Nr. C 333/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 9. 12.83
II
(Voorbereidende besluiten)
COMMISSIE
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het ouderverlof en het verlof om
gezinsredenen
COM(83) 686 def.
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 24 november 1983)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, en met name op artikel
100,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal
Comité,
Overwegende dat de Commissie in haar mededeling
aan de Raad van 9 december 1981 betreffende een
nieuw communautair actieprogramma voor de bevor-
dering van gelijke kansen voor de vrouw 1982-
1985 O een actie in het vooruitzicht heeft gesteld ter
bevordering van het ouderverlof en het verlof om ge-
zinsredenen;
Overwegende dat de Raad, in zijn resolutie van
12 juli 1982 betreffende de bevordering van gelijke
kansen voor de vrouw (2), zijn goedkeuring hechtte
aan de algemene doelstellingen van de mededeling
van de Commissie en zich bereid toonde de nodige
maatregelen te treffen met het oog op de verwezenlij-
king van deze doeleinden;
Overwegende dat de nationale voorschriften inzake
ouderverlof en verlof om gezinsredenen niet-geringe
verschillen vertonen van de ene tot de andere Lid-
Staat die de harmonische werking van de gemeen-
schappelijke markt kunnen schaden; dat het dienstig
is hierin te voorzien door een onderlinge toenadering
van de wetgevingen op de weg van de vooruitgang,
zoals bedoeld in artikel 117 van het Verdrag, onder
voorwaarden die geëigend zijn de levensomstandighe-
den en arbeidsvoorwaarden van de arbeidskrachten te
verbeteren;
Overwegende dat op dit gebied moet worden ge-
zorgd voor de naleving van de beginselen inzake ge-
lijke behandeling, zoals neergelegd in Richtlijn
76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betref-
fende de tenuitvoerlegging van het beginsel van ge-
lijke behandeling voor mannen en vrouwen ten aan-
zien van de toegang tot het arbeidsproces, de be-
roepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien
van de arbeidsvoorwaarden (3),
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
DEEL 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan
onder:
Ouderverlof: het recht op verlof van een bepaalde
duur dat bij de geboorte van een kind wordt toege-
kend aan in loondienst werkende vaders en moeders,
met inbegrip van het overheidspersoneel, gedurende
een periode volgend op de beëindiging van het
moederschapsverlof, of aan werknemers bij de adop-
tie van een kind tijdens een periode volgend op de
opvang van het kind in het adoptiegezin, gedurende
welk verlof de rechthebbende de verantwoordelijk-
heid voor het kind op zich neemt.
Verlof om gezinsredenen: het recht op kortdurende
verlofperiodes die aan werknemers met gezinslast
worden toegekend omwille van dwingende, met het
gezin verband houdende redenen.
Artikel 2
1. Doel van deze richtlijn is werknemers in de Lid-
Staten onder harmonische voorwaarden recht te ver-
lenen op ouderverlof en verlof om gezinsredenen.
2. De uitvoeringsbepalingen van deze richtlijn
waarborgen dat er in geen enkel opzicht discriminatie
plaatsvindt op grond van het geslacht, hetzij recht-
streeks, hetzij onrechtstreeks, door met name verwij-
zing naar de huwelijks- of gezinsstaat.
(') Doe. COM(81) 758 def.
O PB nr. C 186 van 21. 7. 1982, blz. 3. (3) PB nr. L 39 van 14. 2. 1976, blz. 40.
9. 12. 83 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 333/7
3. Deze richtlijn laat de bepalingen op grond
waarvan bij de geboorte van een kind vaderschapsver-
lof wordt toegekend aan een vader onverlet.
Artikel 3
1. Het recht op ouderverlof en verlof om gezinsre-
denen geldt voor alle werknemers in loondienst, met
inbegrip van het overheidspersoneel.
