Nr. C 336/60 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
Voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad tot wijziging van de Verordening (EEG)
nr. 724/75 houdende oprichting van een Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
(Door de Commissie bij de Raad ingediend op 29 oktober 1981)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese
Economische Gemeenschap, en inzonderheid op artikel
235,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal
Comité,
Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 724/75 van
de Raad van 18 maart 1975 tot oprichting van een
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ('), laat-
stelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3325/80 van
de Raad van 16 december 1980 (2) een Europees Fonds
voor Regionale Ontwikkeling is opgericht dat tot taak
heeft de voornaamste regionale onevenwichtigheden in de
Gemeenschap te corrigeren;
Overwegende dat in artikel 22 van voornoemde verorde-
ning wordt bepaald dat de Raad deze verordening op
voorstel van de Commissie vóór 1 januari 1982 opnieuw
zal bezien;
Overwegende dat de coördinatie van de nationale vormen
van regionaal beleid onderling en met het regionale beleid
van de Gemeenschap een wezenlijk onderdeel vormt van
het communautaire regionale beleid dat beoogt de natio-
nale economieën beter op elkaar af te stemmen en een
evenwichtiger verdeling van de economische bedrijvig-
heid op het grondgebied van de Gemeenschap te bevor-
deren;
Overwegende dat het in verband met de ontwikkeling van
de economische en sociale situatie van de Gemeenschap
noodzakelijk blijkt om ten eerste het gedeelte van het
Fonds dat in nationale quota is verdeeld zo aan te passen
dat de maatregelen geconcentreerd worden op de regio's
met bijzonder ernstige structurele problemen en ten
tweede de kredieten van het gedeelte dat niet in nationale
quota is verdeeld bij voorkeur te bestemmen voor de
regio's die bijzonder zwaar getroffen zijn door een recente
ernstige achteruitgang van de industrie of door de effecten
van bepaalde communautaire beleidsmaatregelen;
Overwegende dat de regio's die vanwege hun bijzonder
ernstige structurele problemen aanspraak kunnen maken
op de steun uit het Fonds moeten worden aangewezen aan
de hand van communautaire normen, waaronder met
name de relatieve intensiteit van hun sociaal-economische
problemen ten opzichte van het communautaire gemid-
delde waarbij het economische ontwikkelingspeil en de
werkgelegenheidssituatie als maatstaven gelden;
Overwegende dat het, om het effect van de maatregelen
van het Fonds en de complementariteit tussen deze
maatregelen en die van de nationale en regionale overhe-
den te vergroten, gewenst is het stelsel van financiering
van afzonderlijke investeringen geleidelijk te vervangen
door een stelsel van financiering van programma's, die
zowel betrekking kunnen hebben op infrastructuren als
op overheidssteunregelingen voor industriële, ambachte-
lijke en dienstverlenende activiteiten;
Overwegende dat de economische conjunctuur en de
situatie op de arbeidsmarkt van de Gemeenschap ons
ertoe dwingen het groeipotentieel van de achtergebleven
regio's zo goed mogelijk te trachten te gebruiken; dat het
te dien einde wenselijk is het actiegebied van het gedeelte
van het Fonds dat in nationale quota is verdeeld te
verruimen tot de financiering van maatregelen die gericht
zijn op de ontplooiing van het eigen ontwikkelingspoten-
tieel van de regio's;
Overwegende dat het Fonds door het bespoedingen van
zijn betalingen de verwezenlijking van de door hem
gesteunde acties kan vergemakkelijken; dat dit doel
bereikt kan worden door de invoering van een stelsel van
voorschotten op bepaalde voorwaarden;
Overwegende dat het in verband met het bij uitstek
communautaire karakter van de specifieke acties voor
regionale ontwikkeling juist is dat de Commissie, na het
advies van het Comité van het Fonds te hebben ingewon-
nen, daarover beslist;
Oerwegende dat het met het oog op de betere bundeling
van de communautaire en nationale financiële middelen
in gebieden die kampen met bijzonder ernstige proble-
men, zoals een ontwikkelingsachterstand of de achteruit-
gang van de industrie of van het stedelijk verval, gewenst
is de verwezenlijking van geïntegreerde ontwikkelings-
acties in nauw overleg tussen de Gemeenschap en de
betrokken nationale overheidsinstanties in die streken te
bevorderen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
De tekst van Verordening (EEG) nr. 724/75 van 18
maart 1975 houdende oprichting van het Europees Fonds
voor Regionale Ontwikkeling wordt vervangen door de
tekst die als bijlage aan deze verordening is gehecht.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1982.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en
is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
(!) PB nr. L 73 van 21. 3. 1975, blz. 1.
(2) PB nr. L 349 van 23. 12. 1980, blz. 10.
23. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 336/61
BIJLAGE
VERORDENING BETREFFENDE DE COÖRDINATIE VAN DE VORMEN VAN
REGIONAAL BELEID EN BETREFFENDE HET EUROPEES FONDS VOOR
REGIONALE ONTWIKKELING
Ten opzichte van de tekst van de huidige verordening zijn
— de weglatingen aangeduid door het teken [ ],
— de aanvullingen of wijzigingen cursief gedrukt.
TITEL I
OVER DE COÖRDINATIE VAN DE VORMEN VAN REGIONAAL BELEID
Artikel 1 (nieuw artikel)
1. Ter bevordering van meer convergentie tussen de
economieën van de Lid-Staten en een evenwichtiger
verdeling van de economische bedrijvigheid op het grond-
gebied van de Gemeenschap, gaan de Lid-Staten en de
Commissie over tot de coördinatie van de nationale
vormen van regionaal beleid onderling en met het
regionale beleid van de Gemeenschap volgens de in artikel
2 genoemde procedures.
2. Met deze coördinatie wordt beoogd:
— de nationale vormen van regionaal beleid op elkaar af
te stemmen, om met name te Voorkomen dat zij elkaar
tegenwerken,
— de nationale vormen van regionaal beleid beter te
doen aansluiten op de doelstellingen en prioriteiten
van de Gemeenschap, meer in het bijzonder op
regionaal gebied,
— ervoor te zorgen dat de steun evenredig is met de
intensiteit van de regionale problemen, niet alleen
gemeten aan de situatie van de Lid-Staat maar ook aan
die van de Gemeenschap.
3. Bij deze coördinatie moet het regionale effect van de
economische en sectoriële beleidslijnen van zowel de
Gemeenschap als de Lid-Staten in aanmerking worden
genomen.
Artikel 2 (nieuw artikel)
1. Het periodieke verslag, de regionale ontwikkelings-
programma's en het onderzoek van de regionale effecten
zijn instrumenten voor deze coördinatie. Ook de coördi-
natie van de regelingen voor regionale steun vormt
daarvan een wezenlijk onderdeel.
over de situatie in en de sociaal-economische ontwikke-
ling van de regio's van de Gemeenschap en over de
regionale beleidsvormen in de Lid-Staten. Te dien einde
verstrekken de Lid-Staten de Commissie de benodigde
informatie. Dit verslag wordt opgesteld met vaste tussen-
pozen van twee en een half jaar, die om de vijf jaar
samenvallen met het onderzoek van de economische
beleidsprogramma's op middellange termijn. Aan de
hand van dit verslag bepaalt de Raad op voorstel van de
Commissie en na raadpleging van het Parlement en het
Economisch en Sociaal Comité de koers en prioriteiten
van het regionale beleid.
