Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Opschorting van tenuitvoerlegging van beschikking waarbij geldboete wordt opgelegd ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Inaanmerkingneming van omvang en economische macht van ondernemingen die lid zijn van ondernemersvereniging en/of profiteren van diensten van stichting die geldboete moet betalen
(EG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
2. Kort geding ° Voorlopige maatregelen ° Voorwerp ° Vordering dat Commissie wordt gelast partij toegang te verlenen tot dossier van haar betreffende procedure op gebied van mededinging ° Uitgesloten
(EG-Verdrag, art. 186)
Samenvatting
1. Het risico van ernstige en onherstelbare schade als gevolg van de onmiddellijke betaling van geldboeten die door de Commissie zijn opgelegd aan zowel een ondernemersvereniging als een stichting die dezelfde activiteiten uitoefent en hetzelfde doel heeft als deze vereniging, of het stellen van een bankgarantie dat door de Commissie als alternatief van hen wordt geëist, moet worden beoordeeld met inachtneming van de omvang en de economische macht van de bij de vereniging aangesloten en/of van de diensten van de stichting profiterende ondernemingen.
Het bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde maximum van de geldboete van 10 % van de omzet in het voorgaande boekjaar moet namelijk worden berekend op basis van de omzet die is behaald door elk van de ondernemingen die partij is bij de betrokken overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen en, ingeval de inbreuk wordt gepleegd door middel van een besluit van een ondernemersvereniging, door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersvereniging gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden. Deze vaststelling berust op de gedachte dat de invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, niet afhangt van haar eigen "omzet", die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar wel van de omzet van haar leden, die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt. Wanneer de inbreuk wordt gepleegd door een stichting die niet autonoom optreedt ten opzichte van de ondernemingen die haar vermogen opbrengen, dient rekening te worden gehouden met de financiële capaciteit van de ondernemingen die van de diensten van de stichting profiteren.
2. Een bevel aan de Commissie om een verzoeker toe te staan kennis te nemen van het dossier in de haar betreffende mededingingszaak, maakt in beginsel deel uit van de maatregelen tot organisatie van de procesgang of de instructiemaatregelen, die het Gerecht bevoegd is te nemen, en niet van de voorlopige maatregelen die in het kader van een procedure in kort geding worden genomen. Ingeval de Commissie aan een partij bij de administratieve procedure de toegang tot het dossier heeft ontzegd, dient het Gerecht te beoordelen of het opportuun is om deze partij toegang tot dit dossier te verlenen tijdens de procedure in de hoofdzaak, om de betrokkene in staat te stellen haar verdediging te verzekeren en het Gerecht in staat te stellen, de door haar aangevoerde middelen en argumenten met kennis van zaken te onderzoeken.
Partijen
In zaak T-18/96 R,
Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf, gevestigd te Culemborg (Nederland),
Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven, gevestigd te Culemborg (Nederland),
vertegenwoordigd door M. van Empel, advocaat te Amsterdam, en T. Janssens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 95/551/EG van de Commissie van 29 november 1995 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/34.179, 34.202, 34.216 ° Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf en de Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven) (PB 1995, L 312, blz. 79), alsmede een verzoek om toegang tot het dossier in deze procedure,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 De Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven (hierna: "FNK") is een branche-organisatie die statutair ten doel heeft het verenigen van de Nederlandse kraanverhuurbedrijven in een algemene organisatie, het bevorderen van de ontwikkeling van de Nederlandse kraanverhuurbedrijven, het behartigen van de belangen van de kraanverhuurbedrijven en van haar leden in het bijzonder, en het bevorderen van het onderlinge contact en de onderlinge samenwerking tussen haar leden.
2 De Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf (hierna: "SCK") is een stichting die statutair primair ten doel heeft richtlijnen vast te stellen met betrekking tot de inrichting van het kraanverhuurbedrijf, certificaten af te geven aan de kraanverhuurbedrijven en in het bijzonder aan de leden van FNK, die aan deze richtlijnen voldoen, en te controleren of de houders van deze certificaten de richtlijnen naleven.
3 Op 13 januari 1992 hebben elf kraanverhuurbedrijven, waarvan er negen in Nederland waren gevestigd en twee in België, tegen SCK en FNK een klacht ingediend. Zij verweten deze laatsten inbreuk te hebben gemaakt op de mededingingsbepalingen van het EG-Verdrag, door ondernemingen die niet door SCK zijn gecertificeerd, van de verhuur van mobiele kranen uit te sluiten en door voor de verhuur van kranen vaste prijzen op te leggen.
