Nr. C 20/6 v
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 27.1.87
Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de officiële controle op levensmiddelen
COM(86) 747 def.
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 30 december 1986)
(87/C 20/04)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Co-
mité,
Overwegende dat het handelsverkeer in levensmiddelen
binnen de gemeenschappelijke markt een zeer voorname
plaats inneemt;
Overwegende dat alle Lid-Staten zich inzetten om door
middel van geëigende controles op levensmiddelen de
gezondheid en de economische belangen van hun consu-
menten te beschermen;
Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wet-
gevingen inzake dit type controles voor het vrije handels-
verkeer echter belemmeringen kunnen vormen;
Overwegende dat deze wetgevingen derhalve nader tot
elkaar moeten worden gebracht;
Overwegende dat in een eerste stadium de algemene be-
ginselen die aan de uitoefening van de controles ten
grondslag liggen, dienen te worden geharmoniseerd;
Overwegende dat ter aanvulling van deze algemene be-
ginselen naderhand, indien nodig, specifieke bepalingen
kunnen worden vastgesteld;
Overwegende dat behalve op levensmiddelen ook con-
trole dient te worden uitgeoefend op materialen en voor-
werpen die bestemd zijn om daarmee in aanraking te ko-
men;
Overwegende dat levensmiddelen die bestemd zijn voor
het grensoverschrijdende intracommunautaire verkeer op
dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als die
welke bestemd zijn voor afzet in de Lid-Staat van pro-
duktie;
Overwegende dat de controles, om doeltreffend te zijn,
regelmatig moeten plaatsvinden; dat geen beperkingen
mogen worden opgelegd ten aanzien van het voorwerp
van de controles, het stadium waarin en het tijdstip
waarop deze controles moeten plaatsvinden; dat de con-
troles voorts moeten worden uitgevoerd in de meest
geëigende vorm om de doeltreffendheid ervan te waar-
borgen;
Overwegende dat de controleur adequate bevoegdheden
dienen te worden gegeven;
Overwegende dat het weliswaar niet dienstig is de bedrij-
ven het recht te verlenen zich tegen controles te verzet-
ten, maar dat niettemin hun legitieme rechten en met
name het recht op geheimhouding van produktiegege-
vens en een recht van betwisting moeten worden gevrij-
waard ;
Overwegende dat naargelang van de Lid-Staat de met de
controle op levensmiddelen belaste instanties kunnen ver-
schillen; dat het bijgevolg dienstig is een lijst te publice-
ren van de ter zake bevoegde instanties in elke Lid-Staat,
met vermelding van hun ressort, alsmede van de labora-
toria die gemachtigd zijn om in het kader van genoemde
controles analyses uit te voeren;
Overwegende dat van de overheidscontroles meer een
preventieve, dan een repressieve werking moet uitgaan;
dat het derhalve dienstig is op nationaal niveau controle-
programma's op te stellen; dat de Commissie in kennis
moet worden gesteld van de inhoud van deze program-
ma's en de resultaten daarvan;
Overwegende dat de Lid-Staten enige vrijheid moet wor-
den gelaten wat de praktische uitvoering van de contro-
les betreft, opdat niet wordt geraakt aan beproefde, aan
de specifieke nationale situatie aangepaste systemen,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Bij deze richtlijn worden de algemene beginselen
voor de uitoefening van de officiële controle op levens-
middelen vastgesteld.
2. In de zin van deze richtlijn wordt onder „officiële
controle op levensmiddelen", hierna „controle" te noe-
men, verstaan: de controle door de bevoegde instanties
waarbij wordt nagegaan of
— levensmiddelen, en
— de materialen en voorwerpen die bestemd zijn om
daarmee in aanraking te komen, met de bepalingen
ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid
en fraude op het gebied van etikettering en aanbie-
dingsvorm in overeenstemming zijn.
3. Deze richtlijn geldt onverminderd de in het kader
van meer specifieke communautaire regelingen vastge-
stelde bepalingen.
4. Deze richtlijn is niet van toepassing op de metrolo-
gische controles.
27. 1. 87 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 20/7
Artikel 2
1. De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om
te waarborgen dat de controle overeenkomstig deze
richtlijn wordt uitgevoerd.
2. De Lid-Staten dragen ervoor zorg dat de voor ver-
zending naar een andere Lid-Staat bestemde produkten
op dezelfde wijze worden gecontroleerd als die welke
voor afzet op hun eigen grondgebied zijn bestemd.
Artikel 3
1. De controle wordt uitgevoerd:
a) op gezette tijden;
b) wanneer onregelmatigheden worden vermoed.
2. De controle strekt zich uit tot alle stadia van pro-
duktie, fabricage, invoer in de Gemeenschap, behande-
ling, opslag, vervoer, distributie en handel.
De bevoegde instantie is verplicht geval voor geval uit de
in de eerste alinea bedoelde stadia datgene te kiezen dat
voor het voorgenomen onderzoek het meest geëigend is.