3. a) De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van
hun programma's voor regionale ontwikkeling en
eventuele wijzigingen ervan, voor de regio's en
zones die regionale overheidssteun genieten. Deze
programma's moeten worden opgesteld volgens
het door het Comité voor regionaal beleid uitge-
werkte gemeenschappelijke schema ('), met in-
achtneming van de aanbeveling van de Commissie
van 23 mei 1979 (2). Zij hebben een indicatieve
strekking en gaan nader in op de oogmerken en
middelen voor de ontwikkeling van de regio. Zij
worden uitgewerkt in hechte samenwerking met
de betrokken regionale overheden. Tegelijk met
deze programma's zenden de Lid-Staten de Com-
missie gegevens toe betreffende de voornaamste
overheidsmaatregelen voor hun gehele grondge-
bied die van invloed kunnen zijn op het regionale
evenwicht, inclusief de naar regio uitgesplitste
uitgaven van hun investeringsbegrotingen.
De regionale ontwikkelingsprogramma's worden
door de Commissie en het Comité voor regionaal
beleid beoordeeld in het licht van de onder artikel
1 hierboven omschreven doelstellingen van de
coördinatie. Het Comité voor regionaal beleid
brengt over deze programma's advies uit bij de
Commissie, die naar aanleiding daarvan eventueel
passende aanbevelingen tot de Lid-Staten richt.
2. De Commissie stelt in nauwe samenwerking met
het Comité voor regionaal beleid een periodiek verslag op
H PB nr. C 49 van 24. 3. 1976, blz. 2.
(2) PB nr. C 143 van 12. 6. 1979, blz. 9.
Nr. C 336/62 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
b) Voor 31 mei van elk jaar dienen de Lid-Staten bij
de Commissie een verslag in over de uitvoering
van de programma's voor regionale ontwikkeling
dat voor het verstreken jaar met betrekking tot
elke regio de volgende gegevens moet bevatten:
— becijferde gegevens over de resultaten van de
regionale maatregelen m. b. t. investeringen en
arbeidsplaatsen;
— de hiervoor ingezette financiële middelen,
zowel uit nationale als uit communautaire
bron, waarbij eventueel gespecificeerd moet
worden welke middelen uit het EFRO en
Artikel 3 (oud artikel 1)
Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, hier-
na genoemd „het Fonds", is bedoeld om de belangrijkste
in de Gemeenschap op regionaal gebied bestaande
onevenwichtige situaties te corrigeren, met name die
welke voortvloeien uit een overwicht van de agrarische
sector, industriële veranderingen en structurele tekorten
aan werkgelegenheid.
Artikel 4 (oud artikel 2)
1. [ ]. De financiële toewijzing voor het Fonds
wordt jaarlijks vastgesteld in de algemene begroting van
de Europese Gemeenschappen, en wel afzonderlijk voor
de onder titel III en onder titel IV vermelde acties.
2. Op de begroting wordt de toewijzing voor het
Fonds voor het desbetreffende begrotingsjaar verdeeld
in:
a) vastleggingskredieten,
b) betalingskredieten.
Behalve de in deze verordening genoemde bijzondere
gevallen is de financiële regeling die geldt voor de
algemene begroting van de Gemeenschappen ook van
toepassing op het beheer van het Fonds.
3. Ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van
de in artikel 3 genoemde doelstellingen, kunnen door het
Fonds worden gefinancierd:
a) communautaire acties ten behoeve van regio's met
bijzonder ernstige structurele problemen, als bedoeld
welke uit andere financiële instrumenten van
de Gemeenschap afkomstig zijn;
— het gebruikspeil van de voornaamste in dat
jaar voltooide infrastructuren (voor zover
bekend).
4. De Commissie stelt een onderzoek in naar de
regionale uitwerking van de voornaamste communau-
taire beleidsvormen en de belangrijkste maatregelen die
zij aan de Raad voorstelt. Zij deelt de Raad mede op
welke wijze de resultaten van deze analyse in acht zijn
genomen en geeft deze eventueel haar voornemen te
kennen om een specifieke communautaire actie zoals
bedoeld in artikel 27 uit te voeren. Op voorstel van de
Commissie stelt de Raad de passende maatregelen vast.
in titel III [ ]. De middelen van het Fonds ter
financiering van deze acties worden als volgt ver-
deeld:
— de Griekse regio's met uitzondering van de A-zo-
nes, als omschreven in artikel 4, lid 1, van de
Griekse wet nr. 1116/81 van 14 januari 1981,
onverminderd de bepalingen in artikel 4, lid 2, van
deze wet 15,97%
— de Mezzogiorno als omschreven in artikel 1 van
het decreet van de president van de Italiaanse
Republiek nr. 218 van 6 maart 1978 43,67%
— Ierland 7 ,31%
— gesteunde zones in de zin van deel 7, lid 7, van de
British Industry Act van 9 augustus 1972, krach-
tens het besluit van de Britse Regering van 17 juli
1977 en de latere besluiten die vanaf 1 augustus
1982 in werking treden in Noord-Ierland, Schot-
land, Wales en de noordelijke en noordwestelijke
regio's 29,28%
— Groenland 1,30%
— de Franse departementen overzee 2,47%
Bovenstaand verdelingsschema van de kredieten van
het Fonds is globaal van toepassing per periode van
drie jaar.
Bij de toekenning van bijstand uit het Fonds wordt
voorrang gegeven aan de investeringen in zones die op
nationaal niveau voorrang genieten, met inachtne-
ming van de beginselen inzake de coördinatie van de
communautaire steunmaatregelen met regionale
strekking.
TITEL II
ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE HET EUROPEES FONDS VOOR
REGIONALE ONTWIKKELING
23. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 336/63
b) specifieke communautaire acties op het gebied van de
regionale ontwikkeling ten gunste van regio's die
bijzonder zwaar getroffen zijn door een recente
ernstige achteruitgang van de industrie of door de
effecten van bepaalde vormen van communautair
beleid die in titel IV worden behandeld. Aan deze
acties mag niet meer dan 20 % van de middelen van het
Fonds worden besteed. [ ].
Bij de aanwending van de middelen van het Fonds ter
financiering van deze acties wordt rekening gehouden
met de specifieke problemen van de regio's en met de
HOOFDSTUK 1
GEOGRAFISCHE AFBAKENING VAN HET GEBIED
VAN INTERVENTIE
Artikel 6 (nieuw artikel)
1. De in artikel 4, lid 3, sub a), bedoelde lijst van
regio's en zones kan door de Raad met gekwalificeerde
meerderheid van stemmen worden herzien op vootstel
van de Commissie, met name wanneer uit de in artikel 2,
lid 2, bedoelde periodieke verslagen blijkt dat de ernst van
de sociaal-economische problemen in de regio's van de
Gemeenschap zich in relatief opzicht aanzienlijk heeft
gewijzigd.