4 CSK en FNK hebben hun statuten en huishoudelijk reglement op 15 januari respectievelijk op 6 februari 1992 bij de Commissie aangemeld. Beiden verzochten om een negatieve verklaring, subsidiair, een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag.
5 Op 29 november 1995 werd de administratieve procedure voor de Commissie afgesloten door de vaststelling van beschikking 95/551/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag [IV/34.179, 34.202, 34.216 ° Stichting Certificatie Kraanverhuurbedrijf en de Federatie van Nederlandse Kraanverhuurbedrijven (PB 1995, L 312, blz. 79); hierna: "beschikking"].
6 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de leden van FNK een systeem van tarieven gehanteerd dat in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag. In het kader van dit systeem zouden "adviesprijzen" zijn vastgesteld die golden voor de verhuur van kranen aan niet bij FNK aangesloten ondernemingen, alsmede "verrekentarieven" die golden voor het inhuren van kranen tussen bij de federatie aangesloten ondernemingen onderling. Aldus werd het deze ondernemingen mogelijk gemaakt, de prijspolitiek van de concurrenten met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorspellen. De bij FNK aangesloten ondernemingen zouden deze tarieven in onderling overleg en in overleg met FNK zijn overeengekomen en zouden verplicht zijn geweest deze prijzen in acht te nemen, daar bij niet-naleving van de prijzen op grond van artikel 10, lid 1, sub d, van de statuten namelijk ontzetting uit het lidmaatschap kon volgen.
Ter uitvoering van een vonnis in kort geding van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 11 februari 1992, waarbij FNK werd gelast, dit systeem buiten toepassing te laten, is het op 15 december 1979 ingevoerde systeem op 28 april 1992 ingetrokken.
7 Volgens artikel 3 van de beschikking heeft SCK inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door de bij haar aangesloten ondernemingen te verbieden, kranen te huren bij niet aangesloten ondernemingen (artikel 7, tweede streepje, van het huishoudelijk reglement). In de overwegingen van de beschikking merkt de Commissie op, dat deze stichting nagenoeg volledig bestaat uit bij FNK aangesloten ondernemingen. Haars inziens was de toegang van buitenlandse kraanverhuurbedrijven tot de Nederlandse markt bemoeilijkt door de door SCK voor de certificatie gestelde voorwaarden, voor zover deze verband hielden met de bijzondere situatie van de Nederlandse markt. In dit kader zou dit inhuurverbod tot gevolg hebben gehad dat de Nederlandse markt volledig, later nagenoeg volledig gesloten was voor de buiten Nederland gevestigde ondernemingen.
De inbreuk zou hebben geduurd van 1 januari 1991 tot en met 4 november 1993 (met uitzondering van de periode van 17 februari tot en met 9 juli 1992). Aan de inbreuk zou een einde zijn gekomen na een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993, waarbij een vonnis in kort geding van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 6 juli 1993 werd bekrachtigd, waarbij SCK werd gelast het inhuurverbod buiten toepassing te laten.
8 Op basis van onder meer deze overwegingen heeft de Commissie FNK en SCK gelast, onverwijld een einde te maken aan de hun verweten inbreuken (artikelen 2 en 4 van de beschikking) en FNK een geldboete opgelegd van 11 500 000 ECU en SCK van 300 000 ECU (artikel 5 van de beschikking).
9 Bij op 2 februari 1996 neergelegd verzoekschrift hebben FNK en SCK beroep ingesteld, strekkende primair tot de vaststelling dat de beschikking non-existent is, subsidiair tot nietigverklaring van de beschikking en meer subsidiair tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikking, in dier voege dat hun geen enkele boete wordt opgelegd.
