4.12.85 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen N r . C 313/5
Artikel 8
1. In de gevallen waarin naar de in dit artikel om-
schreven procedure wordt verwezen, leidt de voorzitter
deze procedure eigener beweging of op verzoek van een
Lid-Staat in bij het bij het Besluit van de Raad van 15
oktober 1968 ingestelde Permanent Veterinair Comité,
hierna „het Comité" te noemen.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een
ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité
brengt over deze maatregelen advies uit binnen een ter-
mijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de
urgentie van het te behandelen vraagstuk. Het Comité
spreekt zich uit met een meerderheid van 45 stemmen,
waarbij de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen
overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De
voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt
deze onmiddellijk ten uitvoer wanneer zij in overeen-
stemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer
de maatregelen niet in overeenstemming zijn met het ad-
vies van het Comité of wanneer geen advies is uitge-
bracht, legt de Commissie betreffende de te nemen maat-
regelen onverwijld aan de Raad een voorstel voor. De
Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stem-
men.
Indien de Raad binnen drie maanden nadat het voorstel
bij hem is ingediend, geen maatregelen heeft vastgesteld,
stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en
legt deze onmiddellijk ten uitvoer, tenzij de Raad zich
met eenvoudige meerderheid van stemmen tegen de ge-
noemde maatregelen heeft uitgesproken.
Artikel 9
Richtlijn 72/462/EEG wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan artikel 6 wordt een alinea toegevoegd, luidende:
„2. De Lid-Staten geven geen toestemming voor de
invoer van in deze richtlijn bedoelde dieren waaraan
op enigerlei wijze stoffen met een thyreostatische
werking, dan wel stoffen met een oestrogene, andro-
gene of gestagene werking zijn toegediend, tenzij die
dieren voor therapeutische doeleinden zijn behandeld
met stoffen die overeenkomstig de communautaire be-
palingen daartoe mogen worden gebruikt.".
2. Artikel 20, sub b) i), wordt gelezen:
„b. vers vlees:
i) — van dieren waaraan op enigerlei wijze stil-
been of stilbeenderivaten, zouten en esters
daarvan, trenbolon of zeranol, dan wel
stoffen met een thyreostatische werking
zijn toegediend;
— van dieren waaraan op enigerlei wijze an-
dere stoffen met een oestrogene, androgene
of gestagene werking zijn toegediend, ten-
zij die dieren voor therapeutische doelein-
den zijn behandeld met stoffen die over-
eenkomstig de communautaire bepalingen
daartoe mogen worden gebruikt.".
Artikel 10
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1986.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en
is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een standstill op het gebied van de
belasting over de toegevoegde waarde en de accijnzen
COM(85) 606 def.
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 21 november 1985)
(85/C 313/06)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 99,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Overwegende dat het voor de voltooiing van de interne
markt, één van de fundamentele doelstellingen van de
Gemeenschap, noodzakelijk is dat de fiscale grenzen
worden opgeheven, dat wil zeggen dat de belastingvrij-
stellingen bij uitvoer en de belastingheffingen bij invoer
alsmede de controles aan de grenzen zowel voor belas-
tingplichtigen als voor particulieren worden afgeschaft;
Overwegende dat met betrekking tot de belasting over
de toegevoegde waarde deze opheffing van de fiscale
grenzen betekent dat, om distorsies te voorkomen, een
uniforme belastinggrondslag, eenzelfde aantal tarieven
en voldoende dicht bij elkaar liggende tariefniveaus in
alle Lid-Staten nodig zijn;
Overwegende dat met betrekking tot de accijnzen het
voor de verwezenlijking van deze doelstelling nodig is
dat de werkingssfeer en de structuur van de belangrijkste
accijnzen worden geharmoniseerd en de tarieven van
deze accijnzen dicht genoeg tot elkander worden ge-
bracht; dat de niet geharmoniseerde accijnzen zullen