2. Over aanpassingen van deze lijst die geen uitbrei-
ding met meer dan 0,5% van de bevolking van de voor
steun in aanmerking komende regio's en zones in een
Lid-Staat veroorzaken, kan de Commissie op verzoek van
de betrokken Lid-Staat zelf beslissen volgens de in artikel
31 bedoelde procedure.
HOOFDSTUK 2
WIJZEN VAN INTERVENTIE
Deel 1
Bepalingen over de financiering van programma's
Artikel 7 (nieuw artikel)
1. Het Fonds neemt deel aan de in artikel 4, lid 3, sub
a), bedoelde acties door het financieren van programma's
en bepaalt de voorwaarden nader waarop de Gemeen-
schap financiële steun verleent voor infrastructuurinves-
teringen en/of regelingen voor overheidssteun in de
ernst van de op regionaal gebied in de Gemeenschap
bestaande onevenwichtige situaties.
Artikel 5 (nieuw artikel)
De in artikel 4, lid 3, sub b), bedoelde acties die bestemd
zijn voor de regio's of zones die regionale overheidssteun
genieten en alle in artikel 4, lid 3, sub a), bedoelde acties
moeten aansluiten bij de in artikel 2, lid 3, bedoelde
programma's voor regionale ontwikkeling.
sectoren industrie, ambachten of dienstverlening, inclu-
sief toerisme.
2. De financiering van programma's van infrastruc-
tuurinvesteringen is bestemd voor infrastructuren die
bijdragen tot de ontwikkeling van de betrokken regio of
zone.
3. De financiering van regelingen voor overheidssteun
in de sectoren industrie, ambachten of diensten moet
dienen voor economisch levensvatbare activiteiten die
arbeidsplaatsen kunnen scheppen of behouden. De finan-
ciering van de Gemeenschap kan bestemd zijn voor
steunregelingen in hun geheel of voor slechts een deel
daarvan.
Artikel 8 (nieuw artikel)
1. De duur van de in artikel 7 bedoelde programma's
mag in de regel niet korter zijn dan drie jaren.
2. De programma's hebben betrekking op één, meer-
dere of een deel van de in artikel 4, lid 3, sub a), bedoelde
regio's of zones.
3. Zij moeten de volgende elementen bevatten:
a) verwachte resultaten, zoveel mogelijk uitgedrukt in
cijfers;
b) geplande maatregelen voor het bereiken van deze
resultaten, met bijbehorend tijdschema;
c) financieringsplan voor het programma, met afzonder-
lijke opgave van de communautaire, nationale en
regionale financieringsbronnen;
d) vermelding van de overheidsinstanties of organisaties
die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het
programma en de acties die ervan deel uitmaken;
TITEL Hl
OVER DE COMMUNAUTAIRE ACTIES TEN GUNSTE VAN REGIO'S MET
BIJZONDER ERNSTIGE STRUCTURELE PROBLEMEN
Nr. C 336/64 Publikatiebiad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
e) voornaamste bijkomende maatregelen die door de
Lid-Staten zijn getroffen zonder financiële steun van
de Gemeenschap;
f) gegevens waaruit blijkt dat de communautaire steun de
aanzet geeft tot extra financiële inspanning en dus
additionele verwezenlijking voor de ontwikkeling van
de betrokken regio;
g) nauwkeurige gegevens over de voorgenomen maat-
regelen inzake milieubescherming in de betrokken
regio's of zones;
h) maatregelen om aan de bijdrage van het Fonds de
nodige publiciteit te geven, ten einde de potentiële
ontvangers en de vakkringen attent te maken op de
mogelijkheiden die het programma biedt en de rol die
de Gemeenschap daarbij speelt.
4. De in lid 3 vermelde gegevens die de programma's
moeten bevatten, worden door de Commissie volgens de
in artikel 31 bedoelde procedure vastgesteld.
Artikel 9 (nieuw artikel)
1. De programma's die voor steun uit het Fonds in
aanmerking kunnen komen worden door de betrokken
Lid-Staat bij de Commissie ingediend. Zij worden door de
Lid-Staat in nauwe samenwerking met de betrokken
instanties opgesteld.
2. De bijdrage van het Fonds tot de financiering van de
programma's kan gaan tot 50 % van de voor de steun van
het Fonds in aanmerking genomen uitgaven. De Commis-
sie bepaalt de normen voor de toepassing van deze alinea
volgens de in artikel 31 voorgeschreven procedure.
3. De Commissie beoordeelt een programma op de
mate waarin het bijdraagt tot de verwezenlijking van de
regionale ontwikkelingsprogramma's en de doelstellingen
en prioriteiten van de Gemeenschap op regionaal gebied,
met name ten aanzien van de schepping of het behoud van
produktieve werkgelegenheid, de inzet van het eigen
potentieel van de betrokken regio en de versterking van
diens economische basis.
4. Indien de Commissie meent dat het programma m
aanmerking komt voor een bijdrage uit het Fonds deelt zij
dit aan de betrokken Lid-Staat mede, tegelijk met haar
opmerkingen. De Commissie en de Lid-Staat stellen in
overleg het programma op dat met name het volledige
financieringsschema moet bevatten.
Een aldus tussen de Commissie en de Lid-Staat overeen-
gekomen programma wordt in de zin van deze verorde-
ning beschouwd als een „programmacontract".
5. De Commissie beslist over de bijdrage van het
Fonds volgens de in artikel 31 bedoelde procedure. Het
programmacontract wordt aan het toekenningsbesluit
gehecht.
6. De bijdragen van het Fonds worden bekendge-
maakt in het Publikatiebiad van de Europese Gemeen-
schappen.
Artikel 10 (nieuw artikel)
1. Voor 31 mei van elk jaar dient de betrokken
Lid-Staat bij de Commissie een verslag in, waaruit blijkt
welke vorderingen in het verstreken kalenderjaar met de
uitvoering van elk programma zijn geboekt, onder ver-
wijzing naar de krachtens artikel 8, lid 3, vereiste
gegevens. Aan de hand van deze verslagen moet de
Commissie zich kunnen vergewissen van de uitvoering
van de programma's en van de effecten daarvan en
zonodig vast kunnen stellen dat de maatregelen op
onderling gecoördineerde wijze worden uitgevoerd. De
verslagen worden aan het Comité van het Fonds doorge-
geven.
2. Op basis van deze verslagen brengt de Commissie
verslag uit onder de in artikel 36 vastgestelde voorwaar-
den.
3. In geval van diepgaande wijziging van een program-
ma tijdens de uitvoering, wordt de in artikel 31 genoemde
procedure toegepast.
4. Aan het eind van de uitvoering van elk programma,
stelt de Commissie het Comité van het Fonds in kennis
van de verkregen resultaten.
Artikel 11 (nieuw artikel)
1. Tijdens een overgangsperiode van driejaar, ingaan-
de op 1 januari 1982, kan het Fonds zowel bijdragen tot
de financiering van programma's volgens de in dit deel
genoemde voorwaarden als tot de financiering van
investeringsprojecten volgens de in deel 2 genoemde
voorwaarden.