Zij treft alle nodige voorzieningen om ten spoedigste uit
te voeren.
Artikel 4
De controle bestaat overeenkomstig het bepaalde in de
artikelen 5 tot en met 8 en naar gelang van het voorge-
nomen onderzoek, uit een of meer van de onderstaande
verrichtingen:
1) inspectie,
2) monsterneming en analyse,
3) onderzoek van het personeel,
4) onderzoek van documenten,
5) onderzoek van de eventueel door het bedrijf toege-
paste verificatiesystemen.
Artikel 5
1. De inspectie heeft betrekking op:
a) de staat en het gebruik, in de onderscheiden, in arti-
kel 3, lid 2, bedoelde stadia, van terreinen, lokalen,
kantoren, installaties, vervoermiddelen, uitrusting en
materieel;
b) grondstoffen, ingrediënten, additieven en technologi-
sche hulpstoffen die bij de vervaardiging van levens-
middelen worden gebruikt;
c) halffabrikaten;
d) eindprodukten;
e) schoonmaakmiddelen en onderhoudsprodukten;
f) de voor de vervaardiging of behandeling van levens-
middelen toegepaste procédés;
g) etikettering en aanbiedingsvorm van levensmiddelen.
2. Ter aanvulling van de in lid 1 genoemde handelin-
gen kunnen indien nodig
— de bedrijfsleider en zijn personeel worden onder-
vraagd,
— de waarden die de door het bedrijf geïnstalleerde
meetinstrumenten aangeven, worden genoteerd.
Artikel 6
1. Van de in artikel 5, lid 1, punten b) tot en met e),
bedoelde produkten kunnen voor analyse monsters wor-
den genomen.
2. De analyses worden uitgevoerd door officiële of
door de bevoegde instantie erkende laboratoria.
Artikel 7
Het onderzoek van het personeel heeft betrekking op de
personen die beroepshalve, rechtstreeks of onrecht-
streeks, met de in de in artikel 5, lid 1, punten b) tot en
met e), genoemde stoffen en produkten in aanraking ko-
men.
Dit onderzoek heeft ten doel na te gaan of de voor-
schriften inzake persoonlijke hygiëne en hygiënische kle-
ding in acht worden genomen. Dit onderzoek geschiedt
onverminderd medisch onderzoek.
Artikel 8
1. De met de controle belaste ambtenaren mogen in
de onderscheiden, in artikel 3, lid 2, bedoelde stadia
kennis nemen van de documenten die in het bezit zijn
van de betrokken natuurlijke en rechtspersonen. Docu-
menten met betrekking tot fabricageprocédés worden
echter niet onderzocht.
2. De met de controle belaste ambtenaren mogen even-
eens kopieën van de door hen onderzochte documenten
of uittreksels daaruit maken.
Artikel 9
1. De Lid-Staten verlenen de met de controle belaste
ambtenaren het recht de in de artikelen 5 tot en met 8
bedoelde handelingen uit te voeren.
2. De Lid-Staten schrijven voor dat de betrokken na-
tuurlijke en rechtspersonen zich aan de overeenkomstig
deze richtlijn uitgevoerde controle moeten onderwerpen
en de met de controle belaste ambtenaren bij de uitoefe-
ning van hun taak moeten bijstaan.
Artikel 10
1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om de
natuurlijke en rechtspersonen die zijn onderworpen aan
de controle het recht te verlenen beroep aan te tekenen
ten einde vernietiging of wijziging van de door de be-
voegde instantie na de controle genomen maatregelen te
verkrijgen.
Nr. C 20/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 27.1. 87
De Lid-Staten schrijven voor dat de met de controle be-
laste ambtenaren aan het beroepsgeheim gebonden zijn.
Artikel 11
1. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten stellen
jaarlijks een bemonsteringsprogramma op waarin het
voor elke categorie levensmiddelen te nemen minimum
aantal monsters wordt vastgesteld. Dit aantal wordt be-
paald naar gelang van het belang van de betrokken cate-
gorie.
De Lid-Staten delen dit programma aan de Commissie
mede.
2. De Lid-Staten doen de Commissie jaarlijks vóór 1
mei de gegevens toekomen over de toepassing van het in
lid 1 bedoelde programma, het aantal uitgevoerde con-
troles en het aantal vastgestelde inbreuken.
Artikel 12
Elke Lid-Staat verstrekt de Commissie:
— de lijst van de bevoegde instanties en het ressort er-
van;
— de lijst van officiële of door de bevoegde instanties
erkende laboratoria die met de analyses in het kader
van de controle belast zijn.
Deze lijsten worden bekendgemaakt in de C-reeks van
het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 13
De Lid-Staten doen uiterlijk twaalf maanden na kennis-
geving van deze richtlijn (uiterlijk vierentwintig maanden
na kennisgeving van deze richtlijn) hun wettelijke en be-
stuursrechtelijke bepaling in werking treden om aan deze
richtlijn te voldoen.
Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 14
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Full & Egal Universal Law Academy