moeten worden afgeschaft, met uitzondering van die
waarvoor wegens hun aard of wegens een besluit van de
Lid-Staat die ze toepast, geen aanleiding bestaat tot
compensaties of controles aan de grenzen;
Overwegende dat de maatregelen om aan deze voor-
waarden te voldoen, in de tijd moeten worden gespreid,
maar dat van nu af aan een vergroting van de bestaande
verschillen tussen de belastingstelsels van de Lid-Staten
moet worden vermeden en juist de convergentie van die
stelsels moet worden bevorderd;
Nr. C 313/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 4.12. 85
Overwegende dat het met het oog hierop noodzakelijk is
dat de Lid-Staten het aantal en het niveau van de BTW-
tarieven niet wijzigen, maar dat het wenselijk is dat het
de Lid-Staten is toegestaan om desgewenst het aantal en
het niveau van de door hen toegepaste tarieven zodanig
aan te passen, dat de huidige grote spreiding binnen de
Gemeenschap wordt verminderd;
Overwegende dat alleen de accijnzen op tabaksfabrika-
ten, alcoholhoudende dranken en minerale oliën op
communautair niveau dienen te worden gehandhaafd en
dat de Lid-Staten zich derhalve ertoe moeten verplichten
geen nieuwe accijnzen in te voeren en evenmin de tarie-
ven van de overige reeds bestaande accijnzen te verho-
gen of hun werkingssfeer uit te breiden, maar dat de
Lid-Staten vrij moeten worden gelaten om accijnzen in
te voeren waarvoor geen compensatie of controle aan de
grenzen nodig is,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD:
Artikel 1
Bepalingen betreffende de belasting over de toegevoegde
waarde
1. De Lid-Staten zien ervan af het aantal en het ni-
veau van de tarieven die zij op het tijdstip van inwerking-
treding van deze richtlijn toepassen, te wijzigen, behou-
dens het bepaalde in de leden 2 en 3.
2. Onverminderd de eindbeslissing over het aantal ta-
rieven dat uiteindelijk in de Gemeenschap zal mogen
worden toegepast,
a) mogen Lid-Staten die meer dan drie tarieven toepas-
sen, dat aantal verlagen tot drie;
b) mogen Lid-Staten die één enkel tarief toepassen, dat
aantal verhogen tot twee.
3. Onverminderd de eindbeslissing over de tarief-
niveaus die uiteindelijk in de Gemeenschap zullen mogen
worden toegepast,
a) mogen Lid-Staten wier normaal tarief lager is dan het
midden tussen het laagste en het hoogste normaal ta-
rief zoals toegepast op enigerlei plaats in de Gemeen-
schap op het tijdstip van in werkingtreding van deze
richtlijn, dat tarief verhogen in de richting van maar
niet verder dan het bovengenoemde midden;
b) mogen Lid-Staten wier normaal tarief hoger is dan
het bovengenoemde midden, dat tarief verlagen in de
richting van maar niet verder dan het midden;
c) mogen Lid-Staten die één of meer hogere tarieven
dan hun normaal tarief toepassen, het niveau van hun
hoogste tarief verlagen;
d) mogen Lid-Staten die een of meer lagere tarieven dan
hun normaal tarief toepassen, hun laagste tarief aan-
passen in de richting van maar niet verder dan het
midden tussen het laagste en het hoogste van deze la-
gere tarieven zoals toegepast op enigerlei plaats in de
Gemeenschap op de datum van inwerkingtreding van
deze richtlijn.
4. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder
het normaal tarief verstaan,
a) hetzij het enige tarief, in het geval van Lid-Staten die
één enkel tarief toepassen;
b) hetzij het tarief dat de meeste BTW-opbrengsten op-
levert, in het geval van Lid-Staten die verscheidene
tarieven toepassen.
Artikel 2
Bepalingen betreffende de accijnzen
1. De Lid-Staten zien ervan af nieuwe accijnzen in te
voeren die aanleiding geven in het handelsverkeer tussen
de Lid-Staten tot belastingheffing bij invoer en belas-
tingvrijstelling bij uitvoer of controles aan de grenzen.
2. De Lid-Staten zien af van verhoging van de tarie-
ven of uitbreiding van de werkingssfeer van de accijnzen
die aanleiding geven tot belastingheffing bij invoer en be-
lastingvrijstelling bij uitvoer of controles aan de grenzen.
3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepas-
sing op de accijnzen op tabaksfabrikaten, alcoholhou-
dende dranken en minerale oliën.
Artikel 3
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Full & Egal Universal Law Academy