2. Tijdens het tweede en derdejaar van de overgangs-
periode en onverminderd de bepalingen van lid 3 hieron-
der en van de delen 3 en 4, mag het deel van de steun van
het Fonds dat wordt besteed aan de financiering van
programma's in elke Lid-Staat niet lager zijn dan respec-
tievelijk 30 en 60 % van de kredieten die bestemd zijn
voor communautaire acties ten behoeve van regio's met
bijzonder ernstige structurele onderontwikkeling. Na het
eind van de overgangsperiode moeten alle beschikbare
kredieten gebruikt worden voor het financieren van
programma's, ook onverminderd de bepalingen van lid 3
hieronder en van de delen 3 en 4.
3. Na het verstrijken van de overgangsperiode kunnen
investeringsprojecten ten bedrage van meer dan 40
miljoen Ecu uit het Fonds gefinancierd blijven worden
volgens de in deel 2 genoemde voorwaarden.
23. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 336/65
Deel 2
Bepalingen over de financiering van
investeringsprojecten
Artikel 12 (oud artikel 4, § 2)
1. Voor investeringen in industriële, ambachtelijke of
dienstverlenende activiteiten bedraagt de deelneming van
het Fonds 20 % van de investeringskosten. De deelneming
mag echter niet meer bedragen dan 50 % van de steun die
de overheid voor elke investering verleent op grond van
een steunregeling met regionale strekking en moet voorts
beperkt blijven tot het gedeelte van de investering dat
100 000 ERE per gecreëerde arbeidsplaats en 50 000
ERE per in stand behouden arbeidsplaats niet over-
schrijdt.
Wat de dienstverlenende en de ambachtelijke sector
betreft, wordt de bijdrage van het Fonds berekend aan de
hand van het aantal gecreëerde of behouden arbeidsplaat-
sen, en bedraagt zij 20 000 ERE per arbeidsplaats, maar
niet meer dan 50 % van de nationale steun.
Als overheidssteun komen subsidies en rentesubsidies in
aanmerking of het equivalent daarvan indien het leningen
tegen gereduceerde rente betreft, ongeacht of deze steun
betrekking heeft op de investering of op de gecreëerde
werkgelegenheid.
Deze steun kan ook steun zijn die wordt verleend voor een
investering in verband met de overheveling van uitrusting
en werknemers. De berekening van het equivalent van de
steun wordt vastgesteld door een toepassingsverordening
uit hoofde van artikel 31. Als steun kan tevens in
aanmerking komen verlaging of vrijstelling van de huur
van gebouwen, met inbegrip van uitrusting, voor zover
dezelfde berekeningswijze mogelijk is.
De aldus bepaalde bijstand uit het Fonds kan volgens een
van te voren genomen besluit van de Lid-Staat, dat
tegelijk met het verzoek om bijstand wordt medegedeeld,
hetzij worden gevoegd bij de door de overheid ten
behoeve van de investering verleende steun, hetzij voor
deze overheid worden verworven bij wijze van gedeelte-
lijke terugbetaling van de verleende steun. In dat geval
moet de Lid-Staat zijn financiële inspanning voor de
betrokken regio verhogen met het bedrag van de commu-
nautaire steun.
2. Voor investeringen in infrastructuurvoorzieningen
bedraagt de deelneming van het Fonds 30 % van de totale
uitvoeringskosten wanneer de investering minder dan
5 miljoen ERE beloopt, en 10 tot maximaal 30% voor
een investering van 5 miljoen ERE of meer.
Deze percentages mogen evenwel uitlopen tot 50% in
geval van projecten die van bijzonder belang zijn voor de
ontwikkeling van de regio waarin zij gelegen zijn.
Bij de indiening van steunaanvragen moeten de Lid-Staten
voorrang geven aan investeringen die verricht worden
door regionale of plaatselijke overheidsinstanties.
3. De bijstand van het Fonds kan geheel of gedeeltelijk
de vorm aannemen van een rentesubsidie op communau-
taire leningen die zijn toegekend ten behoeve van de in
artikel 4, lid 3, sub a), bedoelde regio's en zones.
Artikel 13 (oud artikel 5)
1. De Commissie besluit tot verlening van bijstand uit
het Fonds aan de hand van het min of meer ernstige
gebrek aan economisch evenwicht waarmee de regio waar
de investering wordt verwezenlijkt heeft te kampen,
alsook van de directe of indirecte uitwerking van de
investering op de werkgelegenheid. De Commissie onder-
zoekt in het bijzonder de samenhang van de investering
met het geheel van maatregelen die de betrokken
Lid-Staat ten gunste van deze regio heeft genomen, zoals
die blijken uit de door de Lid-Staten in het kader van
artikel 2 verstrekte gegevens. Hierbij wordt speciaal
rekening gehouden met:
a) de bijdrage van de investering tot de economische
ontwikkeling van de regio;
b) de samenhang van de investering met de programma's
of doelstellingen van de Gemeenschap;
c) de situatie in de betrokken bedrijfssector en de renta-
biliteit van de investering;
d) het grensoverschrijdend karakter van de investering,
voor zover deze plaatsvindt in een regio die grenst aan
één of meer andere Lid-Staten;
e) de andere vormen van steun die door de communau-
taire Instellingen, dan wel door de Europese Investe-
ringsbank ten behoeve van dezelfde investering of van
andere acties in dezelfde regio worden verleend. Op
deze wijze worden de andere interventies van de
Gemeenschap gecoördineerd met de actie van het
Fonds, zodat in een bepaalde regio convergerende en
op elkaar afgestemde algemene acties kunnen worden
ondernomen en met name de samenhang tussen het
regionaal beleid en het landbouwstructuurbeleid kan
worden verzekerd.
2. a) Voor investeringen van 5 miljoen of meer ERE
besluit de Commisie tot verlening van bijstand uit
het Fonds overeenkomstig de in artikel 31
omschreven procedure.
[ ]
b) Voor investeringen van minder dan 5 miljoen
ERE besluit de Commissie tot verlening van
bijstand uit het Fonds en stelt het Comité van het
Fonds hiervan in kennis.
Artikel 14 (oud artikel 7)
1. De aanvragen om bijstand uit het Fonds worden
door de Lid-Staten bij de Commissie ingediend, vergezeld
Nr. C 336/66 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
van de voor de beoordeling noodzakelijke gegevens,
zodat de Commissie kan nagaan in hoeverre het belang
van de investeringen beantwoordt aan het bepaalde in de
artikelen 2 en 13.
2. Voor investeringen waarmee een bedrag van min-
der dan 5 miljoen ERE gemoeid is, dienen de Lid-Staten
aan het begin van elk kwartaal gegroepeerde aanvragen
in. Deze aanvragen worden per regio ingediend, waarbij
een onderscheid wordt gemaakt tussen investeringen in
industriële, ambachtelijke of dienstverlenende activitei-
ten en investeringen in infrastructuurvoorzieningen.
