25, lid 2;
g)
de in artikel 25, lid 13, bedoelde zelf gegenereerde middelen, die de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen hebben gemeld overeenkomstig artikel 25, lid 2;
h)
gedurende de periode van zes maanden voorafgaand aan de verkiezingen voor het Europees Parlement, de krachtens artikel 25, lid 3, ontvangen wekelijkse verslagen;
i)
de details van en redenen voor definitieve besluiten van de Autoriteit krachtens artikel 32, met inbegrip van eventuele door het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen overeenkomstig de artikelen 12 en 16 vastgestelde adviezen, met inachtneming van Verordening (EU) 2018/1725;
j)
de details van en de redenen voor definitieve besluiten van de ordonnateur van het Europees Parlement krachtens artikel 32;
k)
een beschrijving van de aan Europese politieke partijen verleende technische ondersteuning;
l)
het in artikel 45 bedoelde evaluatieverslag van het Europees Parlement over de toepassing van deze verordening en over de gefinancierde activiteiten;
m)
een bijgewerkte lijst van leden van het Europees Parlement die lid zijn van een Europese politieke partij.
2. De Autoriteit publiceert de lijst van bij een Europese politieke partij aangesloten partijen, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, bij de statuten van de partij wordt gevoegd en overeenkomstig artikel 11, lid 6, wordt bijgewerkt, alsmede het totale aantal individuele leden.
3. Persoonsgegevens worden niet op de in lid 1 bedoelde website gepubliceerd, tenzij publicatie verplicht is op grond van lid 1, punt a), e) of i).
4. Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken potentiële leden en donateurs in een publiek toegankelijke privacyverklaring de krachtens artikel 13 van Verordening (EU) 2016/679 vereiste informatie en wijzen hen erop dat hun persoonsgegevens door het Europees Parlement, de Autoriteit, OLAF, de Rekenkamer, de lidstaten of door hen gemachtigde externe organen of deskundigen worden verwerkt voor audit- en controledoeleinden, en dat hun persoonsgegevens op de in lid 1 van dit artikel bedoelde website bekendgemaakt zullen worden onder de in dit artikel vermelde voorwaarden. Overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) 2018/1725 neemt de ordonnateur van het Europees Parlement deze informatie ook op in de in artikel 23, lid 1, bedoelde oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of voorstellen.
Artikel 40
Bescherming van persoonsgegevens
1. Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening nemen de Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 16 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen Verordening (EU) 2018/1725 in acht. In verband met de verwerking van persoonsgegevens gelden zij als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 3, punt 8, van die verordening.
2. Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening voldoen de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, de lidstaten, bij het uitoefenen van de controle op bepaalde aspecten van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig artikel 29, en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om rekeningen te controleren overeenkomstig artikel 28, lid 1, aan Verordening (EU) 2016/679 en de op grond daarvan vastgestelde nationale bepalingen. In verband met de verwerking van persoonsgegevens gelden zij als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7), van die verordening.
3. De Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 16 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen zien erop toe dat de persoonsgegevens die zij op grond van deze verordening verzamelen, uitsluitend worden gebruikt om te waarborgen dat de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en het lidmaatschap van Europese politieke partijen wettig, regelmatig en transparant zijn. Zij wissen alle voor dit doel verzamelde persoonsgegevens uiterlijk 24 maanden nadat de relevante delen ervan zijn gepubliceerd overeenkomstig artikel 39.
4. De lidstaten en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om rekeningen te controleren, gebruiken de persoonsgegevens die zij ontvangen alleen om toezicht uit te oefenen op de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Zij wissen deze persoonsgegevens overeenkomstig het toepasselijke nationale recht na de doorgifte daarvan overeenkomstig artikel 34.
5. Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan de in lid 3 vastgestelde termijnen of de termijnen waarin het in lid 4 bedoelde toepasselijke nationale recht voorziet, indien dit nodig is in verband met juridische of administratieve procedures betreffende de financiering van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting, of betreffende het lidmaatschap van een Europese politieke partij. Uiterlijk één week nadat voornoemde procedures met een definitief besluit worden afgerond of eventuele audits, beroepsprocedures, geschillen of claims zijn afgehandeld, worden al deze persoonsgegevens gewist.