2. Ook deeltijdwerkers komen in aanmerking voor
ouderverlof en verlof om gezinsredenen. Elke uitke-
ring die wordt toegekend, en elk berekeningstijdvak
dat met de verlofperiode wordt gelijkgesteld, worden
berekend op dezelfde grondslag welke geldt voor vol-
tijdse werknemers die zich in dezelfde situatie bevin-
den.
DEEL 2
Ouderverlof
Artikel 4
1. Ouderverlof wordt toegekend om een ouder die
een beroepsactiviteit vervult in de gelegenheid te stel-
len thuis te blijven om zich uitsluitend of overwegend
met zijn of haar kind bezig te houden.
2. Ouderverlof vormt een recht en niet een plicht.
Het wordt toegekend aan een werkende ouder die
hiertoe een verzoek indient, op voorwaarde dat aan
de volgende voorschriften wordt voldaan:
— de werknemers moeten hun werkgever tijdig me-
dedeling doen van hun voornemen om ouderver-
lof op te nemen;
— de werknemers moeten hun werkgever tijdig me-
dedeling doen van hun voornemen om na het ver-
strijken van het ouderverlof hun werk te hervat-
ten;
— in geen enkel geval mogen de voorgeschreven ter-
mijnen meer dan twee maanden bedragen.
3. De periode van ouderverlof waarop werknemers
aanspraak kunnen maken bedraagt ten minste drie
maanden.
4. De duur van het ouderverlof kan voor de alleen-
staande ouder, in de gevallen waarin het gaat om
éénoudergezinnen, of voor elk van beide ouders, die
een thuis verblijvend gehandicapt kind hebben, wor-
den verlengd.
5. Het recht op ouderverlof houdt op wanneer het
kind de leeftijd van twee jaar bereikt, of van vijf jaar
wanneer het gaat om een gehandicapt kind dat ver-
blijft in het gezin van de rechthebbende ouder.
6. Het recht van de werknemer op ouderverlof is
niet overdraagbaar.
Artikel 5
1. Ouderverlof wordt toegekend als een aaneenge-
sloten periode van, hetzij full-timeverlof, hetzij, mits
zowel de individuele ouder als de betrokken werkge-
ver daarmee instemmen, part-timeverlof, met dien
verstande dat de periode waarin het verlof wordt op-
genomen evenredig wordt verlengd.
2. Het ouderverlof kan gedeeltelijk worden opge-
nomen; het recht op het resterende gedeelte komt
dan te vervallen.
3. Toekenning van het ouderverlof kan afhankelijk
worden gesteld van het vervuld hebben van een
dienst- of arbeidstijd, die in geen geval meer dan één
jaar mag bedragen.
4. Het ouderverlof wordt opgeschort in geval van
ziekte van de ouder die met verlof is, binnen de door
artikel 4, lid 5, vastgestelde begrenzingen.
5. Tijdens de duur van het ouderverlof, blijven de
verworven of in opbouw zijnde rechten behouden.
6. De periodes van ouderverlof worden op de-
zelfde wijze als de periodes van moederschapsverlof
gelijkgesteld met verzekeringsperiodes voor wat be-
treft de risico's van ziekte, werkloosheid, invaliditeit
en ouderdom.
7. De werknemer heeft de waarborg dat hij na
beëindiging van het verlof weer in zijn vroegere of in
een soortgelijke functie wordt tewerkgesteld.
Artikel 6
1. Tijdens het ouderverlof kunnen de werknemers
recht hebben op een ouderverlofuitkering.
2. Deze uitkering moet worden gefinancierd uit de
openbare middelen, met inbegrip van de sociale
zekerheid.
Artikel 7
De bepalingen die een beperking van de tijdelijke ar-
beid inhouden vormen voor de werkgevers geen be-
lemmering om werknemers die met ouderverlof zijn
te vervangen.
DEEL 3
Verlof om gezinsredenen
Artikel 8
1. Dringende, met het gezin verband houdende re-
denen geven de werknemers recht op een minimum
aantal dagen verlof per jaar (vast te stellen door de
Lid-Staten).