Deze aanvragen vermelden:
a) voor investeringen in industriële, ambachtelijke of
dienstverlenende activiteiten, naam van de betrokken
ondernemingen, bedrijfstak, plaats van uitvoering van
elke investering, alsmede de aard ervan (creatie,
uitbreiding, omschakeling of herstructurering van een
vestiging), totaal investeringsbedrag, te verwachten
algemene gevolgen voor de werkgelegenheid (creëren
van nieuwe werkgelegenheid of in stand houden van
bestaande werkgelegenheid), vooruitzichten in ver-
band met de uitvoeringsduur, het totaal van de steun
op basis waarvan om bijstand uit het Fonds wordt
verzocht, alsmede vervaldagen voor de betalingen;
b) voor de investeringen in infrastructuurvoorzieningen,
plaats van uitvoering van elke investering en aard
ervan, alsmede bijdrage aan de ontwikkeling van de
regio, geraamde uitgaven en uitgaven die ten laste
komen van de overheid, alsmede vervaldagen voor de
betalingen, naam van de verantwoordelijke instanties,
totaalbedrag van de aan het Fonds gevraagde bijstand,
vooruitzichten in verband met de uitvoeringsduur.
3. De aanvragen in verband met investeringen tot een
bedrag dat gelijk is aan of hoger dan 5 miljoen ERE
worden afzonderlijk ingediend en bevatten de volgende
gegevens:
a) voor investeringen in industriële, ambachtelijke of
dienstverlenende activiteiten: naam van de onderne-
ming, bedrijfstak, aard van de investering, plaats van
uitvoering, gevolgen voor de werkgelegenheid, ge-
pland uitvoeringsschema, subsidies, rentesubsidies of
leningen tegen gereduceerde rente, vervaldagen voor
de betaling van de steun, alle andere vormen van
toegekende of in uitzicht gestelde overheidssteun en
financieringsplan, met opgave van de andere gevraag-
de of in uitzicht gestelde communautaire steun.
In de aanvrag vermeldt de Lid-Staat het totaalbedrag
van de bijstand die volgens die Lid-Staat aan de
onderneming moet worden verleend en de bijdrage die
aan de Gemeenschap gevraagd wordt;
b) voor de investeringen in infrastructuurvoorzieningen:
verantwoordelijke instantie, aard van de investering,
plaats van uitvoering, bijdrage aan de ontwikkeling
van de regio, kosten, financieringsplan, uitvoerings-
schema en vervaldagen voor de betalingen.
4. De Commissie besluit op de volgende wijze tot
verlening van bijstand uit het Fonds:
a) globaal voor elk van de aanvragen bedoeld in lid 2;
b) gevalsgewijs voor de in lid 3 bedoelde aanvragen.
5. De Lid-Staten dienen bij voorrang aanvragen om
bijstand in welke betrekking hebben op investeringen tot
een bedrag dat gelijk is aan of hoger dan 5 miljoen
ERE.
Artikel 15 (oud artikel 10)
1. De betrokken investeerders worden in overleg met
de betrokken Lid-Staten ervan in kennis gesteld dat een
gedeelte van de hun verleende steun afkomstig is van de
Gemeenschap. In overeenstemming met de Commissie
nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om een
passende bekendheid te geven aan de uit het Fonds
verleende bijstand voor infrastructuurvoorzieningen.
2. De lijst van projecten waarvoor bijstand uit het
Fonds is verleend, wordt om de zes maanden in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
bekendgemaakt. Deze lijst vermeldt de aard en de
precieze plaats van uitvoering van elk project, alsmede het
bedrag van de investering.
Deel 3
Bepalingen over de financiering van maatregelen die
beogen het eigen ontwikkelingspotentieel van de regio's
tot bloei te brengen
Artikel 16 (nieuw artikel)
Het Fonds kan deelnemen aan de financiering van
maatregelen voor de inzet van het eigen ontwikkelings-
potentieel van de regio's, die onder een van de hierna
volgende categorieën vallen:
a) maatregelen ten behoeve van kleine en middelgrote
firma's, ambachtelijke bedrijven en ondernemingen
voor het plattelandstoerisme, door diensten aan te
bieden waarmee zij hun bedrijvigheid kunnen uitbrei-
den en zich toegang tot nieuwe technologieën kunnen
verschaffen. Deze maatregelen omvatten:
— hulp bij de werking van organisaties die informatie
over nieuwe produkten en technische uitvindingen
inzamelen en verspreiden en bij het maken van
uitvoerbaarheidsstudies en het opstellen van pro-
jecten voor het introduceren van deze nieuwe
ontwikkelingen in de ondernemingen;
23. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 336/67
— hulp bij de uitvoering van sectorstudies om beter
inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden voor
toegang tot de nationale communautaire en bui-
tenlandse markten en bij de verspreiding van de
resultaten van deze studies;
— hulp voor een efficiëntere bedrijfsvoering door het
verstrekken van adviezen op het gebied van beheer
of organisatie; deze hulp heeft betrekking op de
uitgaven van bedrijven voor door consulenten
verleende diensten;
— starthulp bij het oprichten van gezamenlijke dien-
sten voor meerdere bedrijven; deze hulp heeft
betrekking op een gedeelte van de uitgaven voor
het runnen van gezamenlijke diensten;
— hulp om de in de regio's bestaande mogelijkheden
voor plattelandstoerisme beter uit te buiten; deze
hulp heeft betrekking op een gedeelte van de
bedrijfskosten van organisaties voor publiciteit en
gecoördineerd beheer van de logiesvoorzienin-
gen.
b) hulp voor de regionale of plaatselijke overheden bij
het werk voor de programmering, de technische en
financiële voorbereiding en de uitvoering van maat-
regelen die voor steun uit het Fonds in aanmerking
kunnen komen, alsmede voor de vorming van de
personen die deze taken zullen verrichten.
c) maatregelen om de oprichting en ontwikkeling van
kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren
door hun beter toegang te verschaffen tot de kapitaal-
markt, volgens regelingen die op voorstel van de
Commissie door de Raad zullen worden vastgelegd in
een toepassingsverordening.
Artikel 17 (nieuw artikel)
De bijstand uit het Fonds van de in artikel 16 genoemde
acties is bepaald als volgt:
1. a) voor de maatregelen onder a), eerste en derde tot
vijfde streepje, is de steun degressief en mag niet
langer duren den drie jaar. De bijstand beloopt
70 % in het eerste jaar en mag over de periode van
drie jaar gemiddeld niet hoger zijn dan 55%.
Voor de onder alinea a), eerste streepje, bedoelde
uitvoerbaarheidsstudies mag de bijstand uit het
Fonds niet meer dan 70 % van de kosten van de
studies bedragen met maximaal 50 000 ERE per
studie;
b) voor de maatregelen onder a), tweede streepje,
70% van de kosten van de studies en van de
uitgaven voor de verspreiding van hun resulta-
ten.
2. Voor de maatregelen onder b), 70 % van de door de
regionale of plaatselijke overheden gemaakte onkosten.
3. De Commissie beslist over de verlening van bijstand
uit het Fonds volgens de in artikel 31 bedoelde proce-
dure.
Deel 4
Bepalingen over de studies
Artikel 18 (oud artikel 12)
1. Het Fonds kan deelnemen aan de financiering van
studies die nauw verband houden met de activiteiten van
het Fonds en die op verzoek van een Lid-Staat plaatsvin-
den.
2. De bijstand uit het Fonds mag niet meer bedragen
dan 50 % van de kosten van de studie.