6. De in de leden 1 en 2 bedoelde verwerkingsverantwoordelijken nemen passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongewilde dan wel onrechtmatige vernietiging, ongewild verlies, wijziging of ongeoorloofde openbaarmaking of toegang, met name wanneer de verwerking doorgifte van deze gegevens via een netwerk omvat, dan wel tegen enige andere vorm van onwettige verwerking.
7. Het is de verantwoordelijkheid van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming erop toe te zien en te waarborgen dat de Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 16 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening eerbiedigen en beschermen. Betrokkenen kunnen, onverminderd de mogelijkheden van beroep voor de rechter, een klacht indienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming indien zij van oordeel zijn dat hun recht op bescherming van hun persoonsgegevens door de verwerking van die gegevens door de Autoriteit, het Europees Parlement of dit comité is geschonden.
8. De Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, de lidstaten en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om krachtens deze verordening rekeningen te controleren, zijn overeenkomstig het toepasselijke nationale recht aansprakelijk voor schade die zij veroorzaken bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening. De lidstaten waarborgen, onverminderd Verordening (EU) 2016/679, dat op inbreuken op deze verordening doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden gesteld.
Artikel 41
Recht te worden gehoord
Alvorens een besluit te nemen dat de rechten van een Europese politieke partij, een Europese politieke stichting, een verzoekende partij als bedoeld in artikel 10 of een in artikel 33 bedoelde natuurlijke persoon kan schaden, hoort de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de vertegenwoordigers van de betreffende Europese politieke partij, Europese politieke stichting of verzoekende partij, of de betrokken natuurlijke persoon. De Autoriteit dan wel het Europees Parlement vermeldt naar behoren de redenen voor het besluit.
Artikel 42
Beroepsmogelijkheden
Tegen de besluiten die krachtens deze verordening zijn genomen, kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, overeenkomstig de relevante bepalingen van het VWEU.
Artikel 43
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 28 december 2025.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 9, lid 2, of artikel 10, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 44
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 45
Evaluatie
Het Europees Parlement publiceert, na raadpleging van de Autoriteit, binnen één jaar na de verkiezingen voor het Europees Parlement een verslag over de toepassing van deze verordening en over de gefinancierde activiteiten. Eventuele in het statuut en de financieringsstelsels aan te brengen wijzigingen worden in het verslag vermeld.
De Commissie dient uiterlijk één jaar na de publicatie van het verslag van het Europees Parlement een verslag in over de toepassing van deze verordening, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening. In het verslag van de Commissie wordt bijzondere aandacht besteed aan de implicaties van deze verordening voor de positie van kleine Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en voor de regels voor de financiering van Europese politieke stichtingen.
Artikel 46
Doeltreffende toepassing
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening doeltreffend wordt toegepast.
Artikel 47
Overgangsbepaling
1. De overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 verrichte procedurehandelingen blijven met het oog op de toepassing van de onderhavige verordening effect sorteren.
2. In afwijking van artikel 45, eerste alinea, publiceert het Europees Parlement met betrekking tot de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2024 het daarin bedoelde verslag uiterlijk op 29 juni 2026.
Artikel 48
Intrekking
Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.
Artikel 49
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is van toepassing op financiering uit hoofde van deze verordening voor activiteiten die in het begrotingsjaar 2027 of daarna van start gaan.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 26 november 2025.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. BJERRE
(1) PB C 275 van 18.7.2022, blz. 66.
(2) PB C 301 van 5.8.2022, blz. 102.
(3) PB C 182 van 4.5.2022, blz. 14.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 21 oktober 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 november 2025.
(5) Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/1141/oj).
(6) Zie bijlage II.
(7) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj.
(8) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(9) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(10) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
(11) Deze benaming laat standpunten over de status onverlet en is in overeenstemming met resolutie UNSCR 1244/1999 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(12) Deze benaming laat standpunten over de status onverlet en is in overeenstemming met resolutie UNSCR 1244/1999 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(13) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
(14) Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1968/259(1)/oj).
(15) Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1958/1(1)/oj).
(16) PB L 278 van 8.10.1976, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1976/787(2)/oj.
(17) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/883/oj).
(18) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2185/oj).
