Nr. C 325/6 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 6.12.84
COMMISSIE
Voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad betreffende een programma voor
steun aan de technologische ontwikkeling in de sector koolwaterstoffen
COM(84) 658 def.
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 26 november 1984)
(84/C 325/06)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economisch Gemeenschap, inzonderheid op artikel
235,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal
Comité,
Overwegende dat de vaststelling van een gemeen-
schappelijk energiebeleid behoort tot de doeleinden
die de Gemeenschap zich heeft gesteld en dat het de
taak van de Commissie is, de daartoe dienstige maat-
regelen voor te stellen; dat te dien einde de Raad
Verordening (EEG) nr. 3056/73 van 9 november
1973 betreffende de steun aan communautaire projec-
ten in de sector koolwaterstoffen heeft vastgesteld (*);
Overwegende dat wegens het belang van koolwater-
stoffen voor de energievoorziening van de Gemeen-
schap en de afhankelijkheid van de Gemeenschap van
invoer daarvan, de vervulling van voorwaarden, waar-
door de voorziening op lange termijn veilig kan wor-
den gesteld, een van de hoofddoeleinden van een der-
gelijk beleid vormt;
Overwegende dat de bevordering van technologische
ontwikkelingen, die rechtstreeks verband houden met
de opsporing, de winning, de opslag of het vervoer
van koolwaterstoffen, de continuïteit van de voorzie-
ning kan verbeteren en dus een middel is om deze
beleidsdoelen te bereiken;
Overwegende dat de verantwoordelijkheid voor de fi-
nanciering van dergelijke activiteiten in de eerste
plaats bij de olie-industrie berust maar dat de Ge-
meenschap, wegens de grote risico's en de aanzien-
lijke investeringen die met die activiteiten gepaard
gaan, de mogelijkheid moet hebben steun te verlenen
voor bepaalde projecten, vooral wanneer hun uitvoe-
ring daardoor kan worden versneld;
O PB nr. L 312 van 13. 11. 1973, blz. 1.
Overwegende dat de werkzaamheden inzake techno-
logische ontwikkeling verschillen van onderzoek-
werkzaamheden, ook al kunnen in bepaalde fasen van
technische ontwikkelingsprojecten zekere elementen
van onderzoek begrepen zijn;
Overwegende dat steun van de Gemeenschap een
aanmoediging kan vormen om werkzaamheden van
bedrijven uit twee of meer Lid-Staten te bundelen;
Overwegende dat dienstverlenende en apparatuur-
bouwende bedrijven in de technologische ontwikke-
ling een belangrijke rol spelen;
Overwegende dat projecten, die van fundamenteel be-
lang zijn voor de continuïteit van de koolwaterstoffen-
voorziening van de Gemeenschap en die betrekking
hebben op rechtstreeks met de opsporing, de winning,
de opslag of het vervoer van koolwaterstoffen ver-
band houdende technologische ontwikkelingen, in
aanmerking zullen kunnen komen voor een dergelijke
steun; dat deze steun van financiële aard moet zijn;
Overwegende dat de specifiek internationale aard van
structuur en activiteiten van de in de koolwaterstoffen-
sector werkzame ondernemingen de rechtstreekse
toezending van de projectdossiers aan de Commissie
rechtvaardigt;
Overwegende dat de Commissie bij de selectie van
projecten waarvoor steun wordt verleend, kan wor-
den bijgestaan door een raadgevend comité bestaande
uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten;
Overwegende dat het verlenen door de Gemeenschap
van de hierbedoelde gunsten geen gevolgen voor de
concurrentieverhoudingen mag hebben die strijdig
zijn met de verdragsbepalingen ter zake;
Overwegende dat de Gemeenschap de beschikking
moet hebben over alle middelen waarmee zij van ge-
val tot geval kan beoordelen welke gunstige effecten
van uitvoering van die projecten te verwachten zijn en
in hoeverre deze projecten met de doeleinden van het
communautair energiebeleid stroken;
Overwegende dat te dien einde de begunstigden, als
tegenprestatie voor de genoten voordelen, verplichtin-
gen tegenover de Gemeenschap dienen aan te gaan;
Overwegende dat de Commissie begonnen is met de
evaluatie van het in het kader van Verordening
6.12.84 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 325/7
(EEG) nr. 3056/73 sinds 1974 bestaande en in uitvoe-
ring zijnde programma door middel van verslagen
aan de Raad en het Parlement, die betrekking hebben
op de uitvoering van die verordening; dat uit het on-
derzoek is gebleken dat deze maatregel dient te wor-
den voortgezet en met gebruikmaking van de opge-
dane ervaring dient te worden aangepast; dat deze
aanpassing voornamelijk betrekking heeft op de duur
van het programma, het besluitvormingsproces, de de-
finitie van prioritaire doelstellingen en de procedure
voor de tenuitvoerlegging van het programma;
Overwegende dat het Verdrag niet in de daartoe ver-
eiste bevoegdheden voorziet,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
De Gemeenschap kan financiële steun verlenen voor
de uitvoering van projecten op de in artikel 2 om-
schreven terreinen, die voor de continuïteit van de
koolwaterstoffenvoorziening van de Gemeenschap
van fundamenteel belang zijn.