HOOFDSTUK 3
BETALINGEN EN CONTROLES
Deel 1
Bepalingen over de programma's
Artikel 19 (nieuw artikel)
1. De begrotingskredieten voor de financiering van
een programma worden per jaarlijkse tranche uitgetrok-
ken. De eerste tranche wordt vastgelegd zodra de beslis-
sing tot steunverlening door de Commissie is genomen.
De vastlegging van de daarop volgende tranches geschiedt
met inachtneming van de op de begroting beschikbare
kredieten en de vordering van het programma.
2. Komen in aanmerking voor verlening van bijstand
uit het Fonds: de uitgaven die de betrokken instanties
hebben verricht of gepland vanaf 1 januari van het jaar
waarin het programma bij de Commissie werd inge-
diend.
Artikel 20 (nieuw artikel)
1. Elk verzoek om betaling moet vergezeld gaan van
een verklaring van de Lid-Staat dat de maatregelen
werkelijk uitgevoerd worden en dat er gedetailleerde
bewijsstukken bestaan en moet bovendien de volgende
gegevens bevatten:
— aard van de maatregelen waarvoor om betaling wordt
verzocht;
— bedrag en aard van de uitgaven die tijdens de door het
verzoek bestreken periode voor de verschillende
maatregelen zijn verricht;
Nr. C 336/68 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
— bevestiging dat de in het verzoek om betaling beschre-
ven maatregelen overeenkomstig het programma zijn
gestart.
2. De Lid-Staat moet tijdens een periode van driejaar
na de laatste betaling voor het programma alle bewijs-
stukken betreffende de uitgaven voor het programma of
gewaarmerkte afschriften daarvan ter beschikking van de
Commissie houden. De Commissie behoudt zich het recht
voor ieder binnen het kader van het programma uitge-
voerd project nader te onderzoeken.
3. De betalingen worden door de Commissie
gericht:
— aan de overheidsinstanties die als bouwheren van de
maatregelen fungeren wanneer het contract de finan-
ciering van een programma voor infrastructuurinves-
teringen betreft;
— aan een daartoe door de betrokken Lid-Staat aange-
wezen instantie, wanneer het een contract voor de
financiering van een regeling van overheidssteun in de
sector van industriële, ambachtelijke en dienstverle-
nende activiteiten betreft.
Deel 2
Bepalingen over de investeringsprojecten
Artikel 21 (oud artikel 8)
1. Het bedrag van de bijstand uit het Fonds, vastge-
steld, in voorkomend geval, aan de hand van de bereke-
ning van het equivalent van de steun, overeenkomstig een
toepassingsverordening waartoe besloten wordt volgens
de in artikel 31 bedoelde procedure, wordt gestort
naarmate de betalingen worden verricht, na overlegging
door de Lid-Staat van kwartaaloverzichten waaruit blijkt
dat de uitgaven werkelijk zijn gedaan en dat gedetailleer-
de bewijsstukken voorhanden zijn, en die de volgende
gegevens bevatten:
a) voor tussentijdse betalingsaanvragen:
— de naam van de betrokken onderneming, of, voor
infrastructuurvoorzieningen, de naam van de ver-
antwoordelijke instantie,
— de plaats van uitvoering van het investeringspro-
ject,
— het totale bedrag van de overheidsuitgaven, ver-
richt na de in artikel 22 genoemde datum en het
gedeelte van het bedrag waarvoor betaling wordt
gevraagd,
— het bedrag van de aan het Fonds gevraagde
betaling,
— een raming van de toekomstige aanvragen om
betaling;
b) voor uiteindelijke betalingsaanvragen: alle sub a)
bedoelde gegevens met uitzondering van het laatste
streepje, alsmede
— het werkelijk geïnvesteerde bedrag en de overeen-
stemming van de gerealiseerde investering met het
oorspronkelijke project,
— de datum van voltooiing van de investering,
— het aantal gecreëerde of in stand gehouden
arbeidsplaatsen door de investeringen in industrië-
le, artisanale en dienstverlenende activiteiten,
— de bedragen van de overheidsuitgaven.
2. Indien het bij de uitgaven, vastgesteld bij de in
artikel 14 bedoelde besluiten, gaat om steun in de vorm
van rentesubsidies of van leningen tegen gereduceerde
rente, wordt de bijdrage van het Fonds met betrekking tot
deze steun, die nog verschuldigd is op het ogenblik
waarop de investeringen zijn voltooid, ineens uitbetaald,
na overlegging van de verklaring betreffende de voltooi-
ing van de investeringen.
3. De Lid-Staten wijzen de autoriteiten of instanties
aan die tot afgifte van de in dit artikel bedoelde verkla-
ringen bevoegd zijn. Bij infrastructuurinvesteringen wor-
den de betalingen door de Commissie gericht aan de
bouwheer van de betrokken investering.
Bij industriële of dienstverlenende investeringen worden
de betalingen gericht aan de Lid-Staat of aan een ten
behoeve hiervan door de Lid-Staat aangeduide instan-
tie.
Artikel 22 (oud artikel 11)
Komen in aanmerking voor verlening van bijstand uit het
Fonds, de betalingen die door de Lid-Staten zijn verricht
vanaf 1 januari van het jaar waarin de aanvraag om steun
is ingediend en wel voor investeringen die op die datum
nog niet zijn voltooid. Deze termijn kan met zes maanden
worden verlengd voor de betalingen met betrekking tot
investeringen in Groenland.
Deel 3
Bepalingen over de maatregelen die beogen het eigen
ontwikkelingspotentieel van de regio's tot bloei te
brengen
Artikel 23 (nieuw artikel)
1. De verzoeken om steun worden bij de Commissie
ingediend door tussenkomst van de Lid-Staten.
2. Zij moeten vermelden:
— voor de in artikel 16, sub a), bedoelde maatregelen:
aard en plaats van uitvoering van de maatregel, aard
van de ontvangende instanties of ondernemingen,
effect op de werkgelegenheid, geplande uitvoerings-
termijnen en wijze van financiering;
23. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 336/69
— voor de in artikel 16, sub b), bedoelde maatregelen:
aard, plaats van uitvoering, door de regionale of
plaatselijke instanties verwachte effecten, duur en
wijze van financiering van de maatregel.
3. De verzoeken om betaling worden bij de Commissie
ingediend door de betrokken Lid-Staat, vergezeld van een
verklaring van de laatstgenoemde dat de maatregelen
werkelijk worden uitgevoerd en dat er uitvoerige bewijs-
stukken bestaan, en moeten de volgende gegevens bevat-
ten:
— aard van de maatregelen waarvoor de betaling wordt
gevraagd;
— bedrag en aard van de uitgaven die tijdens de door het
verzoek bestreken periode voor de diverse maatrege-
len zijn verricht.
4. De betalingen worden door de Commtssie gericht
aan de betrokken overheidsinstanties, instellingen of
bedrijven. De in artikel 16, sub a), derde en vierde
streepje, bedoelde bijdragen en, ingeval zij rechtstreeks
aan de bedrijven ten goede komen, de in artikel 16, sub a),
eerste streepje, bedoelde bijdragen, mogen niet tot gevolg
hebben dat het aandeel van de ondernemingen in de totale
uitgaven tot minder dan 20 % wordt verminderd.