BIJLAGE I
Door elke verzoekende partij in te vullen formele standaardverklaring
Ondergetekende, met een volledig mandaat van … [naam van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting], verklaart hierbij dat:
… [naam van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting] en de bij haar aangesloten partijen en organisaties zich ertoe verbinden te voldoen aan de in artikel 3, lid 1, punten d) en e), of artikel 3, lid 2, punten c) en d), van Verordening (EU, Euratom) 2025/2445 vastgestelde registratievoorwaarden, te weten eerbiediging, met name in hun programma’s en in hun activiteiten, van de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vervatte waarden waarop de Unie berust, namelijk eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren.
Rechtsgeldig ondertekend door:
Titel (mevrouw, de heer …) naam en voornaam:
Functie binnen de organisatie die het verzoek om registratie als Europese politieke partij/Europese politieke stichting indient:
Plaats, datum:
Handtekening:
BIJLAGE II
Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan
Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1)
Verordening (EU, Euratom) 2018/673 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 114 I van 4.5.2018, blz. 1)
Verordening (EU, Euratom) 2019/493 van het Europees Parlement en de Raad
(PB L 85 I van 27.3.2019, blz. 7)
BIJLAGE III
Concordantietabel
Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014
Deze verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 2, inleidende zin
Artikel 2, inleidende zin
Artikel 2, punt 1
Artikel 2, punt 1)
—
Artikel 2, punt 2)
Artikel 2, punt 2
Artikel 2, punt 3)
Artikel 2, punt 3
Artikel 2, punt 4)
—
Artikel 2, punt 5)
Artikel 2, punten 4 tot en met 8
Artikel 2, punten 6) tot en met 10)
—
Artikel 2, punt 11)
—
Artikel 2, punt 12)
—
Artikel 2, punt 13)
Artikel 2, punten 9 tot en met 13
Artikel 2, punten 14) tot en met 18)
Artikel 3, lid 1, inleidende zin
Artikel 3, lid 1, inleidende zin
Artikel 3, lid 1, punt a)
Artikel 3, lid 1, punt a)
Artikel 3, lid 1, punt b)
Artikel 3, lid 1, punt b)
Artikel 3, lid 1, punt b bis)
Artikel 3, lid 1, punt c)
Artikel 3, lid 1, punt c)
Artikel 3, lid 1, punt d)
—
Artikel 3, lid 1, punten e) en f)
Artikel 3, lid 1, punt d)
Artikel 3, lid 1, punt g)
Artikel 3, lid 1, punt e)
Artikel 3, lid 1, punt h)
Artikel 3, lid 2, inleidende zin
Artikel 3, lid 2, inleidende zin
Artikel 3, lid 2, punt a)
Artikel 3, lid 2, punt a)
Artikel 3, lid 2, punt b)
Artikel 3, lid 2, punt b)
Artikel 3, lid 2, punt c)
Artikel 3, lid 2, punt c)
—
Artikel 3, lid 2, punt d)
—
Artikel 3, lid 2, punt e)
Artikel 3, lid 2, punt d)
Artikel 3, lid 2, punt f)
Artikel 3, lid 2, punt e)
Artikel 3, lid 2, punt g)
Artikel 3, lid 2, punt f)
Artikel 3, lid 2, punt h)
Artikel 3, lid 3
Artikel 3, lid 3
Artikel 4, lid 1
Artikel 4, lid 1
Artikel 4, lid 2
Artikel 4, lid 2
—
Artikel 4, lid 3
Artikel 4, lid 3
Artikel 4, lid 4
—
Artikel 5
Artikel 5, lid 1, punten a) tot en met i)
Artikel 6, lid 1, punten a) tot en met i)
—
Artikel 6, lid 1, punten j) en k)
Artikel 5, lid 2
Artikel 6, lid 2
—
Artikel 7
Artikel 6