Artikel 2
1. In deze verordening worden onder projecten in-
zake technologische ontwikkeling in de sector kool-
waterstoffen, hierna te noemen „projecten", verstaan
projecten die verband houden met de opsporing, de
winning, de opslag of het vervoer op het gebied van
koolwaterstoffen en die aan de volgende voorwaar-
den voldoen:
— technieken, procédés of produkten die een ver-
nieuwing inhouden ontwikkelen, of aan technie-
ken, procédés of produkten waarvoor de onder-
zoekfase is afgesloten een nieuwe toepassing
geven;
— vooruitzicht bieden op industriële en commerciële
levensvatbaarheid;
— financieringsmoeilijkheden meebrengen in ver-
band met de grote technische en commerciële risi-
co's van dergelijke aard dat zij zonder financiële
steun van de Gemeenschap zeer waarschijnlijk
niet zouden worden uitgevoerd.
2. De projecten kunnen op het grondgebied van de
Gemeenschap of daarbuiten worden uitgevoerd.
3. De financiële steun kan worden verleend voor
een project als geheel of voor afzonderlijke fasen
daarvan.
Artikel 3
De verantwoordelijkheid voor ieder project berust bij
een natuurlijk persoon of bij een rechtspersoon die
overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende wette-
lijke bepalingen is opgericht.
Indien het in het leven roepen van een rechtspersoon
die de bevoegdheid heeft om een project uit te voeren
aanvullende lasten zou scheppen voor de deelne-
mende ondernemingen, kan voor de uitvoering van
dit project worden volstaan met een samenwerking
van natuurlijke of rechtspersonen. In dit geval zijn
deze personen hoofdelijk aansprakelijk voor de ver-
plichtingen die uit de communautaire steun voort-
vloeien.
Artikel 4
1. De steun voor een project heeft de vorm van
een financiële bijdrage van de Gemeenschap, toege-
kend onder de in artikel 4, leden 2 en 3, en in de
artikelen 5, 6 en 7 neergelegde voorwaarden.
2. De steun mag niet meer bedragen dan 49 % van
de subsidiabele kosten van het project. De Commissie
houdt bij de vaststelling van de hoogte van de te ver-
lenen steun rekening met andere communautaire, na-
tionale en overige, ontvangen of verwachte, financiële
bijdragen voor het project, alsmede met het deel van
het rechtstreeks door de voor het project verantwoor-
delijke personen te dragen risico.
3. De hoogte van de steun wordt voor elk project
afzonderlijk overeenkomstig de procedure van artikel
5 bepaald.
Artikel 5
1. Elk project, dat door in de Gemeenschap geves-
tigde personen of ondernemingen naar aanleiding van
een in het Publikatieblad van de Europese Gemeen-
schappen verschenen uitnodiging tot het indienen van
projecten wordt aangemeld, wordt door de Commis-
sie bestudeerd op basis van de volgende gegevens, die
door de aanvrager moeten worden verstrekt:
— een uitvoerige beschrijving van het project en van
de wijze van beheer,
— het belang van het project voor de continuïteit van
de koolwaterstoffenvoorziening van de Gemeen-
schap,
— de aard en de omvang van de technische en eco-
nomische risico's die aan het project verbonden
zijn,
— de kosten van het project, de verwachte rentabili-
teit ervan en de voorgenomen wijze van financie-
ring,
— het tijdschema voor de uitvoering van het project,
— de financiële situatie en de technische bekwaam-
heden van de voor het project verantwoordelijke
persoon of personen,
— elke beoogde vorm van samenwerking met in de
Gemeenschap of in derde landen gevestigde be-
drijven,
— de hoogte van elke vorm van financiële steun die
in een voorgaand stadium van onderzoek en ont-
wikkeling door de Gemeenschap of door de Lid-
Staten voor het project is verleend,
Nr .C 325/8 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 6. 12.84
— bijzonderheden over elke andere toegezegde of
verwachte financiële steun van de Lid-Staten of
van de Gemeenschap,
— een evaluatie van de eventuele gevolgen voor de
veiligheid van personen en voor het milieu,
— alle andere inlichtingen die de gevraagde commu-
nautaire steun kunnen rechtvaardigen.