Deel 4
Voorschotten
Artikel 24 (nieuw artikel)
1. Voor de in de artikelen 7, 12 en 16 bedoelde acties
welke ondernomen zijn vanaf het in voege treden van de
herziene versie van deze verordering, kunnen, naarmate
de uitvoering van de maatregelen vordert en met inacht-
neming van de beschikbare kredieten, voorschotten ten
belope van 80 % worden verstrekt.
2. Op verzoek van de Lid-Staat kan de Commissie
vanaf de datum voorzien voor de aanvang van de
uitvoering van de maatregelen, een eerste voorschot op de
bijstand voor de eerste jaarlijkse schijf uitkeren.
3. De verzoeken om voorschotten voor de andere
jaarlijkse schijven kunnen worden ingediend wanneer de
voor de vorige schijf geplande verwezenlijkingen voor
minstens 60 % zijn uitgevoerd en alle eventuele vroegere
schijven zijn afgesloten.
4. Het resterende deel van ieder voorschot wordt op
verzoek van de Lid-Staat uitgekeerd tegen overlegging
van een verklaring dat de verwezenlijking van de betrok-
ken schijf als voltooid kan worden beschouwd en tegen
overlegging van het bedrag van de verrichte overheidsuit-
gaven.
5. De vorm van de in de leden 2 en 3 bedoelde
voorschotaanvragen wordt vastgesteld volgens de in
artikel 31 vermelde procedure.
DeelS
Bepalingen over de controles
Artikel 25 (oud artikel 9)
1. Indien een actie waarvoor bijstand uit het Fonds is
verleend niet uitgevoerd wordt zoals was voorzien, of
indien aan de ter zake geldende voorwaarden niet wordt
voldaan» kan de bijstand uit het Fonds bij besluit van de
Commissie, na raadpleging van het Comité van het
Fonds, worden verminderd of geannuleerd.
De bedragen die [ ] zouden zijn uitgekeerd worden
door de betrokken Lid-Staat of, in voorkomend geval,
door de instantie aan wie de bijstand uit het Fonds werd
uitgekeerd, binnen twaalf maanden na de datum van
kennisgeving van het besluit aan de Gemeenschap terug-
betaald.
De Lid-Staten betalen de Commissie het bedrag terug van
de bijstand die uit het Fonds is verleend in alle gevallen
waarin nationale steun die ten grondslag heeft gelegen
aan de berekening van de bijstand van het Fonds, door de
investeerder aan de Lid-Staat is terugbetaald.
2. De Lid-Staten verstrekken de Commissie alle voor
een goede werking van het Fonds noodzakelijke gegevens,
en nemen alle maatregelen die de dooie,de Commissie in
het kader van het beheer van het Fonds nuttig geachte
controles, met inbegrip van verificaties ter plaatse, kun-
nen vergemakkelijken. Zij geven de Commissie kennis
van de in lid 1, eerste alinea, bedoelde gevallen.
3. Onverminderd de door de Lid-Staten overeenkom-
stig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke, bepa-
lingen verrichte controles en onverminderd het bepaalde
in artikel 206 van het Verdrag, alsook iedere op grond
van artikel 209, sub c), van het Verdrag uitgevoerde
controle, worden door de bevoegde instanties van de
Lid-Staten en door personeelsleden van de Commissie of
andere door haar daartoe gemachtigde personen verifica-
ties ter plaatse of onderzoeken betreffende door het Fonds
gefinancierde maatregelen verricht. De Commissie stelt
termijnen vast voor het uitvoeren van de verificaties, en
licht de Lid-Staat hierover vooraf in ten einde de nodige
bijstand te bekomen.
4. Deze verificaties ter plaatse of onderzoeken betref-
fende door het Fonds gefinancierde maatregelen zijn
bedoeld om vast te stellen:
a) of de administratieve methoden in overeenstemming
zijn met de communautaire voorschriften,
b) of bewijsstukken voorhanden zijn en of deze in
overeenstemming zijn met de door het Fonds gefinan-
cierde projecten,
c) op welke wijze de door het Fonds gefinancierde
projecten worden uitgevoerd en geverifieerd,
Nr. C 336/70 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
d) of hetgeen werd verwezenlijkt in overeenstemming is
met de door het Fonds gefinancierde projecten.
5. De Commissie kan betaling van de bijstand voor
een maatregel schorsen indien uit een controle blijkt dat
zich onregelmatigheden hebben voorgedaan of dat een
belangrijke wijziging in de aard of de wijze van uitvoering
van deze maatregel werd aangebracht zonder dat daar-
voor toestemming aan de Commissie is gevraagd.
6. In afwijking van artikel 6, lid 2, van het Financieel
Reglement van 21 december 1977 van toepassing op de
algemene begroting der Europese Gemeenschappen!1)
wordt, indien een actie waarvoor bijstand uit het Fonds
wordt verleend niet wordt uitgevoerd of zodanig wordt
uitgevoerd dat nog slechts een gedeelte van de voor deze
actie toegezegde bijstand uit het Fonds gerechtvaardigd
(') PB nr. L 356 van 31. 12. 1977, blz. 1.
Artikel 27 (oud artikel 13)
1. In het kader van de in deze titel bedoelde commu-
nautaire acties kan het Fonds eveneens steun verlenen in
andere regio's of zones dan die welke in artikel 4, lid 3,
suba), worden genoemd, mits de betrokken Lid-Staat zelf
ook heeft bijgedragen of tegelijk met het Fonds bijdraagt
tot de oplossing van de problemen waarop de commu-
nautaire actie is gericht.
2. De in deze titel bedoelde acties kunnen geheel of
gedeeltelijk van de in titel III bedoelde acties verschillen.
Zij zijn bedoeld voor de regio's en zones die in het
bijzonder getroffen zijn:
— ofwel door een recente en ernstige achteruitgang van
de industrie,
— ofwel door de gevolgen van bepaalde beleidsvormen
van de Gemeenschap of door de door haar vastge-
stelde maatregelen, ten einde de uitvoering van deze
beleidsvormen te vergemakkelijken of de regionale
gevolgen ervan te verlichten.
Deze acties mogen geen betrekking hebben op verrichtin-
gen betreffende de interne herstructurering van sectoren
met een afnemende bedrijvigheid, maar mogen wel door
vestiging van nieuwe economische bedrijvigheid en invoe-
ring van nieuwe technologiën het scheppen van [ ]
is, het niet aangewende gedeelte van de bijstand uit het
Fonds op de in deze verordening vastgestelde voorwaar-
den aan een andere actie in één van de in aanmerking
komende regio's van dezelfde Lid-Staat toegekend.
Artikel 26 (nieuw artikel)
De Lid-Staten delen de Commissie binnen een termijn van
drie jaren na de voltooiing van de door het Fonds
gefinancierde acties mede:
— bij investeringen in industriële, ambachtelijke en
dienstverlenende activiteiten: het aantal werkelijk
gecreëerde arbeidsplaatsen,
— bij infrastructuurinvesteringen van meer dan 5 mil-
joen Ecu: de mate waarin de nieuwe voorzieningen
worden gebruikt (voor zover bekend).
arbeidsplaatsen bevorderen in de regio's of zones van de
Gemeenschap die zich in een moeilijke situatie bevin-
den.