10 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben verzoeksters krachtens artikel 185 van het Verdrag enerzijds verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 4 van de beschikking, waarbij SCK wordt gelast het inhuurverbod, als verwoord in artikel 7, tweede streepje, van het reglement van deze stichting buiten toepassing te laten, alsmede van artikel 5 van deze beschikking, waarbij SCK en FNK een geldboete wordt opgelegd. Dienaangaande vorderen verzoeksters te worden ontslagen van de verplichting om deze geldboete onmiddellijk te betalen, alsmede van de verplichting, tot zekerheid van de betaling van deze geldboeten "de zekerheid van een bankgarantie, dan wel andere zekerheid te stellen". Bij dezelfde akte verzoeken zij om voorlopige maatregelen, ertoe strekkende dat de Commissie wordt gelast verzoeksters toegang te verlenen tot de dossiers in de zaken IV/34.179, 34.202 en 34.216.
11 De Commissie heeft haar opmerkingen betreffende onderhavig verzoek in kort geding neergelegd op 20 februari 1996.
12 Partijen zijn in hun mondelinge opmerkingen gehoord op 1 maart 1996.
13 Bij brief van 4 april 1996 heeft SCK afstand van instantie gedaan met betrekking tot het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 4 van de beschikking, voor zover SCK in deze bepaling wordt gelast, het inhuurverbod niet meer toe te passen. De andere petita van hun verzoek hebben verzoeksters gehandhaafd. In haar op 12 april 1996 neergelegde opmerkingen heeft de Commissie akte genomen van deze gedeeltelijke afstand en verzocht dat SCK krachtens de artikelen 99 en 87, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering in de desbetreffende kosten worden verwezen.
In rechte
14 Krachtens de artikelen 185 en 186 van het Verdrag, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21) en bij besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 (PB 1994, L 66, blz. 29), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
15 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de verzoeken om voorlopige maatregelen, als bedoeld in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag, een duidelijke omschrijving van het voorwerp van het geschil bevatten en van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten een voorlopig karakter hebben, in die zin dat zij niet mogen vooruitlopen op de beslissing in de hoofdzaak (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van 22 april 1996, zaak T-23/96 R, Jurispr. 1996, blz. II-0000, r.o. 19).
Argumenten van partijen
16 Wat de fumus boni juris betreft, stellen verzoeksters om te beginnen de non-existentie van de beschikking. Ter zake merken zij op, dat in het dispositief van de beschikking door de Commissie niet wordt beschikt op hun verzoek tot het verlenen van een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, EG-Verdrag, hoewel hierop in de motivering van de beschikking wel wordt ingegaan. Zij betogen dat volgens de rechtspraak van het Gerecht (arrest van 17 september 1992, zaak T-138/89, NBV en NVB, Jurispr. 1992, blz. II-2181, r.o. 31) op welke overwegingen de handeling ook moge berusten, alleen het dispositief ervan rechtsgevolgen kan hebben. Derhalve zou de beschikking non-existent zijn.
17 Subsidiair stellen verzoeksters de nietigheid van de beschikking, in de eerste plaats wegens motiveringsgebrek en bijgevolg wegens schending van artikel 85, leden 1 en 3, van het Verdrag, en in de tweede plaats wegens schending van de rechten van de verdediging.
18 Met betrekking tot het middel betreffende een motiveringsgebrek en een schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag merken de beide verzoeksters op, dat de Commissie ervan uit was gegaan dat in casu de handel tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed in de zin van die bepaling, evenwel zonder rekening te houden met de criteria ter zake, die door het Gerecht in herinnering zijn geroepen in de zaak Parker Pen (arrest van 14 juli 1994, zaak T-77/92, Jurispr. 1994, blz. II-549, r.o. 39 en 40).
Verder betwist SCK, dat zij, zoals in de beschikking is gebeurd, als een onderneming c.q. ondernemersvereniging in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag moet worden aangemerkt. Deze kwalificatie zou indruisen tegen de rechtspraak van het Hof en in het bijzonder tegen de arresten van 23 april 1991 (zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979) en 17 februari 1993 (gevoegde zaken C-159/91 en C-160/91, Poucet en Pistre, Jurispr. 1991, blz. I-637). Vervolgens betoogt zij, dat de voor de aansluiting bij het certificatiesysteem gestelde eisen, in tegenstelling tot hetgeen uit de beschikking blijkt, objectief en non-discriminatoir zijn en uitsluitend zijn gericht op het aangeven van een bepaald niveau van veiligheid en kwaliteit bij de aangesloten ondernemingen.
Volgens FNK spreekt de Commissie ten onrechte van een systeem van tarieven, dat aan de bij de feder