2. De Commissie beslist na raadpleging van een uit
vertegenwoordigers van de Lid-Staten samengesteld
raadgevend comité over toekenning van steun voor de
projecten.
Het comité, dat wordt voorgezeten door een verte-
genwoordiger van de Commissie, stelt zijn reglement
van orde vast.
3. In het algemeen wordt voorkeur gegeven aan
projecten waarbij ten minste twee onafhankelijke on-
dernemingen zullen zijn betrokken die niet zijn geves-
tigd in dezelfde Lid-Staat.
Artikel 6
De door de Gemeenschap verleende steun mag voor
de mededingingsvoorwaarden geen gevolgen hebben
die strijdig zijn met de ter zake in het Verdrag neer-
gelegde bepalingen.
Artikel 7
1. De Commissie onderhandelt over de contracten
voor de uitvoering van overeenkomstig de procedure
van artikel 5, lid 2, geselecteerde projecten en sluit
deze. Daartoe stelt zij een standaardcontract op
waarin de rechten en plichten van elke partij zijn
neergelegd, met name de wijze van eventuele terugbe-
taling van de verleende steun en de regelingen ten
aanzien van de toegang tot en de verbreiding en ge-
bruikmaking van kennis.
2. De persoon of personen die voor de uitvoering
van een door de Gemeenschap gesteund project ver-
antwoordelijk zijn zenden de Commissie halfjaarlijks
of op haar verzoek een rapport over de nakoming van
de contractuele verplichtingen jegens de Commissie
en in het bijzonder over de stand van de werkzaam-
heden van het project en over de voor de uitvoering
gemaakte kosten.
3. De Commissie kan ter plaatse en aan de hand
van documenten een onderzoek doen naar het ver-
loop van de uitvoering van het contract en meer in
het bijzonder naar de vorderingen van het project.
Tijdens de duur van de werkzaamheden en gedu-
rende vijf jaar na voltooiing hebben de Commissie, de
Rekenkamer of hun gemachtigden toegang tot de
boekhouding betreffende de projecten waaraan steun
is toegekend.
Alle betrokken documenten moeten gedurende die-
zelfde periode bewaard blijven.
4. Wanneer dat door de omvang van de financiële
steun van de Gemeenschap en door de omvang van
het project wordt gerechtvaardigd, kan de Commis-
sie, voor zover zulks in het contract is bepaald, de
vergaderingen van de beheersinstanties van de projec-
ten als waarnemer bijwonen.
Artikel 8
De in het kader van de toepassing van deze verorde-
ning verkregen informatie heeft een vertrouwelijk ka-
rakter.
Artikel 9
Periodiek wordt door de Commissie een verslag over
de toepassing van deze verordening aan het Parle-
ment en aan de Raad voorgelegd.
Artikel 10
De middelen voor financiële steun uit hoofde van
deze verordening worden in de algemene begroting
van de Europese Gemeenschappen opgenomen.
Het totale bedrag van de voor de periode van 1 ja-
nuari 1985 tot en met 31 december 1989 noodzakelijk
geachte kredieten krachtens deze verordening beloopt
200 miljoen Ecu.
Artikel 11
Verordening (EEG) nr. 3056/73 wordt ingetrokken.
Verordening (EEG) nr. 3056/73 blijft evenwel van
toepassing op de naar aanleiding van openbare aanbe-
stedingen die op grond van die verordening zijn ge-
schied, ingediende projecten.
Artikel 12
Deze verordening treedt in werking op de dag vol-
gende op die van haar bekendmaking in het Publika-
tieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing tot en met 31 december 1989.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen
en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Full & Egal Universal Law Academy