Deze acties worden gezamenlijk gefinancierd door de
Gemeenschap en de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten.
3. De Lid-Staten verstrekken de Commissie gegevens
over de regionale problemen waarvoor een specifieke
actie in de zin van lid 2 kan worden uitgevoerd.
4. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie
ter zake van steunmaatregelen van de Staten krachtens de
artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag stelt de Commis-
sie, volgens de in artikel 31 vermelde procedure, voor elk
van de krachtens dit artikel in de vorm van een speciaal
programma uit te voeren acties, het volgende vast:
a) de aard van de activiteiten waarin het Fonds kan
deelnemen;
b) de zones en regio's waaraan het Fonds bijstand kan
verlenen;
c) de maatregelen van de nationale overheid die in
aanmerking worden genomen voor het toekennen van
bijstand uit het Fonds;
d) de deelname van het Fonds;
TITEL IV
OVER DE SPECIFIEKE COMMUNAUTAIRE ACTIES VOOR REGIONALE
ONTWIKKELING
23. 12. 81 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen Nr. C 336/71
e) de categorieën van door bijstand uit het Fonds begun-
stigden;
f) de wijze van financiering;
g) de maatregelen om aan de bijdrage van het Fonds de
nodige publiciteit te geven, ten einde de potentiële
ontvangers en de vakkringen attent te maken op de
mogelijkheden die het programma biedt en de rol die
de Gemeenschap daarbij speelt.
HOOFDSTUK 1
BEPALINGEN OVER DE GEÏNTEGREERDE
ONTWIKKELINGSACTIES
Artikel 29 (nieuw artikel)
1. De onder de titels UI en/of IV bedoelde investerin-
gen en acties die deel uitmaken van een geïntegreerde
ontwikkelingsactie kunnen voorrang en een voorkeurs-
percentage bij de verlening van bijstand uit het Fonds
genieten.
2. Een geïntegreerde ontwikkelingsactie bestaat uit
een samenhangend geheel van acties en openbare en
particuliere investeringen en vertonen volgende kenmer-
ken:,
a) zij zijn gericht op een beperkt geografisch gebied dat
lijdt onder bijzonder ernstige problemen, zoals met
name ontwikkelingsachterstand, industriële achter-
uitgang of stedelijk verval, die de ontwikkeling van de
betrokken regio kunnen schaden;
b) de Gemeenschap, door het inzetten van diverse finan-
ciële instrumenten met structurele oogmerken, en de
nationale en plaatselijke overheden van de Lid-Staten
dragen door hun nauwe samenwerking bij tot de
verwezenlijking van deze acties.
3. De betrokken Lid-Staat ziet erop toe dat de com-
munautaire en nationale financiële middelen op gecoör-
dineerde wijze worden aangewend, alsmede dat de
verschillende overheidsinstanties in nauw overleg aan de
uitvoering van de geïntegreerde actie deelnemen.
4. Ook de Commissie ziet erop toe dat de diverse
communautaire financiële instrumenten met structurele
oogmerken op gecoördineerde wijze ingezet worden.
5. De bijdrage van het Fonds tot de investeringen en
maatregelen die deel uitmaken van de in dit artikel
Artikel 28 (oud artikel 14)
1. Het Fonds kan voor het geheel of voor een gedeelte
deelnemen aan de financiering van studies ter voorberei-
ding van de specifieke communautaire acties voor regio-
nale ontwikkeling. [ ]
2. De Commissie besluit lot verlening van bijstand uit
het Fonds en stelt het Comité van het Fonds in kennis van
de ondernomen studies en van de verkregen resultaten.
bedoelde acties wordt met tien punten verhoogd maar
mag niet hoger zijn den 80 % van de uitgaven.
HOOFDSTUK 2
OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 30 (oud artikel 15)
1. Er is ingesteld een Comité van het Fonds, hierna
genoemd Comité, dat is samengesteld uit vertegenwoor-
digers van de Lid-Staten en onder voorzitterschap staat
van een vertegenwoordiger van de Commissie.
2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Sta-
ten gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148,
lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt geen deel aan
de stemming.
Artikel 31 (oud artikel 16)
1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit
artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze
procedure bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief hetzij
op verzoek van de vertegenwoordiger van een
Lid-Staat.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie dient
ontwerpen in van de te nemen besluiten. Het Comité
brengt over deze ontwerpen advies uit binnen een termijn
die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de
urgentie der aan een onderzoek onderworpen vraagstuk-
ken. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van
45 stemmen.
3. De Commissie neemt besluiten die onmiddellijk van
toepassing zijn. Indien deze besluiten echter niet in
overeenstemming zijn met het door het Comité uitge-
brachte advies, worden zij door de Commissie onverwijld
TITEL V
SLOTBEPALINGEN
Nr. C 336/72 Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 23. 12. 81
ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval stelt de
Commissie de toepassing van de besluiten die zij heeft
genomen tot ten hoogste twee maanden na deze kennis-
geving uit. De Raad kan binnen twee maanden met
gekwalificeerde meerderheid van stemmen een anders-
luidend besluit nemen.
Artikel 32 (oud artikel 17)
Het Comité kan elk ander vraagstuk met betrekking tot
de werking van het Fonds onderzoeken dat door rijn
voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van
de vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde
wordt gesteld.
Artikel 33 (oud artikel 18)
De voor de uitvoering van deze verordening vereiste
maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 31
omschreven procedure.
Artikel 34 (oud artikel 19)
1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om,
overeenkomstig de vormvereisten van de nationale begro-
tingssystemen, de uit het Fonds ontvangen bedragen
afzonderlijk op te voeren.
2. De Lid-Staten lichten de Commissie op haar ver-
zoek in over de bestemming van de uit het Fonds
ontvangen bedragen.
Artikel 35 (oud artikel 20)
De bijstand uit het Fonds mag de mededingingsvoorwaar-
den niet wijrigen op een manier die onverenigbaar is met
de in de betreffende Verdragsbepalingen vervatte begin-
selen, zoals deze met name rijn toegelicht in de beginselen
voor de coördinatie van de algemene steunregelingen met
regionale strekking. In het bijzonder doen de bepalingen
van deze verordening, met name ten aanzien van de
vaststelling en de wijziging van de in artikel 2, lid 3,
bedoelde zones waarvoor steun met regionale strekking
wordt verleend, [ ] niet af aan de toepasselijkheid van
de artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag.
Artikel 36 (oud artikel 21)
1. Vóór 1 oktober van elk jaar dient de Commissie bij
de Raad, het Parlement en bij het Economisch en Sociaal
Comité een verslag in over de toepassing van deze
verordening gedurende het voorgaande jaar.
2. Dit verslag moet tevens betrekking hebben op het
financieel beheer van het Fonds en op de conclusies die de
Commissie uit de controle op de activiteiten van het
Fonds trekt.
Artikel 37 (oud artikel 22)
Op voorstel van de Commissie onderwerpt de Raad deze
verordening binnen een termijn van driejaren, te rekenen
vanaf 1 januari 1982, aan een nieuw onderzoek.
Artikel 38 (oud artikel 23)
Deze verordernngtreedt in werking op de dag volgende op
die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de
Europese Gemeenschappen.
Full & Egal Universal Law Academy