2. Als dringende, met het gezin verband houdende
redenen dienen onder meer te worden beschouwd:
— de ziekte van een echtgenoot,
— het overlijden van een naaste verwant,
Nr. C 333/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 9. 12. 83
— het huwelijk van een kind,
— de ziekte van een kind of van de degene die voor
het kind zorgt.
3. De duur van het verlof, als bedoeld in lid 1, kan
worden verlengd wanneer:
— de rechthebbende de zorg heeft voor een
éénoudergezin,
— de rechthebbende drie of meer met hem of haar
samenwonende kinderen heeft beneden een nog
vast te stellen leeftijd.
4. Op het stuk van bezoldiging, sociale zekerheids-
bijdragen en -uitkeringen alsmede pensioenaanspra-
ken worden de periodes van verlof om gezinsredenen
gelijkgesteld met de periodes van betaalde vakantie.
DEEL 4
Slotbepalingen
Artikel 9
De Lid-Staten treffen in hun intern rechtssysteem de
nodige maatregelen om een ieder die zich benadeeld
acht door de niet-toepassing van deze richtlijn in de
gelegenheid te stellen zijn aanspraken via de rechter
geldend te maken, eventueel na een beroep te hebben
gedaan op andere bevoegde instanties.
Artikel 10
De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om de
werknemers te beschermen tegen ontslag door de
werkgever als gevolg van door de werknemer onder-
nomen stappen met het oog op het naleven van het in
deze richtlijn bepaalde.
Artikel 11
Deze richtlijn wordt ter kennis gebracht van de werk-
gevers en werknemers waarbij er de nadruk op wordt
gelegd dat er voor de ouders van beiderlei kunne die
een beroepsactiviteit uitoefenen de mogelijkheid be-
staat tot het opnemen van ouderverlof en verlof om
gezinsredenen.
Artikel 12
1. De Lid-Staten treffen de nodige wettelijke, be-
stuursrechtelijke en administratieve maatregelen ter
voldoening aan deze richtlijn en leggen haar ten uit-
voer uiterlijk op (').
2. De Lid-Staten heffen wettelijke, bestuursrechte-
lijke of administratieve bepalingen die strijdig zijn
met deze richtlijn op of wijzigen deze, en nemen de
nodige maatregelen opdat in dezelfde zin de strijdige
bepalingen die voorkomen in collectieve arbeidsover-
eenkomsten, of in individuele arbeidscontracten als-
mede in huishoudelijke reglementen van bedrijven
worden opgeheven of gewijzigd.
3. De Lid-Staten stellen de Commissie onmiddel-
lijk op de hoogte van de maatregelen die werden ge-
troffen om te voldoen aan deze richtlijn.
4. De Lid-Staten vergewissen zich van het bestaan
van doeltreffende middelen aan de hand waarvan
erop kan worden toegezien dat de maatregelen voor
de tenuitvoerlegging van de richtlijn, en inzonderheid
het beginsel van de gelijke behandeling van werkne-
mers en werkneemsters, worden uitgevoerd.
Artikel 13
1. Uiterlijk op (2), verstrekken de Lid-Staten
aan de Commissie alle dienstige gegevens om haar in
staat te stellen een verslag over de toepassing ervan
op te maken en aan de Raad en het Europese Parle-
ment voor te leggen.
2. Uiterlijk op (2), en vervolgens elke drie
jaar, informeren de Lid-Staten de Commissie over de
stand van toepassing van deze richtlijn, alsmede over
de ontwikkelingen in het gebruik van de erin vervatte
bepalingen en over de ontwikkeling van het net van
openbare voorzieningen en diensten inzake kinderop-
vang, ten einde de Commissie in de gelegenheid te
stellen om de drie jaar een verslag voor de Raad op te
maken.
Artikel 14
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
(') Twee jaar na de datum van de bekendmaking van de
richtlijn.
(2) Drie jaar na de datum van de bekendmaking van de
richtlijn.
Full & Egal Universal Law Academy