Artikel 8
Artikel 7
Artikel 9
Artikel 8
Artikel 10
Artikel 9
Artikel 11
Artikel 10, lid 1
Artikel 12, lid 1
Artikel 10, lid 2
Artikel 12, lid 2
—
Artikel 12, leden 3 en 4
Artikel 10, lid 3
Artikel 13, lid 1
—
Artikel 13, leden 2 tot en met 6
Artikel 10, lid 3
Artikel 13, lid 7
Artikel 10, lid 4
Artikel 13, lid 8
Artikel 10, lid 4
Artikel 13, lid 9
—
Artikel 13, lid 10
Artikel 10, lid 4
Artikel 13, lid 11
Artikel 10, lid 5
—
Artikel 10, lid 6
—
Artikel 16, lid 3
Artikel 14
Artikel 10 bis
Artikel 15
Artikel 11
Artikel 16
Artikel 12
Artikel 17
Artikel 13
Artikel 18
Artikel 14
Artikel 19
Artikel 15
Artikel 20
Artikel 16, leden 1, 2 en 3
Artikel 21, lid 1
—
Artikel 21, lid 2
Artikel 16, lid 1
Artikel 21, lid 3
Artikel 16, lid 4
—
Artikel 16, lid 5
Artikel 21, lid 4
Artikel 16, lid 6
Artikel 21, lid 5
Artikel 16, lid 7
Artikel 21, lid 6
Artikel 17
Artikel 22
Artikel 18
Artikel 23
Artikel 19
Artikel 24
Artikel 20, lid 1
Artikel 25, lid 1
Artikel 20, lid 2
Artikel 25, lid 2
Artikel 20, lid 3
Artikel 25, lid 3
Artikel 20, lid 4
Artikel 25, lid 4
—
Artikel 25, lid 5
Artikel 20, lid 5
Artikel 25, lid 6
Artikel 20, lid 6
Artikel 25, lid 7
—
Artikel 25, lid 8
Artikel 20, lid 7
Artikel 25, leden 9 tot en met 12
Artikel 20, lid 8
Artikel 25, lid 10
Artikel 20, lid 9
Artikel 25, lid 11
Artikel 20, lid 10
Artikel 25, lid 12
—
Artikel 25, lid 13
Artikel 21
Artikel 26
Artikel 22
Artikel 27
Artikel 23
Artikel 28
Artikel 24
Artikel 29
Artikel 25
Artikel 30
Artikel 26
Artikel 31
Artikel 27, lid 1
—
Artikel 27, lid 2
Artikel 32, lid 1
Artikel 27, lid 3
Artikel 32, lid 2
Artikel 27, lid 4
Artikel 32, lid 3
Artikel 27, lid 5
Artikel 32, lid 4
—
Artikel 32, lid 5
Artikel 27, lid 6
Artikel 32, lid 6
Artikel 27, lid 7
Artikel 32, lid 7
Artikel 27 bis
Artikel 33
Artikel 28, leden 1 en 2
Artikel 34, lid 1
—
Artikel 34, lid 2
Artikel 28, lid 3
Artikel 34, lid 3
Artikel 28, lid 4
Artikel 34, lid 4
Artikel 29
Artikel 35
Artikel 30
—
—
Artikel 36
—
Artikel 37
Artikel 31
Artikel 38
Artikel 32, lid 1, inleidende zin
Artikel 39, lid 1, inleidende zin
Artikel 32, lid 1, punten a) tot en met f)
Artikel 39, lid 1, punten a) tot en met f)
—
Artikel 39, lid 1, punten g) en h)
Artikel 32, lid 1, punt g)
Artikel 39, lid 1, punt i)
Artikel 32, lid 1, punt h)
Artikel 39, lid 1, punt j)
Artikel 32, lid 1, punt i)
Artikel 39, lid 1, punt k)
Artikel 32, lid 1, punt j)
Artikel 39, lid 1, punt l)
Artikel 32, lid 1, punt k)
Artikel 39, lid 1, punt m)
Artikel 32, lid 2
Artikel 39, lid 2
Artikel 32, lid 3
Artikel 39, lid 3
Artikel 32, lid 4
Artikel 39, lid 4
Artikel 33
Artikel 40
Artikel 34
Artikel 41
Artikel 35
Artikel 42
Artikel 36, lid 1
Artikel 43, lid 1
Artikel 36, lid 2
Artikel 43, lid 2
Artikel 36, lid 3
Artikel 43, lid 3
—
Artikel 43, lid 4
Artikel 36, lid 4
Artikel 43, lid 5
Artikel 36, lid 5
Artikel 43, lid 6
Artikel 37
Artikel 44
Artikel 38
Artikel 45
Artikel 39
Artikel 46
Artikel 40 bis
Artikel 47
Artikel 40
Artikel 48
Artikel 41
Artikel 49
Bijlage
Bijlage I
—
Bijlage II
—
Bijlage III
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/2445/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Top